1 October.--Bij het aanbreken van den dag stijgen wij te paard, en de
ruïnen van den Takhteh en van het paleis ter linkerhand latende liggen,
rijden wij naar een dorp van een ellendig voorkomen, dicht bij den
rand van het ravijn, waarin de Polvar stroomt. De van leem opgetrokken
huizen rusten op antieke fondamenten van witten steen. Het zou wel de
moeite waard zijn, die fondamenten te onderzoeken, maar men zou daartoe
de huizen moeten wegruimen: dit is dus voorloopig onmogelijk. Iets
verder verheft zich een klein monument, waarvan de matte goudkleur mij
aan de warme tinten van het prachtige pentelische marmer herinnert. Het
monument ligt buiten het dorp en is zeer gemakkelijk te genaken. Wij
rijden over een kerkhof en houden stil aan den voet van het gebouwtje,
waaraan de Engelschen den naam van het graf van Cyrus geven, maar
dat bij de Perzen bekend is onder dien van Gabre Madereh Soleîman.
Van alle gedenkteekenen in de vlakte van den Polvar is dit buiten kijf
het belangrijkste en het best geconserveerde. Het archaïstisch karakter
van den griekschen bouwstijl van den naos en de fronton daarboven--de
eenige in geheel Perzië--trekken dadelijk onze aandacht. Het graf
rust op eene soort van pyramide, gevormd door zes trappen, die op een
breeden sokkel rusten; een gedeeltelijk vernielde trap voerde naar
boven. Het geheel is opgetrokken van reusachtige blokken kalksteen,
die met de grootste zorgvuldigheid zijn uitgezocht en saamgevoegd;
het deksel van de sarkophaag is massief en even als al het overige
van steen. De grafpyramide was omgeven door eene portiek; aan drie
zijden zijn nog de sporen van de basementen en zelfs van de schachten
der zuilen te vinden. Drie lage en smalle deuren gaven toegang tot
den binnenhof; de posten dier deuren zijn nog staande gebleven.
Ik beklim de trappen van den gabre (de grafpyramide); ik stoot eene
houten deur open en bevind mij in een klein vertrekje. Een der zijden
prijkt met een mirhab, die eerst in later tijd is aangebracht; de
andere wanden zijn vlak. Metalen lampen hangen aan koorden, die aan
houten krammen zijn bevestigd; verder ziet men er allerlei bonte
lappen, die daar bij wijze van ex-voto's zijn nedergelegd.
Ik vroeg mijn echtgenoot, wat hij van dit graf dacht.
"Dit gebouwtje," antwoordde hij, "is zeer zeker niet het graf
van Cyrus; dit staat bij mij vast. Er is inderdaad niet de minste
overeenstemming tusschen dit monument en het graf van Cyrus, zooals dit
beschreven wordt door Arrianus en Strabo, of liever door Aristobulus,
die dit graf bezocht en op bevel van Alexander liet herstellen,
en wiens beschrijving door de beide eerstgenoemden is overgenomen."
Het graf van den grondlegger der perzische monarchie verrees midden
in de koninklijke tuinen; het was omringd door boomen, grasperken en
stroomende wateren. Het was een vierkante toren van geringe hoogte,
zoodat hij door het geboomte geheel verborgen werd. In het bovenste
gedeelte bevond zich de grafkamer, met een dak van steen, en waartoe
eene zeer smalle deur toegang gaf. Aristobulus zag daar een gouden bed,
eene tafel met bekers en vazen, eene vergulde wasch- of badkuip, en
eene menigte kleederen, edelgesteenten en andere kostbaarheden. Door
middel van een trap had dit vertrek gemeenschap met eene andere
kamer, waar de priesters verblijf hielden, met de bewaking van het
graf belast.
Op de buitenzijde van het graf was, in de perzische taal, het volgende
opschrift gebeiteld: "O mensch, ik ben Cyrus, de zoon van Kambyses. Ik
heb de monarchie der Perzen gesticht en over Azië geheerscht. Benijd
mij dit graf niet."
