XXXI

De afstand van Aharam tot Boeshir bedraagt niet meer dan acht farsaks,

en toch hebben wij die niet in eene dagreis kunnen afleggen, zoo zeer

hadden de paarden geleden door het drinken van het ongelukkige water,

dat als een sterk purgatief werkte.

Eindelijk bereikten wij het dorp Goerek, waar wij gelukkig drinkbaar

water vonden. Dit dorp bestaat uit hutten, die, zoo als alle woningen

in zuidelijk Farsistan, van palmtakken en bladeren zijn gebouwd;

de straten zijn opgevuld met mooie kinderen, gele honden en zwarte

kippen, allen even schuw. Rondom het dorp strekt zich een vlakte

uit, die met gras en struiken is begroeid. Toch is de bodem hier niet

onvruchtbaar; ook getuigt het voorkomen en de kleeding der dorpelingen

van betrekkelijke welvaart.

De levenswijze van den sheikh van Goerek laat zich het best vergelijken

met die van de groote heeren uit den ouden feodalen tijd: hij kan naar

welgevallen zich het genot gunnen van de jacht, hetzij drijfjacht,

hetzij vederspel: een vermaak, waarop alle Perzen hoogen prijs

stellen, maar dat alleen binnen het bereik valt van stamhoofden, die

machtig en rijk genoeg zijn om er paarden, honden en valken op na te

houden. Vooral de laatsten kosten veel geld. Een goed gedresseerde

giervalk is zeer duur; hunne voeding, bestaande uit gevogelte en

vleesch, vordert betrekkelijk aanzienlijke sommen; bovendien heeft

men voor iederen vogel een valkenier noodig en voor elken valkenier

een paard. Men berekent, dat het onderhoud van elken vogel, met zijn

knecht en zijn paard, gemiddeld tusschen de achthonderd en duizend

francs per jaar kost.

Een vogel, die op zulk een grooten voet leeft, verdient wel dat hij

met zorg wordt opgekweekt: reeds vroegtijdig wordt hij dan ook ter

schole gezonden. Zoodra de jonge valk vliegen kan, leert men hem

om rauw vleesch te gaan weghalen uit de oogholten van een opgezette

gazelle of trapgans. Naar gelang hij behagen begint te krijgen in dit

spel, wordt het lokaas al verder en verder verwijderd, en eindelijk

zoo geplaatst, dat de vogel het niet zien kan als hij op den grond

blijft. Hij stijgt dan omhoog, zoekt met de oogen het opgezette dier

en schiet er pijlsnel op neer. Volwassen zijnde, stort zich de valk

volkomen op dezelfde wijze op het wild en pikt dat de oogen uit, om in

de holte het voedsel te zoeken dat, naar hij meent, daar verborgen is.

Als een valk ter jacht zal gaan, laat men hem een dag vooraf vasten;

op het oogenblik van het vertrek trekt men hem eene met edelgesteenten

versierde kap over den kop en bindt een dunne lederen riem aan een

zijner pooten. De valkenier voorziet zich van een ijzeren stang waaraan

een lederen bal gevestigd is, van een spons en een trom, om den vogel

terug te roepen als hij zich te ver verwijdert; dan zet hij den valk

op zijne met een opgevulden handschoen bekleede vuist, kiest een vlug

paard, en volgt zijn meester in het open veld. Zoo ontmoetten wij

den sheikh van Goerek, aan het hoofd van een talrijken jachtstoet,

op korten afstand van het dorp. Wel zocht ik te vergeefs naar schoone

edelvrouwen op blanke hakkeneien, naar de dappere ridders, pages

en lijfknechts in schitterende liverei; maar al ontbrak dit alles,

de jacht zelve was er niet minder boeiend en belangwekkend om.

