12 September.--Zijn de moskeeën in de muzelmansche stad en op den
linkeroever van den Zendeh-Roed te vinden, de zomerpaleizcn, door de
opvolgers van Shâh Abbas gebouwd, liggen allen op den rechteroever van
de rivier, in de nabijheid van de christelijke stad. Het grootste en
voornaamste van deze koninklijke lustverblijven, Farah Abad, werd aan
den voet van den Koe-Sofi (Sofiberg) gebouwd door dienzelfden Shâh
Hosein, die de Armeniërs zoo bitter vervolgde en een einde maakte
aan den bloei van Dsjoelfa.
Naar dit paleis voerde een breede lommerrijke weg, eenige kilometers
lang en ter wederzijde omzoomd door overwelfde galerijen, van
afstand tot afstand voorzien van paviljoenen, voor de lijfwachten
des konings bestemd. Deze prachtige heerbaan liep uit op een ruim
plein, aan drie zijden omgeven door het koninklijk paleis. Kanalen,
tusschen wit marmeren boorden gevat, voerden stroomende wateren naar
eene wijde porseleinen kom in het midden van het gebouw, en naar de
wonderschoone tuinen, waarvan de reizigers uit de zeventiende eeuw
met zoo grooten ophef spreken.
Wat men ook Shâh Hosein verwijten kan, niet dat hij schatten heeft
verspild aan kostbare steen- of houtsoorten. Alle muren en alle
gewelven zijn van in de zon gedroogde tichelsteenen gemaakt; de wanden
zijn met pleister bekleed en vertoonen geen spoor meer van beeld-
of schilderwerk of eenige versiering; houten vloeren waren in het
Oosten nooit in zwang: de aarde werd eenvoudig met matten belegd,
waarover men tapijten uitspreidde; in sommige vensteropeningen ziet
men nog sporen van beschilderd glaswerk, maar de meesten hadden in
het geheel geene sluiting en waren eenvoudig van zeilen voorzien,
om de zonnestralen te keeren. Een zoo slordig en uit zulke gemeene
materialen opgetrokken paleis heeft natuurlijk aan den tijd geen
weerstand kunnen bieden: de waterleidingen zijn vernield, de marmeren
bekleedingen zijn verdwenen, de leemen wanden zijn ingestort, de tuinen
zijn eene wildernis geworden. Zoo als het er nu uitziet, eene ruïne,
kan men geen oordeel vellen over het paleis van Farah Abad, een van
de grootsten, die ik ooit gezien heb. Toch houd ik het er voor, dat
het ook vroeger niets groots of monumentaals in zijn voorkomen had:
de nog overgebleven koepels zijn te plomp, de muren der galerijen
rondom de binnenplaatsen te laag. De grootste bekoorlijkheid van
deze koninklijke residentie was wel te danken aan den overvloed van
stroomend water, aan den heerlijken lommer der bosschages, aan den
rijkdom van planten en bloemen, aan de schoonheid van het landschap,
en vooral aan de weelde van een oostersch hof.
Op een der terrassen van den berg staat nog een ander paleis, dat wel
een bezoek waard is. Wij rijden de lange heerbaan weer af, beklimmen
de steile hellingen van den Koe-Sofi, en bereiken langs een weg in
zigzag een vrij smal platform, kunstmatig in de rots uitgehouwen. Een
erg vervallen paleis--wederom een bouwval--staat voor ons.
De geschiedenis van dit paleis is een niet onaardig staaltje van de
zonderlinge wijze, waarop de koningen van Perzië te allen tijde hun
luimen en grillen wisten bot te vieren en aan hunne zonderlingste
begeerten te voldoen.
Shâh Soliman, op zekeren dag in het gebergte ter jacht zijnde, rustte
een poosje uit in den lommer van eenige boomen, aan wier voet eene
bron uit den bodem welde.
"Welk een verrukkelijk landschap!" zeide hij tot zijn grootvezier,
terwijl hij zijne blikken liet dwalen over de uitgestrekte vlakte
aan zijne voeten; "ik zou wel gaarne mijne moeder hier brengen om
haar Ispahan te laten bewonderen: op geen ander punt heeft men zulk
een schoon gezicht op de stad".
