19 November. De gezondheidstoestand te Boeshir laat veel te wenschen
over: dit is trouwens geen wonder, want nog nimmer zag ik eene zoo
verregaand onzindelijke stad. Dat pleinen tevens tot begraafplaats
dienende, waar de lijken maar even onder den grond worden gestopt, nu
niet juist een bloemengeur verspreiden, evenmin als straten opgevuld
met onreinheden van allerlei aard, met krengen van dieren en rottende
visschen, en doorsneden van open riolen tot afvoer van faecaliën:--nu
dat is eene kleinigheid, die aan bijna alle oostersche steden eigen
is; maar hier is de toestand nog vrij wat erger. Van de huizen worden
alleen de bovenverdiepingen bewoond, en daar afvoerpijpen en buizen
hier onbekend zijn, werpen de bewoners alle denkbare onreinheden,
door middel van houten goten, naar buiten, zoo het heet naar het open
riool in het midden der straat. Hoe ge u ook in acht neemt, ge moogt
van geluk spreken, indien ge aan de volle laag ontsnapt en alleen
maar bespat wordt door het vuil, dat op den grond uitvloeit. Boeshir
is het overigens niet waard, dat ge u de moeite zoudt geven hare
straten te betreden. De stad is van jonge dagteekening en bezit
geen enkel monument dat aandacht verdient-, hare bazars echter zijn
bijzonder levendig. Met groote voorzichtigheid en veel overleg kan
men inderdaad sommige straten met een rijtuig berijden. Op een stevig
gebouwde dogcart gezeten, zijn wij door Boeshir gereden, om den heer en
mevrouw Ross een bezoek te brengen op hun buitenverblijf te Çabs Abad.
Wij reden aanvankelijk langs eene zandige en volstrekt kale kust. Op
acht of tien kilometers afstands van de stad, zijn eenige kooplieden
er met veel moeite in geslaagd, midden in de naakte zandduinen,
armoedige ongelukkige tuintjes aan te leggen, te midden waarvan
de zomerresidentie van den engelschen consul staat. Eenige
beklagenswaardige boompjes in bakken, het uitzicht op de zee,
en bovenal het comfort van een goed ingericht huis, moeten den
consul-generaal vergoeden wat zijn winterresidentie treurigs en
onaangenaams heeft.
Hoezeer wij getroffen waren door de hartelijke ontvangst van kolonel
Ross en zijne echtgenoote, hebben wij toch de uitnoodiging om eenige
dagen te Çabs Abad door te brengen moeten afslaan. De djeloedar van
de karavaan is aangekomen; morgen zullen wij in het bezit zijn van
onze bagage; de stoomboot, die in geregelde dienst tusschen Bombay
en Bassorah vaart, wordt elk oogenblik verwacht: wij moeten ons dus
voor de inscheping gereed maken.
21 November. Gister avond heeft de stoomsloep van het engelsche
consulaat ons aan boord van de _Pendjab_ gebracht. Deze boot, voor
het vervoeren van Oosterlingen bestemd, mist het comfortable, dat men
anders, bij zoo hoogen vrachtprijs, recht zou hebben te verlangen. In
den loop van den nacht is een vrij hevige storm opgestoken; de
_Pendjab_ heeft hare volle lading niet kunnen innemen, en omstreeks
twee uren in den morgen het anker gelicht.
Bij het aanbreken van den dag heb ik mij naar het dek begeven. Wij
voeren nog steeds langs de vlakke, lage, zandige kust van Perzië, ten
eenemale ontbloot van elk spoor van plantengroei en vaalgeel van kleur.
Omstreeks acht uren in den morgen stoomen wij een wijden riviermond,
zoo breed als een zeearm, binnen: dat is de Shatt-el-Arab, gevormd
door de samenvloeiing van den Tigris en den Euphraat; de oevers zijn
zandig en vreeselijk eentonig. Een half uur later stoomt de boot met
volle vaart gelukkig over een bank of drempel, die voor vaartuigen van
meer dan achttien voet diepgang altijd gevaarlijk is. Voorbij die bank,
beginnen de oevers meer tot elkander te naderen; en hoewel de rivier
nog eene breedte heeft van meer dan zes kilometers, bespeurt men toch
langs de zoomen eenigen plantengroei; dan vertoonen zich dwergachtige
palmen, door den zeewind gekromd; straks groeien de eenzame boomen
aan tot groepen, dan, naarmate wij dieper landwaarts indringen,
tot geheele bosschen van palmen. Overigens geene enkele woning,
nergens een spoor van de tegenwoordigheid des menschen. Men zou kunnen
meenen dat de Shatt-el-Arab midden door eene woestijn stroomde, indien
zich niet op de rivier talrijke booten bewogen, die zich in de vele
besproeiingskanalen verliezen. De roeiers zijn gewapend met riemen,
in grootte en vorm vrij wel met een soeplepel overeenkomend; bij wijze
van zeil gebruiken zij hun mantel, dien zij aan een stok uitspannen.
