25 September.--"Wij zullen voortaan onze eigene muziek hebben. In de
karavaan zijn namelijk allerlei beroepen vertegenwoordigd: wij vinden
er onder anderen een koopman in katten en een harpenaar. Vroeger
zeer goede vrienden, hebben zij te zamen een muilezel gehuurd,
onder voorwaarde dat ieder op zijn beurt daarop rijden zou; maar
tegen hunne verwachting hebben zij twist gekregen, die zoo hoog
is geloopen, dat zij nu geslagen vijanden zijn. De een beweerde,
dat het miauwen der katten hem stoorde in zijne muzikale studiën;
de ander hield staande dat zijne katten ziek en zenuwachtig werden
van het ellendig getokkel van den harpspeler.
Tengevolge van deze ruzie heeft de kattenkoopman, die door de fortuin
meer begunstigd is dan de jonger van Apollo, den tsjarvadar-bashi
omgekocht, en zich zelven als den eenigen eigenaar van den muilezel
doen erkennen. De ongelukkige muzikant, niet wetende wat te doen
en vreezende in de karavanseraï achtergelaten te worden, is ons
komen smeeken, dat wij hem in onze dienst zouden nemen. Hij zal onze
maaltijden opvroolijken met zijne muziek, en tot belooning mag hij
met zijn instrument plaats nemen op een onzer muildieren.
De harp van onzen bard heeft de gedaante van een boog en is voorzien
van eene enkele snaar, waarop hij met de rechterhand met een houten
hamer slaat, terwijl hij met de linkerhand, die geheel met wol
omwikkeld is, het instrument vasthoudt. Die wollen band is geen
ijdel sieraad: want zonder deze bedekking zou de kunstenaar groot
gevaar loopen, zijne vingers te verbrijzelen, wanneer hij, in heilige
geestdrift ontstoken, in den blinde op de snaar loshamert, en aan
zijn instrument tonen ontlokt, niet minder welluidend dan die van
een tamboerijn.
De vijand van onzen harpenaar, de koopman in katten, is een inwoner van
Yezd, die een twintigtal fraaie angorakatten van Tauriz naar Bombay
voert. Sedert eenige jaren reist hij onophoudelijk tusschen Perzië
en Indië heen en weder; en naar het schijnt, levert zijn handel hem
aardige winsten op.
Zoo de oostersche katten al even weinig als hare europeesche zusters
op klassieke muziek gesteld zijn, heeft men geen recht haar dat
kwalijk te nemen; het komt mij zelfs voor, dat zij wel eenige
reden hebben om uit haar humeur te zijn, nu zij gedwongen worden
zulk eene lastige en onaangename reis te maken. Kan men voor een
huiselijk poesje iets tergenders en ergers bedenken dan eene reis
van zestig dagen per karavaan, gevolgd door een zeereis van dertien
dagen? Metterdaad zou het niet mogelijk zijn, dieren van een zoo
onafhankelijk en zoo moeilijk te temmen karakter als de katten,
op deze wijze te vervoeren, indien de eigenaar niet stipt toezag,
dat onder zijne bende de strengste tucht werd gehandhaafd. Bij de
aankomst in de karavanserai zoekt de koopman een afgelegen vertrek uit,
zoo ver mogelijk van den muzikant verwijderd; hij steekt twee ijzeren
haken stevig in den grond en bevestigt daaraan een lang touw, waarvan
de koorden worden vastgebonden, die aan de halsbanden der katten zijn
vastgemaakt. De dieren worden gerangschikt naar hunne grootte, met eene
tusschenruimte van een halve el; zij zitten of liggen op den linnen
zak, waarin zij 's nachts verblijf houden. De jonge katjes worden
met de moeder opgesloten in eene soort van kooi, waarvan de tralies
ver genoeg van elkander verwijderd zijn, dat zij er uit kunnen kruipen.
Die bende brengt den geheelen dag half slapende en soezende door, en
wordt eerst wakker, als de tijd voor voedering gekomen is. Dan geraakt
alles in beweging: de katten springen, miaunen, schreeuwen, maken een
leven dat hooren en zien vergaat. Zoodra de portie schapenvleesch is
rondgedeeld, wordt alles weer stil; ieder eet rustig zijn deel op en
gaat dan weer liggen dutten. De kleine katjes schijnen beter tegen de
vermoeienissen van de reis bestand te zijn, dan de groote: zij spelen
met elkander en denken er niet aan weg te loopen, terwijl de grootere
katten onophoudelijk pogingen aanwenden, om met haar tanden en haar
nagels de stevige touwen van geitenhair te verscheuren, waarmede zij
gebonden zijn. Is de tijd voor het vertrek gekomen, dan wordt elke kat
opgesloten in den zak, die haar tot tapijt verstrekte; de zakken worden
twee aan twee gebonden en op een paard gelegd, dat zeker niet zeer
ingenomen is met eene vracht, die onophoudelijk aan hare ontevredenheid
lucht geeft door een concert van de meest wanluidende kreten.
