XVII

Ispahan, 8 September.--De godgeleerden van Ispahan, aan wie de

moesjteïd de lastige taak had opgedragen, om in de heilige boeken

een tekst te vinden, die hem vrijheid zou laten om een Christen te

vergunnen de mastsjed Shâh te betreden, zijn voor hunne moeite beloond

geworden: zij hebben zulk een tekst gevonden; en aan het bevel van

den prins-gouverneur kan nu zonder gewetenswroeging worden voldaan.

Naar het schijnt bestaat de moskee uit vier gebouwen, die onderling

door portieken verbonden zijn. Op de zeer ruime binnenplaats komen al

de voornaamste toegangen uit: derhalve, zoo redeneeren de spitvondige

casuïsten, moet deze binnenhof beschouwd worden als een soort van

openbaren weg, waarop de ongeloovigen zich mogen bewegen, zonder

de heilige wet te overtreden. De moesjteïd wijst ons evenzeer eene

reeks vertrekken aan onder de bogen van de bovengalerijen, en vergunt

ons bovendien over de platte daken te wandelen. In één woord, men

laat ons de meest mogelijke vrijheid: onder deze eene voorwaarde,

dat wij geene poging zullen aanwenden om in de zaal van den mihrab

door te dringen. Wij hadden niet durven hopen, dat wij zoo veel

verkrijgen zouden.

Den volgenden morgen, nog voor de zon boven de kim verschenen was,

betrad onze kleine karavaan den Meïdan, in 1580 door Abbas den

Groote aangelegd. Dit ruime langwerpige plein heeft eene lengte

van driehonderd-zes-en-tachtig en eene breedte van honderd-veertig

el; het is omringd van regelmatige gebouwen, waarin rijke bazars

gevestigd zijn, die tot de fraaiste van Perzië behooren. Dat

plein met zijne kolossale afmetingen, zijne grootsche lijnen en de

volmaakte symmetrie der gebouwen, die het omlijsten, maakt inderdaad

een verrassenden, overweldigenden indruk, te meer omdat men in het

Oosten aan dergelijken aanblik niet gewend is. Naar mijn gevoelen

bestaat er zelfs in geheel Europa geen plein, dat in uitgestrektheid,

in symmetrie, en zelfs in schoonheid, met den Meïdan voor de moskee

van den Shâh kan wedijveren; en in deze meening sta ik niet alleen. De

eerste maal dat ik dit plein bezocht, dacht ik echter onwillekeurig

aan de Piazza San-Marco te Venetië. Beiden zijn omgeven door gebouwen

met zuilengangen, op den achtergrond verbonden door een prachtigen

tempel; de moskee van Sheikh Loft Oellah, links van de mastsjed Shâh,

herinnert door hare ligging, aan den Torre dell' Orologio te Venetië;

terwijl rechts de plaats van den campanile wordt ingenomen door het

paviljoen, bekend onder den naam van Ali Kapoe.

Ik wil de vergelijking niet verder uitwerken: Italië zou er niet bij

winnen. Venetië mist dien helderen, donkerblauwen hemel, waartegen de

rijk gekleurde geëmailleerde koepels en minarets zoo onbeschrijfelijk

schoon uitkomen; en die stralende zon, die over alle gebouwen een

goudglans werpt; op het plein van San-Marco zoekt ge vergeefs die

talrijke karavanen van kameelen, die zich als het ware verliezen in

de onmetelijke ruimte, en die muzikanten, die--misschien als eene

herinnering aan de oud-perzische eeredienst--de zon bij haar opgang en

haar ondergang komen begroeten. Groote trompetten en trommels spelen de

hoofdrol in dit schilderachtige concert, dat 's morgens en 's avonds

plaats neemt op een der terrassen vóór den Negareh Khaneh of den

talar van het paleis Ali Kapoe, het hoogste monument in geheel Ispahan.

In dienzelfden talar, waarvan de beschilderde en vergulde zoldering

door twaalf pilaren van cederhout gedragen wordt, schaarden zich ook,

in den tijd der Sofis, de hovelingen van den Shâh, wanneer de koning

op zijn rechterstoel zat of de feesten bijwoonde, die sedert den bouw

van de mastsjed Shâh steeds op den Meïdan gegeven werden. Van hier

gezien, vertoonde de moskee zich voor 's konings oogen in al haar

pracht; zelfs verdwijnt dan voor een deel het ongunstig effect van den

onregelmatigen aanleg: immers terwijl de buitenpoort recht op het plein

staat, ligt de moskee zelve geheel ter zijde, in de richting van Mekka.

Do eerste steen van de mastsjed Shâh werd in 1580 gelegd en met den

bouw zooveel mogelijk voortgang gemaakt. De groote poort, die op den

Meïdan uitkomt, wordt gevormd door eene wijden boog, omgeven door

een driedubbelen band van geëmailleerd turkoois-blauw. De wanden en

het gewelf van het portaal zijn, even als de muren en de minarets,

geheel bekleed met geëmailleerde tegels, waarop in sprekende kleuren

arabesken en bloemen zijn geschilderd, omgeven door gewijde teksten

en spreuken. Deze bekleeding met porseleinen tegels, zoo als die aan

de monumenten uit den tijd der Sofis is aangebracht, is goedkoop en

in de uitvoering vrij gemakkelijk, maar ook veel minder duurzaam dan

die uit den tijd der Seldsjoeken, en veel minder artistiek dan de

mozaïeken uit het tijdvak der Mongolen.

