8 November.--Als alle huizen van Firoez-Abad gadim, is ook dat waarin
wij onzen intrek genomen hebben op antieke ruïnen gebouwd. Dit maakt
het dan ook bijna onmogelijk, de noodige opmetingen en waarnemingen
van de aldus verborgen monumenten te doen. Beter is het te dien
opzichte gesteld met een ander monument, buiten het dorp gelegen, en
dat schier geen enkel punt van vergelijking aanbiedt met de antieke
of moderne gebouwen van Perzië. Dit monument bestaat uit een terras,
waarop een toren is gebouwd van ruim zes-en-twintig ellen hoogte. Een
van buiten aangebrachte trap, waarvan de sporen nog te herkennen zijn,
voerde naar de tinne van dien toren. De treden zijn verdwenen; de tinne
is afgebrokkeld en ingestort ten gevolge van den invloed der lucht,
van zon en regen en van aardbevingen; maar de algemeene ordonnantie
van het gebouw is nog zeer duidelijk te herkennen. Blijkbaar hebben
wij hier een dier torenvormige tempels voor ons, die wij in Babylonië
zullen wedervinden.
Volgens de lokale overlevering zou de toren van Firoez-Abad niets
minder zijn dan de Atesh-ga (vuuraltaar), door Ardeshir Babeghan,
den stichter van de dynastie der Sassaniden, te Djoer opgericht.
Het was ons voornemen niet van hier te vertrekken, zonder ons naar de
nieuwe stad te begeven, die wij in de verte in een krans van groen zien
liggen, om daar onze opwachting te maken bij den machtigen gouverneur
der stammen in de vallei. De ziekte van Marcel heeft echter al onze
plannen in de war gestuurd; zoodat wij, in plaats van zelven te gaan,
den oudsten van onze gholams naar de stad hebben gezonden om onze hulde
te betuigen aan dat gewichtig personage, dat in den omtrek bekend
staat als de Ilkhani. Hij liet ons zeer vriendelijk bedanken en ons
zijn leedwezen betuigen dat hij ons niet had kunnen ontvangen. Hij
zou zich zeer gelukkig hebben gevoeld, indien hij zijne familie aan
ons had mogen voorstellen en ons, als aandenken aan ons verblijf in
Farsistan, een tapijt aanbieden, door de vrouwen van zijn stam geweven.
Deze Ilkhani is een van de machtigste en aanzienlijkste leden dier
aristokratie, die in het zuiden van Perzië genoegzaam alle grondbezit
in handen heeft; maar zijne rijkdommen en zijne macht schenken hem
geen meerdere voorrechten boven anderen. Khans, sheikh en hoe die
heeren verder heeten mogen, zijn allen aan het gezag des konings
onderworpen; maar in hunne hoedanigheid van stamhoofden, zijn zij in
zekeren zin onafzetbaar, met dien verstande namelijk, dat zij alleen
dan uit hunne waardigheid kunnen worden ontzet, wanneer deze met de
daaraan verbonden rechten en privilegiën, op een lid hunner familie
wordt overgedragen. Hierdoor zouden zij feitelijk onafhankelijk kunnen
worden van den Koning; maar de onderlinge twisten en veeten, die deze
heeren verdeden, geven den monarch steeds een middel aan de hand om
hen onderling door elkander in bedwang te houden. Wil hij een zijner
vazallen tuchtigen, dan heeft de Shah daarvoor geen troepen noodig:
hij laat onder de hand een der buren opstoken om het dorp of het kamp
van den ongehoorzame te gaan plunderen. Zulk eene uitnoodiging wordt
altijd met graagte ontvangen en trouw opgevolgd; de verdeeldheid onder
de stammen en hunne hoofden ontvangt nieuw voedsel, en de hakem ziet
de kans schoon om tusschenbeiden te komen en aan de twistende partijen
een zware boete op te leggen.
Wanneer een ket khoda of een khan blijkbaar met opzet nalatig is in
het voldoen der verschuldigde schatting, dan ontbiedt de gouverneur
der provincie in het geheim een der familieleden van den nalatige
naar de hoofdstad. Hij brengt dien broeder of neef de voordeelen
onder het oog, die hij zou kunnen genieten, indien hij de plaats
van den kwaden betaler innam; en het einde van de zaak is, dat de
bloedverwant, natuurlijk tegen voldoening van eene behoorlijke som,
met de waardigheden en rechten van den ander wordt bekleed.
Dergelijke handel is het meest in het nadeel van den stam, die per
slot de dikwijls zeer aanzienlijke kosten betalen moet. Want de hakem
neemt zijne voorzorgen: de nieuwe dignitaris moet, alvorens hij zijne
waardigheid kan aanvaarden, aan den hakem, bij wijze van geschenk of
vereering, eene som ter hand stellen, die somwijlen tweehonderd-duizend
francs kan bedragen: bovendien moet hij een solieden bankier, die
in de hoofdstad woont, aanwijzen als borg voor de geregelde betaling
der belastingen. Is dit alles in orde, dan keert de nieuwe khan naar
zijn dorp terug, van waar zijn voorganger zich voorzichtigheidshalve
verwijderd heeft, ten einde den strop of den gifbeker te ontgaan;
hij neemt bezit van de landerijen en de boomgaarden en behoudt zijne
waardigheid, tot dat de afgezette genoeg middelen bijeen heeft weten te
brengen om zijn gelukkiger mededinger te verdringen en zijne vroegere
rechten terug te koopen.
