XXIII

6 October.--De noodzakelijkheid om ons op nieuw van levensmiddelen

te voorzien, de onmogelijkheid om nog langer de martelingen van de

muskieten uit te houden, hebben ons twee dagen geleden doen besluiten,

om ons afschuwelijk krot te verlaten en een onderkomen te zoeken in

het dorpje Kenareh, op twee farsaks afstand van het persepolitaansche

paleis. Wij zijn nu wel verplicht, 's morgens en 's avonds, een vrij

langen rit te maken om de ruïnen te bereiken; maar wat zou men niet

doen, om aan de muskieten te ontkomen, die u geregeld iederen nacht

den slaap ontrooven?

Wij hebben een behoorlijk logies gevonden in de opperzaal van eene

boerenwoning. De muur en de zoldering zijn van leem; een strooien mat

op den vloer en een koperen kan, vormen het gansche ameublement. De

inrichting lijdt dus niet aan bovenmatige pracht; maar toch zijn wij

hier op ons gemak; de hooge ligging van de kamer beveiligt ons tegen

de vochtige ongezonde uitwasemingen van den grond en vergunt ons de

zuivere, frissche berglucht in te ademen, die door den oostenwind wordt

aangevoerd. Deze voordeelen moeten echter met eenige offers worden

gekocht: daar wij gedwongen zijn op het platte dak ons middagmaal te

gebruiken, en daar ook de clichés te bereiden, zijn wij het voorwerp

geworden van de belangstellende nieuwsgierigheid van een aantal

vrouwen, ouden en jongen, die op de naburige daken samenscholen.

Het komt mij voor, dat de type van het ras gaandeweg eene verandering

ondergaat: ik zie jonge vrouwen van eene slanke gestalte, met blauwe

oogen en blonde zijdeachtige haren, zoo als ik in Perzië nog niet

gezien heb; onze tsjarvadar, een inboorling dezer streek, is rossig

en heeft paarsachtig groene oogen. Dit trok mijne aandacht; op mijne

navraag, vernam ik, dat rossig blonde haren en groene oogen steeds

minder zeldzaam worden, naarmate men verder naar het zuiden komt. Over

het algemeen wordt de type schooner. Ik moet er echter bijvoegen, dat

ook te Kenareh, zoo als trouwens in het geheele Oosten, de bejaarde

vrouwen erg vervallen en terugstootend leelijk zijn: de verregaande

onzindelijkheid, die met name in Farsistan heerscht, maakt haar nog

afzichtelijker. De boerinnen kammen bijna nooit heur haar, wasschen

zich uiterst zelden, en dragen haar kleederen, zonder wasschen,

tot zij haar aan flarden bij het lijf hangen. Een katoenen rok,

halverwege den buik vastgemaakt en nauwelijks tot de knieën reikende;

een wijd hemd, dat op de borst geopend is, maar niet verder gaat dan

het middel:--ziedaar haar eenige kleeding.

Maar indien alzoo het lichaam aan alle invloeden van lucht en klimaat

is blootgesteld, wordt daarentegen het hoofd zorgvuldig beschermd

tegen de zon en de koude, en wel door middel van een geheele vracht

vieze sluiers en smerige doeken, die om het hoofd gewonden worden. De

boerinnen zijn goede moeders en houden alle lappen en vodden niet

voor zich alleen: de kleine kinderen, voor wier gezondheid het

schadelijk zou zijn, als zij voor hun derde jaar gewasschen werden,

zijn zelfs in den winter geheel naakt, maar ook bij hen wordt het

hoofd bedekt en omwikkeld met zulk eene vracht van lappen en doeken,

glaskoralen en amuletten, dat zelfs de grootsten en sterksten klein

en nietig schijnen onder dit monsterachtig kapsel, ten eenemale buiten

verhouding tot hunne gestalte. Deze eigenaardige methode van kleeding,

gevoegd bij de gewoonte om de pasgeboren kinderen op den derden dag te

aderlaten, ten einde het onreine bloed der moeder af te tappen; bij

de wonderlijke manier om hen al aanstonds met waterachtige vruchten

te voeden, en vooral bij de onbeschrijfelijke onreinheid, is eene

voldoende verklaring van het ontzaglijk sterftecijfer der kleine

kinderen. Perzische moeders, die tien of twaalf kinderen ter wereld

hebben gebracht, beschouwen het dan ook als een bijzonder voorrecht,

als zij er drie of vier in het leven mogen behouden.

