18 October.--Zoo men de inwoners van Shîraz niet zonder recht van
fanatisme mag beschuldigen, dan openbaart zich dat fanatisme toch
vooral op eene wijze die geen geld kost, en is het ten eenemale
buiten staat om van de burgers te verkrijgen dat zij hunne beurs
ontsluiten ten behoeve van de godshuizen der stad. Met uitzondering
van de moskee van den Vakil, die eerst in de vorige eeuw werd gebouwd,
verkeeren alle bedehuizen in een staat van jammerlijk verval.
De oudste van alle moskeeën van Shîraz, en dus de meest
bezienswaardige, werd in 875 gebouwd onder de regeering van Amer
ben-Leis, niet minder bekend om zijne vroomheid, dan door zijne
oorlogen tegen de opvolgers van den Profeet. Evenals zijn broeder
Yakoeb, leefde hij eerst in goede verstandhouding met de khaliefen van
Bagdad, wier vasal hij was, en bestuurde gedurende eenige jaren Irak,
Farsistan, Khorassan, Seïstan en Tarbistan, onder den titel van:
"Slaaf van den Beheerscher der geloovigen." Zijne onderdanigheid
was echter meer schijn dan wezen. Kort na zijne troonsbeklimming,
zoo verhalen ons oude perzische kronieken, beval hij den bevelhebbers
der ruiterbenden van duizend om voor hem te verschijnen, de handen
met goud gevuld. Toen zij, ten getale van honderd, voor hem stonden,
ontsnapte hem een kreet van smart: "O, waarom heeft de hemel mij niet
vergund, met een leger als dit, Hassan en Hosein te komen helpen in
de vlakte van Kerbela!" Eene edele en vrome verzuchting, zoo voegt
de sjiïtische schrijver er bij, waardoor deze vorst zich eene schoone
en eervolle plaats verwierf in de gewesten der eeuwige gelukzaligheid.
Amer ben-Leis was niet alleen een vurig geloovige, maar ook een
wijsgeer. Overwonnen op een krijgstocht tegen een tartaarsch
opperhoofd, die op aanstoken van den khalief van Bagdad tegen hem
in opstand was gekomen, werd hij gevangen genomen. Toen het avond
geworden was, zette hij zich neder op den grond en liet door een
soldaat eene zeer eenvoudige spijs gereed maken in een dier koperen
vaten met wijden buik en smalle opening, die gewoonlijk gebruikt
worden om de paarden te drenken, toen een hond, die op den reuk was
afgekomen, zijn kop in den hals stak. Gerucht hoorende, nam het dier
haastig de vlucht, en daar hij zijn kop niet spoedig genoeg uit de
opening kon terugtrekken, liep hij met het vat en de spijs weg.
De gevangen vorst begon luidkeels te lachen, en toen de soldaten hem
naar de reden zijner vroolijkheid vroegen, die zoo weinig strookte
met den ongelukkigen toestand waarin hij verkeerde, antwoordde hij
hun: "Dezen morgen nog beklaagde zich de intendant van mijn huis,
dat driehonderd kameelen niet voldoende waren om den voorraad mijner
mondbehoeften te vervoeren. Zie nu eens, hoezeer mijne bediening
heden avond vereenvoudigd is: een hond loopt met mijn diner en mijn
geheele keukengereedschap te gelijk weg."
Ondanks de zeer belangrijke schade, door herhaalde aardbevingen aan
zijne muren, bogen en portieken toegebracht, ziet de oude tempel
van Amer ben-Lois er nog statig en indrukwekkend genoeg uit. Midden
op den voorhof, ter plaatse waar gewoonlijk het waschbekken staat,
bespeur ik tot mijne groote verwondering een klein vierkant monument,
van steen gebouwd, aan de vier hoeken voorzien van een lagen toren,
dat, naar de verzekering van onze gidsen, eene kopie zou zijn
van de Kaäba te Mekka. Het dak van dit gebouwtje, dat er over het
algemeen zeer vervallen uitziet, is verdwenen. Boven aan de torens
ziet men een fraaie inscriptie in blauwe letters, waaruit blijkt dat
de stichting van het monumentje in het jaar 1450 plaats greep. Dit
geldt uitsluitend van het kleine gebouwtje waarvan wij nu spreken;
maar daaruit valt niets af te leiden omtrent den tijd der stichting
van het monument, waarvoor dit gebouwtje in de plaats is gekomen. Onze
gidsen wijzen ons, te midden van het puin, een grooten zwarten steen,
die hier ongeveer dezelfde rol speelt als de beroemde zwarte steen
in de Kaäba te Mekka. Tot mijne uiterste verbazing herken ik in dien
steen een blok porfier, in vorm en versiering geheel gelijk aan de
voetstukken der zuilen van Persepolis.
