XXIX

25 October.--Een van de rijkste bankiers van de stad is failliet

gegaan: het passief bedraagt vijfhonderd-duizend krans, hier te

lande eene kolossale som. Gelukkig zijn onze credietbrieven niet bij

dien bankier betaalbaar gesteld. Maar voorzichtigheidshalve hebben

wij toch dadelijk bij een zijner collega's de driehonderd tomans

gehaald, die ons moeten ter hand gesteld worden. Het is, voorwaar,

geene kleinigheid, drieduizend krans uit te betalen; na herhaald

uitstel zou de afrekening eindelijk van daag plaats hebben. De heer

Blackmaur heeft een agent van de telegraaf tot onze beschikking gesteld

en hem opgedragen, het geld na te zien; de bankier heeft zijn expert

afgevaardigd, en deze twee gemachtigden hebben te zamen een derden

persoon benoemd, die eventueele geschillen en moeielijkheden uit den

weg moet ruimen.

Papieren geld is hier onbekend; de gouden toraan wordt ten platten

lande zeer zelden in ontvang genomen; wij zijn dus wel genoodzaakt

ons van zilveren krans te voorzien, waarvan de waarde verschilt naar

gelang van den titel, den datum der uitgifte, de provincie waar men

ze ontvangt en die waar men ze in betaling geeft, en eindelijk naar

gelang van de waardevermindering, die de verschillende bankiers, in

wier handen de muntstukken zijn geweest, hen door snoeien of andere

kunstjes hebben doen ondergaan.

De uitbetaler zet zich midden in een kamer op den grond, nadat hij

zorgvuldig de deuren gesloten heeft, zoodat hij niet behoeft te

letten op de gaanden en komenden; vervolgens stort hij een grooten

zak met geld op het tapijt uit, en legt de stukken bij tientallen op

stapeltjes, die hij zoo schikt dat hij ze gemakkelijk in de lengte

en in de breedte tellen kan.--Is deze eerste operatie afgeloopen,

dan begint de andere partij op hare beurt de krans te onderzoeken,

laat ze op een steen klinken, schiet de twijfelachtige stukken uit en

legt die afzonderlijk om ze aan een nader onderzoek te onderwerpen. De

twee experts twisten, schreeuwen, schelden elkander uit, schrappen

het metaal met een pennemes af, en zonderen eindelijk de stukken af,

over welker waarde zij het niet eens kunnen worden. Die stukken

worden aan den derden scheidsrechter ter hand gesteld, die beide

partijen beurtelings in het gelijk stelt en hen eindelijk tot elkander

brengt. Het geld wordt nu in een zak gedaan on naar den eigenaar

gebracht. Deze moet het nu nog eens overtellen en het ten slotte

wegbergen in een kistje, dat stevig genoeg is om zijne bedienden te

doen afzien van elke poging om daaruit weg te nemen wat zij noodig

hebben, en toch zoo klein dat hij het 's nachts, als de karavaan rust

houdt, onder zijn hoofd kan plaatsen. Zoolang de bagage in handen

is van de tsjarvadars, bijna zonder uitzondering eerlijke lieden,

behoeft men zich niet ongerust te maken; tenzij de karavaan door

roovers geplunderd wordt, krijgt ge uw eigendom ongeschonden terug;

maar op de pleisterplaats geven de tsjarvadars aan ieder reiziger

zijne eigene bagage in bewaring, en staan zij er niet langer voor in

tot de goederen weer opgeladen worden. Dan is het zaak, uw geldkist,

die ge telkens moet openen en waarop ge reeds daardoor van zelf de

aandacht vestigt, geen oogenblik uit het oog te verliezen.

Wij moeten nu de verdere toebereidselen maken voor onze reis. Reeds

sedert onze komst te Shîraz hebben wij ons bezig gehouden met

de vraag, welken weg wij moesten volgen om de Perzische-golf te

bereiken. Wij hadden te kiezen tusschen twee wegen, die beiden naar

Boeshîr voeren: de een, die over Kaseroem en Shapoer loopt, wordt

door alle karavanen, de post en genoegzaam alle reizigers gevolgd;

de andere, die veel langer is, loopt naar Firoez-Abâd, maar ontleent

een bijzonder gewicht aan de overwelfde gebouwen, welke men in de

nabijheid van die stad vindt. Wanneer wij den weg van Firoez-Abâd

kiezen, behoeven wij bovendien slechts een omweg van enkele dagen te

maken om het paleis van Sarvistan te bezoeken, waarvan men ons reeds

te Madereh Soleiman gesproken heeft, benevens de vlakte van Darab,

dat wil zeggen geheel het oude Farsistan.

