18 October.--De eene dag volgt wel op den ander, maar gelukkig gelijken
zij niet op elkaar. In gezelschap van dokter Odling en den heer
Blackmaur, beiden althans tijdelijk van de koorts verlost, zijn wij
bij het krieken van den dag te paard gestegen en een weg ingeslagen,
die midden door de vlakte loopt. Gedurende een half uur voerde die weg
door bouwland, waar boeren aan den arbeid waren; vervolgens moesten
wij de helling beklimmen van den berg, die ter linkerhand de vallei
omzoomt. Wij reden nu over een wijd veld, bezaaid met overblijfselen
van baksteenen en aardewerk, en langs een rots, waarin een aantal
kleine grafkamers waren geboord, en kwamen vervolgens aan de ruïnen
van een paleis, dat zeer veel overeenkomst heeft met het paleis van
Darius te Persepolis.
Het gebouw, op eene hoogte gelegen, bestaat uit eene vierkante
zaal, die haar licht ontvangt door deuren, in het midden van elk
der vier zijden. De openingen zijn gevat in fraai bewerkte lijsten;
in de doorgangen zijn bas-reliefs, jachttafreelen voorstellende. Het
gebouw is ongelukkig niet meer dan een ruïne. Eenige jaren geleden,
liet een gouverneur van Shîraz een steen wegnemen, om dien als drempel
bij den ingang van zijn tuin te gebruiken; bij toeval vond men oude
muntstukken in de fondamenten onder dien steen. Door deze ontdekking
werd zijn begeerlijkheid opgewekt, zoodat hij onder alle deuren
opgravingen liet doen. Bij de eerste winterregens zakte de vochtige,
omgewoelde aarde weg, zoodat een deel van het monument instortte.
Van het terras afdalende, waarop het paleis verrees, komen wij
weldra aan eene kleine rivier, waarvan de kristalheldere wateren,
door biezen en bloemen omzoomd, wemelen van fraaie donkerblauwe
krabbetjes. Op den linker oever verrijst een bijna loodrechte rots,
waarin drie bas-reliefs zijn uitgehouwen, die, wat de uitvoering
betreft, de vergelijking met de beeldwerken van Nakshe-Roestem niet
kunnen doorstaan, en eene zeer ongeoefende hand verraden. De figuren
hebben zeer geleden, zoodat het niet meer mogelijk is de personen
te onderscheiden. Alleen de koning is kenbaar aan zijn tiara en zijn
lang gekruld haar.
Deze monumenten, de overblijfselen van oude vestingwerken op den berg,
de ontdekking van twee rechthoekige putten, tweehonderd-twaalf el diep,
op den top van een steilen heuvel, die zoowel den Tang Allah-Akbar
als de vallei van Shîraz beheerscht:--dit een en ander versterkt mij
in de meening dat men niet al te veel waarde moet hechten aan het
verhaal der arabische schrijvers, die de stichting van Shîraz doen
samenvallen met den ondergang van Istakhar.
De plek, die de Sassaniden hadden uitgekozen om hunne beeltenis te
laten beitelen, is inderdaad bekoorlijk en verdient wel de warme
hulde, die Hafiz haar in prachtige verzen heeft gebracht. Als men
de rotsen bestijgt, ontrollen zich voor den blik schilderachtige,
schoon gevormde bergketens, die de vallei omzoomen; den bochtigen
loop van den Roku-Abâd volgende, ziet men in de verte de schitterende
oppervlakte van een zoutmeer, dat door het van de bergen afdalende
water is gevormd.
Tegen den avond keeren wij naar Shîraz terug; maar in plaats van
mij rechtstreeks naar het telegraafstation te begeven, geef ik
den wensch te kennen, de kleine kinderen van den dokter te mogen
zien. In de verwachting van zulk een bezoek, heeft de noenoe (min)
de beide kinderen netjes aangekleed en zelve ook haar beste spullen
aangetrokken. Zij is eene muzelmansche, die dokter Odling bij den
dood van zijne vrouw in huis heeft genomen. Dat heeft evenwel heel
wat voeten in de aarde gehad. Uit aanmerking van de zoo groote
diensten door den dokter bewezen, en uit vrees dat hij anders de
stad verlaten zou, hebben de iman djoema en de moesjteïd eindelijk
vergunning gegeven, dat eene vrouw haar intrek mocht nemen in het
huis van een ongeloovige.