Waren wij niet de eerste Europeanen, die de mastsjed Djoema hebben
bezocht, dan zou de legende, die Shîraz tot eene moderne stad maakt,
reeds lang als onwaar zijn verworpen; want het schijnt mij niet
mogelijk dat deze steen, waarvoor de bewoners van Shîraz van geslacht
tot geslacht zoo hoogen eerbied koesteren, op een goeden dag en met
opzet van Persepolis naar hier zou zijn gevoerd. Misschien bestond
er, toen de muzelmansche veroveraars in Farsistan doordrongen, geen
spoor meer van de oude stad; maar het is niet aannemelijk, dat de
Achemeniden steenen paleizen, dat is dus koninklijke residentiën,
zouden hebben gebouwd, verre van eenig centrum van bevolking; en dat
in een landstreek waar vruchtbare en waterrijke vlakten zoo uiterst
zeldzaam zijn, de vallei van Shîraz, juist in het bloeiendste en
schoonste tijdperk der perzische monarchie, een verlaten wildernis
zou zijn geweest, en dat nog wel onder de regeering van vorsten,
die bij voorkeur in hun oorspronkelijk vaderland verblijf hielden.
Nadat wij het kleine gebouwtje, het Huis Gods genoemd, aan alle
kanten hadden bekeken, richtte de mollah, die ons vergezelde, zijne
schreden naar het oudste gedeelte van de moskee. Dit is eene smalle
langwerpige zaal, aan het eene uiteinde versierd met een ouden, ruw
bewerkten steenen mihrab, waarvan de twee zijden eene verschillende
gedaante hebben. Boven dit werk van eene nog barbaarsche kunst ziet
men een verrukkelijk schoon plafond van cederhout met ivoor ingelegd,
een kunstwerk van hooge waarde, dat nog in goeden staat verkeert en
slechts hier en daar met zorg en smaak is gerestaureerd. Mijn brave
mollah schenkt mij overigens niets kwijt: hij laat mij iederen steen
en ieder hoekje zien. Dicht bij den ingang, in eene zeer donkere nis,
wijst hij mij een fraaie porfieren kuip. Deze kuip heeft den vorm
van een regelmatigen polygoon met twaalf vakken; al de vakken zijn
onderling gescheiden door zuiltjes, rustende op voetstukken in de
gedaante van vazen.
Ondanks haar uiterst bouwvalligen toestand, en ondanks de talrijke
misvormingen, die de eenheid van het geheel verloren hebben doen
gaan, is de moskee Djoema nog een van de belangrijkste monumenten
van het mohammedaansche Perzië. De aanwezigheid van eene Kaäba op
het midden van den binnenhof; het oud-perzische voetstuk aan den voet
der muren van het dusgenoemde Huis Gods; het oudste gedeelte van het
heiligdom met zijn zonderlingen mihrab en zijn uitnemend fraai plafond;
de porfieren kuip, misschien uit een antiek gebouw afkomstig:--al
deze bijzonderheden zijn wel geschikt om de bijzondere aandacht van
oudheidkenners en archeologen op deze moskee te vestigen.--De mastsjed
Djoema schijnt overigens de type te zijn geweest, waarnaar alle andere
moskeeën van Shiraz zijn gebouwd; met name de zoogenoemde nieuwe
moskee, die echter reeds omstreeks het jaar 1300 werd gesticht. Dit
zeer uitgestrekte gebouw schijnt weinig van de aardbevingen geleden
te hebben: met uitzondering van enkele scheuren in de groote bogen,
ziet het er nog vrij goed onderhouden uit, en onderscheidt zich vooral
door zijne betrekkelijke zindelijkheid van de mastsjed Djoema.
De medresseh Khan zou vrij ver van deze moskee verwijderd zijn, indien
men, zooals in de europeesche steden, om van het eene gebouw naar het
andere te gaan, den beganen grond moest volgen; maar in het vaderland
van Hafiz schiet iedereen vleugelen aan: althans wij beginnen onzen
tocht naar de medresseh, met op de daken te klimmen. "Welken weg gaat
gij ons nu voeren?" zeide ik tot mijn gids.
