XXVIII

18 October.--Zoo men de inwoners van Shîraz niet zonder recht van

fanatisme mag beschuldigen, dan openbaart zich dat fanatisme toch

vooral op eene wijze die geen geld kost, en is het ten eenemale

buiten staat om van de burgers te verkrijgen dat zij hunne beurs

ontsluiten ten behoeve van de godshuizen der stad. Met uitzondering

van de moskee van den Vakil, die eerst in de vorige eeuw werd gebouwd,

verkeeren alle bedehuizen in een staat van jammerlijk verval.

De oudste van alle moskeeën van Shîraz, en dus de meest

bezienswaardige, werd in 875 gebouwd onder de regeering van Amer

ben-Leis, niet minder bekend om zijne vroomheid, dan door zijne

oorlogen tegen de opvolgers van den Profeet. Evenals zijn broeder

Yakoeb, leefde hij eerst in goede verstandhouding met de khaliefen van

Bagdad, wier vasal hij was, en bestuurde gedurende eenige jaren Irak,

Farsistan, Khorassan, Seïstan en Tarbistan, onder den titel van:

"Slaaf van den Beheerscher der geloovigen." Zijne onderdanigheid

was echter meer schijn dan wezen. Kort na zijne troonsbeklimming,

zoo verhalen ons oude perzische kronieken, beval hij den bevelhebbers

der ruiterbenden van duizend om voor hem te verschijnen, de handen

met goud gevuld. Toen zij, ten getale van honderd, voor hem stonden,

ontsnapte hem een kreet van smart: "O, waarom heeft de hemel mij niet

vergund, met een leger als dit, Hassan en Hosein te komen helpen in

de vlakte van Kerbela!" Eene edele en vrome verzuchting, zoo voegt

de sjiïtische schrijver er bij, waardoor deze vorst zich eene schoone

en eervolle plaats verwierf in de gewesten der eeuwige gelukzaligheid.

Amer ben-Leis was niet alleen een vurig geloovige, maar ook een

wijsgeer. Overwonnen op een krijgstocht tegen een tartaarsch

opperhoofd, die op aanstoken van den khalief van Bagdad tegen hem

in opstand was gekomen, werd hij gevangen genomen. Toen het avond

geworden was, zette hij zich neder op den grond en liet door een

soldaat eene zeer eenvoudige spijs gereed maken in een dier koperen

vaten met wijden buik en smalle opening, die gewoonlijk gebruikt

worden om de paarden te drenken, toen een hond, die op den reuk was

afgekomen, zijn kop in den hals stak. Gerucht hoorende, nam het dier

haastig de vlucht, en daar hij zijn kop niet spoedig genoeg uit de

opening kon terugtrekken, liep hij met het vat en de spijs weg.

De gevangen vorst begon luidkeels te lachen, en toen de soldaten hem

naar de reden zijner vroolijkheid vroegen, die zoo weinig strookte

met den ongelukkigen toestand waarin hij verkeerde, antwoordde hij

hun: "Dezen morgen nog beklaagde zich de intendant van mijn huis,

dat driehonderd kameelen niet voldoende waren om den voorraad mijner

mondbehoeften te vervoeren. Zie nu eens, hoezeer mijne bediening

heden avond vereenvoudigd is: een hond loopt met mijn diner en mijn

geheele keukengereedschap te gelijk weg."

Ondanks de zeer belangrijke schade, door herhaalde aardbevingen aan

zijne muren, bogen en portieken toegebracht, ziet de oude tempel

van Amer ben-Lois er nog statig en indrukwekkend genoeg uit. Midden

op den voorhof, ter plaatse waar gewoonlijk het waschbekken staat,

bespeur ik tot mijne groote verwondering een klein vierkant monument,

van steen gebouwd, aan de vier hoeken voorzien van een lagen toren,

dat, naar de verzekering van onze gidsen, eene kopie zou zijn

van de Kaäba te Mekka. Het dak van dit gebouwtje, dat er over het

algemeen zeer vervallen uitziet, is verdwenen. Boven aan de torens

ziet men een fraaie inscriptie in blauwe letters, waaruit blijkt dat

de stichting van het monumentje in het jaar 1450 plaats greep. Dit

geldt uitsluitend van het kleine gebouwtje waarvan wij nu spreken;

maar daaruit valt niets af te leiden omtrent den tijd der stichting

van het monument, waarvoor dit gebouwtje in de plaats is gekomen. Onze

gidsen wijzen ons, te midden van het puin, een grooten zwarten steen,

die hier ongeveer dezelfde rol speelt als de beroemde zwarte steen

in de Kaäba te Mekka. Tot mijne uiterste verbazing herken ik in dien

steen een blok porfier, in vorm en versiering geheel gelijk aan de

voetstukken der zuilen van Persepolis.