Maar daarmede waren de moeielijkheden nog verre van uit den weg
geruimd: het kwam er nu op aan, den als het ware instinktmatigen
tegenzin te overwinnen van de min zelve, die waarschijnlijk liever
een aap of een jongen hond zou hebben gezoogd dan het kind van een
Christen. Men kwam dus overeen dat zij maandelijks honderd krans als
loon zou ontvangen, eene buitensporige hooge som in Farsistan; dat
zij met ieder nieuw jaargetijde een zijden kleed zou krijgen, en dat
eene dienstbode zou worden aangewezen om haar pijp aan te steken en in
orde te houden. Volgens haar, is het gebruik van tabak van bijzonder
gunstigen invloed op de hoeveelheid in de kwaliteit van het zog.
14 October.--Daar de heer Blackmaur nog vrij van koorts bleef, hebben
wij heden morgen een nieuw uitstapje buiten de stad gemaakt en de
graven van Hafiz en van Saadi bezocht, de twee beroemde dichters,
die beiden te Shîraz het levenslicht zagen.
Het eerste van deze twee monumenten, onder den naam van Hafiziëh
bekend, ligt aan den ingang eener vruchtbare vallei, die door een breed
kanaal wordt besproeid, dat in de vlakte van Shîraz uitloopt. Een
sarkophaag van agaatsteen, versierd met opschriften aan de werken
van den afgestorvene ontleend, bevat het stoffelijk overschot van
den dichter; daaromheen heeft zich mettertijd een kerkhof gevormd,
waar de bewonderaars van den zanger, die gaarne in zijne nabijheid
willen rusten, zich laten begraven.
Hafiz werd in de veertiende eeuw te Shîraz geboren. Hoewel in eene
zeer nederige betrekking in de maatschappij geplaatst,--naar men zegt,
was hij bakker,--wist hij zich door zijn talent al spoedig boven
de lieden van zijn stand te verheffen en werd hij de gunsteling en
dischgenoot van de machtigste vorsten.
Zijne werken bestaan uit vijfhonderd-negen-en-zestig ghazelen
(eene soort van sonnetten), die nog zeer populair zijn, hoewel
zeer dikwijls gezocht en gezwollen en vol vergelijkingen en
hyperbolische beelden. Zijne verzen zijn zelfs somwijlen zoo duister
en raadselachtig, dat zij, even als de Koran, bij wijze van orakel
ondervraagd en geraadpleegd worden: men slaat het boek in den
blinde open, om een antwoord te vinden op een wensch of geheime
gedachte, somwijlen om een raad of aanwijzing te erlangen hoe men
zich gedragen moet. Hafiz zelf was de eerste, die van dit geheimzinnig
bovennatuurlijk vermogen zijner poëzie profiteerde. De godgeleerden en
mollahs van Shîraz maakten namelijk groot bezwaar, om overeenkomstig
den ritus de laatste eer te bewijzen aan een dichter, dien zij meenden
te moeten beschouwen als een ongeloovige. Zijne vrienden wisten te
verkrijgen, dat men zijne verzen zou raadplegen: tweemaal achtereen
viel het boek open bij een passage, waarin hij onbewimpeld zijne fouten
en misslagen bekende, maar toch de hoop uitsprak dat hem geene plaats
in het paradijs zou worden ontzegd. Dit gelukkig toeval besliste,
en de eer der begrafenis werd hem niet langer geweigerd.
Zijne ghazelen, die hem den bijnaam verwierven van den perzischen
Anakreon, worden nu eens als liederen van aardsche minne en zinnelijk
genot gezongen, en dan weer beschouwd als mystieke psalmen, bestemd
om de volheid der goddelijke liefde te verheerlijken en te doen
waardeeren. Deze dubbele verklaring is in den grond der zaak niet zoo
tegenstrijdig als zij oppervlakkig wel schijnt; en de poëzie van Hafiz
is niet de eenige, die zich tot zoo uiteenloopende interpretatie leent.