Omstreeks een uur later varen wij langs een groot versterkt vlek,
aan de uitmonding van den Karoen. Mohammerah, zoo heet dit stedeke,
werd in 1856 door de Engelschen genomen, en vervolgens bij de
regeling der grenzen tusschen Turkije en Perzië, aan dat laatste rijk
teruggegeven. De ontmantelde aarden wallen vertoonen nog de sporen
der engelsche bommen.
Een eind voorbij Mohammerah liet de gezagvoerder van de _Pendjab_,
op ons verzoek, eene boot uitzetten, die ons naar het armoedige dorp
Feliëh bracht, waar een sheikh woont, voor wien Çahabi-Divan ons
bijzonder dringende aanbevelingsbrieven heeft mede gegeven. Op onze
vraag of hier eene karavanserai was, bracht men ons rechtstreeks naar
de woning van den sheikh.
Reeds dadelijk bij het binnentreden krijgt men den indruk van
gastvrijheid: rondom eene reusachtige koffiekan, op de heete asch
geplaatst, zitten en liggen zeelieden, soldaten en toefangtsjis;
elke vreemdeling, die den drempel overschrijdt, ontvangt uit handen
van een opzettelijk daartoe gestelden bediende, eene kop koffie. Al
deze lieden onderscheiden zich door hun voorkomen, hunne kleeding
en hunne taal van de Perzen: aan hunne lange gandoerah, hunne abba,
aan hun hoofddoek met een dik koord van kemelshair omwonden, herkent
men in hen onmiddellijk Arabieren van Hedjaz.
Uit dit voorhuis, dat altijd vol menschen is, komen wij op eene
groote ruime binnenplaats, omringd door lage gebouwen uit aarde en
palmtakken opgetrokken. Rechts zijn twintig of dertig bedienden bezig
met het schoonmaken van groenten, het bereiden van vleesch en het
koken van spijzen in acht reusachtige ketels, waardige genooten van de
koffiekan. Trouwens, wanneer de arabische opperhoofden die onder eene
galerij hunne pijp rooken, de derwisjen die te midden van een troep
welgewapende soldaten staan te redeneeren, de slapers die in alle
hoeken op den grond zijn uitgestrekt,--wanneer al deze lieden gevoed
moeten worden, dan zullen de acht ketels nauwelijks voldoende zijn.
Een oude intendant brengt ons naar eene zeer zindelijke kamer.--"Zoodra
de sheikh van de jacht zal zijn teruggekeerd, zal ik hem mededeelen
dat Allah hem gasten gezonden heeft, zegt hij, gereed om heen te gaan.
--Is de sheikh dan niet krank? Is dan deze brief van den gouverneur
niet aan hem gericht?
--Mijn arme meester is niet meer. Voor omstreeks veertien dagen heeft
Allah hem tot zich geroepen; maar zijn zoon Moses zal ongetwijfeld
handelen overeenkomstig hetgeen van zijn vader werd verwacht."
Tegen zonsondergang komt het gansche huis in rep en roer: uit alle
vertrekken komen haastig bedienden toeloopen. Derwisjen, toefangtsjis,
soldaten, zeelieden, zij allen sluiten zich bij de bedienden aan,
spoeden zich naar den ingang en scharen zich in twee rijen, om
den heer des huizes te ontvangen. Een man in de kracht des levens,
met een streng gebiedend voorkomen, treedt binnen; hij wordt gevolgd
door een jonkman van zeventien of achttien jaren, wiens fijn besneden
gelaatstrekken zijn arabisch bloed verraden; beiden dragen lange zwarte
gewaden, benevens abbas (mantels) en tulbanden van dezelfde kleur,
zonder eenig sieraad hoegenaamd. Dit is sheikh Moses en zijn jongste
broeder, beiden in zwaren rouw over hun vader. Achter hem volgt een
zeer schoone knaap, die met de zorg voor de kalyan (pijp) is belast.
