XXVI

8 October.--Tegen het vallen van den avond hebben de bedienden en de

tsjarvadars, die altijd haast maken om te vertrekken, Kenareh verlaten.

"Wij gaan vooruit, zeiden zij tot mij toen zij het dorp uittrokken;

gij hebt slechts de telegraafpalen te volgen, om zeker te zijn,

niet te verdwalen.

--Het is goed, antwoordde ik."

Omstreeks tien uren namen wij onze geweren en pistolen en begaven

ons op weg, blijde van het vaak lastig gezelschap der toefantsjis

ontslagen te zijn. Na verloop van een kwartier waren wij reeds het

spoor bijster. Er was geen heirbaan te ontdekken, en evenmin zagen

wij telegraafpalen; er schoot niet anders over, dan op onze schreden

terug te keeren. De boer, bij wien wij onzen intrek genomen hadden,

had de beleefdheid een eind weegs met ons te gaan en ons weer op het

goede spoor terug te brengen.

"Volgt nu, zoo zeide hij, het spoor van de karavanen, en gij zult

weldra uwe bedienden weder aantreffen, wanneer Allah zulks wil."

Zoo lang wij over den zandigen, met keien bezaaiden grond reden,

hebben wij het spoor trouw gevolgd, nmar weldra kwamen wij aan effen

rotsplateaux, waarop het ten eenenmale onmogelijk was, eenig spoor

te ontdekken. Na links en rechts omgedoold te hebben, waren wij

zoo hopeloos verdwaald, dat wij voor- noch achterwaarts durfden te

gaan. Nog eene hoop bleef ons over: dat wij de palen van de engelsche

telegraaflijn in het oog zouden krijgen; maar het was stikdonker,

en tenzij wij tegen de palen aanreden, was er geene kans op, dat

wij ze gewaar zouden worden. Bij dien bedenkelijken stand van zaken,

stegen wij van het paard om te zamen te overleggen wat ons te doen

stond. Wrijving van denkbeelden geeft licht, zegt een spreekwoord, dat

meer hoopgevend en opwekkend dan waar is. Gelukkig hield het in dit

geval zijne reputatie op. Er werd besloten, dat de een onbewegelijk

op de plaats zou blijven, terwijl de ander om dit middelpunt steeds

grootere kringen zou beschrijven, tot hij een of ander teeken gevonden

had, dat ons op het spoor zou kunnen brengen. Deze laatste taak werd

aan Marcel opgedragen, waarschijnlijk omdat hij bijziende is.

Sedert een groot half uur liep mijn echtgenoot in het rond, mij

telkens toeroepende om zich te overtuigen dat wij in gemeenschap waren

gebleven; reeds keerde hij, zeer teleurgesteld, tot mij terug en raadde

mij aan, in 's hemels naam op den grond te gaan liggen en den dag

af te wachten, toen hij eensklaps luidkeels _eureka_! riep. De wind,

die plotseling was opgestoken, had de telegraafdraden boven zijn hoofd

doen trillen: vermoedelijk was hij reeds verscheidene malen onder de

draden doorgegaan, zonder ze op te merken. Nu viel het niet moeilijk

een paal te ontdekken. Geleid door het onwelluidend geruisch van de

britsche aeolus-harp, trokken wij nu den ganschen nacht voort, over

hoogten en door ravijnen, steenhoopen beklimmende, waarvoor wij bij

dag waarschijnlijk zouden zijn teruggedeinsd, tot wij eindelijk het

spoor terugvonden. Bij het aanbreken van den morgen bespeurde ik in

de verte de karavaan en de toefantsjis.

Ik wilde onze bedienden, die zich, naar ik mij voorstelde, zeer

ongerust hadden gemaakt, reeds gerust gaan stellen, toen ik bespeurde

dat ons onverklaarbaar achterblijven hun in het minste niet gedeerd

had. Ik meende hun nu eene geduchte berisping te moeten toedienen

over hunne verregaande onverschilligheid.

"Excellentie, gij doet niet wel met ons aldus harde woorden toe te

spreken; de zorg voor uw kostbaar leven is de hoogste taak van uwe

slaven: wij ondervragen alle voorbijgangers en onderzoeken of het

verblijf in deze streek voor uwe gezondheid schadelijk kan zijn. De

berichten zijn zeer ongunstig: in dezen herfst hebben de inwoners

van Zargoen zoo veel van de koorts te lijden gehad, dat alle kleine

kinderen bezweken zijn en dat de volwassenen, voor zoo ver zij er het

leven hebben afgebracht, besloten hebben het dorp te verlaten en hun

kamp op den berg op te slaan.

