XXVII

18 October.--De eene dag volgt wel op den ander, maar gelukkig gelijken

zij niet op elkaar. In gezelschap van dokter Odling en den heer

Blackmaur, beiden althans tijdelijk van de koorts verlost, zijn wij

bij het krieken van den dag te paard gestegen en een weg ingeslagen,

die midden door de vlakte loopt. Gedurende een half uur voerde die weg

door bouwland, waar boeren aan den arbeid waren; vervolgens moesten

wij de helling beklimmen van den berg, die ter linkerhand de vallei

omzoomt. Wij reden nu over een wijd veld, bezaaid met overblijfselen

van baksteenen en aardewerk, en langs een rots, waarin een aantal

kleine grafkamers waren geboord, en kwamen vervolgens aan de ruïnen

van een paleis, dat zeer veel overeenkomst heeft met het paleis van

Darius te Persepolis.

Het gebouw, op eene hoogte gelegen, bestaat uit eene vierkante

zaal, die haar licht ontvangt door deuren, in het midden van elk

der vier zijden. De openingen zijn gevat in fraai bewerkte lijsten;

in de doorgangen zijn bas-reliefs, jachttafreelen voorstellende. Het

gebouw is ongelukkig niet meer dan een ruïne. Eenige jaren geleden,

liet een gouverneur van Shîraz een steen wegnemen, om dien als drempel

bij den ingang van zijn tuin te gebruiken; bij toeval vond men oude

muntstukken in de fondamenten onder dien steen. Door deze ontdekking

werd zijn begeerlijkheid opgewekt, zoodat hij onder alle deuren

opgravingen liet doen. Bij de eerste winterregens zakte de vochtige,

omgewoelde aarde weg, zoodat een deel van het monument instortte.

Van het terras afdalende, waarop het paleis verrees, komen wij

weldra aan eene kleine rivier, waarvan de kristalheldere wateren,

door biezen en bloemen omzoomd, wemelen van fraaie donkerblauwe

krabbetjes. Op den linker oever verrijst een bijna loodrechte rots,

waarin drie bas-reliefs zijn uitgehouwen, die, wat de uitvoering

betreft, de vergelijking met de beeldwerken van Nakshe-Roestem niet

kunnen doorstaan, en eene zeer ongeoefende hand verraden. De figuren

hebben zeer geleden, zoodat het niet meer mogelijk is de personen

te onderscheiden. Alleen de koning is kenbaar aan zijn tiara en zijn

lang gekruld haar.

Deze monumenten, de overblijfselen van oude vestingwerken op den berg,

de ontdekking van twee rechthoekige putten, tweehonderd-twaalf el diep,

op den top van een steilen heuvel, die zoowel den Tang Allah-Akbar

als de vallei van Shîraz beheerscht:--dit een en ander versterkt mij

in de meening dat men niet al te veel waarde moet hechten aan het

verhaal der arabische schrijvers, die de stichting van Shîraz doen

samenvallen met den ondergang van Istakhar.

De plek, die de Sassaniden hadden uitgekozen om hunne beeltenis te

laten beitelen, is inderdaad bekoorlijk en verdient wel de warme

hulde, die Hafiz haar in prachtige verzen heeft gebracht. Als men

de rotsen bestijgt, ontrollen zich voor den blik schilderachtige,

schoon gevormde bergketens, die de vallei omzoomen; den bochtigen

loop van den Roku-Abâd volgende, ziet men in de verte de schitterende

oppervlakte van een zoutmeer, dat door het van de bergen afdalende

water is gevormd.

Tegen den avond keeren wij naar Shîraz terug; maar in plaats van

mij rechtstreeks naar het telegraafstation te begeven, geef ik

den wensch te kennen, de kleine kinderen van den dokter te mogen

zien. In de verwachting van zulk een bezoek, heeft de noenoe (min)

de beide kinderen netjes aangekleed en zelve ook haar beste spullen

aangetrokken. Zij is eene muzelmansche, die dokter Odling bij den

dood van zijne vrouw in huis heeft genomen. Dat heeft evenwel heel

wat voeten in de aarde gehad. Uit aanmerking van de zoo groote

diensten door den dokter bewezen, en uit vrees dat hij anders de

stad verlaten zou, hebben de iman djoema en de moesjteïd eindelijk

vergunning gegeven, dat eene vrouw haar intrek mocht nemen in het

huis van een ongeloovige.