De katten, die op deze wijze naar Indië vervoerd worden, zijn witte
langharige angora's; ter plaatse der bestemming aangekomen, kosten
zij vijftig tot zestig francs per stuk.
26 September.--Wij zijn te Abadeh, eene naar het schijnt vrij
belangrijke stad, die niet alleen een telegraafkantoor, maar ook
een gouverneur bezit. Deze laatste kan ons van dienst zijn: de
tsjarvadar-bashi weigert, overeenkomstig zijne belofte, een dag te
Abadeh op te houden, om ons den tijd te geven, een uitstapje te maken
naar de de oase van Eklid, waar zich eene zeer merkwaardige moskee
moet bevinden.
Mijn echtgenoot zou zeer ongaarne van dit uitstapje afzien; wij
maken dus aanstonds van de gelegenheid gebruik om de tusschenkomst
van den gouverneur in te roepen, die den tsjarvadar-bashi voor zich
laat ontbieden. "Hoe, ellendige aardworm," voert hij hem te gemoet,
"gij hebt u bij geschreven overeenkomst verbonden om te Abadeh halt
te houden en dezen heeren de gelegenheid te geven om naar Eklid te
gaan, en gij weigert uwe belofte te houden! Weet gij wel, dat zoo
Hunne Excellentiën goedvonden, uwe karavaan, met of zonder contract,
tien dagen hier te doen blijven, ik u zou dwingen te gehoorzamen?
--Hakem (gouverneur), ik kan hier niet blijven. Mijne muildieren zijn
sterk en kunnen zonder eenige moeite de reis vervolgen; vierhonderd
muilezels eten op een dag vrij wat stroo en haver; ik heb verkeerd
gedaan met te beloven, dat ik hier zou blijven, maar ik moet morgen
vertrekken.
--Kunt gij zwemmen?" roept de gouverneur, terwijl hij zijn dienaren
een wenk geeft.
Nauwelijks heeft hij deze woorden gesproken, of nog eer de
tsjarvadar-bashi iets heeft kunnen zeggen, wordt hij door vier mannen
bij de armen en beenen gegrepen en opgetild, met de bedoeling om hem
in een vijver, midden op den binnenhof, te werpen. Gelukkig heb ik nog
juist den tijd, de mannen tegen te houden en genade te vragen voor den
ongelukkigen tsjarvadar: tot groote teleurstelling der toeschouwers,
die zich reeds verheugden in het vooruitzicht, hem in het water te
zien spartelen en met doorweekte en gescheurde kleederen uit den
vijver te zien kruipen.
"O, Çaheb! zegt de tsjarvadar tot mij, gij redt mij het leven: ik ben
zestig jaren oud en geheel van mijn streek door de woorden van den
hakem; wat zou er van mij geworden zijn zonder uwe tusschenkomst. Mijne
karavaan zal volgens uw bevel marcheeren, maar vertoef zoo kort
mogelijk in den omtrek van Eklid; zoo ik ongelijk had, mijn woord te
verbreken, heb ik u toch niet bedrogen, toen ik zeide dat de streek
onveilig was.
--Houd uw mond, hondekind! schreeuwt de gouverneur. Wilt gij dat
ik u tweehonderd stokslagen laat toedienen? Wie durft er te spreken
van roovers in eene provincie, waarover ik het bewind voer? Allah zij
geloofd! mijn zoon zal zelf deze doorluchtige vreemdelingen naar Eklid
vergezellen en voor hunne veiligheid waken. Ga weg; morgen ochtend,
tegen zonsopgang, moeten de paarden dezer heeren en van hunne bedienden
hier zijn; zoo wil ik het!"
Dit alzoo geregeld zijnde, begeven wij ons naar den bazar, de eenige
plaats waar de vreemdelingen in de steden van het Oosten zich een
denkbeeld kunnen maken van den handel en de nijverheid der plaats. De
bazar van Abadeh kenmerkt zich vooral door keurig snijwerk in hout;
wij zien hier smaakvol bewerkte lepels, bekers, spiegels, inktkokers
en juweelkistjes, waarop met zeer veel kunst het perzische wapen
is uitgesneden.
