XXII

1 October.--Bij het aanbreken van den dag stijgen wij te paard, en de

ruïnen van den Takhteh en van het paleis ter linkerhand latende liggen,

rijden wij naar een dorp van een ellendig voorkomen, dicht bij den

rand van het ravijn, waarin de Polvar stroomt. De van leem opgetrokken

huizen rusten op antieke fondamenten van witten steen. Het zou wel de

moeite waard zijn, die fondamenten te onderzoeken, maar men zou daartoe

de huizen moeten wegruimen: dit is dus voorloopig onmogelijk. Iets

verder verheft zich een klein monument, waarvan de matte goudkleur mij

aan de warme tinten van het prachtige pentelische marmer herinnert. Het

monument ligt buiten het dorp en is zeer gemakkelijk te genaken. Wij

rijden over een kerkhof en houden stil aan den voet van het gebouwtje,

waaraan de Engelschen den naam van het graf van Cyrus geven, maar

dat bij de Perzen bekend is onder dien van Gabre Madereh Soleîman.

Van alle gedenkteekenen in de vlakte van den Polvar is dit buiten kijf

het belangrijkste en het best geconserveerde. Het archaïstisch karakter

van den griekschen bouwstijl van den naos en de fronton daarboven--de

eenige in geheel Perzië--trekken dadelijk onze aandacht. Het graf

rust op eene soort van pyramide, gevormd door zes trappen, die op een

breeden sokkel rusten; een gedeeltelijk vernielde trap voerde naar

boven. Het geheel is opgetrokken van reusachtige blokken kalksteen,

die met de grootste zorgvuldigheid zijn uitgezocht en saamgevoegd;

het deksel van de sarkophaag is massief en even als al het overige

van steen. De grafpyramide was omgeven door eene portiek; aan drie

zijden zijn nog de sporen van de basementen en zelfs van de schachten

der zuilen te vinden. Drie lage en smalle deuren gaven toegang tot

den binnenhof; de posten dier deuren zijn nog staande gebleven.

Ik beklim de trappen van den gabre (de grafpyramide); ik stoot eene

houten deur open en bevind mij in een klein vertrekje. Een der zijden

prijkt met een mirhab, die eerst in later tijd is aangebracht; de

andere wanden zijn vlak. Metalen lampen hangen aan koorden, die aan

houten krammen zijn bevestigd; verder ziet men er allerlei bonte

lappen, die daar bij wijze van ex-voto's zijn nedergelegd.

Ik vroeg mijn echtgenoot, wat hij van dit graf dacht.

"Dit gebouwtje," antwoordde hij, "is zeer zeker niet het graf

van Cyrus; dit staat bij mij vast. Er is inderdaad niet de minste

overeenstemming tusschen dit monument en het graf van Cyrus, zooals dit

beschreven wordt door Arrianus en Strabo, of liever door Aristobulus,

die dit graf bezocht en op bevel van Alexander liet herstellen,

en wiens beschrijving door de beide eerstgenoemden is overgenomen."

Het graf van den grondlegger der perzische monarchie verrees midden

in de koninklijke tuinen; het was omringd door boomen, grasperken en

stroomende wateren. Het was een vierkante toren van geringe hoogte,

zoodat hij door het geboomte geheel verborgen werd. In het bovenste

gedeelte bevond zich de grafkamer, met een dak van steen, en waartoe

eene zeer smalle deur toegang gaf. Aristobulus zag daar een gouden bed,

eene tafel met bekers en vazen, eene vergulde wasch- of badkuip, en

eene menigte kleederen, edelgesteenten en andere kostbaarheden. Door

middel van een trap had dit vertrek gemeenschap met eene andere

kamer, waar de priesters verblijf hielden, met de bewaking van het

graf belast.

Op de buitenzijde van het graf was, in de perzische taal, het volgende

opschrift gebeiteld: "O mensch, ik ben Cyrus, de zoon van Kambyses. Ik

heb de monarchie der Perzen gesticht en over Azië geheerscht. Benijd

mij dit graf niet."