Onderhandelingen van dezen aard zouden in een land, waar geen kadaster
en geen belasting-kohieren bestaan, zeer moeielijk te voeren zijn,
indien de gouverneurs althans niet in zekere mate wisten wat zij
als belasting kunnen vorderen van elk dorp, dat aan hun gezag is
onderworpen. Deze wetenschap wordt echter hoofdzakelijk geput uit de
mededeelingen en berichten van persoonlijke vijanden en tegenstanders
van den ket khoda.
Deze wijze van behandeling der zaken is de gewone regel. In
buitengewone ernstige gevallen, tracht de hakem de weerspannige
stamhoofden naar de hoofdstad te lokken, waar zij dan gevangen worden
gehouden tot zij de gevorderde som hebben betaald. Ket khoda's en khans
vermijden dan ook zooveel maar eenigszins mogelijk, het bezoeken van
groote steden, vooral van de hoofdstad der provincie. Zijn zij, om
overwegende redenen, genoodzaakt daarheen te gaan, dan slaan zij op
vijf of zes mijlen afstand van de poort hun kamp op; ook verschijnen
zij nooit zonder een gevolg van drie- of vierhonderd welgewapende
ruiters, op wier hulp zij weten in tijd van nood te kunnen rekenen.
10 November.--Wij hebben twee dagreizen noodig gehad om het
gebergte over te trekken, dat ten zuiden de vallei van Firoez-Abad
begrenst. Heden morgen ontmoetten wij een talrijken stam van Iliaten,
die van de hooge plateaux afdaalde naar de lagere, zwoelere vlakten,
waar de kudden nog goede weilanden zullen vinden.
Aan het hoofd van den stoet gaan de geiten en schapen, bewaakt en
voortgedreven door kinderen met ongekamde haren en een woest voorkomen;
vervolgens de jonge veulens en ezels, die door hunne dolle sprongen
en hun weerbarstigheid het hun geleiders bij uitstek lastig maken. Dan
volgt eene andere afdeeling: merriepaarden, schier verdwijnende onder
zakken en bagage, waartusschen de guitige kopjes uitsteken van geitjes
en lammetjes, die nog te jong zijn om de reis te voet af te leggen;
daarna de muildieren, met de tenten en de getouwen voor het weven
van tapijten beladen. Hoog, op den top dezer stapels tronen de hanen
en kippen, die met de pooten zijn vastgebonden, en die, als ervaren
reizigers gewoon aan lange tochten, zeer rustig blijven zitten. Dan
volgen de runderen, niet minder beladen dan de muilezels, en dat
wel met de zwaarste voorwerpen, zooals handmolens om het koren fijn
te malen, vijzels en dergelijken. Deze dingen, met lompen en doeken
bedekt, dienen tevens tot zitplaats voor de kleine kinderen van drie
tot zeven jaar, die met de voeten en met den gordel zijn vastgebonden;
de allerkleinste kindertjes liggen plat op den rug.
Op de gevaarlijkste plaatsen, waar de koeien vaak niets anders kunnen
doen dan zich van de rotsen laten afglijden, maken de moeders de
kinderen los, binden de twee kleinsten met riemen op haar rug vast,
nemen het derde in haar armen en laten de anderen loopen om zelven
een goed heenkomen te zoeken. Is men over dit punt heen, dan herneemt
de karavaan haar marsch, maar op zeer onregelmatige wijs: op de
vaak zeer smalle bergpaden zijn menschen en dieren soms zoo dicht
opeengedrongen, dat zij gevaar loopen in den afgrond te storten;
doch zoodra de weg weer breeder wordt gaat alles weer uit elkaar en
verspreidt de karavaan zich her- en derwaarts.
Bij deze stammen dragen de vrouwen geen sluier: men kan ongehinderd
haar gelaat met forsche breede trekken, haar donkerbruine huid en
hare zeer levendige schoone oogen aanschouwen. De haren zijn op het
voorhoofd kort afgeknipt en hangen in lange krullen langs de slapen
tot op de borst af. Dat eigenaardig kapsel geeft aan deze vrouwen
eene zekere romantische bekoorlijkheid.
De trein besloeg eene lengte van ruim twee uren gaans. Kort nadat
deze stam voorbijgetrokken was, kwamen wij in eene wijde vlakte,
waar een andere stam der Iliaten was gekampeerd. De gholams vonden
bij deze nomaden een grooten voorraad van gestremde melk en kaas,
en noodigden ons uit, af te stijgen en halt te houden.