--Zullen wij dan zonder pleisteren de twaalf farsaks moeten afleggen

tusschen Persepolis en Shiraz?

--Ongetwijfeld. Mashallah! (bij God!) drie maanden geleden, toen de

muilezeldrijvers van Shiraz naar Ispahan zijn gegaan, wilden eenige

inwoners van het dorp nog achterblijven, om hun oogst binnen te halen;

maar nu zouden wij op de pleisterplaats noch levensmiddelen voor de

menschen, noch stroo voor de paarden vinden."

Onze tsjarvadar-bashi is gansch niet in zijn schik, dat hij aldus

genoodzaakt is, zijn paarden en muildieren een dubbele étappe te

laten afleggen; onze rijpaarden hebben te Persepolis eene behoorlijken

tijd van rust gehad en kunnen dus zonder bezwaar den tocht vervolgen,

zonder te Zargoen op te houden.

De vervelende eentonigheid van het landschap, het branden van de

stralen der middagzon, de langzame stap der paarden, hadden mij

bijna al rijdende doen indommelen, toen ik eensklaps, door eene

smalle opening tusschen de bergen, van roodachtige rotsen omlijst,

eene breede vlakte bespeurde, te midden waarvan eene stad verrees

door vestingwerken omringd en als het ware gekroond door bolronde

koepels, met geëmailleerde tegels bekleed. Om den muur strekken zich

cypressengaarden uit, niet minder schoon dan die der kerkhoven van

Ejoeb en Scutari. Hier en daar, schilderachtig uitkomende tegen de

donkere massa en de strenge lijnen der cypressen, verheffen zich

eenige groepen van slanke, bevallige palmen. De Perzen, die een

open oog hebben voor natuurschoon, roemen de aankomst te Shiraz als

een der schoonste panorama's van hun land. Zij hebben zelfs aan den

bergpas, waardoor men de stad voor de eerste maal gewaar wordt, den

karakteristieken naam gegeven van Tang Allah Akbar (pas van "God is

groot!"), doelende op den uitroep van bewondering, die, naar hunne

schatting, aan de lippen van iederen vreemdeling moet ontsnappen,

wanneer de nieuwere hoofdstad van Farsistan voor het eerst voor zijne

oogen opdoemt.

Deze smalle bergpas, de eenige waarlangs men gemakkelijk in de vlakte

kan afdalen, wordt op omstreeks een kilometer afstand van de stad,

door een versterkt wachthuis verdedigd. In de balakhaneh boven de poort

wordt met de grootste zorg een fraai handschrift bewaard van den Koran,

dat geheel eigenhandig is geschreven door Sultan Ibrahim. De derwîsj,

die met de bewaring van dezen schat is belast, schijnt maar niet

te kunnen begrijpen dat wij ten zeerste naar ons logies verlangen,

en dat een rit van twee-en-zestig kilometers onder eene brandende

zon juist niet geschikt is om ons in de rechte stemming te brengen

voor het bewonderen van oude handschriften. In het voorbijrijden

werpen wij even een blik op een bas-relief, op den rotswand aan onze

rechterhand uitgehouwen, en waarop Feth-Ali Shah is afgebeeld, omringd

door eenigen van zijne zonen: welk bas-relief eene slechte navolging

is van de beeldwerken uit den tijd der Sassaniden. Eindelijk dalen

wij in de vallei af en bereiken het zoogenoemde Holle Perzië (Coele

Persi), door de Perzen zelven zeer te recht het _warme land_ genoemd,

hoewel Shiraz nog vijftienhonderd-vijftig el boven de zee ligt.