Waren wij niet de eerste Europeanen, die de mastsjed Djoema hebben

bezocht, dan zou de legende, die Shîraz tot eene moderne stad maakt,

reeds lang als onwaar zijn verworpen; want het schijnt mij niet

mogelijk dat deze steen, waarvoor de bewoners van Shîraz van geslacht

tot geslacht zoo hoogen eerbied koesteren, op een goeden dag en met

opzet van Persepolis naar hier zou zijn gevoerd. Misschien bestond

er, toen de muzelmansche veroveraars in Farsistan doordrongen, geen

spoor meer van de oude stad; maar het is niet aannemelijk, dat de

Achemeniden steenen paleizen, dat is dus koninklijke residentiën,

zouden hebben gebouwd, verre van eenig centrum van bevolking; en dat

in een landstreek waar vruchtbare en waterrijke vlakten zoo uiterst

zeldzaam zijn, de vallei van Shîraz, juist in het bloeiendste en

schoonste tijdperk der perzische monarchie, een verlaten wildernis

zou zijn geweest, en dat nog wel onder de regeering van vorsten,

die bij voorkeur in hun oorspronkelijk vaderland verblijf hielden.

Nadat wij het kleine gebouwtje, het Huis Gods genoemd, aan alle

kanten hadden bekeken, richtte de mollah, die ons vergezelde, zijne

schreden naar het oudste gedeelte van de moskee. Dit is eene smalle

langwerpige zaal, aan het eene uiteinde versierd met een ouden, ruw

bewerkten steenen mihrab, waarvan de twee zijden eene verschillende

gedaante hebben. Boven dit werk van eene nog barbaarsche kunst ziet

men een verrukkelijk schoon plafond van cederhout met ivoor ingelegd,

een kunstwerk van hooge waarde, dat nog in goeden staat verkeert en

slechts hier en daar met zorg en smaak is gerestaureerd. Mijn brave

mollah schenkt mij overigens niets kwijt: hij laat mij iederen steen

en ieder hoekje zien. Dicht bij den ingang, in eene zeer donkere nis,

wijst hij mij een fraaie porfieren kuip. Deze kuip heeft den vorm

van een regelmatigen polygoon met twaalf vakken; al de vakken zijn

onderling gescheiden door zuiltjes, rustende op voetstukken in de

gedaante van vazen.

Ondanks haar uiterst bouwvalligen toestand, en ondanks de talrijke

misvormingen, die de eenheid van het geheel verloren hebben doen

gaan, is de moskee Djoema nog een van de belangrijkste monumenten

van het mohammedaansche Perzië. De aanwezigheid van eene Kaäba op

het midden van den binnenhof; het oud-perzische voetstuk aan den voet

der muren van het dusgenoemde Huis Gods; het oudste gedeelte van het

heiligdom met zijn zonderlingen mihrab en zijn uitnemend fraai plafond;

de porfieren kuip, misschien uit een antiek gebouw afkomstig:--al

deze bijzonderheden zijn wel geschikt om de bijzondere aandacht van

oudheidkenners en archeologen op deze moskee te vestigen.--De mastsjed

Djoema schijnt overigens de type te zijn geweest, waarnaar alle andere

moskeeën van Shiraz zijn gebouwd; met name de zoogenoemde nieuwe

moskee, die echter reeds omstreeks het jaar 1300 werd gesticht. Dit

zeer uitgestrekte gebouw schijnt weinig van de aardbevingen geleden

te hebben: met uitzondering van enkele scheuren in de groote bogen,

ziet het er nog vrij goed onderhouden uit, en onderscheidt zich vooral

door zijne betrekkelijke zindelijkheid van de mastsjed Djoema.

De medresseh Khan zou vrij ver van deze moskee verwijderd zijn, indien

men, zooals in de europeesche steden, om van het eene gebouw naar het

andere te gaan, den beganen grond moest volgen; maar in het vaderland

van Hafiz schiet iedereen vleugelen aan: althans wij beginnen onzen

tocht naar de medresseh, met op de daken te klimmen. "Welken weg gaat

gij ons nu voeren?" zeide ik tot mijn gids.