"Een Griek," voegde mijn echtgenoot er bij, "zou nooit op de gedachte
zijn gekomen om den Gabre Maderèh Soleîman te vergelijken bij een
vierkanten toren; evenmin als hij gemeend zou hebben eene voldoende
beschrijving te hebben gegeven van den onderbouw met zijne zes trappen,
door eenvoudig te spreken van de stevigheid en soliditeit van het
onderste gedeelte. Daar komt bij, dat het volstrekt onmogelijk zou
zijn geweest, om in een vertrekje van zes vierkante meters oppervlakte
ruimte te vinden voor de sarkophaag, voor het gouden bed, de tafel,
de vergulde badkuip en de groote menigte kleederen en kostbaarheden,
die Aristobulus in het graf zag. En waar is de inscriptie, die de
Grieken lieten vertalen?
"Ik ben veeleer geneigd om, ook in verband met de overlevering,
volgens welke dit monument het graf zou zijn van de moeder van
Salomo, daarin het mausoleum eener koningin te zien; misschien wel
van de echtgenoote van Cyrus, wiens naam thans bij het volk geheel
in vergetelheid is geraakt en verdrongen door dien van Salomo, die
zoo dikwijls in den Koran wordt genoemd."
Wat hiervan zij, de ruïnen, die wij in de vlakte van den Polvar
gevonden hebben, de Takhteh, de vierkante toren, het paleis en het
mausoleum zijn de laatste overblijfselen van de monumenten, door den
grooten Cyrus, in de zesde eeuw voor Christus, opgericht. Deze ouderdom
blijkt ten duidelijkste uit den geheelen bouwstijl, uit de ornamenten
en alle bijzonderheden der architektuur. Evenzeer is het onmogelijk,
de nauwe verwantschap te miskennen tusschen deze monumenten en de
ionische gebouwen. Zouden wij hier de prototypen voor ons hebben van de
monumenten in de grieksche koloniën langs de kust van Klein-Azië? Ik
geloof dit niet. Voor de verovering van Lydië waren de bewoners van
Farsistan nimmer in aanraking geweest met de Grieken; zij verkeerden
nog in een toestand van meer dan halve barbaarschheid, toen Cyrus bij
de Ariërs de heerschappij der Meden vernietigde en daarvoor die der
Perzen in de plaats stelde. Misschien behoorde de architekt, die deze
gebouwen maakte, wel tot de omgeving van Croesus, die na de verovering
van Sardes de vriend en raadsman van zijn overwinnaar geworden was.
5 October.--Na twee dagreizen zijn wij thans gehuisvest in den tsjapar
khaneh van Kenareh, op eenige duizenden ellen afstands van het eenmaal
zoo beroemde Persepolis.
Na Maderèh Soleîman verlaten te hebben, betraden wij de enge passen
van den Polvar. Aanvankelijk volgden wij den oever der rivier, geheel
met dichte rietbosschen en biezen begroeid, waarin wij elkander uit
het oog verloren. De tsjarvadar-bashi had er niets te veel van gezegd,
toen hij dezen weg een helschen weg noemde; maar daar hij uitsluitend
de meerdere of mindere bruikbaarheid der wegen voor zijne paarden
in het oog hield, had hij ons niet gesproken van de schilderachtige
schoonheid der passen, die de bezwaren aan den tocht verbonden
vergoeden en voor een deel doen vergeten.
De monumenten van Persepolis worden in twee groepen verdeeld,
bekend onder de namen van Nakhshè Roestem (teekeningen van Roestem)
en Takhteh Dsjemsjid (troon van Dsjemsjid); de afstand tusschen de
beide groepen bedraagt acht tot tien kilometers. Eene ellendige hut,
met den naam van tsjapar khaneh versierd, staat omstreeks halverwege:
ons eskorte heeft dit krot voor ons ten verblijve uitgekozen. De
reizigers houden zich doorgaans te Persepolis niet op, uithoofde
van de ongezonde lucht, die men hier inademt; de postdienst is in
Farsistan alles behalve voortreffelijk ingericht; de platte daken
en de opperzaal van onze herberg liggen dan ook in puin. De eenige
kamer, waarin wij logeeren kunnen, is opgevuld met paardentuig, met
weggeworpen rommel en met den schralen voorraad van den tsjapartshi
(den bewaarder of concierge), wiens ongelukkig voorkomen juist niet
pleit voor de gezondheid der streek. Op ons verzoek wordt de kamer
schoongemaakt en tot onze beschikking gesteld.