De vezier zeide niets, maar reeds den volgenden dag zond hij
vierduizend werklieden naar den berg, met last om de rots uit te graven
en een terrein te effenen voor den bouw van een paleis. Tevens liet
hij een weg in zigzag aanleggen, ten einde de noodige kalk en andere
materialen naar boven te kunnen brengen.
De inwoners van Ispahan vernamen spoedig wat de vezier in zijn schild
voerde, en begaven zich naar de werkplaats, om hun oordeel uit te
spreken over de keus van de plek en den spoedigen voortgang van het
werk gade te slaan. Toen de vezier van dit drukke bezoek hoorde,
kwam hij op den wonderlijken inval om daarvan partij te trekken, en
de nieuwsgierige kijkers te dwingen, een vracht steen of kalk naar
boven te dragen.
"Bij het hoofd des konings!" riep hij, "als hij soms een onwillige
ontmoette: gij zult werken, zoo goed als ik zelf, want aldus is
het welbehagen van Zijne Majesteit. Wie zou zoo vermetel en zoo
onbeschaamd durven zijn, dat hij gehoorzaamheid weigerde aan het
bevel des konings?"
Deze woorden deden allen de schrik om het hart slaan. Mannen,
vrouwen en kinderen laadden kalk en steenen op hunne schouders en
droegen ze naar het platform, in de stellige overtuiging dat de Shâh,
van hun ijver onderricht, hen daarvoor beloonen zou. Enkele gunsten
en belooningen, aan sommigen ten deel gevallen, vuurden den ijver
dezer geïmproviseerde metselaars en opperlieden zoo zeer aan, dat
het vervoer der materialen genoegzaam niets kostte.
"Onze wandeling," zeide de Padri, "herinnert mij aan eene
karakteristieke bijzonderheid uit het leven van den stichter van dit
paleis. Shâh Soliman was niet minder bijgeloovig dan grillig. Toen
hij, in het begin zijner regeering, door eene ernstige ziekte werd
aangetast, schreef hij die, naar de verzekering zijner waarzeggers,
toe aan den noodlottigen invloed van den stand der sterren bij zijne
kroning. Daar hij nu geen man was om zich te laten beheerschen door
gemeene sterren, verwisselde hij zijn naam Sussi tegen dien van
Soliman en liet zich nog eens kronen, toen de stand der sterren
gunstiger was. Het is inderdaad ongelukkig, dat dit hulpmiddel om
rampen af te wenden, buiten het bereik ligt van gewone stervelingen!"
Het paleis van Shâh Soliman is van gebakken steenen gebouwd;
desniettemin verkeert het in even rampzaligen toestand als dat
van Farah Abad. Gelukkig echter, dat de Afghanen, die het paleis
verwoestten, het prachtig panorama niet konden vernietigen, dat
zich van deze hoogte voor de blikken ontrolt. Als men zich op eene
eenigszins uitstekende punt, aan den voet van een toren plaatst,
overziet men de gansche vlakte van Ispahan, den weg naar Shiraz, en
aan den schemerenden horizon, in blauwachtigen nevel gehuld, de vallei
van Golnabad, die eene treurige beroemdheid verwierf door den slag,
welke hier tegen de legers der Afghanen geleverd werd. Gedurende hunne
korte heerschappij gingen de overweldigers zoo ruw en tyranniek te
werk, en de herinnering aan hunne wreedheden en buitensporigheden is
nog, na verloop van meer dan eene eeuw, bij de bewoners van Ispahan
zoo levendig gebleven, dat bijna iedereen u allerlei bijzonderheden
weet te vertellen van den slag bij Grolnabad en de daarop gevolgde
belegering der hoofdstad.