Ten bewijze voor de onsoliditeit der bekleeding met porseleinen

tegels, beroep ik mij op het eerwaardige houten geraamte, dat voor

den hoofdingang staat opgericht. Naar het schijnt is de bestemming

van die stellage, om de tegels te vervangen, die in den winter door

de vocht losraken en uitvallen; maar, volgens het algemeene zeggen,

heeft deze toestel eene geheel andere bestemming. Immers bij menschen

heugenis heeft men nimmer aan de moskee van den Shâh eenige reparatie,

hoe gering ook, uitgevoerd; maar door zijne tegenwoordigheid bij

den hoofdingang legt deze houten toestel, voor alle vreemdelingen

die Ispahan bezoeken, getuigenis af van de zorg der regeering voor

het behoud der historische monumenten; en, wat nog meer van belang

is, de bouwmeester en de mollahs, met de uitvoering en het opzicht

van de zoogenaamde herstellingswerken belast, kunnen, zoo lang die

stellage daar staat, billijk aanspraak maken op de uitbetaling hunner

jaarwedden, die de koning niet wel weigeren kan. Zoo zegt men: en het

verhaal draagt zeer zeker den stempel der waarschijnlijkheid. Maar

mocht men ooit overgaan tot de herstelling van de poort der moskee,

dan zal men moeten beginnen met de reparatie van de stellage, waarop

geen sterveling den voet zou durven zetten.

Achter het portaal ligt een ruime vestibule, van waar men de groote

binnenplaats der moskee kan overzien met hare twee galerijen boven

elkander. In deze vestibule staat een groote porfieren vaas, niet

ongelijk aan een doopvont; zij is met helder, frisch water gevuld,

bestemd om den dorst der geloovigen te lesschen.

Een twintigtal mollahs, door den moesjteïd gezonden om ons te geleiden,

wachten geduldig onze komst af, gezeten op de albasten banken onder de

groote poort. Sommigen zijn getooid met een omvangrijken tulband van

witte mousseline; anderen dragen een blauwen tulband, die in Perzië

het onderscheidingsteeken is van de beweerde afstammelingen van den

Profeet, zoo als in de orthodoxe sonnitische landen de groene tulband

en de groene gordel.

Niet ver van deze groep staat een personage, bekleed met eene

_koledja_ (jas) van grijs laken en gedekt met de gewone hooge muts

der Perzen. Met zeker voornaam welbehagen stelt hij zich aan ons

voor als de _beschermer der vreemdelingen_, door den Shâh Zadeh van

Ispahan belast met de zorg voor de veiligheid der reizigers. "Ik ben,

zeide hij, met mijn hart en mijn leven bereid om te waken voor het

hoofd van Uwe Excellentiën, gedurende al den tijd van uw gezegend

verblijf te Ispahan."

Marcel dankt dien welbespraakten heer voor zijne vriendelijke woorden,

en verontschuldigt zich dat hij geen bezoek bij hem heeft afgelegd

en niet met hem in overleg is getreden ter zake van het bezoek aan

de moskeeën en andere heiligdommen.

"Wanneer wenscht gij de moskeeën te bezoeken, Çaheb?" antwoordt hij, op

huichelachtigen toon; ik zal al mijn best doen om Uwe Excellentiën ter

wille te zijn. Gij zult, naar ik hoop, tevreden zijn over mijn ijver en

mijne toewijding, en een gunstig getuigenis omtrent mij kunnen afleggen

bij Zijne Majesteit en bij Zijne Hoogheid, den prins Zelleh-Sultan.

--Wel, nu aanstonds; de mollahs, door den moesjteïd gezonden, zijn

gereed om ons te vergezellen.

--Zou het dan toch waar zijn! zoudt gij dan inderdaad in de mastsjed

willen binnengaan! Allah zij geprezen, die uw slaaf vergunt hier te

zijn, opdat hij u terugbrenge van uw voornemen!

--Maar welk gevaar loopen wij dan? Zijt gij er dan niet om ons te

beschermen, en overeenkomstig uwen last voor onze veiligheid te zorgen?

--Ik zou met u de mastsjed binnentreden? Groote God! En wanneer u een

ongeluk overkwam? Ik ben gekomen om u te beschermen tegen uwe eigene

dwalingen; want mijn geest is sterk, maar mijn arm is zwak, en zoo het

tot eene botsing kwam, zou ik geene macht hebben over het opgewonden

volk. De menschen, in wie Allah zijne wijsheid gelegd heeft, weten

ongelukken te vermijden, door zich aan geen gevaren bloot te stellen.

--Is dat alles wat gij mij te zeggen hebt? Ik dank u voor uw goeden

raad, maar ik zou u nog dankbaarder zijn, zoo ge mij geen tijd liet

verspillen. Weet gij niet dat uw Profeet gezegd heeft: "Ieder mensch

draagt zijn lot om zijn hals." Ga naar uw anderoen, en laat uwe

vrouwen u onderrichten en moed inboezemen."

Dit gezegd hebbende, keeren wij den "beschermer der vreemdelingen"

den rug toe, en gaan de mollahs begroeten.