Men zou haast meenen dat Mohammed, toen hij zijn volgelingen de

vijf dagelijksche wasschingen voorschreef, de dorpen van Farsistan

had bezocht.

De bewoners dezer streek kunnen zich, tot verontschuldiging van hunne

onzindelijkheid, ook niet beroepen op gebrek aan water of op hunne

armoede: de omstreken van Persepolis worden door talrijke kanalen

doorsneden en de grond is bij uitnemendheid vruchtbaar en goed

bebouwd. Overal echter waar het water niet heengeleid kan worden,

is de grond dor en onbebouwd; toen ik mij dus, vergezeld van onze

toefangtsjis, naar de ruïnen begaf, was ik zeer verwonderd, dicht bij

den Takhteh, die boven een kaal plateau oprijst, zes pas opgeworpen

aardhoopen te ontdekken.

"Waarvoor delft men kuilen in deze woeste vlakte? vroeg ik aan

onze gidsen.

--Deze aardhoopen bedekken de graven van gepleisterden, antwoordde

een hunner. Hier liggen zes bandieten begraven, die de vorige maand

gevangen en voor eenige dagen ter dood gebracht zijn. Sedert eenige

jaren werd de provincie bestuurd door een broeder des konings,

een vroom man, maar te goedhartig en te zwak. Verzekerd van

straffeloosheid, maakten bandieten en moordenaars de openbare wegen

onveilig en plunderden de karavanen, tot de Shâh eindelijk tot het

besluit kwam om zijn broeder terug te roepen en in zijne plaats zijn

kleinzoon te benoemen, een kind van twaalf jaren. Terzelfder tijd

voegde hij als voogd aan den jongen prins een onder-gouverneur toe,

die in geheel Iran om zijne strengheid bekend was.

--Maar wat is nu die bepleistering?

--O Çaheb, te oordeelen naar de kreten en stuiptrekkingen van den

patiënt, moet het eene verschrikkelijke straf zijn. Men graaft een

kuil in den grond en plaatst dwars daarover eene ijzeren staaf,

waaraan de voeten van den veroordeelde worden vastgemaakt, zoodat

zijn hoofd bijna den grond van den kuil raakt; dan laten de beulen

gips of pleister in den kuil vloeien. Is de kuil daarmede gevuld,

dan werpt men de uitgegraven aarde weer daarover heen, en zoo ontstaan

de hoopen, die gij ziet."

Overdreven gevoeligheid wordt op reis, vooral in het Oosten, spoedig

afgestompt; toch kon ik, op het hooren van dit eenvoudig verhaal,

geene beweging van afgrijzen onderdrukken.

"Gij keurt misschien de handelwijze van den gouverneur af? hernam

de toefantsjis.

--Ja, zeer zeker.

--Gij hebt gelijk. Het is inderdaad jammer, op deze wijze eene

aanzienlijke hoeveelheid pleister te verspillen, daar men de bandieten

toch op veel goedkooper manier kon laten doodslaan; maar gij zoudt

toch de hoogere uitgave niet afkeuren, zoo gij wist welk een heilzamen

invloed deze strafoefening op alle roovers uitoefent."

Naar de redeneering van mijn gids luisterende, bereik ik den voet van

een terras van tien el hoogte, uit zorgvuldig saamgevoegde steenblokken

opgetrokken. Deze kolossale onderbouw, in Perzië bekend onder den naam

van den Takhteh Dsjemsjid (troon van Dsjemsjid), rust tegen eene kale

bergketen en herinnert aan het terras van Madereh Soleïman, waarvan

dit gebouw zeker eene kopie is. De bovenvlakte van het terras is in

drie verdiepingen verdeeld. Een prachtige dubbele trap van honderd-zes

treden, door twee breede portalen afgewisseld, voert uit de vlakte naar

de tusschenverdieping. De helling van de trap is zoo groot en de hoogte

der treden is zoo gering, dat men zonder moeite te paard op- en af kan

stijgen; tien mannen naast elkander kunnen te gelijk deze koninklijke

trap beklimmen. Ik stijg naar boven en bevind mij in Persepolis.

De traditioneele geschiedenis van Perzië, zoo als die door de nationale

heldendichters wordt verhaald, geeft niet veel licht voor de studie der

monumenten van Persepolis. Raadpleging van de grieksche schrijvers zou

dan nog de voorkeur verdienen: maar de ontcijfering van de inscripties

in spijkerschrift op de wanden der paleizen heeft aan de tot dusver

bestaande onzekerheid en de heerschappij der algemeen aangenomen

legenden een einde gemaakt. Wij weten nu dat de Takhteh Dsjemsjid

het werk is van Darius en zijne eerste opvolgers.