De obarè (eene soort van trapgans), tegen wie de valk was losgelaten,

was zoo groot als eene groote kip. Zoodra zij den vijand gewaar werd,

verhief zij zich moedig in de lucht, in plaats van te trachten zich

op den grond te verbergen. Nu pogen de beide partijen, door steeds

hooger te stijgen, elkander te ontwijken en de beten te ontgaan, die

zij elkaar zoeken toe te brengen; weldra hadden wij de strijders uit

het oog verloren. Maar, daar worden opnieuw twee stippen, hoog in de

lucht, zichtbaar. De gevleugelde worstelaars vliegen naast elkander,

snavel tegen snavel, klauwen tegen klauwen. Doch de strijd is te

ongelijk; zij dalen en dalen; de trapgans is uitgeput, terwijl de

valk nog in het bezit is van zijn volle kracht. Eensklaps omklemt hij

zijne prooi, die eene laatste wanhopige poging doet om te ontsnappen;

de beide vogels, een verwarde massa van opgezette vederen, strijken

neder op den grond. De trapgans is overwonnen en blind.

Zoodra hij zich van zijne prooi heeft meester gemaakt, zou de valk die

geheel verslinden, wanneer de jager hem die niet kwam ontrukken. Maar

de overwinnaar heeft recht op den kop en de lever van elk stuk wild; en

indien deze belooning hem onthouden werd, zou de vogel, die juist niet

door onbaatzuchtigheid schijnt uit te munten, niet langer willen jagen.

De valk is gulzig, maar hij mist volharding. Overkomt het hem eenige

malen achtereen, dat hij zijne prooi niet gewaar wordt of dat zij

hem ontsnapt, dan keert hij in zeer onvriendelijke gemoedsstemming

naar zijn meester terug, en blijft doof voor alle vermaningen en

aansporingen. De uitkomst van de jacht hangt dus meestal af van de

behendigheid, waarmede den valk de kap wordt afgenomen, en de vlugheid,

waarmede hij losgelaten wordt.

Doch ook de sterkste, de best gedresseerde, de best bestuurde giervalk

is nog niet altijd overwinnaar. De oude trapganzen, uitgeleerd in

krijgslisten, maken hem dikwijls te schande. Wanneer zij te vergeefs

beproefd hebben, den vijand onder zich te krijgen, veinzen zij soms

eensklaps groote vermoeidheid, laten zich op haar vleugels drijven

en bespieden het oogenblik, waarop de vijand, meenende dat zij geen

weerstand kunnen bieden, zich op haar gaat werpen. Dan, plotseling

eene wending makende, spuiten zij hem een straal drek tegen den kop,

die hem verblindt en zoo van zijn stuk brengt, dat hij zich als een

steen op den grond laat vallen. Gebeurt dit, dan moet de valkenier

den vogel zoo spoedig mogelijk met de spons reinigen en hem naar

huis brengen, want na zulk een ongeval wil hij dien dag niet meer

den strijd aanbinden.

Men gebruikt den valk niet alleen om vogels of hazen te vangen; de

grootere giervalken worden ook bij de jacht op groot wild, met name

op de gazellen, gebezigd. De ruiters zetten eerst het wild na met

zeer vlugge hazewinden, onder den naam van _tazi_ bekend; beginnen

de honden vermoeid te raken, dan ontkapt de valkenier zijn vogel. De

valk schiet als een bliksemstraal neder op den kop der gazelle en

pikt haar de oogen uit, zoodat zij den jagers in handen valt.

Boeshir, 16 November.--De vlakte van Goerek is van de zee gescheiden

door duinen van los stuifzand, waarin onze ongelukkige paarden en

muilezels schier tot de knieën wegzinken. Heeft men die duinen achter

den rug, dan komt men aan een uitgestrekt moeras, dat met de grootste

moeite moet doorwaad worden. Maar Boeshir rijst voor onze oogen uit

de golven op, en dit gezicht geeft ons nieuwen moed.

Boven een met torens voorzienen muur vertoonen zich huizen van eenige

verdiepingen en gekroond met eigenaardige toestellen, ik mag wel zeggen

torens, bestemd om den wind op te vangen. Deze eigenaardige bouwtrant,

in harmonie met het klimaat en de grondgesteldheid van de zuidkust

van Perzië, geeft aan de stad een voorkomen, geheel afwijkende van

dat der steden in het binnenland. Boeshir, tusschen de zee en lage

moerassige gronden gelegen, is natuurlijk vochtig en ongezond. De

inwoners bezigen dus de benedenverdieping hunner huizen als kelder,

en gebruiken alleen de bovenkamers en vertrekken, die aan alle vier

zijden groote openslaande vensters hebben. Om zooveel mogelijk de

vochtige en zware lucht, die de hitte letterlijk ondragelijk maakt,

buiten te sluiten, opent men alleen de vensters aan den kant van waar

de wind komt.