"Een Griek," voegde mijn echtgenoot er bij, "zou nooit op de gedachte

zijn gekomen om den Gabre Maderèh Soleîman te vergelijken bij een

vierkanten toren; evenmin als hij gemeend zou hebben eene voldoende

beschrijving te hebben gegeven van den onderbouw met zijne zes trappen,

door eenvoudig te spreken van de stevigheid en soliditeit van het

onderste gedeelte. Daar komt bij, dat het volstrekt onmogelijk zou

zijn geweest, om in een vertrekje van zes vierkante meters oppervlakte

ruimte te vinden voor de sarkophaag, voor het gouden bed, de tafel,

de vergulde badkuip en de groote menigte kleederen en kostbaarheden,

die Aristobulus in het graf zag. En waar is de inscriptie, die de

Grieken lieten vertalen?

"Ik ben veeleer geneigd om, ook in verband met de overlevering,

volgens welke dit monument het graf zou zijn van de moeder van

Salomo, daarin het mausoleum eener koningin te zien; misschien wel

van de echtgenoote van Cyrus, wiens naam thans bij het volk geheel

in vergetelheid is geraakt en verdrongen door dien van Salomo, die

zoo dikwijls in den Koran wordt genoemd."

Wat hiervan zij, de ruïnen, die wij in de vlakte van den Polvar

gevonden hebben, de Takhteh, de vierkante toren, het paleis en het

mausoleum zijn de laatste overblijfselen van de monumenten, door den

grooten Cyrus, in de zesde eeuw voor Christus, opgericht. Deze ouderdom

blijkt ten duidelijkste uit den geheelen bouwstijl, uit de ornamenten

en alle bijzonderheden der architektuur. Evenzeer is het onmogelijk,

de nauwe verwantschap te miskennen tusschen deze monumenten en de

ionische gebouwen. Zouden wij hier de prototypen voor ons hebben van de

monumenten in de grieksche koloniën langs de kust van Klein-Azië? Ik

geloof dit niet. Voor de verovering van Lydië waren de bewoners van

Farsistan nimmer in aanraking geweest met de Grieken; zij verkeerden

nog in een toestand van meer dan halve barbaarschheid, toen Cyrus bij

de Ariërs de heerschappij der Meden vernietigde en daarvoor die der

Perzen in de plaats stelde. Misschien behoorde de architekt, die deze

gebouwen maakte, wel tot de omgeving van Croesus, die na de verovering

van Sardes de vriend en raadsman van zijn overwinnaar geworden was.

5 October.--Na twee dagreizen zijn wij thans gehuisvest in den tsjapar

khaneh van Kenareh, op eenige duizenden ellen afstands van het eenmaal

zoo beroemde Persepolis.

Na Maderèh Soleîman verlaten te hebben, betraden wij de enge passen

van den Polvar. Aanvankelijk volgden wij den oever der rivier, geheel

met dichte rietbosschen en biezen begroeid, waarin wij elkander uit

het oog verloren. De tsjarvadar-bashi had er niets te veel van gezegd,

toen hij dezen weg een helschen weg noemde; maar daar hij uitsluitend

de meerdere of mindere bruikbaarheid der wegen voor zijne paarden

in het oog hield, had hij ons niet gesproken van de schilderachtige

schoonheid der passen, die de bezwaren aan den tocht verbonden

vergoeden en voor een deel doen vergeten.

De monumenten van Persepolis worden in twee groepen verdeeld,

bekend onder de namen van Nakhshè Roestem (teekeningen van Roestem)

en Takhteh Dsjemsjid (troon van Dsjemsjid); de afstand tusschen de

beide groepen bedraagt acht tot tien kilometers. Eene ellendige hut,

met den naam van tsjapar khaneh versierd, staat omstreeks halverwege:

ons eskorte heeft dit krot voor ons ten verblijve uitgekozen. De

reizigers houden zich doorgaans te Persepolis niet op, uithoofde

van de ongezonde lucht, die men hier inademt; de postdienst is in

Farsistan alles behalve voortreffelijk ingericht; de platte daken

en de opperzaal van onze herberg liggen dan ook in puin. De eenige

kamer, waarin wij logeeren kunnen, is opgevuld met paardentuig, met

weggeworpen rommel en met den schralen voorraad van den tsjapartshi

(den bewaarder of concierge), wiens ongelukkig voorkomen juist niet

pleit voor de gezondheid der streek. Op ons verzoek wordt de kamer

schoongemaakt en tot onze beschikking gesteld.