Heeft men de trappen beklommen, dan staat men tegenover twee

reusachtige stieren met menschenhoofden, die in de steenen posten van

eene hooge poort zijn uitgehouwen. Deze fantastische dieren komen in

gedaante overeen met de dieren van Ninive, maar zijn grooter en fraaier

bewerkt dan de wachters der paleizen van Esar-Haddon en Sanherib. Even

als hunne assyrische voorbeelden, dragen ook zij de koninklijke tiara

der oude vorsten van Chaldea; de zes gekromde hoornen aan de tiaar

zijn de teekenen van de goddelijke natuur van het dier.

Deze hybridische wezens, vervaardigd naar het beeld van een

fabelachtig dier, dat de legendarische held Isdoebar op de jacht

doodde, waren sedert de oudste tijden de wachters, men mag wel zeggen

de beschermgeesten der paleizen van het oude Oosten. De assyrische

monarch Assoer Banipal beroemt er zich op, reeds in de negende eeuw

voor Christus, dat hij de gevleugelde stieren heeft omgeworpen van

de poorten der paleizen van Elam, "waaraan tot dien tijd nog niemand

had geraakt."

Boven de sierlijk gekromde vleugels van de stieren zijn drie

inscripties in spijkerschrift, in drie verschillende talen,

aangebracht; wij leeren daaruit dat deze grootsche portiek het werk

is van Xerxes.

"Een groote god is Ahoeramazda: hij heeft de aarde gemaakt, hij heeft

den hemel gemaakt, hij heeft den mensch gemaakt; hij heeft den mensch

het geluk gegeven: hij heeft Xerxes gemaakt tot eenigen koning over

duizenden menschen, tot eenigen heerscher over vele duizenden."

"Ik ben Xerxes, de groote koning, de koning der koningen, de koning

van de volkrijke landen, de koning der aarde, die heerscht van verre

en nabij. Ik ben de zoon van Darius, den koning uit het huis der

Achemeniden."

"Xerxes, de groote koning, zegt alzoo: "Deze poort, genaamd Viçadahyu,

heb ik gebouwd, nevens vele andere monumenten, die ik gebouwd heb in

dit Parça; ik heb ze gebouwd, zoo als mijn vader ze gebouwd heeft,

en al deze heerlijke gebouwen hebben wij gemaakt door de genade van

Ahoeramazda."

"Xerxes, de koning, spreekt alzoo: "Dat Ahoeramazda mij bescherme,

mij en mijn rijk, en mijn werk, en de werken van mijn vader! Dat

Ahoeramazda die bescherme!"

Achter de deurpijlers ziet men de overblijfselen van vijf zuilen,

die de zoldering van de portiek droegen; daarachter, aan de andere

zijde van de portiek, staan weder twee stieren, geheel overeenkomende

met de eersten. Als men de vestibule, die door deze indrukwekkende

geniën wordt bewaakt, is doorgegaan, beklimt men eenige trappen en

betreedt de _apadâna_ van Xerxes.

De apadâna of troonzaal komt overeen met den talar, waarin de perzische

koningen nog heden plechtige audiëntiën verleenen, de gezanten van

vreemde mogendheden ontvangen of, ter gelegenheid van de feesten van

het nieuwe jaar, de hulde en de geschenken van hunne onderdanen.

Het paleis van Xerxes bestond uit eene groote zaal, waarvan de

zoldering door zes-en-dertig zuilen werd gedragen, en die aan drie

zijden door portieken was omgeven. De zolderingen dezer portieken

rustten op twee rijen pilaren, waarvan de kapiteelen gevormd werden

door de aaneenverbonden voorlijven van twee stieren. Op deze zuilen

rustte eene vlakke houten zoldering. Daar de perzische architektuur,

sedert Cyrus, geene andere dan zeer elegante, dunne zuilen kende, was

het niet mogelijk daarop, als bij de egyptische tempels, zware steenen

architraven en zerken aan te brengen. Dat de zolderingen niet anders

dan van hout kunnen geweest zijn, volgt reeds uit de groote ruimte

tusschen de kolommen, uit hunne hoogte en zeer geringen omvang; ook

ziet men nog aan de kapiteelen, tusschen de schouders der stieren,

de plaats waar de balken werden ingevoegd; maar elke twijfel is

onmogelijk geworden, sedert men, nu eenige jaren geleden, de verkoolde

overblijfselen van het hout gevonden heeft. Deze zoldering was van

cederhout, dat alzoo van grooten afstand, uit de bosschen van den

Libanon, moest worden aangevoerd. De zoldering werd met eene laag

aarde bedekt, om de warmte af te weren, en deze laag weder met een

vloer van gebakken steenen belegd.