Om Cerberus te temmen, moest men hem een honigkoek toewerpen. Daar ik

geen honigkoeken bij mij heb, stel ik den heeren voor, hun portret te

maken. Aanvankelijk weigeren zij: de Koran verbiedt zeer stellig het

maken van afbeeldingen. Maar hunne deugd is tegen de verzoeking niet

bestand; zij zien elkander aan, fluisteren met elkander, en scharen

zich eindelijk glimlachend voor mijn toestel. Na met het grootste

geduld op hunne vragen geantwoord en hun hunne beeltenissen getoond te

hebben, meen ik eindelijk het recht verworven te hebben om de galerijen

te betreden en naar de platte daken op te klimmen. Een mollah en een

seyed gaan voorop, en geleiden ons door de moskee overeenkomstig

het programma den vorigen avond vastgesteld; vervolgens klimmen

wij met hen op de daken der bazars en der huizen, en komen zoo op

de terrassen der moskee. Vandaar kan men de uitgestrektheid van dit

monument overzien, en de beteekenis waardeeren van den reuzenarbeid,

dien Shâh Abbas wist te voltooien.

Voor ons rijst een prachtig portaal, geflankeerd door twee minarets,

met porseleinen tegels bekleed. Dit portaal is als het ware de voorhal

van het heiligdom, dat reeds van verre kenbaar is aan den blauwen

koepel, gekroond met een gouden bol en eene halve maan van hetzelfde

metaal, die vijf-en-vijftig el boven den beganen grond verheven is. De

beide vleugels, die zich aan het middengebouw aansluiten, prijken

met portalen van geringer afmeting en met kleinere koepels. Aan

deze gebouwen grenzen dubbele galerijen, waarvan het platte dak

met eene laag aarde is bedekt. Rechts en links van het middengebouw

bevinden zich twee langwerpige binnenplaatsen, door portieken omgeven

en met vijvers versierd. Des vrijdags en op feestdagen zijn deze

binnenhoven voor het volk toegankelijk, terwijl het waterbekken in

den voorhof bestemd is voor hen, die dagelijks de moskee bezoeken,

om de voorgeschreven gebeden te verrichten.

Het plan van de mastsjed Shâh is, zooals men ziet, volkomen in

overeenstemming met de eischen van de mohammedaansche eeredienst. De

moskee onderscheidt zich, even als de kerk, voornamelijk hierin

van den heidenschen tempel, dat zij eene plaats der samenkomst is,

toegankelijk voor iedereen. Maar hoe eenvoudig ook, was de stichting

van dergelijke bedehuizen een moeilijke taak, want voor de komst

van Mohammed bestond er geene arabische architektuur. De Kaäba,

dit gewrocht der ismaëlitische oudheid, dat de Profeet genoodzaakt

was tot het groote heiligdom van het nieuwe geloof te verheffen,

was berekend naar de behoeften van afgotische nomaden, gewoon aan het

leven in tenten. Toen het dagelijksch gebed tot Allah den muzelmannen

als de eerste der plichten werd voorgeschreven, ontstond de behoefte

aan geschikte bedehuizen; onder leiding van vreemde, waarschijnlijk

byzantijnsche architekten, brachten zij de zuilen bijeen der door hen

verwoeste tempels, plaatsten op deze pilaren, rondom eene vierkante

ruimte gerangschikt, een houten dak, en verkregen alzoo overdekte

galerijen. Het eigenlijke heiligdom was een zaal, door rijen kolommen

in verschillende schepen verdeeld. Een met porselein of kostbaar

marmer versierde nis, zonder beeld of altaar, aan het einde van het

middenschip, trok door haar versiering het oog tot zich en wees de

richting aan, waar de heilige stad met de Kaäba lag.

In de onmiddellijke nabijheid van den mihrab of de nis des gebeds

bevond zich de minbar of predikstoel, waartoe een vrij steile trap

toegang gaf. Nevens het eigenlijke heiligdom strekten zich open

portieken uit, waar de geloovigen eenige oogenblikken konden uitrusten,

eer zij het bedehuis binnentraden; hooge platten nabij den hoofdingang

boden den priesters de gelegenheid, om vijfmaal per dag de geloovigen

ten gebede op te roepen.

Dit is de eerste en eenvoudigste type der moskee, een voor allen

toegankelijk bedehuis, waar de voorbijganger koelte en schaduw vindt,

en de reiziger helder water om zijn dorst te lesschen en zich te

reinigen, eer hij zich voor God nederbuigt. Naar dit model zijn

de oudste moskeeën in Kaïro gebouwd, die van Amroe, van Hakem en

van Toeloen. Maar naarmate de macht van den Islam zich uitbreidde,

begon men iets anders te verlangen dan een bedehuis van zoo eenvoudige

constructie. Aan de boorden van den Tigris verhief zich een monument,

dat door de muzelmansche wereld beroemd was en, volgens de legende,

was gebouwd door den grooten Khosroës. Dat was het prachtige paleis

van Ktesiphon, waarvan het gewelf--altijd volgens de legende--op den

dag der geboorte van Mohammed scheurde.

Hassan, de sultan van Egypte, wilde aan Allah een tempel wijden, die

niet behoefde onder te doen voor het paleis van den grooten monarch;

met dat doel zond hij een zijner architekten naar Mesopotamië, om liet

oude gebouw te bestudeeren. Deze architekt strekte zijne reis uit tot

Perzië, en werd levendig getroffen door de schoonheid en majesteit

der koepels, die godsdienstige en burgerlijke gebouwen kroonden. Nog

vol van die indrukken, keerde hij naar Kaïro terug en bouwde daar de

moskee van Hassan, den prototype van eene andere soort van moskee,

waarin het koepelgewelf het platte dak der oude zuilenhal vervangt.