De tenten dezer nomadenstammen van Farsistan, meer bestemd om tegen de
zon dan tegen de koude te beschermen, munten noch door zindelijkheid,
noch door comfort uit. Zij zijn saamgesteld uit vijf stukken doek,
uit geiten- of kameelenhaar geweven. De vlakke zoldering rust op
palen, die met houten krammen in den grond bevestigd zijn; aan de
zuidzijde wordt de zoom van het tentdoek vastgehouden door steenen
of aarden potten, die elk oogenblik kunnen weggenomen worden; aan de
noordzijde is het doek opgelicht en vormt eene soort van veranda,
waaronder de familie zich in de schaduw nederzet. In een hoek der
tent staat het getouw voor het weven van tapijten. Deze toestel is
hoogst eenvoudig, en ik verwonder mij er nu niet langer over dat de
patronen niet altijd nauwkeurig worden overgenomen en het weefsel
niet altijd zuiver regelmatig is.
De vrouwen arbeiden zonder voorbeeld en zonder anderen leiddraad dan
de traditie. Allen kunnen zij zekere weinig ingewikkelde patronen
uitwerken, waarvan het geheim door de moeder aan de dochter wordt
overgeleverd met de recepten voor het bereiden der kleuren uit
plantaardige bestanddeelen. De kleuren der wollen stoffen, die
rondom de tenten te drogen hangen, zijn buitengewoon duurzaam;
beurtelings aan de zon en den regen blootgesteld, verschieten zij
toch zoo weinig, dat de tapijten, na twee of drie geslachten gediend
te hebben en bij herhaling te zijn gebruikt voor het omwikkelen der
lijken, die uit alle oorden van Perzië naar Kerbela gezonden worden,
naar Europa overgebracht, aller bewondering opwekken en onze kamers
helpen versieren, zonder dat wij een onderzoek instellen naar hunne
vroegere bestemming of ons bekommeren over de meer of minder sterke
kiemen van besmetting die zij bevatten kunnen.
De Perzen willen geene andere dan nieuwe tapijten en zenden ons de
oude verbruikte en half versleten tapijten, waarvan zij niet gediend
believen. Ik kan hun geen ongelijk geven: daar is ongetwijfeld iets
gemaakts en ziekelijks in onze liefhebberij voor versleten en vuile
voorwerpen, en het is niet te verwonderen dat anderen op die manie
spekuleeren en ons bedriegen. Verandering van klimaat is niet voldoende
om de lijkkleeden, die in de mooiste magazijnen te Parijs en te Londen
zijn opgehangen, inderdaad in echte oude tapijten te herscheppen.
Het weven is uitsluitend het werk der vrouwen; meermalen heb ik mannen
wol zien spinnen, maar nooit heb ik een man aan een weefgetouw zien
zitten. De vrouwen der Iliaten zijn trouwens ook in ander opzicht
flink en degelijk en maken zich vrij wat verdienstelijker dan de
perzische vrouwen in de steden; zij bekleeden in het gezin, waar
de polygamie bijna onbekend is, eene eervolle plaats en maken een
waardig gebruik van de vrijheid, die haar gelaten wordt. Ook onder
zedelijk opzicht verdienen zij billijke waardeering: zij willen niets
weten van tijdelijke huwelijken en maken bijna geen gebruik van de
bevoegdheid tot echtscheiding, of liever tot het nemen van een anderen
echtgenoot, want echtscheiding is een begrip dat onafscheidelijk
is van de erkenning van een burgerlijk of godsdienstig wetboek. De
godsdienst dezer stammen is, wel is waar, het islamisme, maar het
is een zeer eenvoudig en elementair islamisme, want bij gebrek aan
mollahs, kennen de nomaden nauwelijks eenige korte gebeden en leven
overigens naar overoude aartsvaderlijke wetten en inzettingen, die
van geslacht op geslacht overgaan.
Nadat wij het kamp verlaten hadden, raakten de gidsen bij herhaling het
spoor bijster, zoodat wij ten gevolge van hunne onhandigheid vijftien
uren achtereen te paard moesten blijven. Wanhopende nog dien eigen
avond een onderkomen te vinden, wilde Marcel den nacht doorbrengen
tusschen dicht kreupelhout, dat ons evenwel geen bescherming kon bieden
tegen den dauw, die hier in de vlakten nabij de Perzische-golf zeer
sterk is. Ik gebruikte de weinige kracht die mij overschoot, om dit
denkbeeld te bestrijden, en de uitkomst bewees dat ik gelijk had:
omstreeks negen uren onderscheidden wij in de duisternis de palmen
van Ferashbad. Eenige oogenblikken later betraden wij het huis van
den naïeb.