Na afloop van den maaltijd begon ik medelijden te gevoelen met onze
bedienden, en noodigde ik hen uit, in het eenige bewoonbare vertrek
te komen slapen.
"Wij zullen ons wel wachten, in een besloten ruimte te gaan slapen,"
antwoordde de kok; "zoodra gij het licht zult hebben uitgedaan, zult
gij door de muskieten vermoord worden; het eenige middel om niet
levend te worden verslonden, is onder den blooten hemel den nacht
door te brengen."
Helaas! de kok had gelijk; nauwelijks hadden wij een oogenblik
stil gelegen, of wij werden als door duizenden naalden geprikt en
gestoken. De muskieten van Persepolis maken geen geluid, maar zoo zij
door hun gegons niet hinderen, hunne beten zijn des te venijniger. Tot
ons ongeluk, heeft de natuur hen zeer klein en dun geschapen, zoodat
zij door de kleinste gaatjes in de kleeding kunnen kruipen. Wij meenden
de aanvallen van deze onverbiddelijke vijanden te kunnen afweren, door
de pijpen van onze pantalons om onze beenen toe te binden, onze voeten
in stevige lederen schoenen te steken en onze handen met doeken te
omwikkelen. Het eenige gevolg was, dat de bloeddorstige beulen zich
schadeloos stelden op ons gezicht en vooral op onze lippen, die wij
wel onbedekt moesten laten, ten einde te kunnen ademen. De vrees van
op nieuw door de koorts te worden aangetast, als wij op het platte
dak gingen slapen, hield ons in de kamer terug: maar reeds voor de
dag aanbrak waren wij op de been. Zonder op ons gezwollen gelaat
en ontstoken lippen acht te slaan, stijgen wij te paard en richten
ons naar den steilen rotswand, dien wij den vorigen avond aan onze
rechterhand hadden laten liggen. Toen wij den rotswand naderden,
werd mijne aandacht aanstonds getrokken door de voorgevels van vier
grafkamers, en door een klein vierhoekig monument tegenover den berg,
dat geheel overeenkomt met het vernielde gebouwtje hetwelk wij in de
vlakte van den Polvar gezien hebben. Te Maderèh Soleîman is echter
nog maar eene van de vier zijden overgebleven: het grafteeken dat wij
hier voor ons hebben, is nog geheel volledig: er ontbreekt geen enkele
steen. De gedaante van het gebouw is die van een vierkanten toren,
waarvan het benedengedeelte geheel massief is. Het bovengedeelte
wordt geheel ingenomen door eene zeer eenvoudige zaal, waarvan de
zoldering uit fraaie zerken bestaat; de muren zijn kaal en de hoeken
afgerond. Dit vertrek is voorzien van eene kleine deur, die langs
een trap, waarvan de sporen nog zichtbaar zijn, werd bereikt. Eene
getande kroonlijst sluit het monument van boven af; groote platen
van zwart bazalt, aan drie zijden aangebracht, maken den indruk van
vensters, hoewel het gebouwtje in werkelijkheid geene andere opening
heeft dan de deur. Marcel is van oordeel, dat de lijken der koningen
voorloopig in deze torens werden nedergelegd, om na in zekere mate
tot ontbinding te zijn overgegaan, naar de in de rots uitgehouwen
graven te worden overgebracht. Deze beide torens in de vlakte van den
Polvar en hier, geven ons ongetwijfeld de voorbeelden te aanschouwen
van de koninklijke mausoleën, die Cyrus, na zijn terugkeer uit Ionië
invoerde; de grafkamers daarentegen, naar egyptischen trant, in den
berg van Nakhshè Roestem uitgehouwen, waren de graven van de eerste
vorsten uit de tweede Achemeniden-dynastie.