Alvorens zich naar zijne vertrekken te begeven, richt de sheikh zijne
schreden naar de kamer waar wij ons bevinden. Na wisseling van de
gebruikelijke beleefdheden, neemt hij den brief, waarin Çahabi Divan
hem, of eigenlijk zijn vader, verzoekt, mijn echtgenoot te helpen om
naar Susiane te kunnen gaan. Hij deelt ons daarop mede, dat hij zoo
gelukkig is, eene stoomsloep tot onze beschikking te kunnen stellen,
waarmede wij den Karoen kunnen opvaren tot Ahvas, op vijf dagreizen
afstands van Dissoel. Ongelukkig is de boot op het oogenblik niet
goed bruikbaar; maar onze gastheer verklaart dat hij haar in orde
zal laten brengen, en voegt er heengaande bij, dat hij hoopt dat wij
langen tijd zijne gasten zullen zijn.
Zoo als ik, bij het binnentreden der woning, al dadelijk had
vermoed, is sheikh Moses het hoofd van een der machtigste stammen
van Arabistan. In minder dan veertien dagen kan hij tienduizend
krijgslieden, met uitmuntende amerikaansche geweren gewapend, op de
been brengen; ook bezit hij twee stoombooten, die de produkten van
zijne uitgestrekte goederen naar Indië vervoeren. Eigenlijk had,
naar mohammedaansch recht, niet hij de waardigheid en de fortuin
van zijn vader moeten erven; maar de Shâh, in deze gebruik makende
van zijn souverein recht, heeft hem al de rechten en privilegiën van
den ouden sheikh verleend, ten nadeele van een ouderen broeder, die
het raadzaam heeft geacht te vluchten. Al deze bijzonderheden worden
mij medegedeeld door den onder-gouverneur van Arabistan, die, naar ik
vermoed, hierheen is gekomen om te onderhandelen over den prijs van een
firman, waarbij de positie van den nieuwen sheikh moet worden geregeld.
22 November.--Dezen morgen hadden wij een lang bezoek van sheikh
Moses, die weldra zijn hart voor ons uitstortte. Hij heeft een
waren hartstocht voor paarden en fraaie wapenen, die hij dan ook in
overvloed bezit; maar zijn geluk wordt verstoord door de gedachte
dat hij zijn laatsten broeder naar Teheran moet zenden. De Koning
heeft den wensch te kennen gegeven, dat hij voor de toekomst van
dien jonkman wilde zorgen; maar Moses begrijpt zeer goed, dat het
den Shâh te doen is om een gijzelaar, ten einde zeker te zijn van
de trouw van zijn vazal. De scheiding valt hem des te smartelijker,
omdat het Allah niet heeft behaagd, zijne vele huwelijken te zegenen
en hem een erfgenaam te schenken.
"Hoeveel vrouwen hebt gij dan wel? vroeg ik aan den sheikh, toen hij
gereed stond afscheid van ons te nemen.
--Tien.
--Dat is niet veel; ik zou ten minste de twee dozijn vol maken,
antwoordde ik lachende.
--Mijn anderoen is inderdaad onbeteekenend, in vergelijking met dien
van mijn buurman, den sheikh van Kara Sala, welke honderd-veertig
vrouwen van allerlei leeftijd en allerlei nationaliteit bevat;
maar als ik aan de rust van mijn leven denk, is mijn anderoen toch
talrijk genoeg."
Nadat dit bezoek was afgeloopen, stelde de onder-intendant mij voor,
den harem van zijn meester te gaan zien, welk voorstel ik mij haastte
aan te nemen. Na eene wandeling over verscheidene terrassen van
ongelijke hoogte, door verlaten kamers en zalen, kwam ik op eene
kleine binnenplaats, door zeer armoedige kamers omgeven. In eene
daarvan, welke noch gewit noch van tapijten voorzien was, lag eene
in het zwart gekleede vrouw, de meest begunstigde echtgenoote van
den overleden sheikh. Ter zake van den rouw, heeft zij het luchtige
vertrek, dat zij gedurende het leven van haar gemaal bewoonde,
verlaten, om zich in dit somber verblijf op te sluiten.--Na met enkele
woorden te hebben gesproken van het ongeluk, dat haar getroffen had,
rees Torkan-Khanoem op van haar bed van palmbladeren, en noodigde
mij uit haar te volgen naar de vertrekken op de eerste verdieping,
waar zij mij beter zou kunnen ontvangen, dan in dit aan smart en rouw
gewijd verblijf. Dit gezegd hebbende, klapte zij in hare handen,
waarop een aantal vrouwelijke bedienden verschenen, aan wie nu de
last werd opgedragen, den harem van mijne komst te verwittigen.