Nu waren wij eindelijk in een huis met een stevig dak van palmhout,
hetgeen wij te meer waardeerden omdat wij groote kans hadden geloopen,
des nachts onder den blooten hemel te moeten doorbrengen en alleen
in gedachte te soupeeren. Ook op onze gholams werkte deze onverwachte
verandering in onzen toestand niet minder gunstig en opwekkend dan op
ons zelven. Hunne vroolijkheid uitte zich op zoo luidruchtige wijze,
dat ik, door nieuwsgierigheid geprikkeld, mij naar de kamer begaf,
waar zich de lieden van ons gevolg bevonden. Een man met een zeer
intelligent voorkomen, op eene lage bank van palmbladeren gezeten,
vertelde aan zijn talrijk gehoor, bestaande uit tsjarvadars, boeren,
toeffangtsjis en bedienden, een dier verhalen, waarnaar de Perzen,
als alle Oosterlingen, zoo gaarne luisteren.
Zoodra hij mij bespeurt, houdt de verteller eensklaps op.
"Ga voort, ik zal met genoegen naar u luisteren."
De man aarzelt.
"Breng uw verhaal ten einde, roepen de toehoorders in koor.
--Ik durf niet.
--Waarom niet? vragen de gholams; wees niet bang. Çaheb zal u een
backshish geven.
--Ik kan u de lotgevallen van den derwîsj van Samarkand niet verder
vertellen.
--Vertel ons dan sprookjes van den bazar." En de toehoorders pakken
den redenaar, die van zijn troon was afgedaald en zich onder de schare
had gemengd, bij de schouders en brengen hem met zachten dwang naar
de eereplaats terug. Om zijn geheugen op te frisschen geeft men hem
eene pijp; al rookende bezint hij zich een poos, drinkt daarop een
beker water en begint eindelijk te spreken.
"Op zekeren nacht waren er dieven ingebroken in den bazar van Shîraz,
die, zoo als bekend is, altijd slecht wordt bewaakt, en hadden
den winkel van een koopman in katoen leeg gestolen. De bestolene
ging zich beklagen bij Kerim-Khan. Deze zon van gerechtigheid en
billijkheid beloofde hem dat hij geene moeite zou ontzien om de
schuldigen op te sporen, en dat hij hen naar verdienste straffen
zou. De koopman verwijderde zich, na zich met het aangezicht ter
aarde gebogen en den grond gekust te hebben. Den volgenden morgen
werden de policie-agenten van het paleis op verkenning uitgezonden;
de barbiers en de handelaars in thee werden in verhoor genomen;
maar alle nasporingen bleven vruchteloos. Toen sprak de vezier:
"Het mag niet zijn dat onbeschaamde boeven nog langer de slaven van
Uwe Majesteit tarten. Indien de koning mij daartoe machtiging verleent,
maak ik mij sterk dat ik de dieven zal vinden.
--Die machtiging is u verleend," zeide de vorst tot zijn dienaar.
De minister liet nu, door zijne bedienden, allen van wie hij vermoeden
kon dat zij aan den diefstal schuldig waren, uitnoodigen tot een groot
feest. Zij verschenen allen op het bepaalde uur, het hoofd gedekt
met hunne fraaiste tulbanden, gekleed in hunne prachtigste abbas,
niet weinig trotsch op de eer, dat zij bij een zoo hooggeplaatst man
ter maaltijd waren genoodigd.
Na den vezier hun dank te hebben betuigd voor de eer, aan hun familie
bewezen, begonnen de verheugde gasten van de pillau te smullen,
toen de minister eensklaps uitriep:
"Ziet die onbeschaafde, onwellevende lieden! er zit nog katoen in
hun baard, en zoo durven zij voor mij verschijnen."
Aanstonds brachten de verschrikte dieven hunne hand aan hun gelaat
en verrieden alzoo zich zelven door hunne onbedachtzaamheid.
"Baricallah! baricallah! (bravo!) (bravo!) riepen al de toehoorders.
--Als ik ooit bij een gouverneur ten eten gevraagd word, laat ik
mijne handen in mijne zakken vast naaien, zegt de een.
--Ge zoudt beter doen, uwe lippen op elkaar te laten naaien, herneemt
zijn buurman.
--Chut! stilte! laat Ali spreken."
Eene vrouw van lagen stand begaf zich naar het bad zonder geleide. Een
man volgde haar hardnekkig en liep vlak achter haar.
"Waarom loopt gij voortdurend achter mij? vroeg zij, zich omkeerende.
--Omdat ik op u verliefd ben geworden.
--Waarom zijt gij op mij verliefd geworden?
--Gij zijt van rozen en leliën gemaakt; voor geheel mijn leven zijn
mijne oogen als vastgehecht aan uw bevallig gelaat.
--Mijne zuster, die mij op korten afstand volgt, is duizendmaal
schooner dan uwe dienstmaagd; richt u tot haar."
De man keerde op zijn schreden terug en ontmoette eene negerin,
wier gelijke in leelijkheid hij nog nooit had gezien. Beschaamd en
verstoord liep hij op nieuw de vrouw, die hem te slim was geweest, na.
"Waarom hebt gij mij voor den gek gehouden?
--Neen, gij hebt mij voor den gek gehouden: waart gij werkelijk op
mij verliefd geweest, dan zoudt gij niet van mij zijn weggegaan om
uw hof te maken aan eene andere vrouw."