--Den kortsten weg, Çaheb; tuinen zijn in het hart der stad zeer
zeldzaam; de straten zijn zeer smal en bovendien voor een deel
overdekt; daarom nemen wij den weg over de daken, en ieder burger van
Shiraz weet dien weg even goed als door de straten en bazars. Alleen
wie te paard zit of op den middag uitgaat, volgt de straat."
Zoo gingen wij dan op weg, en begaven ons over de daken van de
nieuwe moskee naar de medresseh Khan, die midden op de groentenmarkt
is gebouwd. De school is vierkant en beslaat eene aanzienlijke
oppervlakte. Rondom de binnenplaats, die met prachtige boomen is
beplant, bevinden zich de kamers der leerlingen, die op lange galerijen
uitkomen. Al deze kamers zijn ledig; in de gangen liggen hoopen
vuilnis; de porseleinen tegels, waarmede de muren van de binnenplaats
bekleed waren, zijn op den grond gevallen; op sommige punten zijn de
muren zelven ingestort ten gevolge van de aardbevingen.--Even als in
de medresseh van den Vakil, luisteren enkele knapen, op hunne hurken
gezeten, met een half oor naar den mollah, die hun iets voorleest,
maar wiens aandacht zoo mogelijk nog minder bij zijn werk is. Het
best bewaarde en belangwekkendste deel van het gebouw is de peristyl,
die ouder schijnt dan de andere gedeelten van het monument. Vier
groote bogen, afgewisseld door nissen van grijzen steen, dragen eene
platte zoldering, versierd met een fraai mozaïek van tegels op blauwen
grond. Deze dekoratie, die zeer smaakvol is uitgevoerd, is omlijst
door eene fraaie inscriptie en maakt een zeer goed effect. Het geheele
gebouw, met uitzondering van den peristyl en de minarets ter wederzijde
van de poort, is, het behoeft nauwelijks gezegd, eene schepping van den
vakil, even als de prachtige bazar, waardoor wij onzen terugweg nemen.
19 October.--Welk een afschuwelijk klimaat is dat van Shiraz,
althans in dezen tijd des jaars. Marcel is nog steeds ziek; de
heer Blackmaur. onze gastheer, heeft sedert onze komst bijna het
bed niet verlaten; en sedert eergisteren heb ik alleen gegeten,
bediend door den kok, den eenigen bediende, die nog op de been is:
het telegraafkantoor is in een hospitaal herschapen.
De koortsen van Farsistan zijn zeer ernstig; zij gaan gepaard met
delirium of althans met zeer afmattende hallucinaties en verzwakken
den patiënt bovenmate. In deze omstandigheden valt het dubbel hard,
een bed en vooral schoon linnengoed te moeten missen; ik heb naar
den bazar van Shîraz gezonden, maar het is niet mogelijk linnen te
vinden. De Perzen kleeden zich nooit uit, en kennen geen ander lijfgoed
dan alleen een hemd. Marcel beklaagt zich echter niet; als hij niet
ijlt, speelt hij met eenige muizen, die onder de gloeiende dekens hun
verblijf hebben gevestigd en zich daar zeer wel schijnen te bevinden.
Ik zelve voel mij zeer afgemat en moedeloos en kan bijna niets
uitvoeren. Toch heb ik den hakim-bashi, onzen vriend, ontvangen,
die Marcel kwam uitnoodigen om den gouverneur der stad te gaan
bezoeken. Çahabi-Divan is reeds bejaard; sedert het begin van
den zomer lijdt hij bijna onafgebroken aan koorts, en hij voelt
zich nu zoo zwak dat hij, na gehouden overleg met zijn lijfarts,
besloten heeft, het uiterste te beproeven en in 's hemels naam
de hulp van een Farangui in te roepen. Ik heb den hakim verzocht,
den gouverneur te doen weten, dat mijn echtgenoot zelf ziek lag en
onmogelijk tot hem komen kon, en er op aangedrongen dat het consult
eenige dagen zou worden uitgesteld. De waardige lijfarts zou voor het
oogenblik tevreden geweest zijn, als ik met hem had willen mede gaan;
hij verzekerde mij, met eene voor mijne eigenliefde zeer streelende
beleefdheid, dat hij evenveel vertrouwen stelde in mijne talenten
als in die van mijn echtgenoot; maar ik heb gemeend, voor die eer
te moeten bedanken. "Een gouverneur te behandelen is een zaak van
gewicht, antwoordde ik op ernstigen toon; ik zou nimmer zulk eene
zware verantwoordelijkheid op mij durven laden."