Aan de voorzijde der graven van Darius en zijne opvolgers is, in
relief, op den loodrechten rotswand, een gebouw afgebeeld, met zuilen
versierd, waarvan de kapiteelen worden gevormd door twee stieren,
ter halverlijve met elkander verbonden. De deuren hebben van boven
eene egyptische kroonlijst.--Boven een troon ziet men den koning,
gebeden richtende tot den god Ahoeramazda, die in de lucht zweeft.
De platten of terrassen voor den ingang der grafkamers zijn te hoog
boven den grond en de rotswand is te steil, dan dat men die van uit
de vlakte zou kunnen bereiken. Wil men de grafkamers zelven bezoeken,
dan moet men zich aan een touw laten ophijschen door mannen, die
boven op de rots klauteren. Marcel is de eerste, die deze expeditie
onderneemt, en niet zonder angst zie ik hem tusschen hemel en aarde
zweven aan een touw, dat mij niet dikker toeschijnt dan een draad. Hij
komt zonder ongeval weer beneden, en nu maak ik mij gereed om de
luchtreis te ondernemen.
"Wat wilt gij daar boven gaan uitvoeren? zegt mijn echtgenoot;
de kamers zijn ruw in de rots uitgehouwen, en de wanden vertoonen
geen enkel spoor van beeld- of schilderwerk; de zolderingen zijn bij
wijze van gewelf gemaakt, en de in den steen uitgehouwen sarkophagen
verschillen in niets van de egyptische.
--Ik wil het gezicht van Darius van nabij bekijken. Ik verbeeld mij
ook, dat ik daar boven een prachtig uitzicht zal hebben over de vlakte
van de Merdash.
--Dring er niet verder op aan; ik zal u nooit toestaan, dezen tocht
te wagen. Gij weet niet, welk eene zonderlinge gewaarwording zich
meester maakt van iemand, die vijftien ellen boven den grond aan een
touw hangt te zweven. Ik ben er ook volstrekt niet zeker van, dat gij
vasten voet zoudt weten te zetten op het plat, of dat gij u stevig
zoudt vastbinden bij het aflaten. Gij gaat niet naar de graven."--Dit
zeggende gaf hij den mannen boven op de rots een teeken dat zij naar
beneden konden komen.
Natuurlijk protesteerde ik tegen het verbod van mijn echtgenoot, maar
het baatte niet: voor de eerste maal sedert ik hem gehoorzaamheid
gezworen had, moest ik mij aan zijn wil onderwerpen.
Aangenomen dat mij, bij het bezoek der graven, een ongeluk ware
overkomen, dan zou dit toch stellig minder opzien hebben gebaard, dan
toen voor omstreeks vier-en-twintighonderd jaren de ouders van Darius,
bij eene dergelijke gelegenheid, het leven verloren. De koning had hen
uitgenoodigd, zijn graf te komen zien, en droeg aan veertig magiërs de
zorg op, om de mand naar boven te hijschen, waarin de oude lieden waren
gezeten. De veertig priesters klauterden op den top der rots, grepen
de touwen en trokken de ouders van hun koning voorzichtig en langzaam
naar boven. Maar zie, daar schoot eensklaps eene reusachtige slang
uit de rots te voorschijn en verspreidde een panischen schrik onder
de magiërs, die in hunne verbijstering de touwen loslieten, zoodat de
mand met haar kostbare vracht tegen den grond plofte. Darius, wiens
toorn en droefheid geene palen kende, liet de ongelukkige priesters
gevangen nemen en voor zijne oogen spietsen.
Onder de graven der oude koningen bevinden zich de beroemde beeldwerken
uit den tijd der Sassaniden, waaraan de geheele groep van monumenten
aan den ingang der vlakte van de Merdash den naam te danken heeft
van Nakhshè Roestem (teekeningen van Roestem).