Maar daarmede waren de moeielijkheden nog verre van uit den weg

geruimd: het kwam er nu op aan, den als het ware instinktmatigen

tegenzin te overwinnen van de min zelve, die waarschijnlijk liever

een aap of een jongen hond zou hebben gezoogd dan het kind van een

Christen. Men kwam dus overeen dat zij maandelijks honderd krans als

loon zou ontvangen, eene buitensporige hooge som in Farsistan; dat

zij met ieder nieuw jaargetijde een zijden kleed zou krijgen, en dat

eene dienstbode zou worden aangewezen om haar pijp aan te steken en in

orde te houden. Volgens haar, is het gebruik van tabak van bijzonder

gunstigen invloed op de hoeveelheid in de kwaliteit van het zog.

14 October.--Daar de heer Blackmaur nog vrij van koorts bleef, hebben

wij heden morgen een nieuw uitstapje buiten de stad gemaakt en de

graven van Hafiz en van Saadi bezocht, de twee beroemde dichters,

die beiden te Shîraz het levenslicht zagen.

Het eerste van deze twee monumenten, onder den naam van Hafiziëh

bekend, ligt aan den ingang eener vruchtbare vallei, die door een breed

kanaal wordt besproeid, dat in de vlakte van Shîraz uitloopt. Een

sarkophaag van agaatsteen, versierd met opschriften aan de werken

van den afgestorvene ontleend, bevat het stoffelijk overschot van

den dichter; daaromheen heeft zich mettertijd een kerkhof gevormd,

waar de bewonderaars van den zanger, die gaarne in zijne nabijheid

willen rusten, zich laten begraven.

Hafiz werd in de veertiende eeuw te Shîraz geboren. Hoewel in eene

zeer nederige betrekking in de maatschappij geplaatst,--naar men zegt,

was hij bakker,--wist hij zich door zijn talent al spoedig boven

de lieden van zijn stand te verheffen en werd hij de gunsteling en

dischgenoot van de machtigste vorsten.

Zijne werken bestaan uit vijfhonderd-negen-en-zestig ghazelen

(eene soort van sonnetten), die nog zeer populair zijn, hoewel

zeer dikwijls gezocht en gezwollen en vol vergelijkingen en

hyperbolische beelden. Zijne verzen zijn zelfs somwijlen zoo duister

en raadselachtig, dat zij, even als de Koran, bij wijze van orakel

ondervraagd en geraadpleegd worden: men slaat het boek in den

blinde open, om een antwoord te vinden op een wensch of geheime

gedachte, somwijlen om een raad of aanwijzing te erlangen hoe men

zich gedragen moet. Hafiz zelf was de eerste, die van dit geheimzinnig

bovennatuurlijk vermogen zijner poëzie profiteerde. De godgeleerden en

mollahs van Shîraz maakten namelijk groot bezwaar, om overeenkomstig

den ritus de laatste eer te bewijzen aan een dichter, dien zij meenden

te moeten beschouwen als een ongeloovige. Zijne vrienden wisten te

verkrijgen, dat men zijne verzen zou raadplegen: tweemaal achtereen

viel het boek open bij een passage, waarin hij onbewimpeld zijne fouten

en misslagen bekende, maar toch de hoop uitsprak dat hem geene plaats

in het paradijs zou worden ontzegd. Dit gelukkig toeval besliste,

en de eer der begrafenis werd hem niet langer geweigerd.

Zijne ghazelen, die hem den bijnaam verwierven van den perzischen

Anakreon, worden nu eens als liederen van aardsche minne en zinnelijk

genot gezongen, en dan weer beschouwd als mystieke psalmen, bestemd

om de volheid der goddelijke liefde te verheerlijken en te doen

waardeeren. Deze dubbele verklaring is in den grond der zaak niet zoo

tegenstrijdig als zij oppervlakkig wel schijnt; en de poëzie van Hafiz

is niet de eenige, die zich tot zoo uiteenloopende interpretatie leent.