De menschen zijn toch in den grond overal dezelfden: in het Oosten
zoowel als in het Westen, even vol vooroordeelen, even belust op het
onmogelijke, ongerijmde. Er is te Shîraz een zeer bekwaam geneesheer,
dokter Odling; hij is sedert vijf jaren in het land gevestigd en is
volkomen op de hoogte van de lokale ziekten: de gouverneur laat hem
echter niet ontbieden. Maar daar komen twee vreemdelingen in de stad,
twee geheel onbekende personen, die zichzelven niet genezen kunnen,
maar toevallig enkele tsjarvadars hebben geholpen: en de gouverneur
heeft geen rust voor zij hem willen behandelen, op het gevaar af dat
hij sterven zal, indien die geïmproviseerde dokters onvoorzichtig
genoeg zijn om hem er aan te wagen.
23 October.--Sedert drie dagen heb ik mijn dagboek niet kunnen
bijhouden. Toen Marcel beter werd, werd ik op mijne beurt
aangetast. Daar ik mij dezen morgen beter gevoelde, heb ik mijn
echtgenoot uitgenoodigd, overeenkomstig de aan den hakim gegeven
belofte, zich naar den gouverneur te begeven.
Toen hij aan het paleis kwam, was er niemand om zijn paard vast te
houden. Op de doorgaans zoo drukke voorhoven was het nu doodstil. Toen
hij de vestibule betrad, waar de wacht verblijf houdt, werd dit raadsel
aldra opgehelderd. Overal lagen soldaten, half gekleed, op den grond
uitgestrekt; zelfs de concierge was te lusteloos en te uitgeput om
zijn gewone backshish te vragen. De koorts woedde allerhevigst in
het paleis van den gouverneur.
Çahabi Divan zat of liever lag op een hoop dekens, achter in
den officieelen talar op den vloer uitgespreid; hij bibberde en
klappertandde, niettegenstaande hij in een fraai violetkleurig satijnen
kleed was gewikkeld, waartegen zijn bleek en gerimpeld gelaat akelig
afstak. Zijn baard, die, zooals bij alle grijsaards, met henné was
geverfd, toonde nog slechts in het onderste gedeelte een weinig rood,
maar was overigens sneeuwwit. Die wonderlijke samenvoeging van kleuren
gaf den zieke een terugstootend voorkomen, waarmede overigens zijn
zwak en lijdend uitzicht niet strookte. Om den gouverneur zaten, naar
rangorde, een aantal aanzienlijke, deftige personen; allen bewaarden
een eerbiedig stilzwijgen, slechts afgebroken door het gekerm
van den meester. Daar zat een in de stad zeer hoog geachte seyed,
kenbaar aan zijn blauwen tulband; voorts de iman djoema, twee of drie
mollahs; de generaal kommandant der artillerie--een oude slaapmuts,
tot deze raadsvergadering geroepen uithoofde van zijn rang en van
zijne hooge betrekking, die overigens eene zuivere sinecure is, daar
er te Shîraz geen enkel kanon is te vinden;--verder, de beschermer
der vreemdelingen, die ook nu niet volkomen nuchter was; eindelijk de
barbier, een personage van gewicht, de hakim-bashi en zijn zoon, en
nog drie of vier andere bejaarde en min of meer beroemde geneesheeren.
Zoodra Marcel binnentrad, deed de zieke een poging om op te staan,
maar zonk weldra al zuchtend op de dekens neer. Mijn echtgenoot drukte
eerst de hand van den iman djoema, met wien wij op den besten voet
staan, en groette de overigen zonder zich in het minst te storen aan
de woedende blikken van den seyed, wiens verontwaardiging geene grenzen
kende nu het leven en de gezondheid van den gouverneur aan een Christen
werden toevertrouwd, of aan de blijkbare ergernis van den barbier, die
het niet kon verkroppen dat een Farangui in zijne functiën zou treden.