--Den kortsten weg, Çaheb; tuinen zijn in het hart der stad zeer

zeldzaam; de straten zijn zeer smal en bovendien voor een deel

overdekt; daarom nemen wij den weg over de daken, en ieder burger van

Shiraz weet dien weg even goed als door de straten en bazars. Alleen

wie te paard zit of op den middag uitgaat, volgt de straat."

Zoo gingen wij dan op weg, en begaven ons over de daken van de

nieuwe moskee naar de medresseh Khan, die midden op de groentenmarkt

is gebouwd. De school is vierkant en beslaat eene aanzienlijke

oppervlakte. Rondom de binnenplaats, die met prachtige boomen is

beplant, bevinden zich de kamers der leerlingen, die op lange galerijen

uitkomen. Al deze kamers zijn ledig; in de gangen liggen hoopen

vuilnis; de porseleinen tegels, waarmede de muren van de binnenplaats

bekleed waren, zijn op den grond gevallen; op sommige punten zijn de

muren zelven ingestort ten gevolge van de aardbevingen.--Even als in

de medresseh van den Vakil, luisteren enkele knapen, op hunne hurken

gezeten, met een half oor naar den mollah, die hun iets voorleest,

maar wiens aandacht zoo mogelijk nog minder bij zijn werk is. Het

best bewaarde en belangwekkendste deel van het gebouw is de peristyl,

die ouder schijnt dan de andere gedeelten van het monument. Vier

groote bogen, afgewisseld door nissen van grijzen steen, dragen eene

platte zoldering, versierd met een fraai mozaïek van tegels op blauwen

grond. Deze dekoratie, die zeer smaakvol is uitgevoerd, is omlijst

door eene fraaie inscriptie en maakt een zeer goed effect. Het geheele

gebouw, met uitzondering van den peristyl en de minarets ter wederzijde

van de poort, is, het behoeft nauwelijks gezegd, eene schepping van den

vakil, even als de prachtige bazar, waardoor wij onzen terugweg nemen.

19 October.--Welk een afschuwelijk klimaat is dat van Shiraz,

althans in dezen tijd des jaars. Marcel is nog steeds ziek; de

heer Blackmaur. onze gastheer, heeft sedert onze komst bijna het

bed niet verlaten; en sedert eergisteren heb ik alleen gegeten,

bediend door den kok, den eenigen bediende, die nog op de been is:

het telegraafkantoor is in een hospitaal herschapen.

De koortsen van Farsistan zijn zeer ernstig; zij gaan gepaard met

delirium of althans met zeer afmattende hallucinaties en verzwakken

den patiënt bovenmate. In deze omstandigheden valt het dubbel hard,

een bed en vooral schoon linnengoed te moeten missen; ik heb naar

den bazar van Shîraz gezonden, maar het is niet mogelijk linnen te

vinden. De Perzen kleeden zich nooit uit, en kennen geen ander lijfgoed

dan alleen een hemd. Marcel beklaagt zich echter niet; als hij niet

ijlt, speelt hij met eenige muizen, die onder de gloeiende dekens hun

verblijf hebben gevestigd en zich daar zeer wel schijnen te bevinden.

Ik zelve voel mij zeer afgemat en moedeloos en kan bijna niets

uitvoeren. Toch heb ik den hakim-bashi, onzen vriend, ontvangen,

die Marcel kwam uitnoodigen om den gouverneur der stad te gaan

bezoeken. Çahabi-Divan is reeds bejaard; sedert het begin van

den zomer lijdt hij bijna onafgebroken aan koorts, en hij voelt

zich nu zoo zwak dat hij, na gehouden overleg met zijn lijfarts,

besloten heeft, het uiterste te beproeven en in 's hemels naam

de hulp van een Farangui in te roepen. Ik heb den hakim verzocht,

den gouverneur te doen weten, dat mijn echtgenoot zelf ziek lag en

onmogelijk tot hem komen kon, en er op aangedrongen dat het consult

eenige dagen zou worden uitgesteld. De waardige lijfarts zou voor het

oogenblik tevreden geweest zijn, als ik met hem had willen mede gaan;

hij verzekerde mij, met eene voor mijne eigenliefde zeer streelende

beleefdheid, dat hij evenveel vertrouwen stelde in mijne talenten

als in die van mijn echtgenoot; maar ik heb gemeend, voor die eer

te moeten bedanken. "Een gouverneur te behandelen is een zaak van

gewicht, antwoordde ik op ernstigen toon; ik zou nimmer zulk eene

zware verantwoordelijkheid op mij durven laden."