Eene breede allée, waardig de toegang te zijn tot eene groote

stad, loopt midden door fraaie tuinen tot aan de vestingwerken,

bestaande uit grachten met vuilnis gevuld, uit bouwvallige torens

en ontmantelde bolwerken. Binnen de poort begint een bazar, door een

groen loofgewelf overschaduwd. In de handeldrijvende buurt heerscht

weinig beweging. Langs de muren liggen op den grond een aantal

mannen uitgestrekt, in hunne met bont gevoerde mantels gewikkeld,

en rillende van koude ondanks het branden van de zon. Verder in de

stad doordringende, treft het mij, dat er van de drie winkels in

den regel twee gesloten zijn; somwijlen bespeur ik, tusschen de half

geopende blinden, de kooplieden, te midden hunner waren, op den vloer

uitgestrekt. De karavaan trekt langzaam voort door smalle, vuile,

stinkende steegjes en bereikt ten slotte een groot plein, waarvan een

der zijden wordt ingenomen door de bureaux van de telegraaf. Eenige

dienaren, in de poort gezeten, staan bij onze nadering op, en

verzoeken ons, uit naam van den directeur van het station, om onze

reis te vervolgen naar zijn buitenverblijf op drie mijlen van de stad,

waar wij, volgens hen, minder gevaar zullen loopen, door de koorts te

worden aangetast, dan te Shiraz. Het is niet aangenaam, na dertien uren

te paard gezeten te hebben, nog verder te moeten rijden; maar het is

nog onaangenamer, met ijlende koorts te bed te liggen. Wij rijden dus

op nieuw de poort uit, en komen eindelijk aan eene breede oprijlaan,

die ons naar een grooten tuin brengt, waarin een huis staat, half op

perzische, half op europeesche manier gebouwd. Rondom het huis zijn

perken aangebracht met westersche bloemen; aan de rechterhand is

een moestuin, waarin kool, artisjokken en augurken worden gekweekt,

en waarin appel- en pereboomen zijn geplant, die er goed uitzien.

Wij zijn dus weer in de beschaafde wereld.

De heer Blackmaur, de onder-chef van het station, ontvangt ons zeer

vriendelijk en stelt twee kamers tot onze beschikking, die van tafels

en stoelen zijn voorzien. Vervolgens vraagt hij ons verlof, om weer

naar bed te mogen gaan, want hij is door de malaria aangetast en kan

ter nauwernood op zijne beenen staan.

"Er is nog een andere Farangui te Shiraz, zegt de ferash, die ons

heeft binnengeleid. Doctor Odling, de geneesheer van het personeel

der beambten van het engelsche telegraafstation, zal u zeker in den

namiddag komen bezoeken, als hij niet door de koorts verhinderd wordt."

9 October.--Ik was bezig met het ontpakken mijner

photografietoestellen, toen ik eensklaps luide kreten in den tuin

hoorde; een oogenblik later zag ik den kok, blootshoofds, met

gescheurde kleeren, op het huis toeloopen.

"Recht! recht! çaheb! De tsjarvadar--moge zijn vader in de

hel branden!--heeft de hand durven slaan aan den slaaf van Uwe

Excellentie. Deze goddelooze hond heeft mij mijn bakshish ontstolen;

toch had hij gezworen, mij eene fooi te zullen geven, als hij de

huur van uwe paarden zou ontvangen. Tuchtig het galgenaas; door mij

te bedriegen, heeft de schoft u beleedigd."

Het gold hier weer de eeuwige kwestie van den madakhel (gift,

geschenk.) Na al onze bagage, die wij aan de zorg van den

tsjarvadar-bashi hadden toevertrouwd toen wij ons te Madereh Soleiman

van zijne karavaan afscheidden, weder in ontvangst te hebben genomen

en in orde bevonden, hebben wij met dien braven man afgerekend. Maar

nauwelijks had hij ons verlaten, of Mohammed, de kok, is hem bij wijze

van commissieloon, een deel komen vragen van het geld, dat hij van ons

ontvangen had. De tsjarvadar antwoordde, dat hij te Ispahan genoeg

geplunderd was, en dat hij vast voorgenomen had, hem geen stuiver

meer te geven.

Groote woede van onzen trouwen dienaar! Hij schold den tsjarvadar

uit voor dief, ongedierte, hond, schurk, jood enz. De muilezeldrijver

antwoordde op die beleedigingen, door aan den kok eene geduchte dracht

slagen toe te dienen en hem op die manier eene praktische les in de

wellevendheid te geven. Mohammed, zich niet in staat gevoelende op

die argumenten te antwoorden, nam daarop de vlucht en wierp zich luid

jammerend en smeekend voor ons op de knieën.

Ik vind het niet onaardig, het tarief van den madakhel van Mohammed

te kennen, en ik ga dus den tsjarvadar-bashi opzoeken, om hem te

ondervragen. Ik zoek hem vergeefs in de keuken en in den stal, tot ik

hem eensklaps, bij toeval, bemerk achter eenige boomen, bezig zich

met de vuist op zijn neus te slaan. Ongerust over de gevolgen van

zijne drift, is hij bang straf te zullen krijgen; hij heeft nu niets

beters weten te bedenken, dan zelf zijn neus aan 't bloeden te slaan,

ten einde zich het voorkomen te kunnen geven van het slachtoffer van

de ruwheid van Mohammed.