Een dezer bas-reliefs, dat eene lengte heeft van ongeveer elf meter,
moet de zegepraal vereeuwigen door den koning Shapoer over keizer
Valerianus behaald. De perzische koning zit te paard; de romeinsche
keizer, met den lauwerkrans om de slapen, schijnt geknield de
barmhartigheid van den overwinnaar af te smeeken. De onderworpen
houding van den gevangen Caesar verhinderde niet, dat de Shâh hem
zes jaren lang bij het te paard stijgen, als voetbank gebruikte, en
hem ten slotte liet spietsen en zijn lijk in triomf voor het leger
uitdragen. Eene inscriptie vermeldt de overwinning bij Edessa, door
Shapoer op de Romeinen behaald.
Het onderwerp van het tweede bas-relief is minder gemakkelijk
te begrijpen. Twee koningen, te paard gezeten, houden te zamen
een ring of een dergelijk voorwerp vast, misschien een teeken van
bondgenootschap. Hunne rustige kalme houding vormt een scherp contrast
met de krijgshaftige drift van twee gewapende mannen, die, op een
derde bas-relief met gevelde lans op elkander aanstormen. Dit laatste
bas-relief, dat bijna gelijk met den grond is, heeft ongelukkig zeer
veel geleden.
De monumentale beeldhouwkunst uit het tijdperk van de Sassaniden
schijnt meer aan de romeinsche, dan aan de grieksche kunst verwant. De
beelden, door de Muzelmannen zoo veel mogelijk vernield, verkeeren
thans in zoodanigen toestand, dat het niet meer mogelijk is over de
bewerking van het naakt te oordeelen; maar de handen, die in vele
gevallen nog ongeschonden zijn, zijn plomp en zeer oppervlakkig
behandeld; de drapeering is onnatuurlijk en gezocht en mist daardoor
waarheid. Daarentegen is de houding der koningen edel en eenvoudig, en
verraden de dieren, met name de paarden, de hand van bekwame meesters,
die zich vrij wat beter rekenschap wisten te geven van de eischen
der dekoratieve kunst, dan de vervaardigers van de bas-reliefs in
het bovenste gedeelte van de vier koningsgraven.
Het laatste en misschien het belangrijkste monument in de groep van
Nahkshe Roestem bevindt zich zuidwaarts van de grafkamers.
Dit zijn twee Atesh-ka (vuuraltaren), die op de plaats zelve in de
rots zijn uitgehouwen. Zij bestaan uit eene vierkante tafel, rustende
op vier massieve rondbogen, die gedragen worden door vier pilaren
in hoog relief. De bovenrand van het altaar bestaat uit eene soort
van krans van driekantige kanteelen. De geheele bewerking is ruw en
barbaarsch, en getuigt van eene kunst, die op vrij wat lager trap
stond dan die, welke de monumenten uit den tijd van Cyrus schiep. Let
men daarenboven op het zuiver assyrisch karakter der kanteelen, der
bogen en pilaren, dan komt men gedeeltelijk tot het besluit dat de
Atesh-ka van Nakhshè Roestem de oudste monumenten in de vlakten van
den Polvar en de Merdash zijn en uit den tijd vóór Cyrus dagteekenen.
De eerwaardige herinneringen en vrome traditiën, aan deze antieke
vuuraltaren verbonden, waren vermoedelijk een der redenen, die
Darius bewogen, den naburigen berg uit te kiezen als koninklijke
begraafplaats. Ongetwijfeld lieten later de Sassaniden, om
dezelfde redenen, in dien rotswand de bas-reliefs beitelen, die
hunne overwinningen moesten vereeuwigen. Ten allen tijde waren de
Atash-ka van Nakhshè Roestem, voor de aanhangers van Zoroaster,
eene bij uitnemendheid gewijde en druk bezochte bedevaartsplaats;
en nog in onze dagen, nu de betrekkelijk weinige Parsis welhaast
de herinnering van hun roemrijk verleden hebben verloren, komen de
pelgrims uit Indië in grooten getale, om een bezoek te brengen aan
de vuuraltaren, en aan het mausoleum, dat in den omtrek bekend staat
onder den naam van de Kaäba der Guebers.