Ik heb reeds gewezen op de oorzaken van den opstand der afghaansche
stammen; ik heb ook reeds gesproken van de onderwerping van Kandahar,
de gevangenschap van Mir Weis en de herhaalde pogingen tot het
verwekken van een opstand, na zijn terugkeer in het vaderland; ik
heb verder verhaald, hoe zijn zoon Mahmoed een inval in Perzië deed
en het beleg sloeg voor Yezd en Kirman.
Na herhaalde vruchtelooze pogingen om zich van die beide steden meester
te maken, brak de afghaansche veldheer het beleg op, trok rechtstreeks
naar de hoofdstad van Perzië, en sloeg in vermetelen overmoed zijn
kamp op bij Golnabad. Toen hij in het gezicht van Ispahan kwam,
was zijn leger, verzwakt door lange geforceerde marschen en door de
herhaalde gevechten die hij had moeten leveren: Mahmoed had toen niet
veel meer dan twintigduizend man onder zijn bevelen. Een honderdtal
kleine kanonnen, door kameelen gedragen, en waarmede kogels van een
tot twee pond konden worden geschoten, waren ten eenemale onvoldoende
om bres te schieten in de muren eener stad, die meer dan vierhonderd
stukken van het zwaarste kaliber op hare muren had staan. De stad,
die door middel van twee goed verdedigde bruggen in gemeenschap stond
met hare twee voorsteden op den rechteroever, Dsjoelfa en Abbas-Abad,
was tegen verrassing gewaarborgd door de rivier, die langs hare wallen
vloeide. Naar het zich dus liet aanzien, zou de poging van een weinig
talrijk leger, dat door de garnizoenen van Yezd en Kirman van alle
gemeenschap met zijn vaderland kon worden afgesneden, niet anders
kunnen eindigen dan met een jammerlijke mislukking.
Na het paleis van Farah Abad te hebben verlaten, had Shâh Hoesein zich
in zijne hoofdstad terug getrokken en de leiding der zaken opgedragen
aan twee mannen van zeer uiteenloopend karakter. De eerste minister,
Mohammed Koely-Khan, zich beroepende op de vergeefsche pogingen
der Afghanen om Yezd en Kirman te bemachtigen, verzekerde dat de
vijand nooit de hoofdstad zou kunnen innemen, aangezien hij het
beleg van veel minder goed verdedigde steden had moeten opbreken;
hij gaf mitsdien den wijzen raad, het in der haast bijeen geroepen
en slecht geoefende perzische leger niet in het open veld te stellen
tegenover een geharden, onverschrokken, aan den krijg gewenden vijand,
die noch voor vermoeienissen, noch voor gevaren terugdeinsde, en
door uitmuntende legerhoofden werd aangevoerd. Het opperhoofd der
arabische stammen in dienst van Perzië, de wali van Arabië, stelde
een geheel ander krijgsplan voor. In den krijgsraad voer hij hevig
uit tegen hetgeen hij de lafhartigheid van den eersten minister
noemde. "Wanneer een bandiet als Mahmoed, zeide hij, aan het hoofd
van een handvol ellendige soldaten, de majesteit van den troon van
Perzië kan beleedigen en de hoofdstad des rijks belegeren; wanneer
wij achter onze muren en wallen opgesloten moeten blijven, in plaats
van het vijandelijk kamp te vuur en te zwaard te verwoesten,--dan zou
het nog beter zijn, het land, dat wij niet langer kunnen verdedigen,
in handen van den vijand te leveren. Willen wij dat niet doen, laat
ons dan onverwijld tegen de Afghanen oprukken en onze eer wreken door
de vernietiging van vijanden, wier kracht alleen in onze angstvallige
behoedzaamheid ligt."
Deze ijdele grootspraak, zoo wel passende bij den nationalen trots
der Perzen, bepaalde het besluit van den zwakken Shâh Hoesein, die
aanvankelijk naar de wijze raadgevingen van zijn eersten minister
geluisterd had, maar zich nu liet medesleepen door de pochende taal
van den wali. Hij gaf bevel tot den slag, maar beging de schromelijke
onvoorzichtigheid, het bevel over het leger toe te vertrouwen aan de
beide mannen, die elkander vijandig waren gezind en wier adviezen in
den raad lijnrecht tegenover elkander hadden gestaan. Het perzische
leger, zestigduizend man sterk en uitmuntend uitgerust, verliet
Ispahan onder die ongunstige omstandigheden.