"Spaar uw neus, mijn brave Ali!" riep ik hem toe, zoodra ik zijne

bedoeling raadde; maar hij, tevreden met het bereids verkregen

resultaat, liep op mij toe, het gelaat en de kleederen met bloed

bevlekt.

"Çaheb, roept hij op zegevierenden toon, zie hoe erbarmelijk uw slechte

dienaar mij mishandeld heeft. Ik had hem reeds zes _tomans_ gegeven,

toen hij mijne paarden gehuurd heeft; nu durft hij nog eens dezelfde

som van mij te vorderen. Ik zou mij zelven ruïneeren, als ik al mijn

winst aan hem moet afstaan."

In plaats van een ernstig gezicht te zetten en mij boos te maken, barst

ik in lachen uit. De tsjarvadar-bashi, verbaasd over de wijze waarop ik

hem ontvang, staat mij met open mond aan te gapen en schijnt van zins

op nieuw op zijn armen neus los te beuken. Ik maak een einde aan dit

dwaze tooneel, door hem te kennen te geven, dat ik geen enkele grief

tegen hem heb; maar dat ik integendeel den ontrouwen dienaar straffen

zal; daarna geef ik hem den raad, zich zoo spoedig mogelijk te gaan

wasschen. In het huis teruggekeerd, neem ik Mohammed duchtig onder

handen en zeg hem, dat ik mij bij den gouverneur over hem zal beklagen.

"Ik geef niets niemendal om u en om den gouverneur, antwoordt hij op

onverschilligen toon; ik ben hier in eene heilige stad; ik ga naar

de mastsjed; en wie er mij van daan haalt, moet vroeg opstaan."

Op dit terrein overgebracht, moest de discussie noodwendig in mijn

nadeel uitvallen; ik haast mij dus, met dien schavuit af te rekenen.

"Ik jaag u weg; ga nu naar uw mastsjed.

--En mijn gescheurde kleeren; die moet ge mij vergoeden; antwoordt

de onbeschaamde.

--Wend u tot den moesjteïd. Als hij logies verleent aan schavuiten

zoo als gij zijt, zal hij ook wel de noodige middelen bezitten om u

van kleeren te voorzien."

10 October.--Ik heb gister nader kennis gemaakt met den heer Blackmaur

en met doctor Odling.

Beiden zijn weduwnaars. Na verloop van zeer weinige jaren zijn de twee

jonge vrouwen, die haar lot aan het hunne hadden willen verbinden,

bezweken door de koortsen, de hitte, de doodelijke verveling en

martelende eenzaamheid in het vreemde land. Dadelijk na hare aankomst

te Shiraz hadden zij beiden getracht, paard te gaan rijden en met

inspanning van alle krachten te worstelen tegen den invloed van het

afmattende klimaat; maar, zoo als trouwens te voorzien was, deze

methode bleek de ware niet. De verschijning van ongesluierde vrouwen

op de openbare straat had zoo zeer de algemeene verontwaardiging

opgewekt, dat de beide echtgenooten, door talrijke bedienden vergezeld,

niet bij machte waren geweest, de dames tegen grove beleedigingen te

beschermen. De gouverneur, bij wien de twee Engelschen zich beklaagden,

had niet zonder recht geantwoord, dat het roekeloos was, op die wijze

de publieke opinie te trotseeren en dat men zich naar de gewoonten

des lands zooveel mogelijk schikken moest. Hij zelf kon de opgewonden

menigte niet in bedwang houden. Mevrouw Blackmaur en haar vriendin

zouden er misschien toe zijn overgegaan, de perzische kleederdracht

aan te nemen, ten einde ongemoeid op straat te kunnen verschijnen;

maar in dat geval zou het haar niet veroorloofd zijn geweest zich in

het openbaar met Europeanen te vertoonen. Den strijd moede, sloten zij

zich op in haar tuin, de afzondering verkiezende boven de beleedigingen

van het gepeupel. Mevrouw Blackmaur is den afgeloopen zomer gestorven;

mevrouw Odling bezweek voor ongeveer drie weken aan de koorts; er

heerscht dus in dien kring eene alles behalve vroolijke stemming.

