De afstand van Aharam tot Boeshir bedraagt niet meer dan acht farsaks,
en toch hebben wij die niet in eene dagreis kunnen afleggen, zoo zeer
hadden de paarden geleden door het drinken van het ongelukkige water,
dat als een sterk purgatief werkte.
Eindelijk bereikten wij het dorp Goerek, waar wij gelukkig drinkbaar
water vonden. Dit dorp bestaat uit hutten, die, zoo als alle woningen
in zuidelijk Farsistan, van palmtakken en bladeren zijn gebouwd;
de straten zijn opgevuld met mooie kinderen, gele honden en zwarte
kippen, allen even schuw. Rondom het dorp strekt zich een vlakte
uit, die met gras en struiken is begroeid. Toch is de bodem hier niet
onvruchtbaar; ook getuigt het voorkomen en de kleeding der dorpelingen
van betrekkelijke welvaart.
De levenswijze van den sheikh van Goerek laat zich het best vergelijken
met die van de groote heeren uit den ouden feodalen tijd: hij kan naar
welgevallen zich het genot gunnen van de jacht, hetzij drijfjacht,
hetzij vederspel: een vermaak, waarop alle Perzen hoogen prijs
stellen, maar dat alleen binnen het bereik valt van stamhoofden, die
machtig en rijk genoeg zijn om er paarden, honden en valken op na te
houden. Vooral de laatsten kosten veel geld. Een goed gedresseerde
giervalk is zeer duur; hunne voeding, bestaande uit gevogelte en
vleesch, vordert betrekkelijk aanzienlijke sommen; bovendien heeft
men voor iederen vogel een valkenier noodig en voor elken valkenier
een paard. Men berekent, dat het onderhoud van elken vogel, met zijn
knecht en zijn paard, gemiddeld tusschen de achthonderd en duizend
francs per jaar kost.
Een vogel, die op zulk een grooten voet leeft, verdient wel dat hij
met zorg wordt opgekweekt: reeds vroegtijdig wordt hij dan ook ter
schole gezonden. Zoodra de jonge valk vliegen kan, leert men hem
om rauw vleesch te gaan weghalen uit de oogholten van een opgezette
gazelle of trapgans. Naar gelang hij behagen begint te krijgen in dit
spel, wordt het lokaas al verder en verder verwijderd, en eindelijk
zoo geplaatst, dat de vogel het niet zien kan als hij op den grond
blijft. Hij stijgt dan omhoog, zoekt met de oogen het opgezette dier
en schiet er pijlsnel op neer. Volwassen zijnde, stort zich de valk
volkomen op dezelfde wijze op het wild en pikt dat de oogen uit, om in
de holte het voedsel te zoeken dat, naar hij meent, daar verborgen is.
Als een valk ter jacht zal gaan, laat men hem een dag vooraf vasten;
op het oogenblik van het vertrek trekt men hem eene met edelgesteenten
versierde kap over den kop en bindt een dunne lederen riem aan een
zijner pooten. De valkenier voorziet zich van een ijzeren stang waaraan
een lederen bal gevestigd is, van een spons en een trom, om den vogel
terug te roepen als hij zich te ver verwijdert; dan zet hij den valk
op zijne met een opgevulden handschoen bekleede vuist, kiest een vlug
paard, en volgt zijn meester in het open veld. Zoo ontmoetten wij
den sheikh van Goerek, aan het hoofd van een talrijken jachtstoet,
op korten afstand van het dorp. Wel zocht ik te vergeefs naar schoone
edelvrouwen op blanke hakkeneien, naar de dappere ridders, pages
en lijfknechts in schitterende liverei; maar al ontbrak dit alles,
de jacht zelve was er niet minder boeiend en belangwekkend om.