Een goudsmid ging tot den Shâh en sprak:
"Een vreemdeling sluipt telken dage mijn anderoen binnen en brengt
schande en jammer over mijn huis. Hoeveel moeite ik ook gedaan heb om
hem bij mijne vrouw te betrappen en mij zelven recht te verschaffen,
het is mij nog niet mogen gelukken.
--Zijt gij wel zeker van hetgeen gij beweert?
--Helaas! ik kan niet langer aan mijn ongeluk twijfelen.
--Welnu, neem dan dien flacon met welriekende olie, geef dien aan uwe
vrouw en druk haar zorgvuldig op het hart dat zij de olie uitsluitend
voor uw gebruik moet bewaren."
Dien eigen avond beval de koning zijn lijfwachten, dat zij nauwkeurig
het huis van den goudsmid moesten bewaken; dat zij alle mannen, die
er uit kwamen moesten beruiken, en dengeen die naar rozen rook bij
hem moesten brengen.
Toen de avond gekomen was, sloop de minnaar naar zijne schoone. Zoodra
hij de kamer was binnengetreden, zeide zij tot hem: "Mijn man heeft
mij een flacon heerlijk riekende olie gegeven; niemand is waardiger
daarvan te gebruiken dan gij;" en zij zalfde hem den baard en het haar.
Bij het verlaten van het huis werd de ongelukkige, verraden door den
geur dien hij in het rond verspreidde, aanstonds gevat en naar het
paleis gebracht.--"Ziedaar de minnaar van uwe vrouw," zeide de Shâh tot
den goudsmid; "handel met hem naar uw welgevallen, hij is in uwe hand."
"Mijn paard heeft verleden week een noodlottigen val gedaan en zijn
poot gebroken", zoo zeide dezer dagen een koopman van Ispahan tot
een zijner collega's, die in geldelijke moeielijkheden verkeerde;
verkoop mij uw paard, ik bied er u veertig tomans voor.
--Zeg vijf-en-veertig, en de koop is gesloten.
--Dat zij zoo.
--Toegeslagen.
--Neem nu uw woord niet terug, zeide de kooper; want Yaya de zadelmaker
heeft mij heden een paard te koop aangeboden, voor 't minst even
schoon als uwe merrie, en morgen zal ik niet meer in de gelegenheid
zijn om dien koop te sluiten.
--De heilige Imans hooren mij. Zoo ik mijn woord verbreek, dan geef
ik u vergunning om twee _mescals_ (ongeveer tien grammen) vleesch
uit mijn lichaam te snijden."
Den volgenden morgen meldde de kooper zich aan, om het paard in
ontvangst te nemen.
"Mijn paard is niet meer te koop, riep de ander; ik heb gisteren eene
goede tijding ontvangen. Een handelaar van Shîraz, die mij sedert vele
jaren eene aanzienlijke som gelds schuldig was, zal mij betalen. Ik
kan dus mijn handel voortzetten; en nu de zaken zoo staan, is er voor
mij geen enkele reden om mij van mijn uitmuntend paard te ontdoen.
--Maak u dan gereed om mij de twee mescals vleesch te laten uitsnijden,
die gij mij in naam der heilige Imans beloofd hebt. Ik laat u de keus:
wilt gij dat ik aan de rechter- of aan de linkerzijde snij? Gij zijt
dik genoeg: niemand zal het merken.
--Nooit, hondekind! Ziet gij mij voor een dier van uwe soort aan?
De twee partijen konden het niet eens worden en onderwierpen de zaak
aan de wijsheid van den rechter. De waardige magistraat poogde te
vergeefs den eischer aan het verstand te brengen, dat de vervulling
der verbintenis, die zijn collega op zich genomen had, voor de eene
partij hoogst onaangenaam was en voor de andere hoegenaamd geen
voordeel opleverde: wat zou hij toch met twee mescals menschenvleesch
kunnen uitvoeren? Alle vermaningen en vertoogen stootten af op de
onverzettelijkheid van den koppigen schuldeischer.
"Nu, daar gij met alle geweld dien ongelukkige wilt dwingen zijne
schuld te betalen, zal ik een gerechtsdienaar bevelen, uw schuldenaar
op den grond uit te strekken en hem met gebonden handen en voeten
aan u over te leveren. Gij zult dan uit zijn lichaam de twee mescals
vleesch snijden, waarop gij recht hebt; maar als het uitgesneden
stuk iets boven dat gewicht bedraagt of wel daar beneden blijft,
laat ik u het hoofd afslaan."
De mollah Nasr-ed-din ontving eens een gazelle ten geschenke, die een
zijner vrienden geschoten had. Zeer getroffen door deze beleefdheid,
noodigde hij den jager bij zich te eten, en beiden smulden aan het
wildbraad en aan de heerlijke gebakjes, door de vrouwen van den
heer des huizes klaar gemaakt. De gast was ten hoogste voldaan, en
vertelde aan ieder die het hooren wilde, dat de mollah Nasr-ed-din
er niet voor niet zoo welgedaan uitzag en zoo'n deftigen buik had.