11 October.--Ik heb den morgen doorgebracht met het ontvangen van

bezoeken. Een jong inlandsch geneesheer, dien doctor Tolozan ons te

Têheran had voorgesteld, was de eerste; hij werd weldra gevold door

een man, die zich aankondigde als Mirza Salih Khan, beschermer der

vreemdelingen te Shiraz. Hij is langen tijd secretaris van legatie te

Londen geweest; maar, vreemd genoeg, hij verstaat geen woord engelsch,

terwijl hij het fransch vrij goed meester is. Ik onderstel dat hij

wat al te dikwijls, van de nevelige Theemsboorden, uitstapjes heeft

gemaakt naar de boulevards van Parijs. Hoewel zijn collega te Ispahan

nu juist geene aangename herinnering had achtergelaten, willen wij de

diensten van dezen beschermer der vreemdelingen niet weigeren. Voor

hij heenging noodigde Mirza Salih Khan--die gedurende zijn verblijf in

Europa een kok uit Shiraz liet overkomen en hem een jaar in de leer

deed bij Bignon,--ons tegen overmorgen ten eten. Tevens nam hij op

zich, ons bezoek aan te kondigen bij Çahabi Dinan, onder-gouverneur

van Farsistan en voogd van den jongen zoon van den prins Zelleh Sultan.

Na zijn vertrek, zijn wij de stad gaan bezichtigen. O Shiraz! bakermat

der dichters, rozengaarde, paradijs der lommerijke geurige boschjes,

waarin steeds de nachtegaal zingt;--wat is er van u geworden! Binnen

uw vervallen muren omdolende, heb ik niets gezien dan vuile, slecht

onderhouden straten, bouwvallige door de aardbevingen gescheurde

monumenten, vervallen slordige huizen, armoede en ellende overal. Toch

is Shiraz, dat de plaats van Istakhar als hoofdstad van Farsistan

innam, niet zoo oud. Volgens de arabische schrijvers in 695 gesticht,

deelde zij in de lotgevallen van het door zoo vele omwentelingen en

oorlogen geteisterde rijk, maar bereikte haar toppunt van bloei eerst

onder het bestuur van Kerim-Khan, den beroemden _Vakil_ (regent),

die omstreeks het midden der vorige eeuw over Iran regeerde.

Kerim-Khan had Shiraz tot zijne residentie gekozen, ten einde meer in

de nabijheid te zijn van de volksstammen, aan wie hij zijne verheffing

op den troon te danken had. Hij omgaf de stad met muren en wallen,

stichtte fraaie gebouwen, legde buiten de stad prachtige tuinen,

cypressen- en oranjegaarden aan; bouwde in de wijk die nog zijn

naam draagt een paleis, den overwelfden bazar, den schoonsten van de

geheele stad, voorts nog een moskee, een badhuis en eene medresseh.

Kerim-Khan is te Shiraz even beroemd en populair als Shah Abbas te

Ispahan; als ik een of ander monumentaal gebouw in het oog krijg, vraag

ik maar niet eens meer naar den naam van den stichter: op al dergelijke

vragen krijg ik onveranderlijk hetzelfde antwoord: de Vakil. Ongelukkig

zijn al deze gebouwen erg gescheurd door de herhaalde aardbevingen.

Kerim-Khan zorgde niet alleen voor de verfraaiing van zijne hoofdstad:

hij trachtte ook het geluk van zijn volk te bevorderen; zijne goedheid

is te Shiraz niet minder beroemd dan zijne prachtliefde.

Eens had hij rechtszitting gehouden en stond op het punt zich, zeer

vermoeid, te verwijderen om wat rust te nemen, toen een man zich

aanmeldde, die aanstonds verlangde gehoord te worden.

"Wie zijt gij? vraagt Kerim-Khan.

--Een koopman, die door dieven van alles wat hij had werd beroofd.

--En wat deedt gij terwijl zij u beroofden?

--Ik sliep.

--Waarom waart gij ingeslapen? vroeg de vorst op toornigen toon.

--Omdat ik meende onder uwe hoede veilig te zijn.

--Gij hebt gelijk, antwoordde Kerim-Khan, getroffen door dit

stoutmoedige antwoord. Men brenge dien man bij mijn schatmeester en

vergoede hem de waarde van het gestolene. Ik zal voor het opsporen

der dieven zorgen."

Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887 · 第 25 / 41 题