Wij hebben dus onze keus op dezen weg gevestigd, hoewel onze

reis daardoor drie weken langer zal duren en wij buitengewone

vermoeienissen zullen hebben te doorstaan, omdat wij de gebruikelijke

en gebaande karavanenwegen gaan verlaten. Meen nu echter niet, als

ik van een gebaanden weg spreek, dat ik daarmede een straatweg of

eenig ander soort van kunstweg bedoel,--zulk een wonder bestaat in

Perzië niet;--maar ik bedoel eenvoudig een heerbaan, waarlangs eenig

verkeer plaats heeft.--Wij zijn dus genoodzaakt, om zelven een soort

van karavaan te vormen, om paarden en muilezeldrijvers met den dag

te huren, en het voor het overige op het gunstige toeval te laten

aankomen. Uit vrees van bestolen te worden, heeft Marcel besloten,

onze groote bagage aan den tsjarvadar-bashi toe te vertrouwen, die

ze aan den gouverneur van Boeshîr ter hand zal stellen; wij zullen

alleen bij ons houden wat wij voor dagelijksch gebruik noodig hebben.

27 October.--Na lang wachten zijn wij eindelijk gisteren van Shîraz

vertrokken, gezeten op een paar paarden, die in niets geleken op de

flinke krachtige rossen welke wij gehuurd hadden, en die nu, tot onze

ergernis, vervangen werden door twee magere, afgesloofde knollen,

twee wandelende geraamten, met afzichtelijke wonden bedekt. Daar

er geene mogelijkheid bestond, andere paarden te krijgen en wij tot

geen prijs nog langer in dit vaderland der koorts wilden vertoeven,

hebben wij toch de reis aanvaard, nadat wij van den heer Blackmaur en

dokter Odling afscheid genomen hadden. Twee gholams van den gouverneur

vergezellen ons; zonder dat geleide zouden wij, als Christenen, groot

gevaar loopen dat wij in geen enkel dorp van Farsistan een onderkomen

vinden of levensmiddelen zouden kunnen koopen.

Daar wij, om Kerabad te bereiken, een langen weg hadden af te leggen,

hadden wij met de tsjarvadars en de gholams afgesproken, dat wij

te middernacht zouden vertrekken, om voor de hitte hinderlijk werd

ter plaatse onzer bestemming te zijn. Maar tegen middernacht kwamen

de tsjarvadars met de bewering voor den dag, dat zij in den donker

den weg niet konden vinden; en ten einde ons, zoo mogelijk, van een

bezoek aan Sarvistan terug te houden, verspilden zij zooveel tijd met

de toebereidselen voor de reis, dat wij ons eerst tegen zes uren in

den morgen op weg konden begeven. Nauwelijks hadden wij driehonderd

schreden afgelegd, of mijn paard viel op den grond; gelukkig kwam ik

met gescheurde kleederen vrij, zonder verder letsel. Toen het arme dier

eindelijk, door eene dracht slagen, gedwongen was om weer op te staan,

weigerde ik ten stelligste, de reis op dien jammerlijken knol voort te

zetten, en maakte ik mij meester van den flinken muilezel van Arabet,

zonder mij te storen aan de blijkbare ontevredenheid van dien trouwen

dienaar, die beweerde dat een muilezel niet aan mijn rang voegde.

Na eene zeer lange en zeer vermoeiende reis, waarop het paard dat

ik dezen morgen bereed voor goed bezweken was, kwamen wij eindelijk

tegen zeven uur des avonds te Kerabad aan. Ik ben uitgeput, en aan

eten valt niet te denken. Het vleesch dat wij mede genomen hebben,

is door de hitte bedorven; het is te laat om nu nog een schaap te

slachten; wij moeten ons vergenoegen met wat komkommers en eene groote

kan zure melk. Een gelapte pantalon en jas zullen dienst doen als

beddelakens; als hoofdkussen zal ik mijn vilten helmhoed gebruiken;

de grond, waarop ik mij zal nedervlijen, is zoo hobbelig als de rug

van een kameel; tusschen takkebossen in mijne onmiddellijke nabijheid

huppelen gansche scharen van ratten, en reusachtige spinnen kruipen

tegen den muur op. Maar aan dergelijke kleinigheden raakt men gewoon.

Sarvistan, 29 October.--Alle slagen vallen, naar het schijnt, op ons

hoofd. Daar mijn echtgenoot zich zeer vermoeid gevoelde en voor een

nieuwen aanval van koorts vreesde, heeft hij, voor ons vertrek meer

dan een gram chinine ingenomen. Deze groote hoeveelheid, gevoegd bij

de beweging van het paardrijden, veroorzaakte hem zulke hevige pijnen,

dat hij zich als in wanhoop op den grond wierp en buiten staat was

om verder te gaan.