Men heeft het paleis van Xerxes vergeleken met den Tsjeel Soetoen

van Ispahan, en met het oog op de lichte en luchtige zoldering van

den talar in laatstgenoemd paleis, beweerd, dat ook de paleizen te

Persepolis slechts eene eenvoudige houten zoldering zonder aardlaag

hadden. Dit is onjuist; vergeleken bij het klimaat van Persepolis,

is de temperatuur te Ispahan betrekkelijk koel; eene bedekking,

die aan de oevers van den Zendeh-Roed ten volle aan de vereischten

beantwoordt, zou in de vlakte van de Merdash ten eenemale onvoldoende

zijn, om het paleis in het warme jaargetijde bewoonbaar te maken.--Doch

wat hiervan zij, en welke dan ook de vorm der zoldering moge geweest

zijn, zooveel is zeker, dat de apadâna een grootschen aanblik moet

hebben opgeleverd. Als ik mij eene voorstelling maak van de groote

hal, met haar portieken, haar marmeren of porfieren zuilen, haar

kapiteelen met de stierenbeelden, waarvan de oogen, de hoornen en de

halskettingen verguld waren; met haar zoldering van cederhout, haar

wandbekleeding met gekleurde tegels en email; haar rijk gekleurde

en vergulde kroonlijsten; haar zijden draperiën voor de deuren, de

fijne, zachte, kleurrijke tapijten op den vloer;--dan kan ik zeer

goed begrijpen, welk een machtigen indruk de paleizen van den grooten

koning op de bezoekers moesten maken.

Na dit gebouw nauwkeurig te hebben opgenomen, ga ik om een tweede

monument heen, ten einde aan de oostzijde de trappen te gaan opzoeken,

die daarheen toegang geven. Twee trappen, evenwijdig met den voorgevel,

voeren naar eene op acht zuilen rustende portiek, het voorportaal

van een paleis, dat, naar mij voorkomt, de bijzondere vertrekken van

den monarch bevatte. Eene deur, ter wederzijde door twee vensters

geflankeerd, geeft uit de portiek toegang tot een zuilenhal, waarvan

de zoldering door zestien kolommen gedragen wordt. Deze zaal heeft

vijf groote openingen of doorgangen, die de gemeenschap vormen met

verschillende kamers en vertrekken, welke de middelste hal omringen. In

de wanden ziet men verder, behalve de reeds genoemde vier vensters,

die op de portiek uitkomen, groote rechthoekige nissen, overeenkomende

met de takhtsjés, die men nog tegenwoordig in de perzische woningen

vindt. De posten, de lijsten en de bekroningen der deuren en der

vensters, alsmede de voetstukken der zuilen, zijn van donker-grijs

porfier en uitmuntend bewerkt.

Rondom de nissen en de vensters, aan de binnenzijde der deuren, op

de draagmuren der trappen, zijn, bij wijze van ornament, inscripties

in zeer fraai spijkerschrift aangebracht. Deze opschriften deelen ons

belangrijke bijzonderheden mede aangaande de stichting van dit paleis;

wij vernemen daaruit dat het door Darius werd begonnen en door zijn

zoon Xerxes voltooid.

Van het meeste belang zijn in deze oude vorstelijke woning wel de

beeldwerken in bas-relief, waarmede zij versierd is. Deze beeldwerken,

even als de inscripties, op de zijwanden der trappen en in de

doorgangen der deuren aangebracht, verdienen niet alleen de aandacht

en de belangstelling om hunne artistieke waarde, maar ook om hetgeen

wij daaruit kunnen leeren ten aanzien van de kleederdracht en het

huisraad der oude Perzen.

