28 September.--Wij hebben Dehbid bereikt, tweeduizend-vierhonderd
el boven de zee, het hoogste punt van den weg van Ispahan naar
Shirâz. Het kleine, zeer armoedige dorpje bestaat uit eene oude,
zeer vervallen citadel, enkele uit leem opgetrokken huizen en een
station van de engelsche telegraaflijn: alles even ellendig.
De beide laatste etappen duurden zeer lang en waren buitengewoon
vermoeiend: de met losse keien bedekte wegen waren zeer steil en
dus zeer bezwaarlijk te bestijgen; de paarden struikelden en vielen
telkens, en moesten dan weer van hunne vracht ontdaan worden om zich te
kunnen oprichten. De armenische vrouwen zijn uitgeput van vermoeienis;
de kinderen huilen den ganschen dag; de reiziger, die reeds krank
was toen wij van Ispahan vertrokken, schijnt zijn einde nabij. Ook
wij zelven maken zeker eene droevige figuur. Die nachtelijke tochten,
zonder tusschenpoozen op elkander volgende, zijn moordend; ik heb mij
nog nimmer zoo moede, zoo geheel af gevoeld als sedert de laatste
twee dagen, en snak naar het oogenblik waarop wij te Persepolis
zullen aankomen.
De tsjarvadar-bashi zou gaarne aan zijne karavaan een dag rust
hebben gegund, alvorens den tocht over de bergen te ondernemen;
maar hij heeft geen hooi meer voor zijne paarden: wij moeten ons dus
wel op weg begeven. Het vertrek is bepaald op heden avond acht uur:
wij mogen ons gelukkig rekenen, als wij vóór den volgenden morgen
tien uur, Madereh Soleiman bereiken.
Omstreeks middernacht hield de geheele karavaan, op het geroep der
tsjarvadars, eensklaps stil: de zieke is kort na ons vertrek uit
Dehbid overleden, en het lijk moet nu voor zonsopgang ter aarde
worden besteld. Er worden toortsen aangestoken; de tsjarvadars,
met messen en stokken gewapend, delven een kuil in het midden van
den weg; dan halen zij den doode, dien men van zijne beste kleederen
heeft ontdaan, en leggen het bijna nog warme lijk in het pas gedolven
graf, Het eenige onderscheid tusschen zulk eene begrafenis en die van
een hond bestaat wel hierin, dat men de moeite genomen heeft om een
derwisj--die altijd met een tijgervel over de schouderen verscheen
--uit zijn slaap te wekken, en hem heeft verzocht om het hoofd van
den doode in de richting van Mekka te leggen en onder zijne armen de
krukken te plaatsen, waarmede hij zich moet oprichten, als de roepstem
weerklinkt van den engel Azraël. De kuil wordt daarop weer gevuld
en de grond gelijk gestampt; vervolgens werpt men eenige steenen
op het graf, en alles is afgeloopen. De weinige nieuwsgierigen, die
waren afgestegen, bestijgen hun paarden of ezels weder: de slapenden
ontwaken een oogenblik op het geroep der tsjarvadars en de karavaan
vervolgt haar marsch.
30 September.--Wij hebben gisteren een bij uitnemendheid vermoeienden
dag gehad, en na veertien nachten achter elkander te paard te hebben
doorgebracht, is het inderdaad een onwaardeerbaar genot, zich weder
eens in eene goed gesloten kamer, op een op den vloer uitgespreid
tapijt te mogen neervlijen. Heden morgen was alle vermoeienis en alle
ontstemming voorbij; ik kon met lust den arbeid hervatten en de ruïnen
gaan bezoeken. Reeds gisteren hebben wij een kleinen heuvel bestegen,
waarop zich een groot, uit kalksteen opgetrokken terras verheft, dat
bij de inwoners van het dorp Deh-No, waar wij ons thans bevinden,
onder den naam van Takhteh Madereh Soleïman (troon van de moeder
van Salomo) bekend is, en dat aanstonds aan de terrassen herinnert,
waarop de koningen van Babel hunne paleizen plachten te bouwen. Het is
echter duidelijk, dat op dezen kunstmatigen heuvel nooit een gebouw
heeft gestaan, want het terras zelf is niet voltooid.--Op eenigen
afstand van den Takhteh bevindt zich een klein gebouwtje, waarheen
wij thans onze schreden richten.
