25 October.--Een van de rijkste bankiers van de stad is failliet
gegaan: het passief bedraagt vijfhonderd-duizend krans, hier te
lande eene kolossale som. Gelukkig zijn onze credietbrieven niet bij
dien bankier betaalbaar gesteld. Maar voorzichtigheidshalve hebben
wij toch dadelijk bij een zijner collega's de driehonderd tomans
gehaald, die ons moeten ter hand gesteld worden. Het is, voorwaar,
geene kleinigheid, drieduizend krans uit te betalen; na herhaald
uitstel zou de afrekening eindelijk van daag plaats hebben. De heer
Blackmaur heeft een agent van de telegraaf tot onze beschikking gesteld
en hem opgedragen, het geld na te zien; de bankier heeft zijn expert
afgevaardigd, en deze twee gemachtigden hebben te zamen een derden
persoon benoemd, die eventueele geschillen en moeielijkheden uit den
weg moet ruimen.
Papieren geld is hier onbekend; de gouden toraan wordt ten platten
lande zeer zelden in ontvang genomen; wij zijn dus wel genoodzaakt
ons van zilveren krans te voorzien, waarvan de waarde verschilt naar
gelang van den titel, den datum der uitgifte, de provincie waar men
ze ontvangt en die waar men ze in betaling geeft, en eindelijk naar
gelang van de waardevermindering, die de verschillende bankiers, in
wier handen de muntstukken zijn geweest, hen door snoeien of andere
kunstjes hebben doen ondergaan.
De uitbetaler zet zich midden in een kamer op den grond, nadat hij
zorgvuldig de deuren gesloten heeft, zoodat hij niet behoeft te
letten op de gaanden en komenden; vervolgens stort hij een grooten
zak met geld op het tapijt uit, en legt de stukken bij tientallen op
stapeltjes, die hij zoo schikt dat hij ze gemakkelijk in de lengte
en in de breedte tellen kan.--Is deze eerste operatie afgeloopen,
dan begint de andere partij op hare beurt de krans te onderzoeken,
laat ze op een steen klinken, schiet de twijfelachtige stukken uit en
legt die afzonderlijk om ze aan een nader onderzoek te onderwerpen. De
twee experts twisten, schreeuwen, schelden elkander uit, schrappen
het metaal met een pennemes af, en zonderen eindelijk de stukken af,
over welker waarde zij het niet eens kunnen worden. Die stukken
worden aan den derden scheidsrechter ter hand gesteld, die beide
partijen beurtelings in het gelijk stelt en hen eindelijk tot elkander
brengt. Het geld wordt nu in een zak gedaan on naar den eigenaar
gebracht. Deze moet het nu nog eens overtellen en het ten slotte
wegbergen in een kistje, dat stevig genoeg is om zijne bedienden te
doen afzien van elke poging om daaruit weg te nemen wat zij noodig
hebben, en toch zoo klein dat hij het 's nachts, als de karavaan rust
houdt, onder zijn hoofd kan plaatsen. Zoolang de bagage in handen
is van de tsjarvadars, bijna zonder uitzondering eerlijke lieden,
behoeft men zich niet ongerust te maken; tenzij de karavaan door
roovers geplunderd wordt, krijgt ge uw eigendom ongeschonden terug;
maar op de pleisterplaats geven de tsjarvadars aan ieder reiziger
zijne eigene bagage in bewaring, en staan zij er niet langer voor in
tot de goederen weer opgeladen worden. Dan is het zaak, uw geldkist,
die ge telkens moet openen en waarop ge reeds daardoor van zelf de
aandacht vestigt, geen oogenblik uit het oog te verliezen.
Wij moeten nu de verdere toebereidselen maken voor onze reis. Reeds
sedert onze komst te Shîraz hebben wij ons bezig gehouden met
de vraag, welken weg wij moesten volgen om de Perzische-golf te
bereiken. Wij hadden te kiezen tusschen twee wegen, die beiden naar
Boeshîr voeren: de een, die over Kaseroem en Shapoer loopt, wordt
door alle karavanen, de post en genoegzaam alle reizigers gevolgd;
de andere, die veel langer is, loopt naar Firoez-Abâd, maar ontleent
een bijzonder gewicht aan de overwelfde gebouwen, welke men in de
nabijheid van die stad vindt. Wanneer wij den weg van Firoez-Abâd
kiezen, behoeven wij bovendien slechts een omweg van enkele dagen te
maken om het paleis van Sarvistan te bezoeken, waarvan men ons reeds
te Madereh Soleiman gesproken heeft, benevens de vlakte van Darab,
dat wil zeggen geheel het oude Farsistan.