De officieele salon is, als de receptiekamers in den biroen, gemeubeld
met tapijten, kussens, pendules van nagemaakt brons, kunstbloemen onder
glazen stolpen. Wij waren nauwelijks sedert vijf minuten gezeten, toen
verschillende vrouwen achtervolgens binnenkwamen, op Torkan-Khanoem
toetraden, haar op het voorhoofd kusten, en vrede, gezondheid en geluk
toewenschten; vervolgens gingen zij, na elkander toegeknikt te hebben,
op eene rij langs den muur op den grond zitten. De gemalinnen en
bijzitten van sheikh Moses zijn gekleed met lange hemden van zwarte
wol, die tot op de voeten afhangen, en wijde pantalons, die om de
enkels zijn saamgesnoerd. Torkan-Khanoem draagt op het hoofd een doek
van zwart gaas, die haar gelaat onbedekt laat en een paar malen om
den hals is gewonden. De oudere dames hebben hetzelfde hoofddeksel,
maar de mond en het benedenste gedeelte van het gelaat is bij haar
door een sluier bedekt. De jonge dames hebben een zeer elegant
voorkomen; zij zijn rijzig en welgemaakt van gestalte en weten zich
met onvergelijkelijke kunst in haar leelijke jurken te drapeeren. De
voeten, de handen en het voorhoofd zijn bedekt met blauw getatoeëerde
figuren; de met edelgesteenten versierde neusringen hebben zij als
teeken van rouw afgelegd.
De eigenaardige type van Torkan-Khanoem, haar ongeschonden neus, de
gemakkelijkheid waarmede zij al wat ik zeg in het arabisch vertaalt,
haar eerste vraag tot mij: "spreekt gij russisch?"--hadden mijne
nieuwsgierigheid geprikkeld. Bij het terugkeeren uit den harem vroeg ik
aan mijn geleider eenige nadere inlichtingen omtrent zijne beminnelijke
meesteres. "Zij is eene Circassische, antwoordde hij; mijn meester
kocht haar, omstreeks vijftien jaar geleden, te Constantinopel. Hij
verhief haar tot den rang van favorite, en heeft haar steeds bewijzen
van liefde en genegenheid gegeven, hoewel zij hem geen kinderen
heeft geschonken. Torkan-Khanoem is zeer knap: zij heeft te Tiflis
lezen en schrijven geleerd; zij spreekt met evenveel gemak perzisch
en arabisch als turksch en russisch. Zij oefent een zeer machtigen
invloed uit, niet alleen in den harem, maar op den geheelen stam; in
alle belangrijke zaken wordt zij gekend; en dat de in een anderoen
altijd zoo moeielijk te handhaven vrede in ons huis steeds bewaard
bleef, is wel in de eerste plaats hieraan te danken, dat geene enkele
vrouw ooit haar gezag durfde betwisten of de juistheid en billijkheid
van haar oordeel miskennen.
Als eene merkwaardige bijzonderheid teeken ik op, dat hier de
mannelijke bedienden toegang tot den harem hebben, zonder dat de
khanoems zich daaraan ergeren of er aan denken, haar gelaat te
bedekken.
23 November.--Ik ben nog geheel van mijn streek van mijn tweede bezoek
bij Torkan-Khanoem. Ik deed mijn best om eene kolossale japon van
prachtige zwarte zijde te bewonderen, die de favorite naar de laatste
europeesche mode van Bagdad had laten maken, toen eensklaps een luid
gebrul naast mij weerklonk; ik keer mij om en zie een prachtigen
panter vlak voor mij.
"Kom hier, Oerida (Roosje)", roept Torkan-Khanoem.
De panter richt zich op en legt zich langzaam neder voor de voeten
zijner meesteres, maar blijft mij steeds met wantrouwende blikken
aanstaren.