Ondanks de duisterheid en verwardheid van zijne gedichten en de

schier grenzenlooze ongebondenheid van sommigen zijner ghazelen,

kennen de Perzen aan de werken van Hafiz eene eerste plaats toe onder

de voornaamste voortbrengselen hunner nationale litteratuur. De

geletterden kennen zijne oden van buiten; ook de lieden uit de

volksklasse reciteeren gaarne de meest bekende, en bijna iedereen

weet u eene of andere anekdote te vertellen, waarvan Hafiz de held is.

"Hafiz woonde in Shîraz, toen die stad in handen viel van den emir

Timoer" (Tamerlan), zoo verhaalde mij de oude derwisj, die ons door

den tuin rondleidde; "de tartaarsche veroveraar liet aanstonds den

dichter ontbieden, en sprak tot hem ongeveer als volgt:

"Ik heb het grootste gedeelte van de aarde veroverd; ik heb eene

menigte steden en provinciën geplunderd en ontvolkt om de glorie en den

rijkdom te vermeerderen van Samarkand en Bokhara, de twee bloeiende

rozen, de twee oogen van mijn rijk; en gij, ellendige dichter, gij

durft zeggen dat gij Samarkand en Bokhara zoudt willen geven voor

het zwarte moesje, dat de blankheid van een schoon gelaat zoo goed

doet uitkomen!

--Helaas! machtige vorst, juist deze buitensporige verkwisting heeft

mij in de armoede gestort, waarin gij ziet dat ik verkeer."

Timoer, verrukt over dit antwoord, verbond den dichter aan zijne

dienst en overlaadde hem met gunstbewijzen.

Wij verlaten de graftombe van Hafiz en volgen een prachtigen weg,

door tuinen omzoomd waarvan de muren met wilde rozen zijn begroeid,

die den heerlijksten geur verspreiden. Aan het einde van dien weg staat

het grafteeken van Saadi, den schrijver van den _Bostan_ (Boomgaard)

en van den _Gulistan_ (Bloemperk.) Het graf van den dichter is in eene

kleine kapel geplaatst; de grafsteen is met opschriften bedekt. Het

tegenwoordige grafmonument dagteekent uit den tijd van Kerim-Khan,

die het liet maken of herstellen.

Sheikh Moslih-oed-din Saadi, of kortweg de Sheikh, zoo als de

Perzen hem noemen, werd in het jaar 1194 van onze jaartelling te

Shîraz geboren. Hij doorreisde bijna geheel Azië, nam deel aan

de krijgstochten tegen de kruisvaarders in Syrië, was gedurende

eenigen tijd krijgsgevangene bij de Christenen, en vervaardigde na

zijn terugkeer in het vaderland de gedichten, waaraan hij zijn roem

dankt. Zijne werken in proza en poëzie zijn voel gemakkelijker te

verstaan dan die van Hafiz: men vindt ze dan ook in aller handen;

de kinderen leeren uit den Gulistan even goed lezen als uit den Koran.

De vertellingen van Saadi munten uit door duidelijkheid, beknoptheid

en zuiverheid van stijl, en hebben daarbij de verdienste altijd

te eindigen met korte opmerkingen en spreuken van zedekundigen

aard, in verband met den aard van het onderwerp. Zijne ghazelen

en zijne _kacidas_, die als modellen van smaakvolle klassieke taal

worden beschouwd, zijn vrij van die gezwollenheid en overdrijving,

die aan de meeste perzische dichters eigen zijn. Toch, ondanks de

groote letterkundige waarde van den Bostan en den Gulistan, komen

daarin verzen voor die ons, Westerlingen, ergeren, maar waaraan de

Perzen--hierin aan de ouden gelijk--geen aanstoot nemen.