Na afloop van den maaltijd begon ik medelijden te gevoelen met onze

bedienden, en noodigde ik hen uit, in het eenige bewoonbare vertrek

te komen slapen.

"Wij zullen ons wel wachten, in een besloten ruimte te gaan slapen,"

antwoordde de kok; "zoodra gij het licht zult hebben uitgedaan, zult

gij door de muskieten vermoord worden; het eenige middel om niet

levend te worden verslonden, is onder den blooten hemel den nacht

door te brengen."

Helaas! de kok had gelijk; nauwelijks hadden wij een oogenblik

stil gelegen, of wij werden als door duizenden naalden geprikt en

gestoken. De muskieten van Persepolis maken geen geluid, maar zoo zij

door hun gegons niet hinderen, hunne beten zijn des te venijniger. Tot

ons ongeluk, heeft de natuur hen zeer klein en dun geschapen, zoodat

zij door de kleinste gaatjes in de kleeding kunnen kruipen. Wij meenden

de aanvallen van deze onverbiddelijke vijanden te kunnen afweren, door

de pijpen van onze pantalons om onze beenen toe te binden, onze voeten

in stevige lederen schoenen te steken en onze handen met doeken te

omwikkelen. Het eenige gevolg was, dat de bloeddorstige beulen zich

schadeloos stelden op ons gezicht en vooral op onze lippen, die wij

wel onbedekt moesten laten, ten einde te kunnen ademen. De vrees van

op nieuw door de koorts te worden aangetast, als wij op het platte

dak gingen slapen, hield ons in de kamer terug: maar reeds voor de

dag aanbrak waren wij op de been. Zonder op ons gezwollen gelaat

en ontstoken lippen acht te slaan, stijgen wij te paard en richten

ons naar den steilen rotswand, dien wij den vorigen avond aan onze

rechterhand hadden laten liggen. Toen wij den rotswand naderden,

werd mijne aandacht aanstonds getrokken door de voorgevels van vier

grafkamers, en door een klein vierhoekig monument tegenover den berg,

dat geheel overeenkomt met het vernielde gebouwtje hetwelk wij in de

vlakte van den Polvar gezien hebben. Te Maderèh Soleîman is echter

nog maar eene van de vier zijden overgebleven: het grafteeken dat wij

hier voor ons hebben, is nog geheel volledig: er ontbreekt geen enkele

steen. De gedaante van het gebouw is die van een vierkanten toren,

waarvan het benedengedeelte geheel massief is. Het bovengedeelte

wordt geheel ingenomen door eene zeer eenvoudige zaal, waarvan de

zoldering uit fraaie zerken bestaat; de muren zijn kaal en de hoeken

afgerond. Dit vertrek is voorzien van eene kleine deur, die langs

een trap, waarvan de sporen nog zichtbaar zijn, werd bereikt. Eene

getande kroonlijst sluit het monument van boven af; groote platen

van zwart bazalt, aan drie zijden aangebracht, maken den indruk van

vensters, hoewel het gebouwtje in werkelijkheid geene andere opening

heeft dan de deur. Marcel is van oordeel, dat de lijken der koningen

voorloopig in deze torens werden nedergelegd, om na in zekere mate

tot ontbinding te zijn overgegaan, naar de in de rots uitgehouwen

graven te worden overgebracht. Deze beide torens in de vlakte van den

Polvar en hier, geven ons ongetwijfeld de voorbeelden te aanschouwen

van de koninklijke mausoleën, die Cyrus, na zijn terugkeer uit Ionië

invoerde; de grafkamers daarentegen, naar egyptischen trant, in den

berg van Nakhshè Roestem uitgehouwen, waren de graven van de eerste

vorsten uit de tweede Achemeniden-dynastie.