De menschen zijn toch in den grond overal dezelfden: in het Oosten

zoowel als in het Westen, even vol vooroordeelen, even belust op het

onmogelijke, ongerijmde. Er is te Shîraz een zeer bekwaam geneesheer,

dokter Odling; hij is sedert vijf jaren in het land gevestigd en is

volkomen op de hoogte van de lokale ziekten: de gouverneur laat hem

echter niet ontbieden. Maar daar komen twee vreemdelingen in de stad,

twee geheel onbekende personen, die zichzelven niet genezen kunnen,

maar toevallig enkele tsjarvadars hebben geholpen: en de gouverneur

heeft geen rust voor zij hem willen behandelen, op het gevaar af dat

hij sterven zal, indien die geïmproviseerde dokters onvoorzichtig

genoeg zijn om hem er aan te wagen.

23 October.--Sedert drie dagen heb ik mijn dagboek niet kunnen

bijhouden. Toen Marcel beter werd, werd ik op mijne beurt

aangetast. Daar ik mij dezen morgen beter gevoelde, heb ik mijn

echtgenoot uitgenoodigd, overeenkomstig de aan den hakim gegeven

belofte, zich naar den gouverneur te begeven.

Toen hij aan het paleis kwam, was er niemand om zijn paard vast te

houden. Op de doorgaans zoo drukke voorhoven was het nu doodstil. Toen

hij de vestibule betrad, waar de wacht verblijf houdt, werd dit raadsel

aldra opgehelderd. Overal lagen soldaten, half gekleed, op den grond

uitgestrekt; zelfs de concierge was te lusteloos en te uitgeput om

zijn gewone backshish te vragen. De koorts woedde allerhevigst in

het paleis van den gouverneur.

Çahabi Divan zat of liever lag op een hoop dekens, achter in

den officieelen talar op den vloer uitgespreid; hij bibberde en

klappertandde, niettegenstaande hij in een fraai violetkleurig satijnen

kleed was gewikkeld, waartegen zijn bleek en gerimpeld gelaat akelig

afstak. Zijn baard, die, zooals bij alle grijsaards, met henné was

geverfd, toonde nog slechts in het onderste gedeelte een weinig rood,

maar was overigens sneeuwwit. Die wonderlijke samenvoeging van kleuren

gaf den zieke een terugstootend voorkomen, waarmede overigens zijn

zwak en lijdend uitzicht niet strookte. Om den gouverneur zaten, naar

rangorde, een aantal aanzienlijke, deftige personen; allen bewaarden

een eerbiedig stilzwijgen, slechts afgebroken door het gekerm

van den meester. Daar zat een in de stad zeer hoog geachte seyed,

kenbaar aan zijn blauwen tulband; voorts de iman djoema, twee of drie

mollahs; de generaal kommandant der artillerie--een oude slaapmuts,

tot deze raadsvergadering geroepen uithoofde van zijn rang en van

zijne hooge betrekking, die overigens eene zuivere sinecure is, daar

er te Shîraz geen enkel kanon is te vinden;--verder, de beschermer

der vreemdelingen, die ook nu niet volkomen nuchter was; eindelijk de

barbier, een personage van gewicht, de hakim-bashi en zijn zoon, en

nog drie of vier andere bejaarde en min of meer beroemde geneesheeren.

Zoodra Marcel binnentrad, deed de zieke een poging om op te staan,

maar zonk weldra al zuchtend op de dekens neer. Mijn echtgenoot drukte

eerst de hand van den iman djoema, met wien wij op den besten voet

staan, en groette de overigen zonder zich in het minst te storen aan

de woedende blikken van den seyed, wiens verontwaardiging geene grenzen

kende nu het leven en de gezondheid van den gouverneur aan een Christen

werden toevertrouwd, of aan de blijkbare ergernis van den barbier, die

het niet kon verkroppen dat een Farangui in zijne functiën zou treden.