De obarè (eene soort van trapgans), tegen wie de valk was losgelaten,
was zoo groot als eene groote kip. Zoodra zij den vijand gewaar werd,
verhief zij zich moedig in de lucht, in plaats van te trachten zich
op den grond te verbergen. Nu pogen de beide partijen, door steeds
hooger te stijgen, elkander te ontwijken en de beten te ontgaan, die
zij elkaar zoeken toe te brengen; weldra hadden wij de strijders uit
het oog verloren. Maar, daar worden opnieuw twee stippen, hoog in de
lucht, zichtbaar. De gevleugelde worstelaars vliegen naast elkander,
snavel tegen snavel, klauwen tegen klauwen. Doch de strijd is te
ongelijk; zij dalen en dalen; de trapgans is uitgeput, terwijl de
valk nog in het bezit is van zijn volle kracht. Eensklaps omklemt hij
zijne prooi, die eene laatste wanhopige poging doet om te ontsnappen;
de beide vogels, een verwarde massa van opgezette vederen, strijken
neder op den grond. De trapgans is overwonnen en blind.
Zoodra hij zich van zijne prooi heeft meester gemaakt, zou de valk die
geheel verslinden, wanneer de jager hem die niet kwam ontrukken. Maar
de overwinnaar heeft recht op den kop en de lever van elk stuk wild; en
indien deze belooning hem onthouden werd, zou de vogel, die juist niet
door onbaatzuchtigheid schijnt uit te munten, niet langer willen jagen.
De valk is gulzig, maar hij mist volharding. Overkomt het hem eenige
malen achtereen, dat hij zijne prooi niet gewaar wordt of dat zij
hem ontsnapt, dan keert hij in zeer onvriendelijke gemoedsstemming
naar zijn meester terug, en blijft doof voor alle vermaningen en
aansporingen. De uitkomst van de jacht hangt dus meestal af van de
behendigheid, waarmede den valk de kap wordt afgenomen, en de vlugheid,
waarmede hij losgelaten wordt.
Doch ook de sterkste, de best gedresseerde, de best bestuurde giervalk
is nog niet altijd overwinnaar. De oude trapganzen, uitgeleerd in
krijgslisten, maken hem dikwijls te schande. Wanneer zij te vergeefs
beproefd hebben, den vijand onder zich te krijgen, veinzen zij soms
eensklaps groote vermoeidheid, laten zich op haar vleugels drijven
en bespieden het oogenblik, waarop de vijand, meenende dat zij geen
weerstand kunnen bieden, zich op haar gaat werpen. Dan, plotseling
eene wending makende, spuiten zij hem een straal drek tegen den kop,
die hem verblindt en zoo van zijn stuk brengt, dat hij zich als een
steen op den grond laat vallen. Gebeurt dit, dan moet de valkenier
den vogel zoo spoedig mogelijk met de spons reinigen en hem naar
huis brengen, want na zulk een ongeval wil hij dien dag niet meer
den strijd aanbinden.
Men gebruikt den valk niet alleen om vogels of hazen te vangen; de
grootere giervalken worden ook bij de jacht op groot wild, met name
op de gazellen, gebezigd. De ruiters zetten eerst het wild na met
zeer vlugge hazewinden, onder den naam van _tazi_ bekend; beginnen
de honden vermoeid te raken, dan ontkapt de valkenier zijn vogel. De
valk schiet als een bliksemstraal neder op den kop der gazelle en
pikt haar de oogen uit, zoodat zij den jagers in handen valt.
Boeshir, 16 November.--De vlakte van Goerek is van de zee gescheiden
door duinen van los stuifzand, waarin onze ongelukkige paarden en
muilezels schier tot de knieën wegzinken. Heeft men die duinen achter
den rug, dan komt men aan een uitgestrekt moeras, dat met de grootste
moeite moet doorwaad worden. Maar Boeshir rijst voor onze oogen uit
de golven op, en dit gezicht geeft ons nieuwen moed.
Boven een met torens voorzienen muur vertoonen zich huizen van eenige
verdiepingen en gekroond met eigenaardige toestellen, ik mag wel zeggen
torens, bestemd om den wind op te vangen. Deze eigenaardige bouwtrant,
in harmonie met het klimaat en de grondgesteldheid van de zuidkust
van Perzië, geeft aan de stad een voorkomen, geheel afwijkende van
dat der steden in het binnenland. Boeshir, tusschen de zee en lage
moerassige gronden gelegen, is natuurlijk vochtig en ongezond. De
inwoners bezigen dus de benedenverdieping hunner huizen als kelder,
en gebruiken alleen de bovenkamers en vertrekken, die aan alle vier
zijden groote openslaande vensters hebben. Om zooveel mogelijk de
vochtige en zware lucht, die de hitte letterlijk ondragelijk maakt,
buiten te sluiten, opent men alleen de vensters aan den kant van waar
de wind komt.