Dit geschiedde in de veertiende eeuw. Honderd jaren later hield

Mohammed II, na de inneming van Constantinopel, zijn intocht in de

Sinte-Sofia, de aloude byzantijnsche kerk van Justinianus. De indruk

dien deze kathedraal op den veroveraar en zijne soldaten maakte, was

zoo groot en levendig, dat het hun niet genoeg was, de eerwaardige

kerk in eene moskee te herscheppen, maar dat zij, bij den bouw van

nieuwe bedehuizen, den ouden muzelmanschen type vaarwel zeiden en

eenvoudig de Aja-Sofia kopieerden, zonder er aan te denken dat het

grondplan van deze kerk geen ander is dan de gedaante van het zoo

gehate kruis. Het plein of de voorhof voor het gebouw is slechts de

herhaling van het atrium der oude basilieken. Werkelijk muzelmansch

zijn alleen de slanke minarets en de waschbekkens.

Zoo is dan de laatste type van het mohammedaansche bedehuis, die in

alle orthodoxe sonnitische landen regel geworden is, eene navolging

van de byzantijnsche kerken uit den tijd vóór den Islam. Die navolging

is zoo volkomen, dat wanneer de Turken uit Europa verjaagd werden,

de Christenen aanstonds bezit zouden kunnen nemen van de moskeeën

te Constantinopel, en daarin hunne eeredienst zouden kunnen vieren,

zoo goed als in de Aja-Sofia zelve.

Yoor de arabische verovering hadden de Perzen geen tempels; want

volgens de verzekering van Herodotus en andere klassieke schrijvers

werden de altaren voor Ahoeramazda in de open lucht opgericht. Hier

vielen dus geene bestaande heiligdommen voor de nieuwe eeredienst in te

richten: de Perzen namen eenvoudig de bedehuizen hunner overwinnaars

over. Zij bouwden moskeeën naar het model van die van Amroe te Kaïro:

met dit onderscheid alleen, dat zij de zaal van den mirhab ook

uiterlijk onderscheidden door een hoogen koepel, die sedert eeuwen

in hunne architektuur inheemsch was; en dat zij, bij gebrek van hout,

de houten daken door kleine gewelven vervingen.

Aan dit plan zijn zij steeds getrouw gebleven: bij vergelijking

van de perzische moskeeën met die van Amroe, blijkt dat de perzische

bouwmeesters van vroegeren en lateren tijd nooit zijn afgeweken van den

oorspronkelijken type van het mohammedaansche bedehuis: hunne moskeeën

zijn inderdaad moskeeën in den ouden klassieken zin van dat woord.

Er waren niet veel menschen in de moskee van den Shâh, toen wij haar

binnentraden, zoodat wij het gebouw in alle bijzonderheden op ons

gemak konden bestudeeren; maar toen wij onze photografietoestellen

gereed maakten, begonnen de geloovigen, die op het voorplein bij

het waschbekken en op de terrassen vergaderd waren, zeer duidelijke

en luide teekenen van afkeuring en verontwaardiging te geven. Op

aansporing van een dwergachtigen, mismaakten seyed, met den blauwen

tulband van de afstammelingen van den Profeet gedekt, stormde weldra

de gansche menigte naar het terras, waarop wij ons bevonden.

Pater Pascal heeft ons niet zonder verdediging willen blootstellen aan

de niet zoo geheel denkbeeldige gevaren, aan het bezoek der moskeeën

verbonden; hij is zelf medegegaan en herinnert nu de dienaars van

den moesjteïd aan hun plicht, om de menigte den toegang tot de

terrassen te beletten, door zich voor de smalle trap te plaatsen,

die het platte dak van den bazar met dat van de moskee verbindt--"Het

is zaak te zorgen, zoo voegt hij er bij, dat uwe geloofsgenooten ons

geen letsel aandoen, eer wij hun mededeeling hebben kunnen doen van

de bevelen der wereldlijke en geestelijke overheid, krachtens welke

wij hier zijn".--Nauwelijks zijn de noodigste maatregelen genomen,

of onze vijanden verschijnen eensklaps op de lagere terrassen. De

vrome schaar is buiten adem van den snellen loop en de haastige

bestijging der trappen; bovendien hebben een aantal volgelingen

van den kleinen seyed onderweg eens nagedacht over de mogelijke

gevolgen van eene beleediging den Faranguis aangedaan; zij zijn

voorzichtigheidshalve achtergebleven, en de aanstoker van de geheele

beweging heeft nauwelijks twintig man achter zich.

Zie, daar is hij, die geduchte strijder voor het geloof! Hij snelt

vooruit en zal den aanval doen.... daar waggelt eensklaps zijn

groote blauwe tulband; de dwerg, door zijn drift medegesleept, is

verward geraakt in de plooien van zijn lang kleed; hij wankelt op de

trap en valt achterover op de hoofden zijner volgelingen, met zijn

magere kromme beentjes spartelende in de lucht. Hij is niet zwaar,

en dood niemand in zijn val; maar toch hebben wij den strijd gewonnen;

want als men den seyed weer opricht en hij daar staat, met zijn kale

kruin en zijn afschuwelijk grijnzend gelaat, terwijl de mooie tulband

naar beneden rolt, is hij zoo bespottelijk, dat van alle kanten een

algemeen gelach opgaat. Als een bekwaam veldheer, maakt pater Pascal

aanstonds van dit oogenblik gebruik: op zijn aansporing treedt het

hoofd van ons escorte vooruit en bedreigt de onvoorzichtigen, die

ons overlast zouden willen aandoen, met den toorn van den Shâh-Zadeh;

terwijl hij zelf eenige vriendelijke woorden richt tot den ontkroonden

hoofdman der bende, wiens gezag voor het oogenblik verdwenen is.