Ondanks de duisterheid en verwardheid van zijne gedichten en de
schier grenzenlooze ongebondenheid van sommigen zijner ghazelen,
kennen de Perzen aan de werken van Hafiz eene eerste plaats toe onder
de voornaamste voortbrengselen hunner nationale litteratuur. De
geletterden kennen zijne oden van buiten; ook de lieden uit de
volksklasse reciteeren gaarne de meest bekende, en bijna iedereen
weet u eene of andere anekdote te vertellen, waarvan Hafiz de held is.
"Hafiz woonde in Shîraz, toen die stad in handen viel van den emir
Timoer" (Tamerlan), zoo verhaalde mij de oude derwisj, die ons door
den tuin rondleidde; "de tartaarsche veroveraar liet aanstonds den
dichter ontbieden, en sprak tot hem ongeveer als volgt:
"Ik heb het grootste gedeelte van de aarde veroverd; ik heb eene
menigte steden en provinciën geplunderd en ontvolkt om de glorie en den
rijkdom te vermeerderen van Samarkand en Bokhara, de twee bloeiende
rozen, de twee oogen van mijn rijk; en gij, ellendige dichter, gij
durft zeggen dat gij Samarkand en Bokhara zoudt willen geven voor
het zwarte moesje, dat de blankheid van een schoon gelaat zoo goed
doet uitkomen!
--Helaas! machtige vorst, juist deze buitensporige verkwisting heeft
mij in de armoede gestort, waarin gij ziet dat ik verkeer."
Timoer, verrukt over dit antwoord, verbond den dichter aan zijne
dienst en overlaadde hem met gunstbewijzen.
Wij verlaten de graftombe van Hafiz en volgen een prachtigen weg,
door tuinen omzoomd waarvan de muren met wilde rozen zijn begroeid,
die den heerlijksten geur verspreiden. Aan het einde van dien weg staat
het grafteeken van Saadi, den schrijver van den _Bostan_ (Boomgaard)
en van den _Gulistan_ (Bloemperk.) Het graf van den dichter is in eene
kleine kapel geplaatst; de grafsteen is met opschriften bedekt. Het
tegenwoordige grafmonument dagteekent uit den tijd van Kerim-Khan,
die het liet maken of herstellen.
Sheikh Moslih-oed-din Saadi, of kortweg de Sheikh, zoo als de
Perzen hem noemen, werd in het jaar 1194 van onze jaartelling te
Shîraz geboren. Hij doorreisde bijna geheel Azië, nam deel aan
de krijgstochten tegen de kruisvaarders in Syrië, was gedurende
eenigen tijd krijgsgevangene bij de Christenen, en vervaardigde na
zijn terugkeer in het vaderland de gedichten, waaraan hij zijn roem
dankt. Zijne werken in proza en poëzie zijn voel gemakkelijker te
verstaan dan die van Hafiz: men vindt ze dan ook in aller handen;
de kinderen leeren uit den Gulistan even goed lezen als uit den Koran.
De vertellingen van Saadi munten uit door duidelijkheid, beknoptheid
en zuiverheid van stijl, en hebben daarbij de verdienste altijd
te eindigen met korte opmerkingen en spreuken van zedekundigen
aard, in verband met den aard van het onderwerp. Zijne ghazelen
en zijne _kacidas_, die als modellen van smaakvolle klassieke taal
worden beschouwd, zijn vrij van die gezwollenheid en overdrijving,
die aan de meeste perzische dichters eigen zijn. Toch, ondanks de
groote letterkundige waarde van den Bostan en den Gulistan, komen
daarin verzen voor die ons, Westerlingen, ergeren, maar waaraan de
Perzen--hierin aan de ouden gelijk--geen aanstoot nemen.