Ondanks de bevelen van den hakem, vertrokken wij den volgenden morgen
toch eerst vrij laat van Abadeh, en sloegen den weg in naar Eklid,
vergezeld van den zoon van den gouverneur, een jonkman van omstreeks
zestien jaren, die waarschijnlijk zeer tegen zijn zin den anderoen
verlaten had, hem vóór drie maanden door zijn vader geschonken, om
met ons een tocht naar het gebergte te ondernemen. Hij liet evenwel
daarvan niets merken, maar deed alles wat in zijn vermogen was om ons
aangenaam te zijn. Na een rit van omstreeks zes uren door een dor,
heuvelachtig terrein, zien wij tegenover ons eene natuurlijke opening
in de heuvelreeks, waarin zich de weg verliest.
"Het land Eklid begint achter die poort," zeide onze gids; "maar wat
willen toch de lieden, die ik daar op de hoogten zie?"
Nauwelijks heeft hij dit gezegd, of geweerschoten knallen en kogels
vallen niet ver van ons op den grond.
"Zal men ons aanvallen, en moeten wij op die schoten antwoorden?" vroeg
ik.
--Schiet in de lucht, zoodat die honden zien dat gij gewapend
zijt; onderwijl zal ik onderzoeken wat dit beteekent. Allah moge
ons beschermen! Draagt zorg, niemand van deze bandieten te kwetsen,
want als er bloed vloeit, zullen wij allen vermoord worden. Misschien
zal men ons plunderen; maar als gij voorzichtig zijt, zal u geen
leed geschieden."
Dit gezegd hebbende, zet hij zijn paard in galop, zwaait met zijn
armen in de lucht en laat ons op den weg achter. De lieden op den
heuvel bemerken spoedig de signalen van den zoon van den gouverneur;
zij dalen in de vallei af, en omringen, ten getale van acht of tien,
het paard van den jonkman. Hij wenkt ons nu, naderbij te komen,
en weldra bevinden wij ons te midden van eenige bewoners van Eklid,
met vuursteengeweren gewapend, waarmede zij op ons geschoten hebben.
Eklid is geen dorp, zoo als wij gedacht hadden, maar eene groote
oase, die zich over eene lengte van bijna dertig mijlen uitstrekt aan
den voet der uitloopers van de bergen van Loristan. Talrijke beken
dalen van die bergen af en schenken aan het geheele plateau eene
buitengewone vruchtbaarheid. De hooge ligging van de oase begunstigt
de kultuur van vruchtboomen uit koudere streken, zoo als noten en
appelboomen; maar het voornaamste voortbrengsel is koren, dat hier
zoo rijke oogsten oplevert, dat de bewoners van deze gezegende streek
nimmer de plaag hebben gekend van den hongersnood, die in Perzië
dikwijls voorkomt, vooral ook tengevolge van het gemis van middelen
van gemeenschap. Ongelukkig kan Eklid, in tijden van gebrek, niets
van zijn overvloed mededeelen aan de omringende landstreek, want de
vrees voor plundering houdt elk vervoer tegen.
Gedurende den laatsten hongersnood, nu drie jaren geleden, trachtten
de boeren van Eklid koren naar Abadeh te brengen, maar zij moesten
daarvan afzien, hoewel de afstand niet veel meer dan veertig mijlen
bedraagt en een khalvar (driehonderd pond) koren te Eklid vijftien en
te Abadeh zestig francs kostte. De bewoners van den omtrek wachtten de
karavanen op bij den uitgang der oase, plunderden ze en vermoordden
de kooplieden, die zich wilden verdedigen. Ook na het einde van
den hongersnood behielden de bandieten de gewoonte om op dezen weg
te stroopen: zij roofden de schapen van de herders en plunderden de
kleine karavanen. De bewoners der oase beklaagden zich bij den koning:
natuurlijk te vergeefs: Nasr ed-Din had persoonlijk noch door den
hongersnood, noch door de rooverijen geleden, en bekommerde er zich
dus niet om. De boeren richtten toen eene soort van eigene militie
op, die de toegangen moest bewaken en onbekende ruiters, die hun weg
namen naar Eklid, moesten tegenhouden.
De zeer uitgestrekte oase komt mij echter voor, minder schoon en
vooral minder schilderachtig te zijn dan die van Koeroet. Zij wordt
doorsneden door paden, die ter wederzijde door prachtige tuinen zijn
omzoomd, waartusschen zich talrijke beekjes slingeren; maar de grond
is zoo vlak, dat men zich moeielijk een denkbeeld maken kan van de
uitgestrektheid der bouwlanden, terwijl de oase van Koeroet, die zich
amphitheatersgewijze verheft, een veel grootscheren aanblik oplevert
en met één oogopslag is te overzien. Nauwelijks hebben wij onze bagage
en onze wapenen geborgen in de woning van een rijken grondbezitter,
die op het oogenblik afwezig is, of wij vragen aanstonds dat men
ons naar de moskee zal brengen. Men geleidt ons nu door een groot
dorp, dat half in puin ligt, en vervolgens naar een bosschage van
prachtige notenboomen; daar worden wij, zonder eenig tegenstribbelen,
binnengeleid in eene kleine uit leem opgetrokken moskee; de zaal
van den mihrab, gedekt met een afschuwelijken koepel van dezelfde
gemeene bouwstof als de muren, is half eene ruïne. Daarentegen wordt
het gebouw vrij netjes onderhouden: de muren zijn gewit en versierd
met groen geschilderde teksten uit den Koran.