Wij hebben dus onze keus op dezen weg gevestigd, hoewel onze
reis daardoor drie weken langer zal duren en wij buitengewone
vermoeienissen zullen hebben te doorstaan, omdat wij de gebruikelijke
en gebaande karavanenwegen gaan verlaten. Meen nu echter niet, als
ik van een gebaanden weg spreek, dat ik daarmede een straatweg of
eenig ander soort van kunstweg bedoel,--zulk een wonder bestaat in
Perzië niet;--maar ik bedoel eenvoudig een heerbaan, waarlangs eenig
verkeer plaats heeft.--Wij zijn dus genoodzaakt, om zelven een soort
van karavaan te vormen, om paarden en muilezeldrijvers met den dag
te huren, en het voor het overige op het gunstige toeval te laten
aankomen. Uit vrees van bestolen te worden, heeft Marcel besloten,
onze groote bagage aan den tsjarvadar-bashi toe te vertrouwen, die
ze aan den gouverneur van Boeshîr ter hand zal stellen; wij zullen
alleen bij ons houden wat wij voor dagelijksch gebruik noodig hebben.
27 October.--Na lang wachten zijn wij eindelijk gisteren van Shîraz
vertrokken, gezeten op een paar paarden, die in niets geleken op de
flinke krachtige rossen welke wij gehuurd hadden, en die nu, tot onze
ergernis, vervangen werden door twee magere, afgesloofde knollen,
twee wandelende geraamten, met afzichtelijke wonden bedekt. Daar
er geene mogelijkheid bestond, andere paarden te krijgen en wij tot
geen prijs nog langer in dit vaderland der koorts wilden vertoeven,
hebben wij toch de reis aanvaard, nadat wij van den heer Blackmaur en
dokter Odling afscheid genomen hadden. Twee gholams van den gouverneur
vergezellen ons; zonder dat geleide zouden wij, als Christenen, groot
gevaar loopen dat wij in geen enkel dorp van Farsistan een onderkomen
vinden of levensmiddelen zouden kunnen koopen.
Daar wij, om Kerabad te bereiken, een langen weg hadden af te leggen,
hadden wij met de tsjarvadars en de gholams afgesproken, dat wij
te middernacht zouden vertrekken, om voor de hitte hinderlijk werd
ter plaatse onzer bestemming te zijn. Maar tegen middernacht kwamen
de tsjarvadars met de bewering voor den dag, dat zij in den donker
den weg niet konden vinden; en ten einde ons, zoo mogelijk, van een
bezoek aan Sarvistan terug te houden, verspilden zij zooveel tijd met
de toebereidselen voor de reis, dat wij ons eerst tegen zes uren in
den morgen op weg konden begeven. Nauwelijks hadden wij driehonderd
schreden afgelegd, of mijn paard viel op den grond; gelukkig kwam ik
met gescheurde kleederen vrij, zonder verder letsel. Toen het arme dier
eindelijk, door eene dracht slagen, gedwongen was om weer op te staan,
weigerde ik ten stelligste, de reis op dien jammerlijken knol voort te
zetten, en maakte ik mij meester van den flinken muilezel van Arabet,
zonder mij te storen aan de blijkbare ontevredenheid van dien trouwen
dienaar, die beweerde dat een muilezel niet aan mijn rang voegde.
Na eene zeer lange en zeer vermoeiende reis, waarop het paard dat
ik dezen morgen bereed voor goed bezweken was, kwamen wij eindelijk
tegen zeven uur des avonds te Kerabad aan. Ik ben uitgeput, en aan
eten valt niet te denken. Het vleesch dat wij mede genomen hebben,
is door de hitte bedorven; het is te laat om nu nog een schaap te
slachten; wij moeten ons vergenoegen met wat komkommers en eene groote
kan zure melk. Een gelapte pantalon en jas zullen dienst doen als
beddelakens; als hoofdkussen zal ik mijn vilten helmhoed gebruiken;
de grond, waarop ik mij zal nedervlijen, is zoo hobbelig als de rug
van een kameel; tusschen takkebossen in mijne onmiddellijke nabijheid
huppelen gansche scharen van ratten, en reusachtige spinnen kruipen
tegen den muur op. Maar aan dergelijke kleinigheden raakt men gewoon.
Sarvistan, 29 October.--Alle slagen vallen, naar het schijnt, op ons
hoofd. Daar mijn echtgenoot zich zeer vermoeid gevoelde en voor een
nieuwen aanval van koorts vreesde, heeft hij, voor ons vertrek meer
dan een gram chinine ingenomen. Deze groote hoeveelheid, gevoegd bij
de beweging van het paardrijden, veroorzaakte hem zulke hevige pijnen,
dat hij zich als in wanhoop op den grond wierp en buiten staat was
om verder te gaan.