15 October.--De koorts is weder in ons midden verschenen: onze
gastheer, de tuinman, twee stalknechts liggen sedert gister-avond
te bed. Mijn echtgenoot is zoo straks ook door eene geweldige
rilling aangetast en ligt op een stroozak te bibberen. Het gemis
van schoon linnengoed is in zulke gevallen een ware ramp: de hevige
transpiratie in de tweede periode van de koorts maakt de kleederen
doornat, en toch moet de patiënt ze aan het lijf houden. Op mijn
verzoek is dokter Odling gekomen: hij vond Marcel licht aangetast,
den heer Blackmaur in zeer slechten staat en de bedienden in meerdere
of mindere mate ziek. Ik heb ook een bezoek ontvangen van den jongen
leerling van dokter Tolozan. Ondanks zijn vijf-en-twintig jaren,
draagt deze jonge man het traditioneele kostuum der geneesheeren,
want in Perzië--even als in Frankrijk ten tijde van Molière--is het
voornamelijk het kleed dat den patiënt vertrouwen inboezemt. Met een
grooten tulband van wit cachemire op het hoofd, gekleed in eene lange
tuniek van grijze wol, waarover een violetkleurige zijden mantel hangt,
heeft onze jonge vriend, vooral wanneer men hem van achteren ziet, een
hoogst eerwaardig voorkomen. Hij komt in gezelschap van zijn vader,
den deftigen opper-lijfarts van den gouverneur: eene waardigheid die
sedert vele geslachten in zijne familie erfelijk is en waarin hij
mettertijd zijn vader moet opvolgen.
Beiden komen ons uitnoodigen, den dag van morgen in hunne woning
door te brengen. Dit bezoek belooft belangwekkend genoeg te zijn,
want op het stuk van geneeskunde zijn de gewoonten en gebruiken der
Perzen voor 't minst zeer eigenaardig en zonderling.
De perzische geneesheeren weten niets van anatomie, want het is hun
uitdrukkelijk verboden, eene lijkopening te doen en zich daardoor te
verontreinigen. Het is inderdaad te verwonderen, dat zij desondanks
toch met goeden uitslag iemand van den steen kunnen opereeren. Over
het algemeen geven zij aan hun patiënten een of ander huismiddeltje,
waarvan de traditie van vader op zoon overgaat, of eenige artsenijen,
voorgeschreven door Avicenna. Daar hunne volslagen onkunde hen
tegenover hunne europeesche collega's in eene zeer ongunstige
verhouding plaatst, trachten zij zoo lang mogelijk te beletten dat de
raad van een vreemden dokter wordt ingeroepen; als dit eindelijk toch
gebeurt, is de patiënt in den regel niet meer te redden, en draagt
de europeesche dokter nog op den koop toe de verantwoordelijkheid
voor den dood van den zieke.
Maar de zieken zelven hebben er een onoverwinlijken afkeer van om zich
door een christelijk geneesheer te laten behandelen en onderzoeken. Als
zij, uitgeput en afgemat door pijn en lijden en anders geen kans
ziende om te kunnen genezen, er eindelijk toe komen om zich aan een
onderzoek te onderwerpen, maakt de familie een ijselijk misbaar; men
spreekt van goddeloosheid, van profanatie, en laat veelal liever den
zieke sterven, dan de hulp in te roepen van een ongeloovige en zich
daardoor den toorn van de geestelijkheid op den hals te halen.
De moeder van dokter Mohammed is het slachtoffer geworden van dit
ongeloofelijk fanatisme. Ongeveer een jaar geleden werd dokter Odling
bij de vrouw van zijn perzischen collega geroepen: de groote liefde,
die de hakim-bashi voor zijne echtgenoote koesterde en de dringende
beden van zijn zoon hadden hem, den eersten geneesheer des lands,
er eindelijk toe gebracht, aan het prestige van zijn stand zulk een
gevoeligen knak toe te brengen.