Ik weet niet, of ik mij boos zal maken, dan wel in stomme verbazing
berusten. Hoe nu: wij hebben onzen tsjarvadar-bashi in ongelegenheid
gebracht, ons zelven blootgesteld aan de kans om doodgeschoten te
worden, en een omweg van zeventig kilometers gemaakt, en dat alles
ter wille van eene hoogst alledaagsche leelijke dorpsmoskee.
Met het heilige voornemen, voortaan minder lichtgeloovig te zijn,
verlaten wij de moskee en richten onze schreden naar de beroemde
bronnen van Eklid. Het water welt op verschillende plaatsen uit de
rots op en vormt verschillende diepe kommen, waarin reeds menige
onvoorzichtige, die zich daarin baden wilde, is verdronken. Om niets
over te slaan, bezoeken wij ook nog de volstrekt onbeteekenende
bouwvallen van een klein paleis uit den tijd der Sofis, en keeren
eindelijk naar ons logies terug, zeer vermoeid en nog meer ontstemd
en teleurgesteld.
28 September.--Het klimaat van Eklid is, naar men zegt, zeer gezond,
en dat is ook wel te begrijpen: de zuivere lucht, de overvloed van
helder stroomend water, en de rijkdom van prachtig geboomte maken dit
plekje grond tot eene bij uitzondering gezegende streek. De gezondheid
der bewoners zou dan ook niets te wenschen overlaten, indien zij niet
de verfoeilijke gewoonte hadden aangenomen van zich te kleeden in
engelsch katoen, dat door kooplieden uit Ispahan naar Abadeh wordt
gezonden; deze verkeerdheid, gevoegd bij de noodzakelijkheid om, bij
het schoonmaken der bevloeiingsbeken, met de voeten in het water te
staan, heeft hier longtering en rhumatiek inheemsch gemaakt.
Nog voor de dag was aangebroken, hoorden wij aan de buitenpoort
onzer woning kloppen. Weldra was het voorhuis opgevuld met kranken,
die gedurende den nacht met hunne bloedverwanten, uit den geheelen
omtrek hierheen waren gekomen, in de hoop dat wij hen zouden
kunnen genezen. Onder deze bezoekers bevinden zich ook twee schoone
vrouwen van den stam der Bakhtyaris, die in de bergen van Loristan
woont. Eene van haar vernam van een harer bedienden, die gisteren
te Eklid vertoefde, dat wij daar waren aangekomen. Zij is aanstonds
vertrokken, in gezelschap van hare zuster, en heeft den ganschen nacht
doorgereisd, een kind medevoerende van vijfjaren, dat er jammerlijk
zwak en lijdend uitziet en nog niet staan kan.
Het consult was bijna afgeloopen, toen de zoon van den gouverneur
van Abadeh onze kamer binnentrad:
"De paarden zijn gereed, zeide hij; ik heb wachten voor uwe deur laten
zetten om verderen aandrang van patiënten af te weren. Als gij naar
de klachten van al deze lieden wilt luisteren, dan komt er nooit een
einde aan. Wij moeten vertrekken, want wij hebben een langen weg af
te leggen, wij hebben nog nauwelijks den tijd om vóór den nacht te
Soerneh te komen, waar wij de karavaan moeten aantreffen."
De raad is goed, maar niet gemakkelijk in praktijk te brengen;
nauwelijks zetten wij den voet buiten de deur, of wij worden bestormd
door zieken, die allen tegelijk spreken, ons hunne kwalen vertellen,
op hunne oogen, hun borst, hunne armen wijzen, en elkander al twistende
verdringen en wegduwen, om tot ons te naderen. De wachters maken met
moeite ruim baan, en wij rijden eindelijk weg.
Soerneh, waar wij na een rit van zes uren aankomen, is een klein
stadje, door aarden wallen omringd; in vroeger tijd was het vlek
vermoedelijk van meer beteekenis dan thans, want tusschen de tuinen
ziet men nog de overblijfselen van eene oude vesting uit den tijd der
Sassaniden. Op eenigen afstand van het dorp vindt men nog sporen van
oude vestingwerken uit de eerste eeuwen onzer jaartelling.