Nadat de bende zich weer verstrooid had, kwam de Padri naar ons toe

op het terras, waar wij ons zoo rustig mogelijk gehouden hadden. "Zie

zoo, zeide hij, nu zijn wij van deze lastige klanten verlost; maar

toch is het voorzichtig hier niet te blijven, want straks komen de

muzelmannen in grooten getale voor het middaggebed; misschien zou het

ons voor een tweeden keer niet gelukken, het fanatisme der menigte

tot bedaren te brengen; en het is beter, het zoo aan te leggen, dat

wij niet bij ongeluk of vergissing van de moskee naar beneden kunnen

geduwd of geworpen worden."

De raad van den bedachtzamen Padri verdient te meer behartiging, omdat

de terrassen geheel van borstweringen ontbloot zijn. Mijn echtgenoot

verklaart dan ook, dat zijn werk hier afgeloopen is, en verzoekt

dat men ons naar de galerijen van de eerste verdieping zal brengen,

tot groote blijdschap van onze geleiders, die blijkbaar tegen hun zin

de partij moeten nemen van ongeloovigen tegenover geloofsgenooten,

wier vromen ijver zij in hun hart ten volle goedkeuren.

De galerijen, waarheen men ons nu brengt, zijn bestemd voor de

woningen der priesters; wij worden gebracht in de kamer van een

hunner, een eerwaardigen grijsaard, wiens indrukwekkend bronskleurig

gelaat schilderachtig afsteekt bij zijn witten tulband en lang wit

kleed. Hij noodigt ons uit, nevens hem op het tapijt plaats te nemen,

laat pijpen komen en biedt ons een kop thee aan, in afwachting dat

het gebed zal zijn afgeloopen en dat hij ons in de loggia voor zijne

kamer kan laten. Van uit de kamer kunnen wij evenwel de godsdienstige

handeling gadeslaan. De geloovige treedt de moskee binnen met zijne

muilen in de hand; hij richt zijne schreden naar het waschbekken, en

neemt zijn tulband af, zoodat zijn kale schedel zichtbaar wordt. Die

schedels zijn niet allen op dezelfde wijze geschoren. Zij, die

een tulband dragen, laten zich het geheele hoofd kaal scheren; wie

zich dekt met een bonten of vilten muts, behoudt ter wederzijde,

boven de ooren, een grooten krullenden haarlok, waarop de muts komt

te rusten. Deze belangrijke waarnemingen kunnen alleen in de moskee

of bij den barbier aan huis geschieden: want de Oosterling acht het

in strijd met alle regelen van wellevendheid, met ongedekten hoofde

in het publiek te verschijnen. Na zijn tulband op zijn pantoffels te

hebben nedergelegd, hoest en spuwt de geloovige, spoelt zich den mond,

snuit zijn neus, wascht zijn gelaat, zijn hoofd en zijne handen, en

voldoet verder aan alle voorschriften van zijne wet, die hem verbiedt

voor Gods aangezicht te verschijnen, zonder zich vooraf gereinigd te

hebben. Indien de muzelman op reis of krank is en geen water tot zijne

beschikking heeft, moet hij zich het gelaat en de handen met stof,

in plaats van water, inwrijven.

Na zich aldus gewasschen te hebben, zet de geloovige zijn tulband of

muts weer op, neemt zijne pantoffels in de hand en begeeft zich naar

de zaal van den mihrab; daar plaatst hij zich met het gelaat naar de

richting van de Kaäba, hurkt neder op de tapijten, die hier den vloer

bedekken, en buigt zich met het aangezicht ter aarde. Dan zich weer

oprichtende, en de armen langs het lijf latende hangen, begint hij

zijn gebed op te zeggen, met alle teekenen van den diepsten eerbied.

Ten aanzien van de houding der armen en handen, is er onderscheid

tusschen de Sonnitten en de Sjiîten; maar de buigingen, waardoor het

gebed bij herhaling wordt afgebroken, zijn bij beiden dezelfden. "Gij

zult hen zien, geknield en neergebogen, het aangezicht Gods en zijne

genade zoeken. Op hunne voorhoofden zult gij een teeken zien, ten

bewijze hunner vroomheid."--Deze herhaalde buigingen en het gebod om

met het voorhoofd den grond aan te raken, noodzaken de muzelmannen

hoofddeksels te dragen zonder rand of klep. Daar het echter voor

lieden, die gewoon zijn op matten of tapijten neer te knielen, moeilijk

is een zichtbaar teeken van hunne vroomheid te vertoonen, is ieder

geloovige voorzien van een ronde of vierkante potscherf, die hij bij

het nederknielen met zijn voorhoofd aanraakt. In alle karavanserais

vindt men, ten behoeve van de reizigers en de tsjarvadars, eene

volledige verzameling van zulke scherven. Na afloop van het gebed,

neemt ieder zijn muilen weer op, die hij aan den ingang van de zaal

van den mihrab heeft neergezet, en verlaat de moskee.

10 September.--"Zet de ladder goed. Staat ze niet te steil? Zijn de

sporten niet gebroken of vergaan? Loopt het plat geen gevaar van te

bezwijken?"--vraagt pater Pascal aan de bedienden van de Iman Djoema,

die ons op de platte daken van deze beroemde moskee moeten geleiden,

welke Abbas-Shâh een oogenblik van plan was af te breken om de

materialen te gebruiken voor den bouw van de mastsjed Shâh.