Eer wij de stad zelve binnen gaan, rijden wij langs de haven, die
ondiep is en waarin wij slechts hier en daar enkele visschersschuiten
zien liggen. Nabij de poort der stad liggen op het strand vier booten,
of liever vier onttakelde kielen zonder zeilen of tuigage. Brengt hun
uw eerbiedigen groet: dit toch is de koninklijke vloot van Perzië,
die hier sedert jaren ligt te rotten op het strand van Boeshir. Na
een blik geworpen te hebben op deze eerwaardige overblijfselen
eener marine, die nimmer de zeeën met haar glorie heeft vervuld,
begeven wij ons rechtstreeks naar het paleis van den gouverneur Mirza
Mohammed Moestafi Nizam, die zeer bevriend is met dokter Tolozan
en aan wien wij dus zoo spoedig mogelijk onze introductiebrieven
wenschen ter hand te stellen. Gedurende ons bezoek bij den hakem,
zochten de gerechtsdienaars een onbewoond huis op en lieten onze
bagage daarheen overbrengen; weldra gingen wij ook zelven bezit nemen
van onze nieuwe woning.
Aan ruimte ontbreekt het ons niet: een geheel regiment zou in ons huis
plaats kunnen vinden. Van het terras overziet men de stad, de vlakte
van Goerek, de zee, en geheel aan den horizon, de schemerende masten
van twee engelsche schepen. In werkelijkheid is er te Boeshir noch
eene reede, noch eene haven; de stoombooten van grootere afmetingen
kunnen voor de stad niet ankeren, maar moeten het anker uitwerpen
op een afstand, dien de inlandsche zeil- of roeibooten in geen twee
uren kunnen afleggen. Wanneer de wind tegen is, zijn de schepen
dikwijls genoodzaakt zee te kiezen, zonder hunne lading geheel te
kunnen innemen. De kustvaarders met een diepgang van drie of vier
voet zouden zich in de kreek, die tot haven dient, kunnen wagen;
maar daar er geen boeien zijn, zouden zij gevaar loopen bij harden
wind uit het noordwesten op het strand geworpen te worden.
Naar de gouverneur mij mededeelde, zou de Shâh Zadeh Zelleh Sultan
het voornemen hebben opgevat, om te Boeshir een hoofd en eene kaai
te laten maken, waar kleinere vaartuigen zouden kunnen aanleggen,
maar uit vrees, de achterdocht van den koning, zijn vader, op te
wekken, heeft hij vooreerst daarvan afgezien. Ik vrees, dat er van
de geheele zaak niets komen zal: en toch is Boeshir de eenige haven,
waardoor Perzië in geregelde gemeenschap met Europa zou kunnen treden.
19 November.--Aanvankelijk verkeerden wij in groote ongerustheid over
onze bagage, die wij te Shîraz hebben achtergelaten en die reeds
lang hier had moeten zijn. De gouverneur heeft de vriendelijkheid
gehad, voor ons een onderzoek in te stellen: daaruit is gebleken dat
het vertrek der karavaan was vertraagd, omdat Çahabi-Divan, de ons
welbekende hakem van Shîraz, beslag had gelegd op alle paarden der
provincie, ten behoeve van zijne reis naar het gebergte, waar hij
van de koorts genezen moet. De karavaan is thans echter vertrokken
en weldra zullen wij in het bezit zijn van onze bagage.
Daardoor gerustgesteld konden wij met des te meer smaak aanzitten aan
het prachtige, geheel naar europeesche wijze bereide diner, waarop
de gouverneur ons genoodigd had en waaraan wij alle eer bewezen. Van
tafel opgestaan, begaven wij ons naar den salon: de avonden zijn in dit
jaargetijde te Boeshir te koud en te vochtig, om ze op de terrassen
of platte daken te kunnen doorbrengen. Het gesprek liep voornamelijk
over Frankrijk en over Parijs, waar de hakem eenigen tijd had gewoond
en waarvan hij de aangenaamste herinneringen had medegebracht.