Omstreeks tien uren werd de hitte ondragelijk; de gholams brachten ons

onder het oog, dat wij niet aldus in de brandende zon konden blijven,

zonder vuur om spijzen te bereiden, zonder water om de muildieren

te drenken. Zoo goed en zoo kwaad als het ging, hebben zij Marcel op

een muilezel gezet; en in dien toestand bereikten wij een met torens

voorzienen aarden wal. Ik dacht, achter die omwalling huizen te zullen

vinden, maar de geheele ruimte was ingenomen door iets dan reusachtige

molshoopen, waaruit van tijd tot tijd woeste en havelooze boeren te

voorschijn kropen. Wij vonden een schuilplaats tegen de zon onder een

soort van portaal nabij den ingang, en beproefden toen, maar zonder

gevolg, alle middelen die onze apotheek kon opleveren. Ten einde raad,

kwam ik op de gedachte om onze schotels, ketels en koperen trekpotten

op een groot vuur heet te laten maken, en die, bijkans gloeiend,

op de maagholte en de voetzolen te leggen. Aanstonds vormden zich

groote blaren, en na verloop van een uur had de pijn opgehouden en

was onze patiënt in een diepen slaap gedompeld. Tegen dien avond gaf

Marcel zelf, die in dit hol niet gaarne den nacht wilde doorbrengen,

den wensch te kennen om naar Sarvistan te gaan, welk vlek ongeveer

twintig mijlen verwijderd was. In het dorp aangekomen, vervoegden

wij ons aanstonds bij den naïeb, die ons een bedompt en berookt krot

ten verblijve aanwees. Een gescheurd tapijt wordt in een hoek op den

grond gespreid: andere meubelen zijn er niet.

31 October.--Sedert twee dagen wordt mijn echtgenoot aanhoudend door

pijnen gekweld, die bij de minste beweging onuitstaanbaar worden;

hij kan niet rechtop gaan zitten en geen ander voedsel gebruiken dan

rijstewater en granaatsap. Eindelijk kwam Marcel toch in zoo verre bij,

dat wij Sarvistan konden verlaten.

Drie uren lang voerde onze weg door eene woeste vallei, met hoog gras

en struiken begroeid, en waarin zich de indrukwekkende bouwvallen

bevinden van een paleis dat in voorkomen veel overeenkomst heeft met

de oude mongoolsche moskeeën. Bij het binnentreden van het monument

wijzigt zich die eerste indruk; de reusachtige baksteenen, die overal

op den grond liggen, de elliptische vorm der bogen en van den koepel,

de schaarschte van ornamenten aan de muren, zijn zoovele bewijzen

van hoogen ouderdom. Het belangrijkste gedeelte van het monument

is ongetwijfeld de groote zaal, die door een eivormigen koepel is

gedekt. Langs de zijden der groote zaal loopen lange galerijen,

die in vakken zijn verdeeld door contreforten, welke op gemetselde

kolommen rusten. De kolommen zijn plomp en de contreforten massief;

de kroonlijst is eenvoudig uitgetand. De technische uitvoering van

dat deel van het gebouw is volstrekt niet in harmonie met de zeer

verdienstelijke conceptie van het geheel en den stouten bouw der

koepels.

Het is zeer moeielijk, den juisten ouderdom van dit monument te

bepalen; het eenige wat men zeggen kan, is dat het waarschijnlijk uit

den tijd voor de muzelmansche heerschappij dagteekent. De plaatselijke

overlevering, waaraan echter niet te veel waarde is te hechten, plaatst

de groote bloeitijd van dit gedeelte van Farsistan onder de regeering

van de Achemeniden of liever van Dsjemsjid: dat is de eenige traditie,

die eenigermate een leiddraad aan de hand geeft. Wanneer men daarbij

bedenkt dat de koningen uit de dynastie der Achemeniden steeds over

Farsistan hebben geheerscht; dat de talrijke vestingwerken op de

hoogten in den omtrek van Shîraz hun werk zijn, zoowel als de diepe

in de rots geboorde putten bij die stad en boven Sarvistan,--dan

is men geneigd aan te nemen, dat het paleis van Sarvistan, dat

ongetwijfeld gebouwd werd toen deze landstreek eene hooge mate van

welvaart genoot, dagteekent uit den tijd vóór de troonsbeklimming der

Sassaniden. Deze onderstelling schijnt te minder gewaagd, wanneer

men in aanmerking neemt dat de Sassaniden hunne residentie in de

noordwestelijke provinciën hadden gevestigd, in de nabijheid van

de door de Romeinen bedreigde grenzen, en dat, naar het schijnt,

Farsistan door de koningen van deze dynastie verlaten werd, zoo als

blijkt uit den volkomen ondergang van het oude Shîraz.