Door deze verlokkende beschrijvingen bekoord, meldde zich een paar
dagen later een tafelschuimer bij den goeden priester aan.
"Ik ben de broeder van den man, die u dezer dagen eene gazelle
gezonden heeft."
De beleefdheid vorderde dat men ook den broeder van den milden vriend
niet voorbij ging. Nasr ed-din noodigde hem ten maaltijd.
Den volgenden dag verscheen weder een andere vreemdeling.
"Ik ben de neef van den broeder van den jager, die u eene gazelle
gezonden heeft."
Nasr ed-din keek wat zuinig, maar hij achtte zich toch verplicht om de
regelen der wellevendheid in acht te nemen, en hij noodigde den neef
ten avondmaal. De reputatie van de keuken van den mollah verspreidde
zich al verder en verder.
Twee dagen later meldden zich twee reizigers aan.
"Wij zijn de vrienden van den neef van den broeder van den vriend,
die u eene gazelle gezonden heeft.
--Het verheugt mij zeer u te mogen ontvangen. Vergunt mij slechts,
in den anderoen mededeeling te gaan doen van het geluk dat mij te
beurt valt."
En de man Gods ging naar zijne vrouw on zeide tot haar:
"Als het uur van het middagmaal gekomen is, doe dan wat vet in heet
water en laat dat mengsel naar den biroen brengen.
--Bah! Wat is dat voor kost, mollah? riepen de gasten, toen zij van
de soep proefden. Hebt gij Satan als kok in dienst?
--Is die schotel niet naar uw smaak? Hij is toch de vriend van den
neef van den broeder van den schotel, dien ik toebereid heb met de
gazelle, mij gezonden door den vriend van den neef van den broeder
van uw vriend."
De mollah Nasr-ed-din was een zoo achtenswaardig geestelijke en bezat
een zoo mooien en aardigen ezel, dat zijne parochianen, wanneer zij
hout gingen halen, de gewoonte hadden, het dier mede te nemen en met
een flinke vracht hout beladen bij zijn meester terug te bezorgen.
Door een boozen geest gedreven, liet de mollah zich in een gezelschap,
waar ieder de deugden van zijn rijdier prees, de onbedachte woorden
ontvallen: "Mijn ezel is zoo knap, dat hij geheel alleen naar het bosch
gaat, zelf hout op zijn rug laadt en daarmede naar huis terugkeert."
Dat was eene groote onvoorzichtigheid en, bij een zoo heilig man,
bovendien een blijk van schuldige ondankbaarheid.
De buren van Nasr ed-din, aan wie dit gezegde ter oore was gekomen,
besloten zich te wreken. Den eersten keer dat zij weder naar het
bosch gingen, namen zij als naar gewoonte den ezel mede; maar toen
zij het noodige hout gehakt hadden, gingen zij weg en lieten het
beest achter. Toen het nu donker begon te worden en de ezel nog niet
terug was, begon de mollah zich ongerust te maken. Hij ging naar de
houthakkers en vroeg hun:
"Wat is er toch met mijn ezel gebeurd? hij is nog niet in den stal
teruggekeerd.
--Uw ezel heeft tot ons gezegd: Doet mijne eerbiedige groeten aan
mijn meester, en zegt hem dat ik naar Teheran ga om daar eene dienst
te zoeken en veel geld te verdienen."
Nasr ed-din dacht bij zich zei ven: Mijn ezel is te knap om in eene
ondergeschikte betrekking te blijven: hij zal stellig tot een hoogen
rang opklimmen; en dit overwogen hebbende, begaf hij zich op weg.
De mollah naderde de hoofdstad en zag reeds aan den horizon den gouden
koepel van Shâh Abdul-Azim blinken, toen hij den hofnar van Zijne
Majesteit ontmoette, aan wien hij het doel zijner reis mededeelde.
"Ik kan u zeer goede tijdingen brengen van uw ezel, hernam de nar op
ernstigen toon. Dit dier is buitengewoon knap: hij slaagt in alles wat
hij onderneemt. Hij is thans een der rijkste handelaars van Kazbin."
"Waarom zou ik mij te Teheran ophouden, zeide de mollah bij zich
zelven; ik ga rechtstreeks door naar de woonplaats van mijn ezel."
Het geschiedde nu juist in dien tijd dat de gouverneur van Kazbin
een geschil had gehad met zijn vezier en tegen hem eene klacht had
ingediend bij den Shâh. Zijne Majesteit had echter uitspraak gedaan
ten gunste van den vezier en dezen tot gouverneur van Resht benoemd,
terwijl hij zijn tegenstander naar de hoofdstad terug riep.
De afgezette hakem kon het niet verkroppen dat een ondergeschikte
hem uit de gunst des konings verdrongen had, en verliet zijne
provincie in allesbehalve aangename stemming. Op zekeren avond, aan de
pleisterplaats gekomen, ontmoette hij den mollah. Men sprak over de
zaken van den dag, over den toestand der provincie, over koetjes en
kalfjes, over de moeilijkheden en bezwaren der reis. Eindelijk zeide
Nasr ed-din, die zijne nieuwsgierigheid niet langer kon bedwingen:
"Kunt gij mij soms ook iets mededeelen omtrent een zeer geleerden ezel,
die tegenwoordig een van de rijkste kooplieden van Kazbin is?