Er werd een pijp gebracht; ruim een kwartier verliep, gedurende hetwelk
die pijp, met inachtneming van alle vormen der beleefdheid, van hand
tot hand ging, zonder dat iemand acht scheen te geven op het zuchten
en kermen van den patiënt; eindelijk nam de eerwaardige hakim-bashi,
na zijn cachemiren tulband te hebben recht gezet en zijne handen op
zijn borst gevouwen, aldus het woord:
"Onze geëerbiedigde Hakem--moge Allah hem geven meer dan honderd
jaren deze provincie te besturen!--is sedert het begin der lente
lijdende aan hevige aanvallen van koorts. Alle geneesmiddelen, voor
dergelijke gevallen voorgeschreven, heeft men aangewend; wilgenbladeren
in menigte zijn op het hoofd van Zijne Excellentie gelegd....
--En ik, valt de barbier in; ik, zijn onwaardige slaaf, heb Zijne
Excellentie in de laatste maanden meer dan driemaal gelaten.
--De eerwaarde seyed, die deze vergadering wel met zijne gezegende
tegenwoordigheid wil vereeren, heeft den hakem kostbare talimans ter
hand gesteld en Koranteksten, die in mijne tegenwoordigheid op de
lijdende lichaamsdeelen zijn gelegd. Wij hebben zelfs de toevlucht
genomen tot de quinè quinè (chinine). Maar al deze geneesmiddelen
hebben hoegenaamd niets uitgewerkt. Toch is het van het grootste
gewicht, dat de gouverneur, aan wien wij de rust en den vrede van de
provincie te danken hebben, weldra weder zijne plaats kunne innemen
op het tapijt van den divan khané (huis der gerechtigheid). Doch
zoo deze man, wiens rechtvaardigheid te vergelijken is bij die der
beroemdste khaliefen, het volk zal blijven regeeren, dan is het noodig
dat Allah hem de gezondheid terug geve. Mijn zoon, die schatten van
wijsheid en wetenschap heeft verzameld bij de geneesheeren van Zijne
Majesteit den Shâh--moge Allah dit licht der wereld nog lang op den
troon sparen!--heeft mij aangeraden, den hakem een geneesmiddel toe te
dienen, waarvan ik schroom den naam uit te spreken, om niet te kort te
doen aan den eerbied, dien ik den doorluchtigen kranke verschuldigd ben
en dezer eerwaardige vergadering, die wel naar mij wil luisteren. Dit
geneesmiddel waartoe de Faranguis, die aan allerlei kwalen lijden,
dikwijls hunne toevlucht moeten nemen, is niet edel. Had ik te doen met
een gewonen patiënt, dan zou ik misschien niet geaarzeld hebben, het
voor te schrijven; maar zonder de toestemming van de geestelijkheid
en den steun mijner geleerde collega's zou ik het nimmer bij den
gouverneur durven aanwenden.
--Spreek en vrees niets, heer dokter, antwoordde de seyed; deel
ons uwe gedachte mede; gij zijt, het is ons allen bekend, een vroom
muzelman. Wat is de zaak?
--Ik zou in overweging geven, aan den hakem, natuurlijk in eene zeer
geringe hoeveelheid, een geneesmiddel toe te dienen, waarvan ik nog
schroom den naam uit te spreken. Ik bedoel arsenicum, marge-moesj.
--Rattenkruid voor den gouverneur! zoo klinkt het eenstemmig uit aller
mond, zelfs uit dien van den kranke, die vol schrik en ontzetting
is opgerezen.
--Ja, ik dacht wel dat ik bij u tegenstand zou ontmoeten; maar toch
zou ik gaarne de meening kennen van de vrome wetgeleerden, en van
hen vernemen of de Koran het toedienen van dergelijke geneesmiddelen
verbiedt.
--Neen, zeker niet, antwoordt de seyed; hoewel dit vergift, dat
in Faranguistan bereid wordt, met de uiterste behoedzaamheid moet
worden gebruikt.