"Hij is een lam, eene duif", zegt Torkan-Khanoem, terwijl zij het
beest in hare armen neemt en op mijn schoot duwt, zooals zij het een
katje zou doen. Roosje heeft echter blijkbaar weinig sympathie voor
Christenen en beantwoordt mijne beschroomde en stellig zeer linksche
liefkoozingen met een dof gebrom. Bij een blik op die ivoorwitte tanden
bevangt mij een onwederstaanbare aandrang om weg te loopen en mijn arm
weerloos persoontje in veiligheid te brengen tegen de kennismaking
met de nagels of de tanden van dit vreemdsoortig huisdier; maar ik
laat mijn angst niet merken en prijs, nauwelijks wetende wat ik zeg of
doe, de veelzijdige talenten van Oerida. Dit lieve diertje kan pootjes
geven, zich al brullende, met uitgestoken nagels over den grond rollen,
dood liggen, de hand zijner meesteresse lekken, en eindelijk op een
kussen gaan zitten, als wilde hij deel nemen aan het gesprek.
Oerida munt niet alleen uit door zijn verstand, onder zijn gevlekte
huid klopt een gevoelig en dankbaar hart.--Ruim drie weken geleden,
toen de oude sheikh zijn einde voelde naderen, wilde hij de
tenten verlaten waar hij den zomer had doorgebracht en naar Feliëh
terugkeeren. Men brak haastig op, in de verwachting spoedig weer in
het kamp te zullen zijn: de panter bleef achter, onder de hoede van
zijn oppasser. Aanvankelijk deed hij niets dan huilen en jammeren,
vervolgens weigerde hij alle voedsel en liet den oppasser zijne tanden
zien. Daar de toorn van het dier met den dag klom, deed de oppasser hem
eindelijk eene ijzeren ketting om den hals en bracht hem naar Feliëh,
waar de panter, bij het weerzien zijner meesteresse, uitgelaten van
blijdschap was. Deze genegenheid van Oerida voor Torkan-Khanoem heeft
overigens niets bijzonders: de panters van de oevers van den Karoen
en den Shatt-el-Arab, zoo woest en gevaarlijk als zij in vrijheid
rondzwerven, laten zich zeer gemakkelijk temmen, en hechten zich dan
aan den mensch met al de trouw van een hond.
Maar ondanks de bewondering, die ik voor de edele hoedanigheden
van Oerida mocht koesteren, was ik toch hartelijk blijde toen ik
den anderoen mocht verlaten. Mijne schoone gastvrouw wilde mij
in persoon naar den biroen terug brengen en mij tevens den tuin
laten zien, die zich over de geheele breedte van het huis langs
den Tigris uitstrekt. Toen wij door het dorp gingen, trof mij de
houding der bevolking jegens de favorite, die hier als eene koningin
te midden van haar hof leeft: mannen, vrouwen, kinderen, kwamen
toeloopen om haar te groeten, den zoom van haar gewaad of haar hand
te kussen. Torkan-Khanoem liet zich al deze huldeblijken met zekere
trotsche onverschilligheid welgevallen, en wij bereikten den tuin. De
bananen, palmen en oranjeboomen staan zoo dicht op elkaar en zijn
zoo dicht saamgegroeid, dat men door hunne takken den hemel niet zien
kan. Er is noch een grasperk, noch een laan of pad; de grond is bekleed
met schraal en mager gras, dat kwijnt door gemis van licht en lucht;
oranjeappelen van allerlei soort en grootte groeien in menigte boven
uw hoofd en binnen het bereik uwer hand.
Na het ontbijt gingen wij ons dagelijksch bezoek brengen aan ons
stoombootje: als naar gewoonte lag het eenzaam en verlaten. Van de
wandeling teruggekeerd, ging Marcel zijne opwachting maken bij den
sheikh, en vroeg hem, of hij er wel aan dacht, de boot in orde te
laten brengen.
"Zoudt ge dan nu reeds willen vertrekken? vroeg hij met groote
verbazing; ik had gehoopt, u hier nog eenige maanden te houden;
daarom heb ik den timmerman van Bassorah nog niet gewaarschuwd."
De verwondering van sheikh Moses is wel begrijpelijk: sommigen van
zijne gasten, die zoowat een jaar geleden de gastvrije woning binnen
gingen om een kop koffie te drinken, vonden de mokka zoo naar hun
smaak, dat zij er nog niet van konden scheiden. En de gastheer denkt
er natuurlijk niet aan, hen weg te zenden.
"Ik stel uwe vriendelijkheid zeer op prijs, maar ik kan en mag mijn
verblijf onder uw dak niet langer rekken, antwoordde mijn echtgenoot,
wien dit wachten begon te vervelen, hoewel hij zeer vriendschappelijke
betrekkingen had aangeknoopt met een beroemd theoloog, den overste van
de Aleakhs van Teheran, die sedert den vorigen winter bij den sheikh
logeerde.--Indien de reparatie van de boot te lang moest duren, dan
zou ik mij genoodzaakt zien, paarden te huren en de oevers van den
Karoen te volgen.