Tot op de regeering van Cyrus, droegen de Perzen het met beestevellen

gevoerde gewaad, dat door de grieksche schrijvers, en met name door

Aristophanes, onder den naam van het perzische wordt aangeduid. Dat

is de tuniek, waarmede Cyrus op het bas-relief van Madereh-Soleïman

is bekleed. Later, na de verovering van Medië, zoo verhaalt ons

Herodotus, namen de veroveraars de verwijfde kleederdracht aan van

de noordelijke Ariërs en de lange geborduurde kleederen der groote

heeren van Ekbatana. De perzische koningen namen zelfs de tunieken,

de drievoudige pantalons, de dubbele vesten en den mantel der medische

dames over.

De eerste tuniek was wit en reikte niet verder dan tot aan de knieën;

de tweede was met bloemen geborduurd en hing tot op de voeten; de

mantel was in den winter van purper, en des zomers mede met bloemen

geborduurd; de aanzienlijken droegen op het hoofd eene tiara, in vorm

vrij wel overeenkomende met de hooge wollen mutsen, die nog heden

ten dage de boeren in Farsistan dragen; de lieden uit de volksklasse

droegen eene soort van muts van zachte vilt, die onder de kin werd

vastgeknoopt. Herodotus schrijft aan dit soort van hoofddeksel de

weinige vastheid en dikte van den schedel der Perzen toe.

De verandering in de mode, waarvan Herodotus en Strabo melding maken,

wordt volkomen bevestigd door de bas-reliefs van Madereh-Soleïman en

van Persepolis: het kostuum van Darius en zijne opvolgers verschilt

ten eenemale van dat van Cyrus en komt daarentegen volkomen overeen

met de tot ons gekomen beschrijving. Dit feit, waarvan ieder zich

door de beschouwing der monumenten overtuigen kan, bevestigt ook

hetgeen ik reeds vroeger opmerkte, dat de paleizen van Persepolis van

jonger dagteekening zijn dan de gebouwen in de vlakte van den Polvar,

en dat het bas-relief van Madereh-Soleïman inderdaad den grooten

Cyrus voorstelt.

Het eerste bas-relief dat mijne aandacht trekt, stelt een jachttafreel

voor. Op de jacht, en vermoedelijk bij alle gelegenheden als hij zijne

volle vrijheid van beweging noodig had, bond de koning zijne tweede

tuniek op en stak die in zijn gordel, terwijl hij zijn mantel over

den schouder wierp. Zoo is hij te Persepolis afgebeeld. Een leeuw,

soms ook een fabelachtig monster, staat op de achterpooten voor den

koning, gereed hem aan te vallen. De monarch wacht den aanval af met

die volmaakte kalmte, welke den echten Oosterling nooit verlaat,

en steekt het monster met de rechterhand een dolk in de borst. De

teekening en het modelé van dit beeldwerk, waarvan het onderwerp

zoo vaak terugkeert, zijn in een zeer goeden stijl; de uitwerking is

onberispelijk; het dier is blijkbaar naar de natuur bestudeerd, en

ook de behandeling van de draperiën verraadt eene niet onbeteekenende

mate van studie.

Op een ander beeldwerk is de koning wandelende voorgesteld, met een

langen staf of schepter in de hand en gevolgd door twee dienaren, die

een waaier van vederen en een zonnescherm dragen: twee onmisbare zaken

in een land, waar de zon zoo fel branden kan als in Perzië. Hier laat

Darius de plooien van zijn lang overkleed langs den grond slepen; de

koninklijke lijfwachten dragen hetzelfde slepende gewaad; de dienaars

van lageren rang daarentegen, die door hun dienst ook buiten het paleis

worden geroepen, dragen eene korte tuniek, die om de heupen met een

gordel is saamgebonden, benevens de anaxyris of pantalons, waaraan

op de romeinsche bas-reliefs de parthische krijgers kenbaar zijn.

Eene boven het hoofd van den koning geplaatste inscriptie luidt aldus:

"Darius, de groote koning, de koning der koningen, de koning der

landen, zoon van Hystaspes den Achemenide, heeft dit paleis gebouwd."

Zoo de bas-reliefs aan de deuren allen betrekking hebben op het leven

van den souverein, dragen de tafreelen, die de zijwanden der trappen

bedekken, daarentegen een meer huiselijk karakter. Wij zien daar een

reeks van bedienden, die jonge geiten, schalen met vruchten, zakken

met wijn of met graan naar het paleis dragen.

