19 September.--Tegen zonsondergang namen wij afscheid van den
eerwaarden Padri en van de andere heeren, die ons tot dusver hadden
vergezeld en nu naar Dsjoelfa terugkeerden. In alles behalve vroolijke
stemming vervolgden wij nu stil onzen weg, gevolgd door den tsjarvadar,
die de muildieren geleidt, en door een armenischen bediende, Arabet
genoemd. Deze arme jongen heeft, onder bittere tranen, afscheid genomen
van vrouw en kinderen, en zich als intendant bij ons verhuurd; ook hij
gaat zijn geluk in Indië beproeven. Te Boeshir zal hij ons verlaten
om met zijn verdiend loon den overtocht te betalen naar Bombay.
Nauwelijks is de zon aan de kim weggezonken, of duisternis omvangt
ons. Het Oosten kent geene schemering: op den vollen dag volgt bijna
zonder overgang de nacht. Het is doodstil: slechts het eentonig
geschreeuw van enkele vogels, het nog eentoniger gezang van den
muilezeldrijver, en het gekletter der hoeven op de keien, verbreken
het diepe zwijgen der sluimerende natuur.
Wij verlaten de groote heirbaan en slaan een zijweg in, die ons
eindelijk op eene open heide brengt. Na een poos omgedwaald te hebben,
vinden wij de karavaan, die reeds voor het meerendeel in diepen slaap
gedompeld ligt. Daar wij evenwel geen trek hebben om onder den blooten
hemel te overnachten, dwingen wij den tsjarvadar, zeer tegen zijn zin,
de reis voort te zetten. Na verloop van een kwartier komen wij aan
een groot dorp; de intendant klopt aan het eerste huis het beste;
maar wij zijn op het platte land, waar de boeren doodelijk bang zijn
voor dieven: men opent dus niet eens de deur. Dezelfde poging wordt
drie-, viermaal, met even weinig gevolg herhaald; eindelijk komen
wij aan het huis van den ket-khoda.
"Doe open, in naam van den Shâh Zadeh!" roept mijn echtgenoot
op gebiedenden toon, zoo goed mogelijk den tongval van Ispahan
nabootsende.
Een paar knechts openen de deur op eene kier, en weldra vertoont
zich de heer des huizes, die op het zien van onze witte helmhoeden
een scheef gezicht trekt.
Gelukkig is de kok bereid borg voor ons te spreken.
"Deze Faranguis," zegt hij, "zijn rustige en vreedzame lieden, die
gij zonder eenige vrees in uw huis ontvangen kunt: gij zult bovendien
voor uwe gastvrijheid ruimschoots worden betaald.
--Ik heb nimmer, ook zonder betaling, gastvrijheid geweigerd aan ware
geloovigen; maar ik mag geene ongeloovigen onder mijn dak ontvangen,
zonder toestemming mijner vrouwen; wacht een oogenblik: ik ga met
haar spreken."
En de ket-khoda keert in huis terug, zijne bedienden tot bewaking
der deur achterlatende. Weldra dringt een verward gekrijsch tot ons
door. Het voorstel van den heer des huizes heeft in den anderoen zulk
een storm van verontwaardiging opgewekt, dat de gelukkige echtgenoot
ons weldra, niet zonder eenige verlegenheid, komt berichten, dat hij
ons onmogelijk ontvangen kan.
"Aan het uiteinde van het dorp," zegt hij, "staat eene oude moskee,
waarin de tsjarvadars soms hun bivouak opslaan; gij zult daar een
goed nachtverblijf vinden, en zoo gij er heen wilt gaan, zal ik zorgen
dat er hout en kolen worden gebracht."
Op weg dan maar naar de moskee.
Dit bedehuis is rondom eene vierkante binnenplaats gebouwd: rechts en
links van het heiligdom bevonden zich voorheen overwelfde galerijen,
die nu in puin zijn gevallen; tegenover den hoofdingang is de
eigenlijke zaal des gebeds, die in weinig beter staat verkeert dan
de zijvleugels; maar in een der hoeken zijn nog drie koepelgewelven
overgebleven, die althans een zekere schuilplaats aanbieden. De
levensmiddelen, de dekens en mantels worden uitgepakt; de ket-khoda
is zoo goed als zijn woord en zendt ons eene vracht hout; het vuur
wordt aangestoken, onze eenvoudige avondmaaltijd klaar gemaakt, thee
gezet; en hoewel wij bijna stikken van den rook, zitten wij toch heel
huiselijk in de moskee, zeer verheugd dat wij, bij deze nachtelijke
koude, althans niet in de open lucht behoeven te slapen.