Aan de voorzijde der graven van Darius en zijne opvolgers is, in

relief, op den loodrechten rotswand, een gebouw afgebeeld, met zuilen

versierd, waarvan de kapiteelen worden gevormd door twee stieren,

ter halverlijve met elkander verbonden. De deuren hebben van boven

eene egyptische kroonlijst.--Boven een troon ziet men den koning,

gebeden richtende tot den god Ahoeramazda, die in de lucht zweeft.

De platten of terrassen voor den ingang der grafkamers zijn te hoog

boven den grond en de rotswand is te steil, dan dat men die van uit

de vlakte zou kunnen bereiken. Wil men de grafkamers zelven bezoeken,

dan moet men zich aan een touw laten ophijschen door mannen, die

boven op de rots klauteren. Marcel is de eerste, die deze expeditie

onderneemt, en niet zonder angst zie ik hem tusschen hemel en aarde

zweven aan een touw, dat mij niet dikker toeschijnt dan een draad. Hij

komt zonder ongeval weer beneden, en nu maak ik mij gereed om de

luchtreis te ondernemen.

"Wat wilt gij daar boven gaan uitvoeren? zegt mijn echtgenoot;

de kamers zijn ruw in de rots uitgehouwen, en de wanden vertoonen

geen enkel spoor van beeld- of schilderwerk; de zolderingen zijn bij

wijze van gewelf gemaakt, en de in den steen uitgehouwen sarkophagen

verschillen in niets van de egyptische.

--Ik wil het gezicht van Darius van nabij bekijken. Ik verbeeld mij

ook, dat ik daar boven een prachtig uitzicht zal hebben over de vlakte

van de Merdash.

--Dring er niet verder op aan; ik zal u nooit toestaan, dezen tocht

te wagen. Gij weet niet, welk eene zonderlinge gewaarwording zich

meester maakt van iemand, die vijftien ellen boven den grond aan een

touw hangt te zweven. Ik ben er ook volstrekt niet zeker van, dat gij

vasten voet zoudt weten te zetten op het plat, of dat gij u stevig

zoudt vastbinden bij het aflaten. Gij gaat niet naar de graven."--Dit

zeggende gaf hij den mannen boven op de rots een teeken dat zij naar

beneden konden komen.

Natuurlijk protesteerde ik tegen het verbod van mijn echtgenoot, maar

het baatte niet: voor de eerste maal sedert ik hem gehoorzaamheid

gezworen had, moest ik mij aan zijn wil onderwerpen.

Aangenomen dat mij, bij het bezoek der graven, een ongeluk ware

overkomen, dan zou dit toch stellig minder opzien hebben gebaard, dan

toen voor omstreeks vier-en-twintighonderd jaren de ouders van Darius,

bij eene dergelijke gelegenheid, het leven verloren. De koning had hen

uitgenoodigd, zijn graf te komen zien, en droeg aan veertig magiërs de

zorg op, om de mand naar boven te hijschen, waarin de oude lieden waren

gezeten. De veertig priesters klauterden op den top der rots, grepen

de touwen en trokken de ouders van hun koning voorzichtig en langzaam

naar boven. Maar zie, daar schoot eensklaps eene reusachtige slang

uit de rots te voorschijn en verspreidde een panischen schrik onder

de magiërs, die in hunne verbijstering de touwen loslieten, zoodat de

mand met haar kostbare vracht tegen den grond plofte. Darius, wiens

toorn en droefheid geene palen kende, liet de ongelukkige priesters

gevangen nemen en voor zijne oogen spietsen.

Onder de graven der oude koningen bevinden zich de beroemde beeldwerken

uit den tijd der Sassaniden, waaraan de geheele groep van monumenten

aan den ingang der vlakte van de Merdash den naam te danken heeft

van Nakhshè Roestem (teekeningen van Roestem).