15 October.--De koorts is weder in ons midden verschenen: onze

gastheer, de tuinman, twee stalknechts liggen sedert gister-avond

te bed. Mijn echtgenoot is zoo straks ook door eene geweldige

rilling aangetast en ligt op een stroozak te bibberen. Het gemis

van schoon linnengoed is in zulke gevallen een ware ramp: de hevige

transpiratie in de tweede periode van de koorts maakt de kleederen

doornat, en toch moet de patiënt ze aan het lijf houden. Op mijn

verzoek is dokter Odling gekomen: hij vond Marcel licht aangetast,

den heer Blackmaur in zeer slechten staat en de bedienden in meerdere

of mindere mate ziek. Ik heb ook een bezoek ontvangen van den jongen

leerling van dokter Tolozan. Ondanks zijn vijf-en-twintig jaren,

draagt deze jonge man het traditioneele kostuum der geneesheeren,

want in Perzië--even als in Frankrijk ten tijde van Molière--is het

voornamelijk het kleed dat den patiënt vertrouwen inboezemt. Met een

grooten tulband van wit cachemire op het hoofd, gekleed in eene lange

tuniek van grijze wol, waarover een violetkleurige zijden mantel hangt,

heeft onze jonge vriend, vooral wanneer men hem van achteren ziet, een

hoogst eerwaardig voorkomen. Hij komt in gezelschap van zijn vader,

den deftigen opper-lijfarts van den gouverneur: eene waardigheid die

sedert vele geslachten in zijne familie erfelijk is en waarin hij

mettertijd zijn vader moet opvolgen.

Beiden komen ons uitnoodigen, den dag van morgen in hunne woning

door te brengen. Dit bezoek belooft belangwekkend genoeg te zijn,

want op het stuk van geneeskunde zijn de gewoonten en gebruiken der

Perzen voor 't minst zeer eigenaardig en zonderling.

De perzische geneesheeren weten niets van anatomie, want het is hun

uitdrukkelijk verboden, eene lijkopening te doen en zich daardoor te

verontreinigen. Het is inderdaad te verwonderen, dat zij desondanks

toch met goeden uitslag iemand van den steen kunnen opereeren. Over

het algemeen geven zij aan hun patiënten een of ander huismiddeltje,

waarvan de traditie van vader op zoon overgaat, of eenige artsenijen,

voorgeschreven door Avicenna. Daar hunne volslagen onkunde hen

tegenover hunne europeesche collega's in eene zeer ongunstige

verhouding plaatst, trachten zij zoo lang mogelijk te beletten dat de

raad van een vreemden dokter wordt ingeroepen; als dit eindelijk toch

gebeurt, is de patiënt in den regel niet meer te redden, en draagt

de europeesche dokter nog op den koop toe de verantwoordelijkheid

voor den dood van den zieke.

Maar de zieken zelven hebben er een onoverwinlijken afkeer van om zich

door een christelijk geneesheer te laten behandelen en onderzoeken. Als

zij, uitgeput en afgemat door pijn en lijden en anders geen kans

ziende om te kunnen genezen, er eindelijk toe komen om zich aan een

onderzoek te onderwerpen, maakt de familie een ijselijk misbaar; men

spreekt van goddeloosheid, van profanatie, en laat veelal liever den

zieke sterven, dan de hulp in te roepen van een ongeloovige en zich

daardoor den toorn van de geestelijkheid op den hals te halen.

De moeder van dokter Mohammed is het slachtoffer geworden van dit

ongeloofelijk fanatisme. Ongeveer een jaar geleden werd dokter Odling

bij de vrouw van zijn perzischen collega geroepen: de groote liefde,

die de hakim-bashi voor zijne echtgenoote koesterde en de dringende

beden van zijn zoon hadden hem, den eersten geneesheer des lands,

er eindelijk toe gebracht, aan het prestige van zijn stand zulk een

gevoeligen knak toe te brengen.