--Wat mij betreft, herneemt een der oude geneesheeren, ik verklaar mij
ten stelligste tegen het gebruik van rattenkruid, omdat de ziekte van
den gouverneur tot de warme of heete aandoeningen behoort. De ouden
hebben ons geleerd, dat men de kwalen waaraan de menschheid lijdt,
in vier klassen verdeelt: de koude, de warme, de droge en de vochtige
ziekten; zij loeren ons ook, dat men deze verschillende kwalen door
eene behandeling van tegenovergestelden aard moet genezen. Zoo er
nu eene ziekte is, die tot de warme of heete gerekend kan worden, is
het wel de koorts: daarom moet zij genezen worden door aderlatingen
of afkoelende middelen, en niet door droge vergiften, zooals het
arsenicum. Het schijnt wel, eerwaarde hakim-bashi, dat gij de eerste
grondbeginselen der geneeskunde vergeten hebt. Ik besluit dus, dat het
gebruik van wilgenbladen een gewaagd middel is, en dat de quinè quinè
verkeerd werkt; het gebruik van arsenicum acht ik bepaald duivelsch;
daarom verklaar ik er mij ten sterkste tegen dat het den gouverneur
worde toegediend.
--Wat mij aangaat--zegt de iman djoema, die gaarne een bewijs wil
geven van zijn helder oordeel en tevens de verschillende partijen
zooveel mogelijk tot elkander wil brengen;--wat mij aangaat, ik zou
wel het gevoelen kunnen deelen van den hakim-bashi, als hij het niet
volstrekt noodig oordeelt, den gouverneur het rattenkruid bij wijze
van een drankje toe te dienen. Zou men, bij voorbeeld, geen kleine
zakjes kunnen maken, die met arsenicum vullen en ze dan om den hals
of de armen van Zijne Excellentie hangen? Om de schadelijke werking
van het vergift te keeren, zou men er eenige teksten uit den Koran
bij kunnen voegen.
--Zoo men naar mijn raad wilde luisteren, zegt nu de generaal der
artillerie, zou men al die kwakzalversmiddelen op straat gooien;
en met vergunning van den moesjteïd en van den iman djoema, zou men
Zijne Excellentie alle dagen een paar flesschen goeden ouden wijn
van Shiraz laten drinken. Hoewel ik zelf nooit de voorschriften van
onze wet overtreden heb, zoo weet ik toch van hooren zeggen, dat er
geen beter middel is tegen de koorts.
--Baricalla! baricalla! (bravo! bravo!), roept de beschermer der
vreemdelingen, die op het hooren noemen van den ouden wijn van Shiraz
uit zijne verdooving ontwaakt; dat is ten minste een verstandige
raad. De generaal en ik, wij hebben steeds bevonden, dat dit het beste,
of liever eenige middel is tegen de werking van het ongezonde klimaat
dezer streek.
--Wilt gij den mond houden, zoon van een verdoemden dronkaard,
herneemt de generaal, woedend dat hij aldus verraden wordt; gij....
--Çaheb, zegt haastig de hakim-bashi, den generaal in de rede vallende,
wat denkt Uwe Excellentie van het voorstel van den iman djoema?"
De Excellentie--dat is mijn echtgenoot--, die in het minst
geen vermoeden had, wat het gevolg zou zijn van zijn advies, om
den gouverneur met arsenicum te genezen, haast zich, om aan de
beraadslagingen een einde te maken.
"Ik houd mij overtuigd, dat de kracht der teksten uit den Koran den
zieke eene groote verlichting zal bezorgen. Dit is in allen gevalle
zeer wenschelijk; want wanneer men het arsenicum aanwendt op de wijze,
als de eerwaarde iman djoema voorstelt, dan zal het vermoedelijk niet
veel baten. Indien de raad tegen het gebruik van arsenicumhoudende
dranken is, zou hij dan ook bezwaar maken, om den buik en de maag
van den patiënt met dit geneesmiddel in te wrijven? Met Gods hulp
zou dat misschien kunnen baten. Daarbij, hakim-bashi, waarom zoudt
gij Zijne Excellentie niet naar de bergen zenden, waar de lucht
zooveel gezonder is dan te Shîraz? Het zou altijd nog tijd zijn om
het arsenicum te gebruiken, op de wijze als ik u eerst voorstelde,
indien de algemeene gezondheidstoestand van den zieke minder werd."
Met dit fraaie advies kunnen bijna alle leden der vergadering zich
vereenigen, en men gaat tot stemming over. De raad besluit dat de
gouverneur naar de bergen zal worden gevoerd, en dat hij, te beginnen
met morgen, tweemaal daags, des ochtends en des avonds, op den buik
en op de maagholte met arsenicum zal worden ingewreven. Elke wrijving
mag niet minder dan drie kwartier duren.
Brengt de arme man bij deze behandeling er het leven af, nu..... dan
is Allah groot!