De rechtervleugel, onder het kommando van Roestem-Khan,
opperbevelhebber der koninklijke lijfwacht, leunde tegen het dorp
Ispahaneh, dat wij in de vlakte, tegenover het paleis van Soliman,
zien liggen; bij dezen vleugel voegde zich de wali van Arabië met zijne
troepen. De eerste minister voerde den linkervleugel aan, ondersteund
door den wali van Loristan, die vijfduizend ruiters onder zijne
bevelen had. In het midden stonden de infanterie en de artillerie.
De afghaansche veldheer had zijn klein leger in vier afdeelingen
gesplitst; door beproefde krijgers omringd, voerde hij zelf het bevel
over den middentocht, terwijl het kommando over den rechtervleugel
was toevertrouwd aan een zijner generaals, Aman Ullah-Khan. De
linkervleugel, uitsluitend uit opgestane Parsis saamgesteld, werd
door een hunner godsdienstige opperhoofden aangevoerd; aan het vierde
korps werd de bewaking toevertrouwd van de artillerie, die met opzet
achter den rechtervleugel was opgesteld. Voor het gevecht begon, reed
Mahmoed op een olifant gezeten, langs de gelederen zijner soldaten:
hij herinnerde hen aan de reeds bevochten zegepralen, vuurde hun moed
aan door er op te wijzen dat de plundering van Ispahan de prijs der
overwinning zou zijn, en toonde hun gevangenschap en een smadelijken
dood in het verschiet, ingeval zij overwonnen werden. De rechtervleugel
van het perzische leger opende het gevecht: de aanval was zoo hevig,
dat de afghaansche troepen in verwarring geraakten. De wali van Arabië
maakte eene zijdelingsche beweging en overrompelde het vijandelijke
kamp; maar zijne Arabieren gingen zoo driftig aan het plunderen,
dat hij hen niet meer kon verzamelen noch verder aan den strijd
doen deelnemen.
Inmiddels had de eerste minister, aan het hoofd van den linkervleugel,
den rechtervleugel der Afghanen aangetast. Aman Ullah-Khan gaf
zijn troepen bevel, bij de nadering van den vijand te vluchten; de
Perzen joegen in hunne blijdschap den wijkenden vijand na; maar deze
verstrooide zich eensklaps, en nu stonden de vervolgers tegenover de
honderd vuurmonden, die door geknielde kameelen werden gedragen. Een
hevig, goed gericht vuur richtte geweldige verwoestingen aan in de
eerste gelederen van deze legerafdeeling en verspreidde onder deze
ongeoefende soldaten zulk een panischen schrik, dat zij, toen de
schijnbaar vluchtende Afghanen eensklaps den aanval hervatten, voor
een groot deel werden neergesabeld en in de uiterste verwarring op
de vlucht sloegen, het gansche leger medeslepende. Aman Ullah-Khan
maakte aanstonds van het verkregen voordeel gebruik: hij tastte de
onverdedigd gelaten perzische artillerie aan, doodde de kanonniers bij
hunne stukken, en richtte nu de vuurmonden op de perzische infanterie,
die nog stand hield. Toen de Perzen hunne gelederen zagen vallen door
hun eigen geschut, lieten zij den moed geheel zakken; in wanorde
vluchtten zij van het slagveld en zochten eene toevlucht binnen de
muren van Ispahan. Een aantal hunner deserteerden voor goed en keerden
naar hunne dorpen terug.