Langs de trappen, die van de binnenhoven naar de platte daken van

den tempel van Edfoe voeren, herinner ik mij, in bas-relief, lange

optochten te hebben gezien van priesters, die, op bepaalde feestdagen,

booten of andere gewijde zinnebeelden droegen. Het denkbeeld van

deze soort van dekoratie zou dus aan Egypte zijn ontleend. Maar niet

alzoo de voorstelling zelve: de personen, die geacht worden langs

de trappen naar het paleis op te stijgen, komen den koning, ter

gelegenheid van het nieuwe jaar, een geschenk aanbieden. Sedert deze

beeldwerken werden vervaardigd, zijn vijf-en-twintig eeuwen verloopen,

en nog heden is deze oude en zeer winstgevende gewoonte te Teheran

in zwang.--Om den overblijvenden hoek aan de boventreden te vullen,

heeft de beeldhouwer onder de genoemde personen een der belangrijkste

beeldwerken van Persepolis aangebracht. Het bas-relief verbeeldt

een gevecht tusschen een stier en een leeuw. Deze laatste heeft zich

van achteren op zijne tegenpartij geworpen en zijn machtige klauw in

de zijde van den stier geslagen, die, met de voorpooten steigerend,

den kop omwendt. De standen zijn naar waarheid weergegeven; vooral

de poot en de schouder van den leeuw zijn uitmuntend bewerkt; de

teekening is zuiver en sierlijk; de bekwaamheid, waarmede het harde

porfier is bearbeid, verdient inderdaad bewondering.

Op ongeveer vijf-en-zeventig el afstands van het paleis van Darius

ziet men de overblijfselen van twee andere paleizen, door Xerxes en

zijne opvolgers gebouwd, en die geheel overeenkomen met de monumenten,

door den stichter van Persepolis opgericht.

In noordwestelijke richting den voet des bergs volgende, komen

wij aan het grootste en indrukwekkendste gebouw van deze geheele

ruïnengroep: de apadâna met honderd zuilen, die eene oppervlakte

besloeg van vijf-duizend vierkante meters. De deuren en de vensters

aan de vier zijden zijn nog in stand gebleven, maar met uitzondering

van deze zware steenen, ziet men boven den grond niets meer dan de

voetstukken der zuilen.

Sommige bas-reliefs in de deurposten geven dezelfde tooneelen te

aanschouwen als die in het paleis van Darius; anderen vertoonen een

geheel eigenaardig karakter. Een daarvan verbeeldt ongetwijfeld het

betalen der schatting of belasting. Van boven ziet men den koning,

op een stoelvormigen troon gezeten, onder een troonhemel; zijne

voeten rusten op eene vrij hooge vierkante voetbank; een dienaar

houdt een vederen waaier boven zijn hoofd; lijfwachten omringen hem;

een officier, kenbaar aan de aan zijn gordel bevestigde sabel, draagt

een zwaren zak over den schouder, die waarschijnlijk de schatting

bevat van eene of meer provinciën. Daaronder ziet men wederom de

lijfwachten des konings, de geduchte Onsterfelijken, afgebeeld,

kenbaar aan hun hoofddeksel en aan hun lang gewaad. Sommigen houden

eene lans in de hand, anderen zijn met pijl en boog gewapend.

De vorm van den troonzetel is assyrisch, met dit verschil dat de

pooten gedraaid, en niet eenvoudig vierkant bewerkt zijn; de afhangende

draperie is zeer waarschijnlijk van goudstof en op eigenaardige wijze

versierd met borduurwerk, waarin men weder de bekende stierenbeelden

en het gevleugeld zinnebeeld van Ahoeramazda aantreft.

Is het niet als wilde Darius in zijn paleis alle wonderen van Azië

en Afrika te zamen brengen, en tot versiering van zijne vorstelijke

woning de kunstvaardigheid en de schatten der onderworpen volken

als om strijd doen medewerken? Aan Ionië ontleende hij de algemeene

inrichting en ordonnancie van het gebouw, den vorm der openingen en de

ornamentale beeldhouwkunst; aan Lycië, de zolderingen en de terrassen;

aan Egypte, de zuilen met haar voetstukken, alsmede de bekroningen

der deuren; aan Assyrië de standbeelden; terwijl hij aan de Perzen

de taak opdroeg om deze verschillende elementen tot een harmonisch

geheel saam te voegen, geleid door dien smaak en dat gevoel voor maat

en evenredigheid, die de Iraniërs bij de versiering hunner gebouwen

steeds hebben ten toon gespreid.