Eer wij de stad zelve binnen gaan, rijden wij langs de haven, die

ondiep is en waarin wij slechts hier en daar enkele visschersschuiten

zien liggen. Nabij de poort der stad liggen op het strand vier booten,

of liever vier onttakelde kielen zonder zeilen of tuigage. Brengt hun

uw eerbiedigen groet: dit toch is de koninklijke vloot van Perzië,

die hier sedert jaren ligt te rotten op het strand van Boeshir. Na

een blik geworpen te hebben op deze eerwaardige overblijfselen

eener marine, die nimmer de zeeën met haar glorie heeft vervuld,

begeven wij ons rechtstreeks naar het paleis van den gouverneur Mirza

Mohammed Moestafi Nizam, die zeer bevriend is met dokter Tolozan

en aan wien wij dus zoo spoedig mogelijk onze introductiebrieven

wenschen ter hand te stellen. Gedurende ons bezoek bij den hakem,

zochten de gerechtsdienaars een onbewoond huis op en lieten onze

bagage daarheen overbrengen; weldra gingen wij ook zelven bezit nemen

van onze nieuwe woning.

Aan ruimte ontbreekt het ons niet: een geheel regiment zou in ons huis

plaats kunnen vinden. Van het terras overziet men de stad, de vlakte

van Goerek, de zee, en geheel aan den horizon, de schemerende masten

van twee engelsche schepen. In werkelijkheid is er te Boeshir noch

eene reede, noch eene haven; de stoombooten van grootere afmetingen

kunnen voor de stad niet ankeren, maar moeten het anker uitwerpen

op een afstand, dien de inlandsche zeil- of roeibooten in geen twee

uren kunnen afleggen. Wanneer de wind tegen is, zijn de schepen

dikwijls genoodzaakt zee te kiezen, zonder hunne lading geheel te

kunnen innemen. De kustvaarders met een diepgang van drie of vier

voet zouden zich in de kreek, die tot haven dient, kunnen wagen;

maar daar er geen boeien zijn, zouden zij gevaar loopen bij harden

wind uit het noordwesten op het strand geworpen te worden.

Naar de gouverneur mij mededeelde, zou de Shâh Zadeh Zelleh Sultan

het voornemen hebben opgevat, om te Boeshir een hoofd en eene kaai

te laten maken, waar kleinere vaartuigen zouden kunnen aanleggen,

maar uit vrees, de achterdocht van den koning, zijn vader, op te

wekken, heeft hij vooreerst daarvan afgezien. Ik vrees, dat er van

de geheele zaak niets komen zal: en toch is Boeshir de eenige haven,

waardoor Perzië in geregelde gemeenschap met Europa zou kunnen treden.

19 November.--Aanvankelijk verkeerden wij in groote ongerustheid over

onze bagage, die wij te Shîraz hebben achtergelaten en die reeds

lang hier had moeten zijn. De gouverneur heeft de vriendelijkheid

gehad, voor ons een onderzoek in te stellen: daaruit is gebleken dat

het vertrek der karavaan was vertraagd, omdat Çahabi-Divan, de ons

welbekende hakem van Shîraz, beslag had gelegd op alle paarden der

provincie, ten behoeve van zijne reis naar het gebergte, waar hij

van de koorts genezen moet. De karavaan is thans echter vertrokken

en weldra zullen wij in het bezit zijn van onze bagage.

Daardoor gerustgesteld konden wij met des te meer smaak aanzitten aan

het prachtige, geheel naar europeesche wijze bereide diner, waarop

de gouverneur ons genoodigd had en waaraan wij alle eer bewezen. Van

tafel opgestaan, begaven wij ons naar den salon: de avonden zijn in dit

jaargetijde te Boeshir te koud en te vochtig, om ze op de terrassen

of platte daken te kunnen doorbrengen. Het gesprek liep voornamelijk

over Frankrijk en over Parijs, waar de hakem eenigen tijd had gewoond

en waarvan hij de aangenaamste herinneringen had medegebracht.

Toen wij ons gereed maakten te vertrekken, werd een telegram

binnengebracht, dat van Teheran kwam en alleen deze woorden bevatte:

"God heeft den çpâhcâlâr tot zich geroepen."