--Wel zeker; hij is mijn vezier geweest en de Shâh heeft hem nu dezer
dagen tot gouverneur van Resht benoemd."
Acht dagen na dit gesprek kwam de mollah te Resht, en begaf zich
aanstonds naar het paleis.
"Ik wensch den gouverneur te spreken, zeide hij op hoogen toon tot
de dienaars.
--De gouverneur ontvangt geen lieden van uw slag."
Maar de mollah begon zoo bitterlijk te schreien en smeekte zoo
ootmoedig, dat hij eindelijk eene audiëntie verkreeg.
Niet zoodra was hij de zaal binnen geleid, waar de nieuwe dignitaris
was gezeten, of hij trad vooruit met een glimlach om den mond en de
beide wijsvingers boven het hoofd opgestoken.
"Mollah, wat scheelt u? Zijt gij krankzinnig geworden? riep de
verbaasde hakem.
--Neen, mijn waarde ezel, ik ben niet krankzinnig.... Ik weet dat gij
zeer knap en geleerd zijt geworden. Door u tot gouverneur te benoemen,
heeft de koning eene weldaad aan de provincie bewezen; maar.... waar
hebt gij uwe twee lange ooren gelaten?"--
De mooiste vertellingen van de wereld kunnen evenwel niet voor immer
den slaap weren uit de oogen van lieden, die eene lange dagreis hebben
afgelegd. Wij brengen dus onzen dank aan den verteller en keeren
naar onze kamer terug, na den gholams op het hart te hebben gedrukt,
ons een uur voor het aanbreken van den dag te wekken.
11 November.--Wij hadden het voornemen om, des morgens vroeg, een klein
gewelfd gebouwtje te gaan zien, dat wij gisteren waren voorbij gereden,
en dan onze reis naar het zuiden te vervolgen; maar de gidsen zeiden
ons dat de eerstvolgende etappe zeer lang is en gaven ons den raad,
ons vertrek tot den volgenden dag uit te stellen.
Zoodra onze gastheer van ons besluit onderricht was, is hij zijne
opwachting bij ons komen maken, vergezeld van zijn broeder.--"Uwe
Excellentiën zullen gisteravond wel vermoeid zijn geweest, zegt de
naïeb. Ik vrees zeer dat de babbelaar, dien ik gelast had mijne
bedienden bezig te houden, u gehinderd zal hebben; men heeft mij
gezegd, dat hij zich vermeten heeft, in uwe tegenwoordigheid te
spreken.
--Integendeel: zijne verhalen hebben ons bepaald geamuseerd. Gij ziet
trouwens dat wij ons in volmaakten welstand bevinden.
--In dit geval, stel ik Uwe Excellentiën voor, onze tuinen te bezoeken
en kennis te maken met ons nieuw plantsoen van palmen."
Buiten het ommuurde dorp gekomen, trof mij de schoonheid en de rijkdom
van deze oase. Reeds te Firoez-Abad had ik enkele alleen staande palmen
gezien: hier zag ik uitgestrekte palmbosschen. Een tocht van zestig
kilometers heeft ons van een klimaat, overeenkomende niet dat van
zuidelijk Europa, overgebracht in een land, dat ons aan Opper-Egypte
denken doet. Het is echter ook waar, dat het verschil in hoogte
tusschen die twee punten niet minder dan achthonderd el bedraagt.
De palmboom is de eenige rijkdom der vlakten van Ferashbad en
van Boeshir, die, naar het schijnt, niet geschikt zijn voor den
graanbouw. De opbrengst van deze kultuur is zeer verschillend. Te
Ferashbad, waar de grond goed gemest en verzorgd wordt en overvloed
van water is, geeft de palmboom eene opbrengst van vijf-en-twintig
francs per stuk en verschaft uitmuntende dadels, zoo lekker als ik
ze nog nergens gegeten heb; in andere dorpen daarentegen bedraagt de
opbrengst niet meer dan hoogstens drie of vier francs.
"Gij doet zeker al wat gij kunt om eene zoo winstgevende kultuur uit
te breiden, zeide ik tot den naïeb.
--Sedert tien jaar plant ik geen palmen meer.
--Is er gebrek aan het noodige water?