De studie der bas-reliefs van Persepolis leert onwedersprekelijk de

hoogere voortreffelijkheid der beeldwerken van den Takhteh-Dsjemsjid

boven die van Madereh-Soleïman. De kunstenaars uit den tijd van

Darius en zijne opvolgers hebben het veel verder gebracht in de

afbeelding der plooien van de gewaden, die vroeger eenvoudig door

lijnen of gekleurde strepen werden aangewezen; hun werk draagt een

grootschen stempel en is, ondanks de gebreken, geheel in harmonie

met de gebouwen, tot versiering waarvan het moet dienen. De teekening

is zuiver; het modelé vertoont niet die zonderlinge overdrijvingen,

die aan de chaldeeuwsche of ninevitische beeldwerken eigen zijn; de

uitvoering is onberispelijk. Maar niet enkel de technische vaardigheid

der Perzen verdient onze bewondering: hunne artistieke meerderheid

danken zij voornamelijk aan hun juist begrip van den eigenlijken aard

en de wezenlijke eigenschappen van het bas-relief: zij zijn de eersten

geweest, die met terzijdestelling van perspektivische landschappen, al

de figuren tot eenzelfde groep behoorende, op hetzelfde plan plaatsten.

Al deze arbeid is voor de volgende eeuwen verloren gegaan; de

persepolitaansche architektuur, door Cyrus en zijne opvolgers

ingevoerd bij een volk, voor hetwelk zij niet geschikt was, is met

den laatsten vertegenwoordiger van de dynastie der Achemeniden te

gronde gegaan. Dit kon wel niet anders in een land, dat gebrek heeft

aan hout en waar gebakken steenen het meest praktische bouwmateriaal

zijn. Vandaar dat, na den val van Darius Kodomannus, de paleizen

van den Takhteh-Dsjemsjid nooit meer nagevolgd zijn geworden; de

parthische koningen en de Sassaniden bouwden opnieuw paleizen en

monumenten van gebakken steenen, met hooge koepels gedekt.

In den berg, aan welks voet het terras van den Takhteh-Dsjemsjid is

aangelegd, bevinden zich twee in de rots uitgehouwen grafkamers. Men

heeft daaruit willen afleiden, dat de gebouwen op het terras eene soort

van graftempels of cenotaphen waren, zoo als de egyptische koningen

die in de nekropolis van Thebe lieten bouwen. Deze voorstelling

schijnt mij zeer gewaagd: de graven van Darius en van zijne eerste

opvolgers zijn in de rotsen van Nakhshe-Roestem uitgehouwen, op meer

dan een kilometer afstand van de paleizen, door diezelfde koningen te

Persepolis opgericht. De nabijheid der twee bovengenoemde grafkamers,

die bovendien langen tijd na de stichting van den Takhteh gemaakt zijn,

levert dus geen voldoenden grond om aan de paleizen een karakter toe te

kennen, dat daarenboven rechtstreeks door de opschriften weersproken

wordt.--Zijn op deze wijze alle vragen betrekkelijk den oorsprong

van Persepolis voldoende opgelost, het is vrij wat moeielijker,

met juistheid den tijd te bepalen, waarop de stad te gronde ging.

Volgens de verzekering van bijna alle oude historieschrijvers, werd

Persepolis door Alexander den Groote, in een nacht van uitgelaten

feestvreugde, in brand gestoken. Quintus-Curtius verhaalt dat de

koning van Macedonië voor de verzoekingen van de perzische hofstad was

bezweken: hij ging zich schromelijk te buiten aan den wijn en voerde

ook het gebruik in van die eindelooze feesten, die door maaltijden en

drinkgelagen afgewisseld, bij de Perzen soms eene week duurden. Hij

bracht zijne nachten aan tafel door, bekleed met de lange witte tuniek

en de tiara der perzische koningen; hij sprak de taal der overwonnen

barbaren, omringde zich met jongelieden uit de eerste families des

lands, die zijne lijfwacht vormden, en ook met die schaar van lichte

vrouwen, die steeds tot het gevolg behoorden van alle veroveraars

der oudheid.

In de schaduw van eene poort van de apadâna van Xerxes gezeten,

herlees ik, in het Leven van Alexander, naar de vertaling van den ouden

Amyot, het verhaal van den brand van Persepolis; en hoe ongaarne ik

ook de nagedachtenis van den grooten koning van Macedonië met zulk

eene zware beschuldiging onteer, zoo kan ik toch, bij het zien van

deze verkalkte steenen, van deze door de vlammen geteisterde zuilen

en verkoolde balken, Plutarchus geen ongelijk geven.