Er werd een pijp gebracht; ruim een kwartier verliep, gedurende hetwelk

die pijp, met inachtneming van alle vormen der beleefdheid, van hand

tot hand ging, zonder dat iemand acht scheen te geven op het zuchten

en kermen van den patiënt; eindelijk nam de eerwaardige hakim-bashi,

na zijn cachemiren tulband te hebben recht gezet en zijne handen op

zijn borst gevouwen, aldus het woord:

"Onze geëerbiedigde Hakem--moge Allah hem geven meer dan honderd

jaren deze provincie te besturen!--is sedert het begin der lente

lijdende aan hevige aanvallen van koorts. Alle geneesmiddelen, voor

dergelijke gevallen voorgeschreven, heeft men aangewend; wilgenbladeren

in menigte zijn op het hoofd van Zijne Excellentie gelegd....

--En ik, valt de barbier in; ik, zijn onwaardige slaaf, heb Zijne

Excellentie in de laatste maanden meer dan driemaal gelaten.

--De eerwaarde seyed, die deze vergadering wel met zijne gezegende

tegenwoordigheid wil vereeren, heeft den hakem kostbare talimans ter

hand gesteld en Koranteksten, die in mijne tegenwoordigheid op de

lijdende lichaamsdeelen zijn gelegd. Wij hebben zelfs de toevlucht

genomen tot de quinè quinè (chinine). Maar al deze geneesmiddelen

hebben hoegenaamd niets uitgewerkt. Toch is het van het grootste

gewicht, dat de gouverneur, aan wien wij de rust en den vrede van de

provincie te danken hebben, weldra weder zijne plaats kunne innemen

op het tapijt van den divan khané (huis der gerechtigheid). Doch

zoo deze man, wiens rechtvaardigheid te vergelijken is bij die der

beroemdste khaliefen, het volk zal blijven regeeren, dan is het noodig

dat Allah hem de gezondheid terug geve. Mijn zoon, die schatten van

wijsheid en wetenschap heeft verzameld bij de geneesheeren van Zijne

Majesteit den Shâh--moge Allah dit licht der wereld nog lang op den

troon sparen!--heeft mij aangeraden, den hakem een geneesmiddel toe te

dienen, waarvan ik schroom den naam uit te spreken, om niet te kort te

doen aan den eerbied, dien ik den doorluchtigen kranke verschuldigd ben

en dezer eerwaardige vergadering, die wel naar mij wil luisteren. Dit

geneesmiddel waartoe de Faranguis, die aan allerlei kwalen lijden,

dikwijls hunne toevlucht moeten nemen, is niet edel. Had ik te doen met

een gewonen patiënt, dan zou ik misschien niet geaarzeld hebben, het

voor te schrijven; maar zonder de toestemming van de geestelijkheid

en den steun mijner geleerde collega's zou ik het nimmer bij den

gouverneur durven aanwenden.

--Spreek en vrees niets, heer dokter, antwoordde de seyed; deel

ons uwe gedachte mede; gij zijt, het is ons allen bekend, een vroom

muzelman. Wat is de zaak?

--Ik zou in overweging geven, aan den hakem, natuurlijk in eene zeer

geringe hoeveelheid, een geneesmiddel toe te dienen, waarvan ik nog

schroom den naam uit te spreken. Ik bedoel arsenicum, marge-moesj.

--Rattenkruid voor den gouverneur! zoo klinkt het eenstemmig uit aller

mond, zelfs uit dien van den kranke, die vol schrik en ontzetting

is opgerezen.

--Ja, ik dacht wel dat ik bij u tegenstand zou ontmoeten; maar toch

zou ik gaarne de meening kennen van de vrome wetgeleerden, en van

hen vernemen of de Koran het toedienen van dergelijke geneesmiddelen

verbiedt.

--Neen, zeker niet, antwoordt de seyed; hoewel dit vergift, dat

in Faranguistan bereid wordt, met de uiterste behoedzaamheid moet

worden gebruikt.