Omstreeks tien uren werd de hitte ondragelijk; de gholams brachten ons
onder het oog, dat wij niet aldus in de brandende zon konden blijven,
zonder vuur om spijzen te bereiden, zonder water om de muildieren
te drenken. Zoo goed en zoo kwaad als het ging, hebben zij Marcel op
een muilezel gezet; en in dien toestand bereikten wij een met torens
voorzienen aarden wal. Ik dacht, achter die omwalling huizen te zullen
vinden, maar de geheele ruimte was ingenomen door iets dan reusachtige
molshoopen, waaruit van tijd tot tijd woeste en havelooze boeren te
voorschijn kropen. Wij vonden een schuilplaats tegen de zon onder een
soort van portaal nabij den ingang, en beproefden toen, maar zonder
gevolg, alle middelen die onze apotheek kon opleveren. Ten einde raad,
kwam ik op de gedachte om onze schotels, ketels en koperen trekpotten
op een groot vuur heet te laten maken, en die, bijkans gloeiend,
op de maagholte en de voetzolen te leggen. Aanstonds vormden zich
groote blaren, en na verloop van een uur had de pijn opgehouden en
was onze patiënt in een diepen slaap gedompeld. Tegen dien avond gaf
Marcel zelf, die in dit hol niet gaarne den nacht wilde doorbrengen,
den wensch te kennen om naar Sarvistan te gaan, welk vlek ongeveer
twintig mijlen verwijderd was. In het dorp aangekomen, vervoegden
wij ons aanstonds bij den naïeb, die ons een bedompt en berookt krot
ten verblijve aanwees. Een gescheurd tapijt wordt in een hoek op den
grond gespreid: andere meubelen zijn er niet.
31 October.--Sedert twee dagen wordt mijn echtgenoot aanhoudend door
pijnen gekweld, die bij de minste beweging onuitstaanbaar worden;
hij kan niet rechtop gaan zitten en geen ander voedsel gebruiken dan
rijstewater en granaatsap. Eindelijk kwam Marcel toch in zoo verre bij,
dat wij Sarvistan konden verlaten.
Drie uren lang voerde onze weg door eene woeste vallei, met hoog gras
en struiken begroeid, en waarin zich de indrukwekkende bouwvallen
bevinden van een paleis dat in voorkomen veel overeenkomst heeft met
de oude mongoolsche moskeeën. Bij het binnentreden van het monument
wijzigt zich die eerste indruk; de reusachtige baksteenen, die overal
op den grond liggen, de elliptische vorm der bogen en van den koepel,
de schaarschte van ornamenten aan de muren, zijn zoovele bewijzen
van hoogen ouderdom. Het belangrijkste gedeelte van het monument
is ongetwijfeld de groote zaal, die door een eivormigen koepel is
gedekt. Langs de zijden der groote zaal loopen lange galerijen,
die in vakken zijn verdeeld door contreforten, welke op gemetselde
kolommen rusten. De kolommen zijn plomp en de contreforten massief;
de kroonlijst is eenvoudig uitgetand. De technische uitvoering van
dat deel van het gebouw is volstrekt niet in harmonie met de zeer
verdienstelijke conceptie van het geheel en den stouten bouw der
koepels.
Het is zeer moeielijk, den juisten ouderdom van dit monument te
bepalen; het eenige wat men zeggen kan, is dat het waarschijnlijk uit
den tijd voor de muzelmansche heerschappij dagteekent. De plaatselijke
overlevering, waaraan echter niet te veel waarde is te hechten, plaatst
de groote bloeitijd van dit gedeelte van Farsistan onder de regeering
van de Achemeniden of liever van Dsjemsjid: dat is de eenige traditie,
die eenigermate een leiddraad aan de hand geeft. Wanneer men daarbij
bedenkt dat de koningen uit de dynastie der Achemeniden steeds over
Farsistan hebben geheerscht; dat de talrijke vestingwerken op de
hoogten in den omtrek van Shîraz hun werk zijn, zoowel als de diepe
in de rots geboorde putten bij die stad en boven Sarvistan,--dan
is men geneigd aan te nemen, dat het paleis van Sarvistan, dat
ongetwijfeld gebouwd werd toen deze landstreek eene hooge mate van
welvaart genoot, dagteekent uit den tijd vóór de troonsbeklimming der
Sassaniden. Deze onderstelling schijnt te minder gewaagd, wanneer
men in aanmerking neemt dat de Sassaniden hunne residentie in de
noordwestelijke provinciën hadden gevestigd, in de nabijheid van
de door de Romeinen bedreigde grenzen, en dat, naar het schijnt,
Farsistan door de koningen van deze dynastie verlaten werd, zoo als
blijkt uit den volkomen ondergang van het oude Shîraz.