"En het geschiedde daarna, toen Alexander zich gereed maakte om Darius

nog verder te vervolgen, dat hij op zekeren dag een groot feest

liet aanrichten, waarop hij zijne gunstelingen noodigde en waarbij

ook de bijzitten zijner gunstelingen met haar minnaars tegenwoordig

waren. Onder dezen nu was de beroemdste Thaïs, geboortig uit het land

Attika, de minnares van Ptolemaeus, die na den dood van Alexander

koning van Egypte werd. Deze Thaïs nu, deels Alexander met groote

behendigheid prijzende, deels met hem spelende, kwam eindelijk

met een voorstel voor den dag, dat wel met haar landaard strookte,

maar dat ernstiger gevolgen zou hebben dan zij zich waarschijnlijk

dacht. Zij zeide, dat zij zich ten volle beloond achtte voor alle

moeiten en ontberingen op hare zwerftochten door de landen van Azië,

met het leger des konings, nu zij hier deelnam aan een feest in

het prachtige paleis der groote koningen van Perzië. Maar nog meer

genoegen zou het haar doen, indien zij, bij wijze van tijdverdrijf

en vreugdevuur, het paleis van dien Xerxes mocht verbranden, die de

stad Athene had verbrand, en dat vooral indien het haar vergund werd,

met eigen hand het vuur te ontsteken in tegenwoordigheid en onder

de oogen van een zoo doorluchtig vorst als Alexander, opdat men in

volgende eeuwen zou kunnen verhalen hoe de vrouwen, die zijn kamp

volgden, op schitterender wijze wraak hadden genomen over het kwaad,

dat de Perzen weleer aan Griekenland hadden berokkend, dan immer eenig

grieksch krijgoverste ooit te land of ter zee had gedaan. Niet zoodra

had zij deze woorden gesproken, of de gunstelingen van Alexander, die

daarbij tegenwoordig waren, begonnen aanstonds in de handen te klappen

en luid te juichen, zeggende dat dit een voortreffelijk denkbeeld was,

den koning aansporende om daaraan gevolg te geven.

"Alexander gaf aan dien aandrang toe; hij sprong overeind, drukte zich

een bloemkrans op de haren, nam een brandende toorts in de hand en

liep vooruit; zijne gunstelingen, bekranst als hij en met fakkels in de

handen, volgden hem dansende en juichende en gingen rondom het paleis.

"De andere Macedoniërs, bemerkende wat er gaande was, kwamen haastig

toegeloopen met brandende fakkels en flambouwen, zeer verheugd zijnde,

omdat zij in hetgeen gebeurde een teeken zagen dat Alexander naar

het vaderland wilde terugkeeren en niet zijne residentie vestigen

onder de barbaren, daar hij zelf het koninklijk paleis in brand

stak en vernielde. Zoo werd, naar men zegt, het paleis verwoest

en verbrand; maar sommigen beweren, dat het niet aldus, bij wijze

van spel geschiedde, maar na rijpe beraadslaging en overweging in

's konings raad. Wat hiervan zij, dit wordt door allen erkend, dat

Alexander aanstonds berouw had van zijne daad en last gaf dat men

het vuur zou blusschen."

De eigenlijke stad--wel te onderscheiden van den koninklijken

burcht,--die door de arabische schrijvers Istakhar wordt genoemd,

deelde aanvankelijk niet in het lot van het koninklijk paleis; volgens

de verzekering van sommige perzische schrijvers zou zij nog zeer

lang in stand zijn gebleven. Nog in het jaar 632 onzer jaartelling

was Istakhar de residentie van den laatsten koning uit de dynastie

der Sassaniden. Kort daarop zou zij door Omar geheel zijn verwoest

en zouden hare bewoners naar Shiraz zijn overgebracht. Sedert bleef

de oude koningsstad eene verlaten ruïne.

Zeer waarschijnlijk zouden er te Persepolis nog zeer belangrijke

ontdekkingen zijn te doen, maar de lucht is er zoo ongezond,

de hitte zoo onuitstaanbaar, de muskieten zoo nijdig en de nabij

gelegen tsjapar-khaneh zoo slecht, dat de weinige reizigers, die

hier komen, niets haastigers te doen hebben dan dit verpeste land

te ontvluchten, nadat zij een dag hebben gewijd aan de ruïnen van

den Takhteh-Dsjemsjid.

Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887 · 第 23 / 41 题