--"Vrees niets en geef mij de hand, khalifè (naam, dien de Perzen

aan de christelijke monniken geven). Zoo gij voorzichtig, de een na

den ander, opklimt, zult gij, zoo het Gode behaagt, zonder ongeval

boven komen."

Getrouw aan zijn rol van waarnemer, is de beschermer der vreemdelingen

ons dezen morgen weer lastig komen vallen met zijne raadgevingen en

dienstaanbiedingen; nu zet hij zich neder aan den voet van den muur,

met het vaste besluit om daar onze terugkomst af te wachten. De Padri,

Marcel en ik klauteren met moeite omhoog langs de ladder, waarvan

de sporten meer dan vijftig duim van elkander verwijderd zijn;

terwijl onze geleiders als katten van het eene plat op het andere

springen. Nauwelijks hebben wij den top van de ladder bereikt,

of wij moeten ons wagen op smalle balken, over kleine gebroken

koepeltjes gelegd. Door deze gaten kunnen wij een blik werpen op

het oudste gedeelte van de moskee, naar men zegt, in het jaar 755

door den khalief Al-Mansoer gebouwd, en de inscripties in koefisch

schrift bewonderen rondom den ouden mihrab. Daarna begeven wij ons

naar de zijgalerijen, van waar wij het gansche binnenplein overzien.

De verschillende bijvoegingen en restauraties, die de moskee in

onderscheidene tijden heeft ondergaan, hebben dit aloude heiligdom,

dat sedert de stichting van de mastsjed Shah ook slechts de tweede

plaats inneemt, van alle artistieke beteekenis beroofd. Toch staat

deze moskee nog in hoog aanzien, en heeft zij hare aloude voorrechten

behouden. In de moskee Djoema wordt nog steeds iederen vrijdag de

zoogenoemde Koninklijke dienst verricht. Volgens de wet moest de

Shâh zich op den gedenkdag van de vlucht van den Profeet naar Medina,

naar de moskee begeven en daar met luider stemme het plechtige gebed

uitspreken. Daar de Shâh evenwel niet de gave der alomtegenwoordigheid

bezit, zendt hij een vertegenwoordiger, den Iman Djoema, die in zijn

naam deze plechtigheid moet volbrengen. Na afloop van het gebed wordt

door de mollahs een gedeelte van den Koran voorgelezen of verklaard,

terwijl het overige van den dag aan verschillende godsdienstoefeningen

is gewijd.

Het schijnt door het noodlot bepaald, dat wij te Ispahan geene moskee

kunnen bezoeken zonder dat ons iets overkomt. Dank zij de noodige

voorzorgen, die wij bij het afklimmen van de wrakke ladder in acht

nemen, komen Marcel en ik zonder ongeval op den grond; maar onze

vriend, de Padri, is niet zoo gelukkig. Meer gewoon zijn prachtig

paard te berijden, dan gymnastische kunsten te verrichten, zet hij,

ondanks onze waarschuwingen, zijne voeten midden op de sporten. Met

angstige blikken volgen wij zijne bewegingen: een gekraak laat zich

hooren: een der sporten is gebroken. De Padri zweeft een oogenblik

in de ruimte; met vaste hand omklemt hij nog bijtijds de ladder en

komt schijnbaar zonder zich bezeerd te hebben op den grond.

De mollahs, die moeite hebben om zich goed te houden en hunne vreugde

te verbergen, omringen den khalifè, die ondanks zijne bleekheid

zich goed houdt. Zij betuigen hem hunne deelneming, en geven last

den eigenaar van de ladder op te zoeken, ten einde hem eene dracht

stokslagen toe te dienen. Natuurlijk is de man niet te vinden; en

wij stijgen te paard, om naar Dsjoelfa terug te keeren.

"Ik heb mij het been geschaafd, zegt de Padri, na verloop van eenige

oogenblikken tot mij: ik heb meer pijn dan ik aan deze kerels bekennen

wou; wij zullen bij een mijner beste vrienden binnen gaan, die in

de nabijheid van de mastsjed woont; ik zal daar mijne wond met water

kunnen wasschen."

Het huis, dat wij weldra binnentreden, omsluit aan de vier zijden

eene ruime binnenplaats. De hooger gelegen talar of opperzaal in

elken vleugel is ter wederzijde ingesloten door wit gepleisterde

vestibules. De receptiezaal is met een fraaien koepel overwelfd; door

het geschilderd raam valt een zacht getemperd licht in het vertrek.

Een man met een zeer innemend voorkomen zit, te midden van boeken,

op kussens op den grond. Tot mijne groote verbazing draagt hij dien

afschuwelijken blauwen tulband, die steeds voor ons een noodlottig

voorteeken was. De heer des huizes rijst haastig op, luistert met

belangstelling naar het verhaal van het ongeval, dat den Padri is

overkomen, en geeft aanstonds bevel, een waschkom, eene kan met water

en eenige kruiden te brengen om op de wond te leggen. Terwijl hij

zich gereed maakt zelf den patiënt te verbinden, noodigt hij mij uit,

zijne kinderen te volgen, die mij naar hunne moeder zullen geleiden.

Het inwendige van den anderoen, die op de binnenplaats uitkomt,

is voor aller oogen verborgen door zijden gordijnen, die voor alle

openingen gespannen zijn. Shirin-Khanoem, de eerste vrouw van den

seyed, rookt haar pijp. Bij mijn binnentreden noodigt zij mij uit,

te gaan zitten, en haar pijp uit den mond nemende, biedt zij mij die

zeer beleefd aan. Even beleefd weiger ik: de muzelmannen--ik weet

het--gebruiken zeer ongaarne iets dat door een Christen is aangeraakt,

en even weinig zijn wij er op gesteld, eene pijp tusschen onze lippen

te nemen, die reeds van mond tot mond is gegaan.