20 September.--Toen ik des morgens wakker werd, scheen de zon in
vollen luister: het is zeven uren; vliegen en bijen zwermen gonzend
in het rond; en deze vervallen moskee, die 's nachts een zoo somberen
indruk maakt, tooit zich voor een oogenblik met al de schoonheid van
het landschap, dat men door de spleten en scheuren der half ingestorte
muren ontdekt. Marcel is reeds sedert lang op de been: ik sta op mijn
beurt ook op, en ben weldra buiten, aan den ingang van een fraai dorp;
wat ik gisteravond voor eene kale heide hebt aangezien, blijkt nu
vruchtbaar en bebouwd land te zijn.
Op driehonderd el afstands van de moskee is de karavaan in de vlakte
gelegerd. Nog nooit sedert onze komst in Perzië, heb ik zooveel paarden
en koopwaren bij elkander gezien. Van de grenzen van het dorp af is
het, over eene lengte van ongeveer een kilometer, eene ophooping van
kisten met opium en tabak, reusachtige balen in doeken van geitenhaar
gewikkeld, van opgerolde tapijten, van hout, zeildoek voor tenten, van
allerlei waren en goederen, sedert vier maanden in de karavanserais van
Ispahan opgehoopt. Vrouwen, in de schaduw van de stapels neergezeten,
trachten zich onder dichte sluiers en dekens aan de nieuwsgierige
blikken te onttrekken; terwijl de mannen om het kamp vuren aanmaken
en den dagelijkschen pilauschotel bereiden; een zestigtal tsjarvadars
zijn hier en daar bezig de muildieren te roskammen of geleiden ze naar
de slooten om te drinken. Daar is een reden voor de zoo buitengewone
beteekenis van de karavaan: sedert het begin van den zomer zijn al de
paarden en muildieren in beslag genomen voor het vervoer der tenten
en verdere benoodigdheden van het kamp van den Shâh Zadeh, zoodat
het karavanenverkeer tusschen Ispahan en Shiraz heeft stil gestaan.
Terwijl ik met welgevallen dit levendig tooneel gadesloeg, kwam Marcel
naar mij toe, vergezeld van den tsjarvadar-bashi.
"Weet gij wel waar wij zijn?" vroeg hij mij lachende. "Te Ispahaneh,
in het dorp dat men ons van de hoogte van het paleis van Soliman heeft
gewezen. Wij hebben een marsch van vijf uren gemaakt om een paar mijlen
af te leggen en dan den nacht door te brengen in een zoo kostelijk
logement, als waarin wij nu geslapen hebben. Als wij op deze wijze
voortgaan, zullen wij voor de reis naar Shiraz ongeveer even veel tijd
noodig hebben als de kinderen Israëls voor hun tocht door de woestijn!"
Niets maakt mij zoo driftig als de opgeruimde stemming van mijn man,
wanneer het ons op eene of andere manier tegenloopt.
"Als gij van plan mocht zijn, ons hier eenige dagen op te houden,"
zeide ik, rood van kwaadheid, tot den aanvoerder der karavaan,
"dan waarschuw ik u, dat ik naar Dsjoelfa terugkeer.
--Waarom maakt gij u toch boos, Excellentie? Gij zijt onbillijk. De
meeste van uwe reisgezellen wachten hier sedert drie dagen op
het teeken om te vertrekken, en toch beklagen zij zich niet. Ik
kan onmogelijk binnen vier-en-twintig uren eene karavaan van ruim
vierhonderd muildieren en tweehonderd personen organiseeren. Wij
zijn wel genoodzaakt, een algemeen vereenigingspunt aan te wijzen,
waarheen al de koopmansgoederen worden gebracht en waar al de reizigers
samenkomen, naar gelang zij gereed zijn. In zulke omstandigheden is
het onmogelijk, in eene karavanserai te kampeeren. Nog zijn alle
goederen niet bezorgd, maar de karavaan zal, zonder fout, dezen
avond zich op weg begeven. Bovendien heb ik besloten, niet langer
op de achterblijvers te wachten: alle reizigers verstrooien zich op
den weg naar Ispahan: de een gaat zijn pijp zoeken, die hij vergeten
heeft; een ander moet nog eens, voor het laatst, van zijne vrouw en
kinderen afscheid nemen; een derde moet noodzakelijk nog wat zout of
peper koopen;--maar wat er ook gebeure, ik vertrek dezen nacht. Bevalt
het u echter niet in de mastsjed, gaat dan naar de karavanserai van
Ali-Khan, op den weg naar Shiraz: een uur voor de komst der karavaan,
zal ik u laten waarschuwen, en gij kunt met ons trekken."