--Wat mij betreft, herneemt een der oude geneesheeren, ik verklaar mij

ten stelligste tegen het gebruik van rattenkruid, omdat de ziekte van

den gouverneur tot de warme of heete aandoeningen behoort. De ouden

hebben ons geleerd, dat men de kwalen waaraan de menschheid lijdt,

in vier klassen verdeelt: de koude, de warme, de droge en de vochtige

ziekten; zij loeren ons ook, dat men deze verschillende kwalen door

eene behandeling van tegenovergestelden aard moet genezen. Zoo er

nu eene ziekte is, die tot de warme of heete gerekend kan worden, is

het wel de koorts: daarom moet zij genezen worden door aderlatingen

of afkoelende middelen, en niet door droge vergiften, zooals het

arsenicum. Het schijnt wel, eerwaarde hakim-bashi, dat gij de eerste

grondbeginselen der geneeskunde vergeten hebt. Ik besluit dus, dat het

gebruik van wilgenbladen een gewaagd middel is, en dat de quinè quinè

verkeerd werkt; het gebruik van arsenicum acht ik bepaald duivelsch;

daarom verklaar ik er mij ten sterkste tegen dat het den gouverneur

worde toegediend.

--Wat mij aangaat--zegt de iman djoema, die gaarne een bewijs wil

geven van zijn helder oordeel en tevens de verschillende partijen

zooveel mogelijk tot elkander wil brengen;--wat mij aangaat, ik zou

wel het gevoelen kunnen deelen van den hakim-bashi, als hij het niet

volstrekt noodig oordeelt, den gouverneur het rattenkruid bij wijze

van een drankje toe te dienen. Zou men, bij voorbeeld, geen kleine

zakjes kunnen maken, die met arsenicum vullen en ze dan om den hals

of de armen van Zijne Excellentie hangen? Om de schadelijke werking

van het vergift te keeren, zou men er eenige teksten uit den Koran

bij kunnen voegen.

--Zoo men naar mijn raad wilde luisteren, zegt nu de generaal der

artillerie, zou men al die kwakzalversmiddelen op straat gooien;

en met vergunning van den moesjteïd en van den iman djoema, zou men

Zijne Excellentie alle dagen een paar flesschen goeden ouden wijn

van Shiraz laten drinken. Hoewel ik zelf nooit de voorschriften van

onze wet overtreden heb, zoo weet ik toch van hooren zeggen, dat er

geen beter middel is tegen de koorts.

--Baricalla! baricalla! (bravo! bravo!), roept de beschermer der

vreemdelingen, die op het hooren noemen van den ouden wijn van Shiraz

uit zijne verdooving ontwaakt; dat is ten minste een verstandige

raad. De generaal en ik, wij hebben steeds bevonden, dat dit het beste,

of liever eenige middel is tegen de werking van het ongezonde klimaat

dezer streek.

--Wilt gij den mond houden, zoon van een verdoemden dronkaard,

herneemt de generaal, woedend dat hij aldus verraden wordt; gij....

--Çaheb, zegt haastig de hakim-bashi, den generaal in de rede vallende,

wat denkt Uwe Excellentie van het voorstel van den iman djoema?"

De Excellentie--dat is mijn echtgenoot--, die in het minst

geen vermoeden had, wat het gevolg zou zijn van zijn advies, om

den gouverneur met arsenicum te genezen, haast zich, om aan de

beraadslagingen een einde te maken.

"Ik houd mij overtuigd, dat de kracht der teksten uit den Koran den

zieke eene groote verlichting zal bezorgen. Dit is in allen gevalle

zeer wenschelijk; want wanneer men het arsenicum aanwendt op de wijze,

als de eerwaarde iman djoema voorstelt, dan zal het vermoedelijk niet

veel baten. Indien de raad tegen het gebruik van arsenicumhoudende

dranken is, zou hij dan ook bezwaar maken, om den buik en de maag

van den patiënt met dit geneesmiddel in te wrijven? Met Gods hulp

zou dat misschien kunnen baten. Daarbij, hakim-bashi, waarom zoudt

gij Zijne Excellentie niet naar de bergen zenden, waar de lucht

zooveel gezonder is dan te Shîraz? Het zou altijd nog tijd zijn om

het arsenicum te gebruiken, op de wijze als ik u eerst voorstelde,

indien de algemeene gezondheidstoestand van den zieke minder werd."

Met dit fraaie advies kunnen bijna alle leden der vergadering zich

vereenigen, en men gaat tot stemming over. De raad besluit dat de

gouverneur naar de bergen zal worden gevoerd, en dat hij, te beginnen

met morgen, tweemaal daags, des ochtends en des avonds, op den buik

en op de maagholte met arsenicum zal worden ingewreven. Elke wrijving

mag niet minder dan drie kwartier duren.

Brengt de arme man bij deze behandeling er het leven af, nu..... dan

is Allah groot!

Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887 · 第 27 / 41 题