Shirin-Khanoem schijnt de reden van mijne weigering te begrijpen. Zij

dringt er verder niet op aan, maar voegt mij alleen toe: "Gij zijt

hier bij vrienden." Wij spreken gedurende eenige oogenblikken over

de moskeeën der stad, en ik maak gebruik van de verschijning eener

bezoekster om afscheid te nemen en mij weder bij mijn gezelschap te

voegen. De heeren staan juist gereed te paard te stijgen.

"Gij zoekt dus uwe beste vrienden onder de seyeds, die onverbeterlijke

geestdrijvers? zeg ik tot den Padri, op onzen terugweg naar Dsjoelfa.

--Ik houd innig veel van den seyed Mohammed Hosein, antwoordt hij,

omdat die man een Christen van een gewissen dood heeft gered. Eenige

jaren geleden kwam een Franschman te Ispahan. Uw landgenoot was geen

priester, maar, door vurigen geloofsijver bezield, trad hij toch als

zendeling onder de Perzen op. Het duurde niet lang, of ook hij kwam

tot de overtuiging, dat zijne pogingen om de muzelmannen te bekeeren

steeds vruchteloos zouden blijven; daarom trachtte hij de schismatieke

Armeniërs van Dsjoelfa tot de katholieke Kerk terug te brengen.

"Zijne pogingen bleven niet lang verborgen voor den voorganger

van den tegenwoordigen bisschop. Verontwaardigd over het bericht,

dat de prediking van Eugène Bourrée op sommige Armeniërs een diepen

indruk had gemaakt, stookte hij de schismatieke gemeente zooveel

mogelijk tegen den zendeling op. Op bevel van den prelaat trachtten

eenige geestdrijvers zich van den prediker meester te maken om hem te

steenigen; zij zetten voor het huis waarin hij de wijk genomen had,

eenige slechte kerels op wacht, met last om hem te grijpen zoodra

hij zich buiten zou vertoonen. De toestand werd zoo gespannen, dat

de lieden bij wie hij zich verscholen had, inderdaad vreesden dat

hun huis zou worden overvallen en geplunderd.

"Mohammed Hosein, onderricht van het gevaar, waarin mijn vriend

verkeerde, aarzelde geen oogenblik om hem te redden. Door een aantal

bedienden vergezeld, verscheen hij in Dsjoelfa, ging naar het huis,

waar Eugène Bourrée als muzelman gekleed hem wachtte, nam den prediker

in zijn gevolg op, en begaf zich met hem naar Ispahan. De Armeniërs

begrepen wel, dat hunne prooi hun ontsnapte, maar durfden geen aanval

wagen op den talrijken, gewapenden stoet, aan welks hoofd een der

achtenswaardigste seyeds van Ispahan zich bevond. Zij zonden gewapende

mannen naar de gevaarlijkste punten van de karavanenwegen naar Shiraz

en Kashan, met uitdrukkelijken last om den zendeling dood of levend

in hunne handen te leveren.

"De seyed hield den Christen gedurende een maand in zijn huis

verborgen, en toen hij eindelijk vernam dat de Armeniërs de hoop hadden

opgegeven om hem te vangen, geleidde hij den prediker in persoon naar

Kashan. Van daar kon de vluchteling, zonder verder gevaar, een haven

aan de Kaspische-zee bereiken.

--Padri, vroeg ik, stammen alle bewoners van Ispahan van den Profeet

af? Ik zie vandaag niets dan blauwe tulbanden.

--Hun aantal is inderdaad zeer groot in de provincie Irak en hunne

macht niet minder. Hoewel Mohammed bij zijn dood maar ééne dochter,

Fatma, achterliet, die met haar neef Ali was gehuwd, schijnt zijn

geslacht zich op schier wonderdadige wijze te hebben vermenigvuldigd:

te oordeelen althans naar het niet te berekenen aantal groene of

blauwe tulbanden, die men overal in het Oosten ziet.

"De begeerte om aan hun geslacht een hoogen ouderdom te verzekeren, en

zich een blauwen of groenen tulband op het hoofd en een dito gordel om

de lendenen te mogen winden, is echter niet de eenige reden die vele

muzelmannen beweegt om aanspraak te maken op dezen godsdienstigen

adeldom;--zij hebben daarbij een praktisch doel. Mohammed heeft

zorg gedragen, dat het hem en den leden van zijn geslacht ook aan

geene aardsche goederen ontbreken zou. Op grond van verschillende

uitspraken van den Korân, maakten de afstammelingen van den Profeet,

na zijn dood, aanspraak op het vijfde deel der inkomsten van alle

geloovigen, en hieven gedurende eenige eeuwen zware belastingen van

hunne geloofsgenooten. De voordeelen, aan deze afstamming verbonden,

droegen er zeker niet weinig toe bij, om het aantal nakomelingen van

Mohammed op verrassende wijze te vermeerderen.

"Tegenwoordig is de gewoonte om eene geregelde belasting aan de seyeds

te betalen, nagenoeg in onbruik geraakt; maar in de groote steden,

zoo als te Ispahan bij voorbeeld, waar de zoogenaamde afstammelingen

van Mohammed een zeer talrijk gilde vormen, oefenen zij nog een

overwegenden invloed uit, en maken daarvan gebruik om vooral de

kleinere kooplieden te plunderen, die hun geld of hunne goederen aan

deze heilige mannen niet kunnen weigeren.