Dit monument had de gedaante van een vierkanten toren. De muren waren
opgetrokken van kalksteenen, die met ijzeren bouten onderling waren
verbonden. Een trap, waarvan de sporen nog zichtbaar zijn, voerde naar
de deur in het midden van den voorgevel. Op de vier hoeken bevonden
zich uitspringende pilaren: eene soort van uitgetande kroonlijst sloot
het monument van boven af. Ongetwijfeld hebben wij de ruïnen voor ons
van een grafmonument, voor een koning of althans voor een aanzienlijk
man opgericht.--Wij dalen af naar de vlakte: het onderzoek van een
hoop steenen, waarboven eene zuil oprijst, zal ons misschien eenige
inlichting verschaffen omtrent den ouderdom dezer gebouwen. Naderbij
gekomen, zien wij dat de zuil van kalksteen is; hare hoogte bedraagt
ruim elf, en haar doorsnede iets meer dan een el. De gladde schacht
rust op een rond voetstuk van zwart bazalt; het kapiteel is verdwenen
of licht misschien in gruis op den grond. In de onmiddellijke nabijheid
ziet men nog, op regelmatige afstanden, eenige andere voetstukken
van zwart bazalt: blijkbaar stonden daarop in vroeger tijd dergelijke
zuilen als de eenige, die tot dusver gespaard bleef.
Niet ver van deze zuilen staan drie zware pilaren, eveneens van
kalksteen vervaardigd. Zij zijn acht el hoog en bestaan uit drie
steenblokken boven elkander, die aan eene zijde gedeeltelijk zijn
uitgehold, zoodat zij eene nis vormen; aan het bovengedeelte ziet men
eene inscriptie in spijkerschrift. Ongetwijfeld is dit de beroemde
perzische, medische en assyrische tekst, die, naar de vertaling
der geleerden, aldus luidt: "Ik, Cyrus, koning van het geslacht
der Achemeniden."--Zonder moeite herkent mijn echtgenoot den naam
van den stichter der perzische monarchie en den titel Khshâyatrya,
overeenkomende met het _Sar_ der Semitische volken en met het grieksche
_basileus_. Ongetwijfeld is de titel van Shâh, waarmede nog heden de
beheerscher van Perzië wordt aangeduid, niet anders dan eene afkorting
van dit woord.
Verder vinden wij nog eenige gebroken platen van zwart bazalt,
aan de binnenzijde met beeldwerk versierd, benevens talrijke
sporen van fondamenten, ten deele onder het puin begraven. Uit
hetgeen nog gespaard bleef, mogen wij veilig besluiten dat wij
hier de overblijfselen voor ons hebben van eene groote zuilenhal,
die met een houten dak was gedekt, en vermoedelijk ter wederzijde
geflankeerd door kleinere vertrekken, die met de portiek voor de zaal
in gemeenschap stonden.
Niet ver van dit gebouw zie ik, meer oostwaarts, een groote steenen
paal of stèle; wij gaan daarheen. Op de eene zijde zie ik, onder eene
inscriptie in drie talen, een fraai beeld in basrelief, dat ongelukkig
door den tijd heeft geleden en ten deele met mos is begroeid. Het is
een man in de kracht des levens, met een zuiver europeesch gelaatstype;
de schedel is kaal geschoren; de haren langs de slapen en aan het
achterhoofd zijn in tressen gevlochten, die in den hals hangen; de
baard is kort en gefriseerd. Hij draagt een lang overkleed, dat aan
de zijde wordt toegeknoopt, zooals de Perzen nog heden des winters
dragen: het zonderlinge hoofddeksel, waaraan men den egyptischen uraëus
herkent, herinnert aan de kroon van sommige egyptische godheden: aan de
schouders zijn groote vleugels bevestigd, als die der cherubim; in de
hand houdt hij een beeld, waarvan de kroon mede met den uraëus prijkt.
Naar de meening van Marcel is dit beeld, versierd met de attributen
van de goden der aan Iran grenzende landen, niet de beschermgod van
Cyrus, maar het portret van den koning zelven.