--Het water der kanots is ruim voldoende voor de bevloeiingen; en zoo
noodig, zou ik er niet tegen opzien, nieuwe kanalen te laten graven;
maar aan de palmenkweekerij zijn groote bezwaren verbonden. De jonge
boomen vereischen groote zorg; tot op den ouderdom van tien jaren,
wanneer zij hunne eerste vruchten beginnen te geven, moeten zij
onophoudelijk gemest, verzorgd en besproeid worden. Op den leeftijd
van zes jaren vooral, als de stam gaat opschieten, verlangt de
palmboom zeer veel water en aanhoudende nauwlettende zorg. De door
mijn vader geplante boomen zijn oud; die ik in mijn jeugd geplant
heb, werpen nu belangrijke winsten af; de jonge plantsoenen beginnen
vruchten te dragen: welk belang heb ik er nu bij, mijn aanleg uit
te breiden? Zullen mijne zonen na mij de vruchten van mijn arbeid
genieten; of zullen zij het moeten aanzien dat een schraapzuchtige
gouverneur mijne nalatenschap aan een of anderen verren bloedverwant
verkoopt? Bij deze onzekerheid heb ik er hoegenaamd geen belang bij
om verbeteringen aan te brengen, die eerst in vervolg van tijd rente
kunnen afwerpen."
Zonder het zelf te willen of te bedoelen, had de naïeb, in enkele
woorden, het vonnis geveld over een geheel stelsel van bestuur. De
boeren kunnen, door gemis aan kapitaal, niet de noodige hoeveelheid
water verkrijgen voor het in kultuur brengen der uitgestrekte vlakten
van Perzië; de ket khoda's of opperhoofden der gezeten stammen, door
den gouverneur onderdrukt en uitgezogen, zijn er veeleer op uit, om
gedurende den tijd van hun bestuur eene fortuin bijeen te brengen,
die de toekomst hunner familie verzekert, dan geld uit te geven voor
verbeteringen, waar een vreemdeling of wel de gouverneur zelf de
voordeelen van zal trekken.
Na de tuinen en boomgaarden bezichtigd te hebben, begeven wij ons op
weg naar het gebouwtje waarvan ik boven sprak. Het is in denzelfden
stijl als het paleis van Sarvistan, zij het ook op veel kleiner
schaal. Eene bijzonderheid in de constructie verdient vermelding:
de hangbogen van het gewelf rusten niet op muren, maar op vier
gemetselde pilaren.
14 November.--Na een verblijf van twee dagen te Ferashbad hervatten
wij onzen tocht, die ons ditmaal weder door het gebergte voerde. De
wegen waren zoo slecht, als wij ze bijna nog niet aangetroffen hadden;
onze arme paarden en muildieren konden letterlijk niet meer voort. Op
verscheidene plaatsen was het ook met den besten wil onmogelijk,
een spoor van een pad te ontdekken; de hellingen zijn buitengewoon
steil; het pad loopt rakelings langs onpeilbare afgronden of ook
wel midden door de uitgedroogde beddingen van bergstroomen, bezaaid
met geweldige steenblokken, waartusschen het vaak nog moeielijker is
zich een weg te banen, dan langs de berghellingen. Toch zou ik deze
bezwaren niet tellen, indien ik mijn dorst slechts lesschen kon aan
de kristalheldere wateren der beek, maar dat water heeft nog sterker
purgeerende eigenschappen dan de beroemde bronnen van Pullnau, van
Birmenstorf of Unyadi Janos. Vandaag heb ik voor het eerst begrepen
wat Tantalus te lijden had.
Terwijl ik, in sombere gedachten verzonken, mijn muildier werktuigelijk
bestuurde te midden van glibberige steenen, liet Marcel eensklaps
een luiden vreugdekreet hooren. Tusschen twee bergtoppen, door eene
diepe kloof gescheiden, ontrolt zich voor ons oog eene wijde vlakte,
stralende in den zonneschijn, aan den horizon begrensd door eene
donkerblauwe streep. Die blauwe streep is de Perzische-golf, dat is
de zee! Men zal begrijpen, welke verrukking mij bij dien aanblik
doortintelde, als men bedenkt dat ik sedert Maart een-en-negentig
etappen en bijna vierduizend mijlen te paard heb afgelegd, in een
land zonder wegen en waar, behalve in de groote steden, letterlijk
aan alles gebrek is wat ook maar aan de bescheidenste eischen van
comfort zou kunnen voldoen.
Wij jagen onze paarden en muildieren zoo snel mogelijk voort en komen,
drie uren later, in het fraaie dorp Aharam, waar wij in de woning van
den ket khoda een geschikt logies vinden. Uit mijne vensters zie ik
de hooge bergen, waarover wij getrokken zijn; in de vlakte groote
palmbosschen; voor mijne voeten liggen de leemen woningen van het
dorp, afgewisseld door boomgroepen. De dorpelingen, die zich op straat
bewegen, zijn donkerbruin van kleur. Jammer slechts, dat het water
van de bronnen te Aharam zoo brak is, dat zelfs de inboorlingen het
niet drinken kunnen, en zij gedwongen zijn hun dorst te lesschen met
regenwater, dat zij gedurende den winter opvangen, hetzij in bakken,
hetzij in open kuilen, waarin het bederft. Toen ik het proefde,
dacht ik inderdaad, dat men mij bij vergissing de petroleumkan had
gegeven, zoo afschuwelijk was de smaak. Maar de kleur stelde mij
gerust: petroleum is helder, het water van Aharam is bruin als een
aftreksel van tabak.