Een dezer bas-reliefs, dat eene lengte heeft van ongeveer elf meter,

moet de zegepraal vereeuwigen door den koning Shapoer over keizer

Valerianus behaald. De perzische koning zit te paard; de romeinsche

keizer, met den lauwerkrans om de slapen, schijnt geknield de

barmhartigheid van den overwinnaar af te smeeken. De onderworpen

houding van den gevangen Caesar verhinderde niet, dat de Shâh hem

zes jaren lang bij het te paard stijgen, als voetbank gebruikte, en

hem ten slotte liet spietsen en zijn lijk in triomf voor het leger

uitdragen. Eene inscriptie vermeldt de overwinning bij Edessa, door

Shapoer op de Romeinen behaald.

Het onderwerp van het tweede bas-relief is minder gemakkelijk

te begrijpen. Twee koningen, te paard gezeten, houden te zamen

een ring of een dergelijk voorwerp vast, misschien een teeken van

bondgenootschap. Hunne rustige kalme houding vormt een scherp contrast

met de krijgshaftige drift van twee gewapende mannen, die, op een

derde bas-relief met gevelde lans op elkander aanstormen. Dit laatste

bas-relief, dat bijna gelijk met den grond is, heeft ongelukkig zeer

veel geleden.

De monumentale beeldhouwkunst uit het tijdperk van de Sassaniden

schijnt meer aan de romeinsche, dan aan de grieksche kunst verwant. De

beelden, door de Muzelmannen zoo veel mogelijk vernield, verkeeren

thans in zoodanigen toestand, dat het niet meer mogelijk is over de

bewerking van het naakt te oordeelen; maar de handen, die in vele

gevallen nog ongeschonden zijn, zijn plomp en zeer oppervlakkig

behandeld; de drapeering is onnatuurlijk en gezocht en mist daardoor

waarheid. Daarentegen is de houding der koningen edel en eenvoudig, en

verraden de dieren, met name de paarden, de hand van bekwame meesters,

die zich vrij wat beter rekenschap wisten te geven van de eischen

der dekoratieve kunst, dan de vervaardigers van de bas-reliefs in

het bovenste gedeelte van de vier koningsgraven.

Het laatste en misschien het belangrijkste monument in de groep van

Nahkshe Roestem bevindt zich zuidwaarts van de grafkamers.

Dit zijn twee Atesh-ka (vuuraltaren), die op de plaats zelve in de

rots zijn uitgehouwen. Zij bestaan uit eene vierkante tafel, rustende

op vier massieve rondbogen, die gedragen worden door vier pilaren

in hoog relief. De bovenrand van het altaar bestaat uit eene soort

van krans van driekantige kanteelen. De geheele bewerking is ruw en

barbaarsch, en getuigt van eene kunst, die op vrij wat lager trap

stond dan die, welke de monumenten uit den tijd van Cyrus schiep. Let

men daarenboven op het zuiver assyrisch karakter der kanteelen, der

bogen en pilaren, dan komt men gedeeltelijk tot het besluit dat de

Atesh-ka van Nakhshè Roestem de oudste monumenten in de vlakten van

den Polvar en de Merdash zijn en uit den tijd vóór Cyrus dagteekenen.

De eerwaardige herinneringen en vrome traditiën, aan deze antieke

vuuraltaren verbonden, waren vermoedelijk een der redenen, die

Darius bewogen, den naburigen berg uit te kiezen als koninklijke

begraafplaats. Ongetwijfeld lieten later de Sassaniden, om

dezelfde redenen, in dien rotswand de bas-reliefs beitelen, die

hunne overwinningen moesten vereeuwigen. Ten allen tijde waren de

Atash-ka van Nakhshè Roestem, voor de aanhangers van Zoroaster,

eene bij uitnemendheid gewijde en druk bezochte bedevaartsplaats;

en nog in onze dagen, nu de betrekkelijk weinige Parsis welhaast

de herinnering van hun roemrijk verleden hebben verloren, komen de

pelgrims uit Indië in grooten getale, om een bezoek te brengen aan

de vuuraltaren, en aan het mausoleum, dat in den omtrek bekend staat

onder den naam van de Kaäba der Guebers.

Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887 · 第 22 / 41 题