Mahmoed liet de gelegenheid om tegelijk met de vluchtenden Ispahan
binnen te dringen, ongebruikt voorbij gaan; overbluft door zijn
geluk, trok hij zich binnen zijne verschansingen terug, en liet
zelfs toe, dat eenige stukken geschut, die op het slagveld waren
achtergebleven, door de Perzen werden weggevoerd. Eerst toen hij van
spionnen vernomen had, hoezeer de nederlaag van het koninklijke leger
schrik en ontsteltenis in de hoofdstad had verspreid, besloot hij de
vijandelijkheden te hervatten. De overwinnaar trok nu naar Dsjoelfa,
dat eene bestorming van twee dagen doorstond, maar zich toen moest
overgeven. De christelijke stad kocht eene plundering af voor eene
schatting van zeventigduizend tomans; bovendien moesten vijftig jonge
meisjes uit de eerste familiën voor den harem van den overwinnaar
worden uitgeleverd. Mahmoed sloeg daarop het beleg voor Ispahan zelf,
dat weldra aan al de ellenden van den hongersnood ten prooi was. Shâh
Hoesein deed, zooals wij weten, ten behoeve van Mahmoed afstand van den
troon: daardoor redde hij de hoofdstad van de gruwelen eener plundering
en menschenslachting op groote schaal, maar leverde het perzische rijk
over in handen der Afghanen, die er eenige jaren den meester speelden.
14 September.--Heden morgen uitgaande, richtten wij onze schreden naar
de oevers van den Zendeh-Roed, en volgden den loop der rivier tot
wij aan den tuin van den Tsjaar-Bagh kwamen, en wel in dat gedeelte
dat vroeger uitkwam in een groot park, onder den naam van Hezar Djerib
bekend. Vuile aardhoopen, door den regen half weggespoeld, en een fraai
duivenhok--ziedaar alles wat van de voormalige pracht dezer tuinen nog
overig is. Voortgaande, bespeuren wij in den lommer van eenige platanen
een zeer bevallig paviljoen, de Ainak Khaneh (Huis der spiegels.)
De naar de rivier gekeerde zijde prijkt met een smaakvolle portiek,
gevormd door twaalf zuilen, die vroeger met geslepen spiegels waren
bekleed. De zolderingen van cypressen- en platanenhout, met gouden
biezen afgezet, de lambrizeeringen van gekleurd porselein, het kunstig
gesmeede traliewerk der deuren en vensters: dit alles te zamen vormt
een zeer schoon, echt vorstelijk geheel.
Vlak naast dit sierlijke paviljoen, waar de koningen uit de dynastie
van Kadsjar gewoonlijk audiëntie verleenen, wanneer zij te Ispahan
vertoeven, ligt over den Zendeh-Roed de brug Hassan-Beg, die wel de
aandacht waard is. Dit met groote zorg en bijzondere weelde uitgevoerde
kunstwerk dient tevens tot brug en tot dam of stuw. De pijlers rusten
op eene bedding van zes-en-twintig el breedte, die het water tot twee
el boven peil moet opstuwen; elke boog bestaat uit een kruisgewelf,
rustende op vier massieve gemetselde pijlers. Wanneer men zich onder
de brug begeeft en midden op den weg gaat staan, kan men het gansche
bouwwerk in zijne lengte overzien, als eene galerij, gevormd door eene
reeks van met koepels gedekte vertrekken. Het geheele ondergedeelte
van den bouw, zooals de bedding, de onderlaag en de pijlers, zijn van
gehouwen steen; de bovenbouw is van fraaien baksteen, met veelkleurige
porseleinen tegels bekleed.
De rijweg der brug wordt omzoomd door twee galerijen, voor voetgangers
bestemd. In het midden van die galerijen verheffen zich twee
achtkantige paviljoenen, die verschillende vertrekken bevatten, welke
gratis ten gebruike voor reizigers worden afgestaan. De witgepleisterde
muren zijn voor een deel met opschriften en spreuken bedekt.
15 September.--Ons laatste uitstapje in de onmiddellijke nabijheid der
hoofdstad geldt Sheristan, eigenlijk het oudste gedeelte van Ispahan,
dat de plaats inneemt van het oude Djeï, maar dat nu ongeveer twee
farsaks van de moderne stad verwijderd ligt.