Toen wij ons gereed maakten te vertrekken, werd een telegram
binnengebracht, dat van Teheran kwam en alleen deze woorden bevatte:
"God heeft den çpâhcâlâr tot zich geroepen."
De eeretitel van çpâhcâlâr, overeenkomende met dien van generalissimus
der perzische legers, werd gevoerd door den voorlaatsten minister
van staat, een van de voornaamste en krachtigste figuren aan het
hof van Nasr ed-din. De onverwachte dood van dezen man maakte te
meer indruk omdat de overledene, die van zeer geringe afkomst was,
jaren lang een schier onbeperkt gezag had uitgeoefend.
Zoon van een badstoofhouder te Kazbin, verliet Hoesein-Khan reeds
zeer vroeg de ouderlijke woning, en kreeg, in zeer ondergeschikte
betrekking, eene aanstelling bij de hofhouding van den Shah. Dank
zij zijn vlugheid van begrip, zijn helder verstand en overleg, wist
hij zich al spoedig meer op den voorgrond te dringen en allengs de
aandacht van den koning te trekken, bij wien hij zich zoo aangenaam
wist te maken dat hij eerst tot minister van buitenlandsche zaken en
eindelijk tot eersten minister werd benoemd.
De goede en aangename verstandhouding, waarin hij met de diplomatieke
agenten stond, de sympathie die hij zich had weten te verwerven door
te breken met den traditioneelen eindeloozen sleur en het eeuwig
uitstellen van de oostersche politiek, bewogen den Shâh zijn eersten
minister mede te nemen op zijne reis naar Europa en hem zijn vol
vertrouwen te schenken. Gedurende die reis gebeurde er evenwel iets
van groot gewicht aan het hof te Teheran. Eene zuster van den monarch,
weduwe van den emir Nizam, trad in het huwelijk met Ya-Ya-Khan, den
broeder van den çpâhcâlâr. Naar het schijnt, was de koning met deze
echtverbindtenis ontevreden: althans van dat oogenblik af leende hij
het oor aan de beschuldigingen en aanklachten, die zijne talrijke
vijanden en benijders niet verzuimden tegen den almachtigen minister
in te brengen.
Bij de troonsbeklimming van keizer Alexander III scheen de Shah
zijne grieven tegen zijn dienaar vergeten te hebben, en droeg hij
hem eene bijzondere zending op, om den nieuwen souverein te gaan
gelukwenschen. De gezant moest tevens den Tsaar een degen ter hand
stellen, waarvan de schede met smaragden was versierd; en aan de
Tsarine een turkoois, waarvan de waarde op twintigduizend francs
werd geschat. Hosein-Khan vroeg geen toelage of vergoeding; hij nam
alle kosten voor zijne rekening; begaf zich met een talrijk gevolg
naar Rusland, vertegenwoordigde op waardige wijze zijn meester, en
keerde naar Perzië terug, in de stellige verwachting dat de Shâh hem
nu weder in gunst zou aannemen.
Nog geen drie dagen waren sedert zijne aankomst te Teheran verloopen,
of hij werd tot gouverneur van Khorassan benoemd en ontving den last om
naar Meshed te vertrekken, vijf-en-twintig dagreizen van de hoofdstad
verwijderd. Hoewel deze betrekking, eene der aanzienlijkste des rijks,
in den regel aan een prins van den bloede wordt gegeven, begreep de
çpâhcâlâr de bedoeling des konings: hij wist dat zijne benoeming met
eene verbanning gelijk stond. Hopende nog de gunst van den Shâh te
kunnen herwinnen, bood hij, naar men zegt, den monarch een millioen
krans aan, indien het hem vergund werd te Teheran te blijven. Tot
antwoord ontving hij het bevel, zich naar zijn post te begeven en
binnen vier dagen de hoofdstad te verlaten. Naar het schijnt, heeft
hij zijne ongenade niet kunnen verkroppen, en heeft het verdriet den
reeds door rusteloozen arbeid en buitensporig genot verzwakten en
uitgeputten man gedood.
Zooveel is zeker, dat zijn dood een diepen indruk maakt. Hosein-Khan
had werkelijk groote diensten aan Perzië bewezen, zoowel door het
aanknoopen van meer rechtstreeksche betrekkingen met Europa, als door
het bevestigen en versterken van de innerlijke eenheid des rijks.