De zieke weigerde eerst om zich te laten onderzoeken; en de
dokter stond op het punt zich te verwijderen, zeggende dat het hem
onmogelijk was haar te behandelen, als hij haar niet mocht zien,
toen zij eindelijk hare toestemming gaf om den Farangui bij zich
te ontvangen. Zij had eene beklemde breuk; en na eenige vergeefsche
pogingen tot genezing, bleek de operatie dringend noodig. Toen dat
den echtgenoot werd medegedeeld, verklaarde hij dat hij daarvoor de
verantwoordelijkheid niet op zich durfde nemen, en dat hij vooraf
zijne familie en vooral de familie zijner vrouw moest waarschuwen. Nu
werden de naastbij wonende bloedverwanten ontboden en hun het geval
voorgelegd: zij beraadslaagden vier-en-dertig uren eer zij het eens
konden worden, en toen dokter Odling eindelijk vergunning kreeg om
tot de operatie over te gaan, was het te laat. Het koudvuur was er
bij gekomen; er was niets meer aan te doen en men moest de ongelukkige
vrouw laten sterven.
Stelt men aan de perzische geneesheeren geen hooge wetenschappelijke
eischen, hunne diensten worden ook vrij karig beloond. Na eene lange
ziekte, door genezing gevolgd, betalen de welgestelde burgers ongeveer
vijftig centimes voor elk bezoek; somwijlen wordt daarop nog zoo wat
vijftig percent afgedongen. De hooggeplaatste geestelijken betalen
niets, maar beloven den arts hunne bescherming en voorspraak. Toch zijn
de geneesheeren zeer op zulke klanten gesteld, want zij trekken uit
die praktijk altijd indirecte voordeelen, die niet te versmaden zijn.
16 October.--Gelukkig was mijn echtgenoot heden morgen vrij
van koorts, zoodat wij aan de uitnoodiging van den hakim-bashi
gevolg konden geven. Nadat ons een zorgvuldig toebereide lunch was
aangeboden, liet de eerwaardige geneesheer pijpen brengen en gaf
den bedienden last zich te verwijderen. Daarop deelde hij ons mede,
dat Çahabi-Divan voortdurend met de koorts sukkelde, en dat dit de
eenige reden was waarom hij zich het genoegen had moeten ontzeggen,
ons te ontvangen. "Ik maak mij zeer ongerust over mijn patiënt,"
vervolgde hij; "hij is oud en afgeleefd en kan de chinine niet goed
verdragen; als de koorts blijft aanhouden, dan vrees ik dat wij spoedig
een anderen gouverneur zullen krijgen. Het zou mij zeer spijten als
Çahabi-Divan kwam te sterven, want hij is een waar vriend voor ons.
--Waarom beproeft gij niet hem arsenicum te geven?" zeide Marcel in
het fransch.
Op het hooren van deze woorden verbleekte de jonge dokter. Zijn vader,
ziende dat hij ontroerde, vroeg hem wat er gaande was.
"Zijne Excellencie stelt voor, om den gouverneur te genezen met _marge
moesh_ (rattenkruid, letterlijk rattendood.)
--Dat kan niet, dat is geen edel geneesmiddel," zeide de hakim-bashi
op deftigen, afgemeten toon.
Ieder zweeg, en een kwartier lang hoorde men niet anders dan het
pruttelen van het water in de pijpen. Toen vroeg de oude man eensklaps,
hoeveel arsenicum men iemand kon toedienen, zonder gevaar voor zijn
leven. Toen hij hieromtrent was ingelicht, noodigde hij mij uit,
hem in zijn anderoen te volgen.
De vrouwen van den vader en van den zoon, jonge meisjes en kinderen
schijnen met elkander in de beste harmonie te leven: het is een
echt aartsvaderlijk gezin. De dames bieden mij thee en koffie aan;
inmiddels bekijken en betasten zij mijne zware lederen schoenen,
maken de rijgveters los, zetten mijn vilten helmhoed op, doorzoeken
mijn zakken en bewonderen elk voorwerp dat zij er uithalen en waarvan
ik eene uitvoerige verklaring geven moet. Mijn zakdoek vooral,
dien deze dames eerst voor een biddoekje hadden aangezien, wekt
hare nieuwsgierigheid en belangstelling. Ik moest bij herhaling mijn
neus snuiten, om het bewijs te leveren dat men dit doen kan zonder
uitsluitend zijne vingers te gebruiken, zoo als in Perzië algemeen
de gewoonte is.