Men volgt aanvankelijk den rechter oever van de rivier en komt dan
in de aardige voorstad Abbas-Abad, evenals Dsjoelfa gebouwd langs
belommerde grachten. Dan houdt de weg op en volgt men een spoor, dat
aangewezen wordt door de hoeven van paarden op den zandigen grond. Na
een rit van een uur gaan wij over de rivier en bevinden ons dan in de
nabijheid van eene prachtige minaret, die eene hoogte bereikt van ruim
negen-en-dertig el en met eene inscriptie in mozaïek is versierd. De
minaret dagteekent uit den tijd der mongoolsche heerschappij.
In de nabijheid ligt nog eene brug over de rivier, van welke evenwel
zeer weinig gebruik wordt gemaakt. Het vlek is zeer stil en schijnt
zoo weinig bewoond, dat zelfs onze komst niet meer dan een twintigtal
nieuwsgierigen op de been heeft gebracht. Behalve de minaret en de
brug is er niets, dat eenigszins de aandacht verdient in deze kleine
vergeten voorstad, waar niets meer aan het oude Djeï herinnert.
17 September.--Wij hebben, in tegenwoordigheid van den Padri, in
behoorlijken vorm een contract gesloten met den tsjarvadar-bashi
van eene armenische karavaan, die naar Shiraz moet vertrekken, en
waarbij wij ons wenschen aan te sluiten. Wij hebben daarbij vijftien
muilezels gehuurd voor het vervoer van onze bedienden en onze bagage,
benevens twee rijpaarden voor ons zelven. Nadat alles geregeld en
bepaald was, ontving de tsjarvadar-bashi, door zijn meesterknecht
bijgestaan, de helft van den bedongen huurprijs voor zijn ezels
en paarden; hij onderzocht nauwkeurig elk muntstuk en schoot er
omstreeks honderd uit, die hij onder verschillende voorwendsels
weigerde in ontvangst te nemen. Toen deze ceremonie was afgeloopen,
deelde onze vriend mede dat hij den volgenden dag zou terugkeeren om
de bagage te wegen en zich te overtuigen dat elke vracht niet meer
bedroeg dan het voorgeschreven gewicht van dertien batmans tabrisi
(vijf-en-zeventig kilos) of honderd-vijftig kilos voor elk muildier. De
wegen van Ispahan naar Shiraz zijn zoo slecht, dat het gevaarlijk is,
de dieren zwaarder te belasten.
"Wanneer vertrekken wij? vroeg ik.
--God is groot! antwoordde de meesterknecht van den tsjarvadar; een van
onze reizigers is ziek; als hij niet binnen drie of vier dagen komt te
overlijden, zal zijne ziekte van langen duur zijn, en dan zullen wij
hem wel dwingen, zich op weg te begeven. Loopt het daarentegen met hem
ten einde, dan zullen wij wachten tot na zijn dood; want een sterfgeval
gedurende de eerste dagen van de reis ware een zeer slecht voorteeken."
Kom aan, ik zie wel dat wij al den tijd hebben om onze toebereidselen
te voltooien. In het gelukkige Oosten heeft niemand ooit haast.
19 September.--Twee dagen lang zijn wij bezig geweest met het telkens
op nieuw verpakken van onze bagage, om de verschillende vrachten zoo te
verdeelen, dat het reglementaire gewicht niet worde overschreden. Na
eindeloos gehaspel is de bagage dan nu toch eindelijk in orde; alles
is behoorlijk vastgemaakt en de vrachten zijn gelijkelijk over de
muilezels verdeeld.
Heden morgen hebbon wij afscheid genomen van onze vrienden van Dsjoelfa
en Ispahan. Van allen ondervonden wij de meeste hartelijkheid:
wij zouden eene gansche karavaan hebben kunnen bevrachten met de
geschenken aan vruchten, sorbets en confituren, die men ons met alle
geweld wilde opdringen. De Padri en eenige andere heeren zullen ons
uitgeleide doen tot halfweg de eerste halte. Met weemoed scheiden wij
van Dsjoelfa; maar wij mogen niet toegeven aan droevige stemmingen:
wij gaan naar Shiraz, het land van den wijn, de rozen en de dichters.