De zieke weigerde eerst om zich te laten onderzoeken; en de

dokter stond op het punt zich te verwijderen, zeggende dat het hem

onmogelijk was haar te behandelen, als hij haar niet mocht zien,

toen zij eindelijk hare toestemming gaf om den Farangui bij zich

te ontvangen. Zij had eene beklemde breuk; en na eenige vergeefsche

pogingen tot genezing, bleek de operatie dringend noodig. Toen dat

den echtgenoot werd medegedeeld, verklaarde hij dat hij daarvoor de

verantwoordelijkheid niet op zich durfde nemen, en dat hij vooraf

zijne familie en vooral de familie zijner vrouw moest waarschuwen. Nu

werden de naastbij wonende bloedverwanten ontboden en hun het geval

voorgelegd: zij beraadslaagden vier-en-dertig uren eer zij het eens

konden worden, en toen dokter Odling eindelijk vergunning kreeg om

tot de operatie over te gaan, was het te laat. Het koudvuur was er

bij gekomen; er was niets meer aan te doen en men moest de ongelukkige

vrouw laten sterven.

Stelt men aan de perzische geneesheeren geen hooge wetenschappelijke

eischen, hunne diensten worden ook vrij karig beloond. Na eene lange

ziekte, door genezing gevolgd, betalen de welgestelde burgers ongeveer

vijftig centimes voor elk bezoek; somwijlen wordt daarop nog zoo wat

vijftig percent afgedongen. De hooggeplaatste geestelijken betalen

niets, maar beloven den arts hunne bescherming en voorspraak. Toch zijn

de geneesheeren zeer op zulke klanten gesteld, want zij trekken uit

die praktijk altijd indirecte voordeelen, die niet te versmaden zijn.

16 October.--Gelukkig was mijn echtgenoot heden morgen vrij

van koorts, zoodat wij aan de uitnoodiging van den hakim-bashi

gevolg konden geven. Nadat ons een zorgvuldig toebereide lunch was

aangeboden, liet de eerwaardige geneesheer pijpen brengen en gaf

den bedienden last zich te verwijderen. Daarop deelde hij ons mede,

dat Çahabi-Divan voortdurend met de koorts sukkelde, en dat dit de

eenige reden was waarom hij zich het genoegen had moeten ontzeggen,

ons te ontvangen. "Ik maak mij zeer ongerust over mijn patiënt,"

vervolgde hij; "hij is oud en afgeleefd en kan de chinine niet goed

verdragen; als de koorts blijft aanhouden, dan vrees ik dat wij spoedig

een anderen gouverneur zullen krijgen. Het zou mij zeer spijten als

Çahabi-Divan kwam te sterven, want hij is een waar vriend voor ons.

--Waarom beproeft gij niet hem arsenicum te geven?" zeide Marcel in

het fransch.

Op het hooren van deze woorden verbleekte de jonge dokter. Zijn vader,

ziende dat hij ontroerde, vroeg hem wat er gaande was.

"Zijne Excellencie stelt voor, om den gouverneur te genezen met _marge

moesh_ (rattenkruid, letterlijk rattendood.)

--Dat kan niet, dat is geen edel geneesmiddel," zeide de hakim-bashi

op deftigen, afgemeten toon.

Ieder zweeg, en een kwartier lang hoorde men niet anders dan het

pruttelen van het water in de pijpen. Toen vroeg de oude man eensklaps,

hoeveel arsenicum men iemand kon toedienen, zonder gevaar voor zijn

leven. Toen hij hieromtrent was ingelicht, noodigde hij mij uit,

hem in zijn anderoen te volgen.

De vrouwen van den vader en van den zoon, jonge meisjes en kinderen

schijnen met elkander in de beste harmonie te leven: het is een

echt aartsvaderlijk gezin. De dames bieden mij thee en koffie aan;

inmiddels bekijken en betasten zij mijne zware lederen schoenen,

maken de rijgveters los, zetten mijn vilten helmhoed op, doorzoeken

mijn zakken en bewonderen elk voorwerp dat zij er uithalen en waarvan

ik eene uitvoerige verklaring geven moet. Mijn zakdoek vooral,

dien deze dames eerst voor een biddoekje hadden aangezien, wekt

hare nieuwsgierigheid en belangstelling. Ik moest bij herhaling mijn

neus snuiten, om het bewijs te leveren dat men dit doen kan zonder

uitsluitend zijne vingers te gebruiken, zoo als in Perzië algemeen

de gewoonte is.

Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887 · 第 26 / 41 题