Tevreden met de beloften van den tsjarvadar-bashi en met het
vooruitzicht dat wij een ordentelijk nachtverblijf zouden hebben,
wanneer de omstandigheden onzen vriend mochten beletten aan zijn
voornemen gevolg te geven, laat ik dadelijk de paarden zadelen. Wij
rijden langs de karavaan, die mij nog talrijker en grooter schijnt,
nu wij haar aldus kunnen overzien, en komen na een rit van twee
uren aan de prachtige karavanserai van Kala Shoer, gebouwd door den
nauwgezetten ambtenaar, die weleer eigenaar was van het paleis van
Koladoen, en dien de Shâh Zadeh naar Mekka ter bedevaart zond, ten
einde de poorten van het paradijs voor hem te openen.
21 September.--Midden in den nacht worden wij gewekt door een bode,
dien de tsjarvadar-bashi heeft afgezonden. Wij staan aanstonds op en
zetten ons op de leemen banken langs den weg neder, om de komst der
karavaan af te wachten. Weldra hooren wij in de verte het eigenaardig
geluid dat hare nadering aankondigt: het getjingel der bellen, dat
aanvankelijk klinkt als het geruisch van den wind in de bladeren van
een bosch of het verwijderd gezang van vogels. Maar weldra wordt dit
geluid al sterker en sterker; het geschreeuw van kinderen, het geroep
der tsjarvadars vermengt zich met het duizendstemmig gerinkel der
bellen en met de vele andere geluiden van eene talrijke karavaan op
marsch. Het was inderdaad niet noodig, ons vooruit te waarschuwen;
eene voorbijtrekkende karavaan maakt zulk een leven, dat zelfs de
zeven slapers van Efeze wel wakker zouden worden.
Zoodra de eerste muildieren zichtbaar werden, plaatsten wij ons beiden
aan het hoofd van den stoet, terwijl onze bedienden nog wachtten om
zich bij de achterhoede te voegen. Wanneer men zich niet op de zware
pakken uitstrekt, op den rug der lastdieren vastgebonden, maar als
ieder Farangui te paard zit, dan is het niet geraden, zich tusschen
de lastdieren te begeven, als men er ten minste niet op gesteld
is, zijn beenen te breken of platgedrukt te worden. De muildieren,
door een lofwaardigen ijver gedreven, trachten elkander in te halen,
loopen in schuine richting, bijten hier, duwen daar, en bedienen zich
zoo handig van hunne vracht als van eene wigge, dat men het grootste
gevaar loopt, door de kisten en balen gewond of gekneusd te worden.
Wij nemen onzen intrek in eene fraaie karavanserai, onder Shâh
Abbas gebouwd. Zij is tegenwoordig zeer vervallen; toch zouden er
betrekkelijk slechts weinig belangrijke herstellingen noodig zijn,
om de karavanserai weder in bruikbaren toestand te brengen. Maar wie,
in het tegenwoordige Oosten, waaruit alle leven geweken schijnt en
waar alles ruïne is, wie denkt er aan herstelling van wat ook?
Dezen avond zagen wij voor de eerste maal de armenische vrouwen van
onze karavaan. Het zijn de moeder, de echtgenooten, de schoonzusters
van twee kooplieden in Dsjoelfa, die eenige jaren geleden te Bombay
een handelshuis hebben gesticht en nu genoeg verdienen om hunne
familie tot zich te kunnen nemen. Een der beide broeders is naar
Dsjoelfa gekomen, heeft de ouderlijke woning verkocht, en keert nu
met de vrouwen, de kinderen en bedienden naar Indië terug.
Onze tsjarvadars volgen de kwade gewoonte van hunne collega's, die
ons naar Teheran hebben geleid: zij wekken ons geregeld des avonds
ten tien uren, opdat wij gereed zouden zijn om tegen middernacht
te vertrekken. Op die manier blijven ons, na zonsondergang, maar
een paar uren over om te slapen. De afstand tusschen de halten
bedraagt gemiddeld acht à negen uren; de zeer koude, bijna ijzige
temperatuur des nachts stijgt zoo zeer tegen het midden van den dag,
dat wij den tijd voor de siësta bestemd, doorbrengen met ons af te
koelen en een rusteloozen strijd te voeren tegen de vliegen, wier
venijnige steken ons martelen. Wat is de statistiek toch eene mooie,
ernstige wetenschap! Volgens haar fraaie theorie van de gemiddelden,
bevinden wij ons in een warm, maar toch altijd gematigd klimaat: de
waarheid is, dat wij 's nachts bijna bevriezen en des daags zwoegen
onder eene tropische hitte!