Miandjangel, 2 November.--Toen wij gisteravond het paleis verlieten,
hebben onze gholams ons rechtstreeks naar Miandjangel gevoerd, de
eerste pleisterplaats in de richting van Darab. Het was reeds te laat
om logies te vragen in het huis van den ket khoda; wij namen dus onzen
intrek in een iman zadeh, die niet meer dan een bouwval is en waarin
zich reeds eenige bedelende derwisjen gevestigd hadden. Ik had nog
geen half uur gelegen op de plaats, mij door de derwisjen afgestaan,
toen ik eensklaps op onuitstaanbare wijze gebeten werd. Ik stak
mijn zaklantaarn op en stiet onwillekeurig een kreet van afgrijzen
uit. Reeds dikwijls genoeg heb ik, sedert wij op reis zijn, kennis
gemaakt met het walgelijke ongedierte, waarvan europeesche huisvrouwen
een ingeboren afkeer hebben, met luizen--om ze bij den naam te
noemen;--maar nooit had ik ze in zoo groote menigte gezien. Do oudste
van onze gholams, wakker geworden door het ongewone gerucht, stak
zijn hoofd uit de groote deken, waarin hij zich 's nachts wikkelde,
en vroeg naar de reden van mijn schrik. "Die insekten brengen u
geluk aan, zij komen van Mekka," zeide hij bij wijze van troost,
na een blik van welgevallen geworpen te hebben op de kleine hadjis,
die over zijn rooden baard kropen. Dit gezegd hebbende, trok hij zijn
deken over zijn hoofd en sliep weer in.
Firoez-Abad, 7 November.--Nog toen wij te Miandjangel waren, werd
mijn echtgenoot op nieuw in hevige mate door de koorts aangetast,
zoodat wij genoodzaakt waren naar Sarvistan terug te koeren, waar wij
een paar dagen rust hielden. Toen Marcel zich weer beter gevoelde,
wilde hij volstrekt naar Firoez-Abad gaan; wij hebben ons op weg
begeven en zijn gister in den namiddag hier aangekomen. De weg liep
voor een deel door eene bij uitnemendheid vruchtbare en waterrijke
streek, zoo goed bebouwd en zoo rijk aan houtgewas als ik nog bijna
nergens in Perzië had gezien. Nadat wij een nauwen pas in eene keten
van steile naakte rotsen waren doorgetrokken, kwamen wij in eene
groene vlakte, waarin een heuvel oprijst, bekroond door de ruïnen
van het paleis van Firoez-Abad.
Dit gebouw maakt een machtigen indruk, maar schijnt op het eerste
gezicht massiever dan dat van Sarvistan. Bij het binnentreden wordt
men aanstonds getroffen door den eenvoud van het plan en de majesteit
der ordonnantie, waaraan alle versiering ontbreekt. Men treedt eerst
in een breede overwelfde vestibule, die door groote bogen gemeenschap
heeft met vier vertrekken. Achter dit voorhof bevindt zich een ruime
zaal met een eivormigen koepel gedekt, en die door eene poort verbonden
is met eene binnenplaats, die geheel met puin is bezaaid, en waarop
wilde vijgeboomen groeien. Twee andere deuren of poorten geleiden naar
andere zalen, die voor een deel in puin liggen. Op de binnenplaats ziet
men, in eene overwelfde kamer, de trap die naar de ruime _zir zamin_
geleidt, dat is naar een dier onderaardsche vertrekken of kelders,
die de Perzen nog heden ten dage in den zomer bewonen, en waaruit zij
alleen des avonds te voorschijn komen om op het platte dak de koele
lucht in te ademen.
De vlakte, waarin het paleis oprijst, is bedekt met aarden terpen en
met groote hoopen van scherven, de laatste overblijfsels van verlaten
en verwoeste huizen. Voor de vestibule ziet men nog een kunstmatigen
vijver waarin het water, door onderaardsche buizen, uit de rivier
wordt gevoerd, om dan nutteloos weg te vloeien tusschen distels en
struiken en losgewoelde steenen van de vroegere omwalling.
Zeer vermoedelijk is dit paleis nog ouder dan dat van Sarvistan,
en hebben wij hier de overblijfselen voor ons van een gebouw uit de
eerste tijden der oude perzische monarchie. Misschien was dit paleis
wel bestemd tot woning van den gouverneur der provincie, die met de
bewaking der naburige bergpassen was belast.
Toen het donker geworden was, hebben wij de ruïnen verlaten, met het
voornemen om ze morgen meer in bijzonderheden op te nemen, en begaven
wij ons langs de rivier, waarvan de oevers met prachtige vijgeboomen
en slanke palmen beplant zijn, naar het dorp Firoez-Abad gadim (oud),
het antieke Djoer. Dit dorp wordt slechts door arme boeren bewoond; de
meer gegoeden wonen allen in Firoez-Abad no (nieuw), dat men op eenige
mijlen afstands te midden van het weelderigste groen ziet liggen.