4 September--De armenische bisschop heeft ons door tusschenkomst
van een zijner vicarissen, een geschenk gezonden bestaande in zes
perziken, van zoodanigen omvang, dat zij eene geheele mand vullen;
en ons tevens uitgenoodigd, in den namiddag bij hem het middagmaal
te komen gebruiken in zijn tuin aan den oever van den Zendeh-Roed.
Gevolg gevende aan die uitnoodiging, komen wij, drie uren voor
zonsondergang, aan den ingang van den bisschoppelijken tuin, die
met een aarden wal is omgeven. Zijne Doorluchtigheid verschijnt
weldra, gezeten op een prachtig zwart paard, en gevolgd door zijne
vicarissen, mede te paard. De hooge prelaten in Frankrijk reisden
vroeger ongetwijfeld op dezelfde manier.
Niet ver van den ingang bevindt zich een soort van esplanade, door een
dicht gewelf van takken en bladeren overdekt. Onder dien beschermenden
lommer schuilt een waterput, die door den Zendeh-Roed wordt gevoed. Het
water wordt opgevoerd door een groot rad, dat knarsend en krakend
om zijn as wentelt, en telkens de gevulde emmertjes uitstort in de
besproeiingsriolen. Deze hoogst eenvoudige toestel wordt in beweging
gebracht door vier prachtige ossen, die zich door hunne grootte en hun
welgedaan voorkomen op het gunstigst onderscheiden van de ongelukkige
dieren, die men elders op de akkers en velden ziet. Blijkbaar zorgt
de bisschop dat zijne runderen goed voedsel ontvangen.
Op uitnoodiging van den bisschop, begeven wij ons naar het platte dak
van een paviljoen, aan den ingang der groote laan. Van dit verheven
punt kan men den geheelen omtrek overzien: ten noordoosten de
muzelmansche stad met haar blauw geëmailleerde koepels en minarets;
ten oosten, de rivier met hare twee monumentale bruggen; verder
de koepeldaken van het klooster der derwîsjen en de minaret van
Sjeristan, in het oudste gedeelte der stad, het voormalige Djeï;
ten zuiden Dsjoelfa met haar door koepels afgewisselde platte daken
en haar groenende tuinen, krachtig uitkomende tegen den achtergrond
van violetkleurige bergen; eindelijk ten westen en ten noordwesten,
de vruchtbare vlakte van Koladoen, als een onafzienbaar groen tapeet
uitgespreid.
Omstreeks zonsondergang komen de genoodigden in grooten getale
opzetten. Het zijn de voornaamste en godsdienstigste mannen van
Dsjoelfa, die den bisschop steeds met raad en daad bijstaan; allen
ongetwijfeld ontwikkelde en geleerde mannen, maar wat beschroomd en
terughoudend in tegenwoordigheid van hun geestelijk opperhoofd.
Eer wij aan tafel gingen werd er thee gedronken; tegen negen uur
zetten wij ons eindelijk aan den disch. De gasten waren van een mes,
een lepel en een vork voorzien, welke ongewone voorwerpen zij met
blijkbaar wantrouwen aanstaarden. Toen het er op aankwam, zich van deze
instrumenten te bedienen, waren de aanzittenden zoo onbeholpen en zoo
verlegen, dat ik er waarlijk spijt over gevoelde, dat ik mij niet over
het vooroordeel had kunnen heenzetten en mijne vingers in den schotel
dompelen. Het diner, dat overigens zeer goed en smakelijk toebereid
was, was nu, om mijnentwil, voor de gasten eene ware pijniging.
Aan het dessert bracht de bisschop een toast uit in het armenisch;
een der aanzittenden bracht, op zijn verzoek, de woorden in het
perzisch over.
"Ik acht mij gelukkig, zoo sprak hij, dat ik de hoofden der voornaamste
familiën van Dsjoelfa hier vereenigd mag zien, en dat ik hun de
gelegenheid mag geven, hunne achting en sympathie te betuigen aan de
gasten, die God mij gezonden heeft, aan de kinderen dier edele natie,
die sedert zoo vele eeuwen de beschermster is van de Christenen in het
Oosten. Frankrijk zal gewis de heilige traditiën zijner geschiedenis
niet vergeten, en nooit de verdrukten beschamen, die op zijne hulp
en bescherming rekenen."