Cyrus, beheerscher geworden van een reusachtig rijk, dat zich van
Egypte tot de oevers van de Kaspische-zee uitstrekte, zou de behoefte
gevoeld hebben, om, voor zijne eigene rekening en in zijn belang, de
grieksche of egyptische traditie in eere te houden, volgens welke de
koninklijke geslachten van de goden afstamden: met dat doel zou hij
zich getooid hebben met de attributen ontleend aan het pantheon van
alle volken, die het perzische rijk omvatte, ten einde op die wijze
zijn gezag in zekeren zin te wijden en te bevestigen.
Dit basrelief is een van de belangrijkste monumenten van het oude
Perzië: het geeft niet alleen belangrijke inlichtingen omtrent
den oorsprong van de beeldhouwkunst in Iran; maar het gunt ons
daarenboven een blik op de godsdienstige en politieke inzichten en
denkbeelden van Cyrus en bewijst het eclecticisme van dezen monarch,
die hoegenaamd geen onderscheid maakte tusschen de nationale goden
en die der volkeren, welke bij het perzische rijk waren ingelijfd. [2]
In het dorp teruggekeerd, vind ik den tsjarvadar-bashi in ons kamp. "Ik
vertrek heden met de karavaan," zegt hij tot ons; "ik zal u twee
mannen achterlaten om voor de rijpaarden en den muilezel, die uwe
dagelijksche bagage draagt, te zorgen. Hoewel het mij moeilijk valt,
van mijne dieren te scheiden, maak ik mij toch niet ongerust over hen,
want de door den gouverneur van Shirâz gezonden toefangtsjis, die u
tot geleide moeten dienen, zijn er ook om toezicht te houden. Ik moet u
echter ten dringendste aanraden, bij den tocht door de bergpassen van
den Polvar, de soldaten niet achter te laten; om op de afschuwelijke
wegen, die gij volgen moet, af te stijgen; om te zorgen dat gij de
beesten niet vermoeit, en om ze zorgvuldig te dekken als gij aan de
pleisterplaats zult gekomen zijn.
--Wij zullen voor uwe beesten zoo goed zorgen als voor ons zelven,
dat beloof ik u plechtig; antwoordde ik. "Wat kunt gij meer verlangen?
--Kunnen wij de andere zijde van den berg niet bereiken, zonder door
de passen van Maderèh Soleîman te trekken? vroeg mijn echtgenoot op
zijne beurt.
--Neen, Çaheb; meent gij dan dat wanneer de tsjarvadars, al ware
het ook ten koste van een langen omweg, dien weg konden vermijden,
zij ieder jaar in die noodlottige passen bagage en muildieren zouden
laten verloren gaan? Als het water laag is, volgen de karavanen de
oevers van den Polvar en trekken zonder bezwaar door den pas; maar
des winters moet men een weg volgen, die voor onheugelijke tijden in
de loodrechte rotswanden is uitgehouwen.
--Als ge u oostwaarts wildet richten en naar Kirman gaan, zoudt ge
ook dan nog de passen moeten doortrekken? Zoudt ge dan niet op zeker
punt links kunnen afslaan?
--Neen, zeker niet. De woestijn ten oosten van Meshed Moergab is de
dorste en meest waterlooze wildernis, die in geheel Perzië te vinden
is, dat toch geen gebrek heeft aan wildernissen. Geene enkele karavaan
zou zich in die woestijn durven wagen.
--Het is dus, volgens u, uitgemaakt, dat men niet van Kirman naar
Madereh Soleîman kan gaan, dan over Darab en den Takhteh Dsjemsjid?
--Dat staat vast, Çaheb. Vraag het maar aan alle tsjarvadars; zij
zullen u hetzelfde zeggen. Men behoeft daarvoor niet eens zestig
jaren lang de karavanen te hebben begeleid.
--Waarom vraagt ge toch al die inlichtingen omtrent de wegen, die
naar het oosten voeren, vroeg ik aan Marcel. Wij zijn immers niet
voornemens, Kirman te bezoeken.
--Omdat wij hier in de nabijheid zijn van den weg, dien Alexander op
zijn terugkeer uit Indië volgde, en dat het van het hoogste belang is
te weten, dat de macedonische koning niet naar Persepolis is kunnen
gaan, den weg nemende over Kirman, Madereh Soleîman en de passen van
den Polvar, maar dat hij de karavanenwegen heeft moeten volgen en
over Darab en de passen van Sarvistan naar Perzië is moeten trekken."