Na door de vruchtbare vlakte van Koemisheh te zijn getrokken, kwamen
wij den volgenden dag te Yezd-Khast, waarvan de eigenaardige ligging
mijne aandacht trok. Midden in eene vruchtbare, bloeiende vallei,
vol tuinen en akkers, rijst eene langwerpige rots omhoog, omstreeks
vijfhonderd el lang en honderd-zeventig el breed. Die rots is bedekt
met huizen, waarvan de buitenmuren eene voortzetting schijnen van de
steile rotswanden. Deze natuurlijke vesting, die door eene ophaalbrug
met het hoogste gedeelte der vlakte verbonden is, wordt doorsneden
door enkele straten, evenwijdig loopende met de lengte-as der rots. De
huizen ontvangen allen hun licht van de buitenzijde: deze afwijking van
de vaste bouworde in het Oosten vindt hare verklaring in de ligging op
eene vrij aanzienlijke hoogte en in het gebrek aan de noodige ruimte
op het rotsvlak.
De in verhouding tot de grootte van het vlek zeer talrijke bevolking
van Yezd-Khast verheugt zich in die gouden middelmaat, die volgens
de dichters het toppunt van geluk is. Zij dankt haar welwaart aan de
vruchtbaarheid van den grond, aan het overvloedige water, dat in den
winter langs beide zijden van de rots afstroomt, en vooral aan de zorg,
waarmede de landlieden zich op den graanbouw toeleggen. Daarentegen
valt nu juist niet te roemen op de openbare zindelijkheid in het
vlek. Daar zij in de rots geen putten en riolen kunnen of willen
graven, werpen de inwoners alle faecaliën en verdere onreinheden
eenvoudig uit de ramen hunner woningen; de vloeibare stoffen
worden door het water van de beek medegevoerd; de vaste hoopen
zich op, verharden en vormen rondom het dorp een krans van bruine,
scherp gepunte stalagmiten. Als die stalagmiten al te dicht tot de
uitstekende balkons der huizen naderen, slaan de eigenaars de harde
massa's stuk, en voeren ze naar beneden in het dal, waar zij door het
bevloeiingswater worden opgelost en aan den grond die spreekwoordelijk
geworden vruchtbaarheid schenken.
Is de uitmuntende hoedanigheid van het brood van Yezd-Khast te danken
aan de zuiverheid van het water der beek, of aan de kwaliteit van het
koren, op dezen zoo uitstekend vruchtbaren grond geteeld? Ik weet het
niet; maar reeds te Tauriz hoorde ik de lichtheid en den heerlijken
smaak roemen van de brooden van Yezd. "Niets in deze wereld is te
vergelijken met den wijn van Shiraz, het brood van Yezd-Khast en de
vrouwen van Kirman", zegt een perzisch spreekwoord. Als echte Perzen
exploiteeren de inwoners van het vlek de reputatie van hun brood en
oefenen zij allen min of meer het beroep van bakker uit. Zij bieden hun
brood te koop, en de reizigers verzuimen nooit, daarvan den noodigen
voorraad op te doen; na verloop van eene week is het brood zoo hard als
een steen, zoodat men het aan stukken moet slaan en in water weeken,
maar dat hindert niet: het is immers altijd het brood van Yezd-Khast?
De Perzen zijn er altijd op uit, in den handel elkander te bedriegen,
maar niemand wil dat laten merken of toegeven dat hij beet genomen
is. De goedkoopste levensmidden worden, evenals voorwerpen van groote
waarde, bij het gewicht verkocht; mits de schalen er bij te pas
komen, zijn koopers en verkoopers tevreden. Twee mandjes, met koorden
vastgemaakt aan een stok, dien men in het midden vasthoudt; steenen
van verschillende grootte, waaraan slechts het ijkmerk ontbreekt om
wezenlijke gewichten te zijn: ziedaar het min of meer problematische
instrument, dat de weegschaal der gerechtigheid voorstelt. Is de
hoeveelheid, die gewogen moet worden, lichter dan de kleinste steen,
dan herstelt de koopman het evenwicht door op de eene schaal nog iets,
wat dan ook te werpen: en Themis zou wel zeer kitteloorig moeten zijn,
als zij daarmede geen genoegen nam.
Dezen morgen wilde ik een meloen koopen, die iets meer dan een batman
woog; na vruchtelooze pogingen om de schalen in evenwicht te krijgen,
wierp de fruithandelaar eindelijk zijn pantoffel op de schaal.
"Hoeveel weegt uw pantoffel? vroeg een al te nauwgezet toeschouwer.
--Een tiende van een batman.
--Met of zonder stof?
--Zonder stof.
--Waarom hebt ge dan uw pantoffel niet eerst uitgeslagen?
--Gij hebt gelijk," antwoordt de koopman, en zijn pantoffel opnemende,
klopt hij die, met het ernstigste gericht, op zijn dij uit, waarna
hij die weder op de schaal legt.
Ik heb inderdaad geen recht, om mij over mijne drie stuivers te
beklagen.
De koopman van zijn kant onderzoekt nauwkeurig de geldstukjes, laat
ze op een steen vallen om den klank te beproeven, eischt dat ik twee
van de drie zal ruilen, en verklaart zich ten slotte voldaan.