De eeretitel van çpâhcâlâr, overeenkomende met dien van generalissimus

der perzische legers, werd gevoerd door den voorlaatsten minister

van staat, een van de voornaamste en krachtigste figuren aan het

hof van Nasr ed-din. De onverwachte dood van dezen man maakte te

meer indruk omdat de overledene, die van zeer geringe afkomst was,

jaren lang een schier onbeperkt gezag had uitgeoefend.

Zoon van een badstoofhouder te Kazbin, verliet Hoesein-Khan reeds

zeer vroeg de ouderlijke woning, en kreeg, in zeer ondergeschikte

betrekking, eene aanstelling bij de hofhouding van den Shah. Dank

zij zijn vlugheid van begrip, zijn helder verstand en overleg, wist

hij zich al spoedig meer op den voorgrond te dringen en allengs de

aandacht van den koning te trekken, bij wien hij zich zoo aangenaam

wist te maken dat hij eerst tot minister van buitenlandsche zaken en

eindelijk tot eersten minister werd benoemd.

De goede en aangename verstandhouding, waarin hij met de diplomatieke

agenten stond, de sympathie die hij zich had weten te verwerven door

te breken met den traditioneelen eindeloozen sleur en het eeuwig

uitstellen van de oostersche politiek, bewogen den Shâh zijn eersten

minister mede te nemen op zijne reis naar Europa en hem zijn vol

vertrouwen te schenken. Gedurende die reis gebeurde er evenwel iets

van groot gewicht aan het hof te Teheran. Eene zuster van den monarch,

weduwe van den emir Nizam, trad in het huwelijk met Ya-Ya-Khan, den

broeder van den çpâhcâlâr. Naar het schijnt, was de koning met deze

echtverbindtenis ontevreden: althans van dat oogenblik af leende hij

het oor aan de beschuldigingen en aanklachten, die zijne talrijke

vijanden en benijders niet verzuimden tegen den almachtigen minister

in te brengen.

Bij de troonsbeklimming van keizer Alexander III scheen de Shah

zijne grieven tegen zijn dienaar vergeten te hebben, en droeg hij

hem eene bijzondere zending op, om den nieuwen souverein te gaan

gelukwenschen. De gezant moest tevens den Tsaar een degen ter hand

stellen, waarvan de schede met smaragden was versierd; en aan de

Tsarine een turkoois, waarvan de waarde op twintigduizend francs

werd geschat. Hosein-Khan vroeg geen toelage of vergoeding; hij nam

alle kosten voor zijne rekening; begaf zich met een talrijk gevolg

naar Rusland, vertegenwoordigde op waardige wijze zijn meester, en

keerde naar Perzië terug, in de stellige verwachting dat de Shâh hem

nu weder in gunst zou aannemen.

Nog geen drie dagen waren sedert zijne aankomst te Teheran verloopen,

of hij werd tot gouverneur van Khorassan benoemd en ontving den last om

naar Meshed te vertrekken, vijf-en-twintig dagreizen van de hoofdstad

verwijderd. Hoewel deze betrekking, eene der aanzienlijkste des rijks,

in den regel aan een prins van den bloede wordt gegeven, begreep de

çpâhcâlâr de bedoeling des konings: hij wist dat zijne benoeming met

eene verbanning gelijk stond. Hopende nog de gunst van den Shâh te

kunnen herwinnen, bood hij, naar men zegt, den monarch een millioen

krans aan, indien het hem vergund werd te Teheran te blijven. Tot

antwoord ontving hij het bevel, zich naar zijn post te begeven en

binnen vier dagen de hoofdstad te verlaten. Naar het schijnt, heeft

hij zijne ongenade niet kunnen verkroppen, en heeft het verdriet den

reeds door rusteloozen arbeid en buitensporig genot verzwakten en

uitgeputten man gedood.

Zooveel is zeker, dat zijn dood een diepen indruk maakt. Hosein-Khan

had werkelijk groote diensten aan Perzië bewezen, zoowel door het

aanknoopen van meer rechtstreeksche betrekkingen met Europa, als door

het bevestigen en versterken van de innerlijke eenheid des rijks.

Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887 · 第 30 / 41 题