--Ik zou nooit dulden, dat gij te paard naar Ahvas gingt; ik zou
vreezen, dat gij door de rondzwervende stammen van Arabistan zoudt
worden overvallen en geplunderd. Als zij in onze provincie eene
razzia hebben gehouden, dan trekken zij over de grenzen; als zij
in Turkije eene karavaan hebben geplunderd, nemen zij de wijk naar
Perzië. Zij zijn zeer moeilijk te vangen, en zijn bijna altoos van
straffeloosheid verzekerd. Gij kunt overigens gerust zijn: ik zal nog
heden naar Bassorah schrijven en binnen weinige dagen zal mijne boot
tot uwe beschikking zijn."
De raad van onzen gastheer is goed: wij zullen ons daaraan houden.
24 November.--Toen ik dezen morgen bij Torkan-Khanoem kwam, vond
ik haar in den salon alleen. Ik vroeg haar naar den welstand der
andere dames.
"Al mijne verwanten zijn bij de lijkdienst, die heden gevierd wordt
ter eere van de martelaars Hassan en Hosein.
--Zou ik daar ook bij tegenwoordig kunnen zijn?
--De plechtigheid zal u zeer lang vallen en u vervelen, antwoordde
zij op luchtigen toon; maar zoo gij er op staat, volg mij dan en ga
mede naar de masdjed."
In de benedenverdieping van het huis bevindt zich eene kleine kapel,
waar een geheimzinnige schemering heerscht. Langs den wand zitten
vrouwen neergehurkt, terwijl een jong meisje, met schelle stem,
eene episode voordraagt uit het verhaal van den marteldood der imams.
Torkan-Khanoem treedt binnen, zet zich in het midden van de kapel en
wenkt mij, naast haar plaats te nemen. Ik gehoorzaam, en zit daar nu
midden in eene sjiîtische moskee, tot groote verbazing en ergernis der
hoorderessen, verontwaardigd over deze onbeschaamde ontwijding van het
heiligdom. Rechts en links wordt hoorbaar gefluisterd en gemurmureerd;
de dienst staat stil. Maar Torkan-Khanoem laat zich niet van haar
stuk brengen; op hoogen toon gebiedt zij de lezeres voort te gaan,
en het wordt weer stil.
Naarmate mijne oogen zich aan de duisternis gewennen, bespeur ik
in de schemering een aantal vrouwen, die ik eerst niet gezien
had. Allen hebben haar mantel over het hoofd geslagen, en haar
borst en linker schouder ontbloot; zij slaan daarop, op de maat,
met de palm van haar hand en begeleiden met dit geluid de klagende
tonen van de lezeres. Bij de meest treffende passages, barsten alle
toehoorderessen in luid gejammer uit, en herhalen, snikkend en klagend,
in koor: "Hassan! Hassan! Hassan! Hosein! Hosein! Hosein!" daarbij
zich steeds luider en heftiger op de borst slaande. De oudste vrouwen
maken daarbij natuurlijk het meeste misbaar: eene oude tooverheks,
die zeker niet meer op haar ontvleesde schouders durft slaan, heeft
haar rechter voet op haar linker knie gelegd en trommelt nu met
rusteloozen ijver op haar vereelte zool.
Onder al dat gejammer en gehuil gaat echter de kalyan rustig van hand
tot hand en presenteert eene negerin aan alle aanwezigen een kop
heerlijke koffie. Tusschen twee half gesmoorde zuchten, verklaarde
een jong meisje dat de koffie niet goed warm was, en smeet den inhoud
van haar kopje der negerin in het gezicht. Torkan-Khanoem bestrafte
de nalatige schenkster, en onder al deze incidenten liep de dienst
eindelijk ten einde.
De ontroering der vergadering scheen zoo groot en zoo ongeveinsd,
dat het mij ten uiterste verbaasde, in het volle licht gekomen,
op het gelaat der dames geen spoor van tranen of aandoening te
ontdekken; zij waren allen volmaakt kalm en schenen zeer blijde dat
zij haar gewoon gebabbel weer konden hervatten. Torkan-Khanoem zelve
had de geheele dienst met de grootste onverschilligheid bijgewoond
en zonder eenig teeken van smart of aandoening te geven: blijkbaar
konden Hassan en Hosein haar niets schelen. Zij was trouwens ook
geene echte Mohammedaansche.