"Bovendien worden zij, zelfs vóór de mollahs, belast met het beheer

over alle kerkelijke goederen, en trekken zij daaruit en uit andere

bronnen zeer aanzienlijke inkomsten, die velen hunner in staat stellen

om te leven, zonder zelven iets te verdienen. Natuurlijk zijn zij

jegens de Europeanen zeer vijandig gezind. Wij zijn echter den Iman

Djoema en den moesjteïd dank verschuldigd, dat zij ons eenige seyeds

ten geleide hebben gegeven, want hunne tegenwoordigheid was voor ons

de beste waarborg: zonder hen zouden wij waarschijnlijk van ons bezoek

aan de moskeeën niet zoo goed zijn afgekomen."

Gelukkig zijn wij met onze bezoeken aan moskeeën en dergelijke gebouwen

nu bijna klaar: wij moeten nog slechts den Iman Zadeh Jaffary gaan

ziet. "Evenmin als de andere grafkapellen, ter eere van den heiligen

Iman in de voornaamste steden van Perzië opgericht, bevat ook deze

kapel het stoffelijk overschot van den metgezel van den Profeet. Toch

geniet dit heiligdom in Ispahan eene bijzondere vereering; pater

Pascal heeft ons dan ook aangeraden, nog voor zonsopgang uit Dsjoelfa

te vertrekken, ten einde den Iman Zadeh te bereiken, eer de geloovigen

hunne woningen verlaten om naar de moskee of naar den bazar te gaan.

Het monument verrijst te midden van een onregelmatig pleintje, aan

alle zijden door armzalige, in de hoogste mate bouwvallige gebouwen

omgeven. Het is een fraai achthoekig gebouwtje in mongoolschen

stijl, met een koepel gedekt, waarboven zich vroeger een soort

van pyramidaal dak verhief, zooals men dat nog bij de graven der

sheikhs ziet. De kroonlijst en de fries, met arabische opschriften

en bloemkransen versierd, schitteren nog in al de kleurenpracht van

hun blauw geëmailleerde tegels. Uitgenomen eenige beschadigingen aan

een deel van de kroonlijst en het gemis van het dak, is de Iman Zadeh

nog zeer goed bewaard gebleven, en maakt een zeer aangenamen indruk

door haar sierlijke afmetingen en den fijnen smaak der versiering.

Nauwelijks had ik mijn photografiestel weggeborgen, of ik bespeur tot

mijn schrik aan het eind der straat een grooten blauwen tulband. De

vijand nadert met een haast, die niets goeds voorspelt; hij stormt het

pleintje binnen, heft zijn handen ter hemel, en barst los in een vloed

van verwenschingen, die wij maar half verstaan. Eindelijk gelast de

seyed ons, op hoogen toon, dadelijk heen te gaan en niet langer door

onze tegenwoordigheid deze heilige plaats te bezoedelen. Wij lachen

hem in zijn gezicht uit: zijne drift kent nu geene perken meer, en na

op nieuw de straf des hemels over onze hoofden te hebben ingeroepen,

verwijdert hij zich en spoedt zich naar den bazar. Eenige minuten

later dringen een aantal kooplieden, door hem medegesleept, op het

pleintje door; wij worden omsingeld, aangegrepen en vrij onzacht

buiten de deur gezet.

Gelukkig hadden wij, Marcel en ik, ons kalm gehouden, en wetende met

wie wij te doen hadden, geen weerstand geboden; maar zoodra wij uit

de handen der menigte waren bevrijd, begaven wij ons naar den Padri

en met hem naar de woning van den moesjteïd om ons over den seyed

te beklagen en een geleide te verzoeken. Dit verzoek wordt aanstonds

ingewilligd; eenige eerwaardige mollahs en een twintigtal bedienden

gaan met ons, en zoo keeren wij naar den Iman Zadeh terug. De deur is

zorgvuldig gesloten: de afstammeling van Mohammed heeft den lompen

houten sleutel mede genomen, waarmede het hoogst eenvoudige slot

wordt geopend. Door zulk eene kleinigheid mogen wij ons niet laten

terughouden: de dienaars lichten de deur er uit, en wij treden allen

te zamen op het pleintje, van waar de menigte ons een uur geleden met

geweld verdreven heeft. De toeschouwers zijn zwijgend getuigen van

het tooneel. Wij maken geen misbruik van onze overwinning en keeren,

na eenige oogenblikken oponthoud, naar Dsjoelfa terug.

Wij zouden nu eigenlijk nog de ruïnen van eene mongoolsche moskee

moeten bezoeken, maar wij hebben meer dan genoeg van mollahs, seyeds,

platte daken, ladders en beschermers der vreemdelingen; wij bepalen

er ons dan ook toe, eene afbeelding te maken van eene zeer fraaie

minaret, die met fraai gekleurde tegels is versierd, in den trant

der ornamenten der Iman Zadeh Jaffary.

De moskeeën van Ispahan zijn buiten kijf zeer fraai en zeer

belangwekkend, maar het gaat niet gemakkelijk ze te bezoeken. Slechts

aan het zeer stellig bevel van den Shâh Zadeh, aan de onverschrokken

vastberadenheid van pater Pascal, en--ik mag het wel zeggen--aan onze

eigene kalme volharding was het te danken, dat wij alle hinderpalen

te boven kwamen.

Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887 · 第 17 / 41 题