Miandjangel, 2 November.--Toen wij gisteravond het paleis verlieten,

hebben onze gholams ons rechtstreeks naar Miandjangel gevoerd, de

eerste pleisterplaats in de richting van Darab. Het was reeds te laat

om logies te vragen in het huis van den ket khoda; wij namen dus onzen

intrek in een iman zadeh, die niet meer dan een bouwval is en waarin

zich reeds eenige bedelende derwisjen gevestigd hadden. Ik had nog

geen half uur gelegen op de plaats, mij door de derwisjen afgestaan,

toen ik eensklaps op onuitstaanbare wijze gebeten werd. Ik stak

mijn zaklantaarn op en stiet onwillekeurig een kreet van afgrijzen

uit. Reeds dikwijls genoeg heb ik, sedert wij op reis zijn, kennis

gemaakt met het walgelijke ongedierte, waarvan europeesche huisvrouwen

een ingeboren afkeer hebben, met luizen--om ze bij den naam te

noemen;--maar nooit had ik ze in zoo groote menigte gezien. Do oudste

van onze gholams, wakker geworden door het ongewone gerucht, stak

zijn hoofd uit de groote deken, waarin hij zich 's nachts wikkelde,

en vroeg naar de reden van mijn schrik. "Die insekten brengen u

geluk aan, zij komen van Mekka," zeide hij bij wijze van troost,

na een blik van welgevallen geworpen te hebben op de kleine hadjis,

die over zijn rooden baard kropen. Dit gezegd hebbende, trok hij zijn

deken over zijn hoofd en sliep weer in.

Firoez-Abad, 7 November.--Nog toen wij te Miandjangel waren, werd

mijn echtgenoot op nieuw in hevige mate door de koorts aangetast,

zoodat wij genoodzaakt waren naar Sarvistan terug te koeren, waar wij

een paar dagen rust hielden. Toen Marcel zich weer beter gevoelde,

wilde hij volstrekt naar Firoez-Abad gaan; wij hebben ons op weg

begeven en zijn gister in den namiddag hier aangekomen. De weg liep

voor een deel door eene bij uitnemendheid vruchtbare en waterrijke

streek, zoo goed bebouwd en zoo rijk aan houtgewas als ik nog bijna

nergens in Perzië had gezien. Nadat wij een nauwen pas in eene keten

van steile naakte rotsen waren doorgetrokken, kwamen wij in eene

groene vlakte, waarin een heuvel oprijst, bekroond door de ruïnen

van het paleis van Firoez-Abad.

Dit gebouw maakt een machtigen indruk, maar schijnt op het eerste

gezicht massiever dan dat van Sarvistan. Bij het binnentreden wordt

men aanstonds getroffen door den eenvoud van het plan en de majesteit

der ordonnantie, waaraan alle versiering ontbreekt. Men treedt eerst

in een breede overwelfde vestibule, die door groote bogen gemeenschap

heeft met vier vertrekken. Achter dit voorhof bevindt zich een ruime

zaal met een eivormigen koepel gedekt, en die door eene poort verbonden

is met eene binnenplaats, die geheel met puin is bezaaid, en waarop

wilde vijgeboomen groeien. Twee andere deuren of poorten geleiden naar

andere zalen, die voor een deel in puin liggen. Op de binnenplaats ziet

men, in eene overwelfde kamer, de trap die naar de ruime _zir zamin_

geleidt, dat is naar een dier onderaardsche vertrekken of kelders,

die de Perzen nog heden ten dage in den zomer bewonen, en waaruit zij

alleen des avonds te voorschijn komen om op het platte dak de koele

lucht in te ademen.

De vlakte, waarin het paleis oprijst, is bedekt met aarden terpen en

met groote hoopen van scherven, de laatste overblijfsels van verlaten

en verwoeste huizen. Voor de vestibule ziet men nog een kunstmatigen

vijver waarin het water, door onderaardsche buizen, uit de rivier

wordt gevoerd, om dan nutteloos weg te vloeien tusschen distels en

struiken en losgewoelde steenen van de vroegere omwalling.

Zeer vermoedelijk is dit paleis nog ouder dan dat van Sarvistan,

en hebben wij hier de overblijfselen voor ons van een gebouw uit de

eerste tijden der oude perzische monarchie. Misschien was dit paleis

wel bestemd tot woning van den gouverneur der provincie, die met de

bewaking der naburige bergpassen was belast.

Toen het donker geworden was, hebben wij de ruïnen verlaten, met het

voornemen om ze morgen meer in bijzonderheden op te nemen, en begaven

wij ons langs de rivier, waarvan de oevers met prachtige vijgeboomen

en slanke palmen beplant zijn, naar het dorp Firoez-Abad gadim (oud),

het antieke Djoer. Dit dorp wordt slechts door arme boeren bewoond; de

meer gegoeden wonen allen in Firoez-Abad no (nieuw), dat men op eenige

mijlen afstands te midden van het weelderigste groen ziet liggen.

Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887 · 第 28 / 41 题