Niet zonder aandoening hoorden wij die, met ernst en waardigheid
uitgesproken, woorden, die bovendien niet van gewicht waren
ontbloot. De prelaat, die ons aan zijne tafel genoodigd had en die,
uit eerbied voor de traditie, zijne residentie te Dsjoelfa behoudt,
bekleedt niet alleen den eersten bisschoppelijken zetel van Perzië,
maar is, als primaat van Indië, het geestelijk opperhoofd en de
vertegenwoordiger van alle schismatieke armenische Christenen in die
uitgestrekte gewesten. De inkomsten van zijn zetel dankt hij zelfs
voor een goed deel aan de edelmoedigheid der te Bombay of te Benares
gevestigde Armeniërs; want, behalve de opbrengst van zijne tuinen en
van eenige landerijen in den omtrek van Dsjoelfa, kan de bisschop op
niet veel rekenen: zijne kudde in Perzië is te arm, om haar herder
veel meer te kunnen aanbieden dan de eerstelingen van den oogst.
De inkomsten uit Indië zijn aanzienlijk, maar de manier waarop zij
verkregen worden is voor het minst zonderling. De bisschop van Dsjoelfa
beschikt naar goedvinden over alle pastoorsplaatsen in dat land,
en hij geeft de best bezoldigde van die plaatsen aan de priesters,
die rijk genoeg zijn om hem, bij hunne benoeming, eene zekere som
ter hand te stellen als waarborg voor de voldoening van hetgeen
zij hem jaarlijks schuldig zijn. Het bijeenbrengen van de noodige
gelden om aldus eene vette winstgevende plaats te kunnen koopen,
is dus uit den aard der zaak een van de voornaamste bemoeiingen
van de leden der lagere geestelijkheid: de priesters ontzien zich
niet tot allerlei min loffelijke praktijken de toevlucht te nemen
om aan de geldelijke eischen van hun kerkelijk opperhoofd te kunnen
voldoen. Dat hieruit de ergerlijkste misbruiken voortvloeien, spreekt
van zelf; maar wie de kudde kent, zal den herder niet al te streng
veroordeelen. Indien de bisschop geen waarborg vorderde, alvorens tot
de benoeming van pastoors over te gaan, zou hij waarschijnlijk later
geen cent ontvangen. De leden der lagere geestelijkheid toch, voor het
meerendeel van zeer geringen stand, slecht opgevoed en niet veel beter
onderwezen, zeer weinig waarde hechtende aan het gegeven woord, en in
hun geestelijk ambt niets anders ziende dan eene gemakkelijke, min of
meer winstgevende betrekking, zouden meer dan waarschijnlijk verzuimen,
hunne geldelijke verplichtingen jegens den bisschop na te komen.
In de katholieke Kerk zouden dergelijke transactiën, die zeer stellig
het karakter van simonie dragen, niet worden geduld; maar de Armeniërs
schijnen daar geen kwaad in te zien, en laten deze contracten toe, ook
in de hoogste rangen der hiërarchie. De patriarch van Etsjmiadzin,
het erkende hoofd der schismatieke kerk, eischt van de door hem
benoemde bisschoppen geschenken, geëvenredigd aan de inkomsten van
hun bisdom; waar hij zelf dus liet voorbeeld geeft, kan hij het den
bisschoppen niet kwalijk nemen dat zij hetzelfde doen tegenover de
gewone priesters; te minder daar de prelaten, zich niet kunnende
mengen in de juist niet altijd loffelijke praktijken en spekulatiën,
waardoor de leeken hun fortuin maken, wel genoodzaakt zijn om van
de lagere geestelijkheid te halen wat zij kunnen, om zich van hunne
verplichtingen jegens den patriarch te kwijten, de onkosten van de
eeredienst te bestrijden, en te voorzien in hun eigen onderhoud,
benevens in dat der scholen en der gestichten van liefdadigheid.
Deze handel in geestelijke ambten en waardigheden verhindert overigens
niet, dat de priesters voor hun bisschop den grootsten eerbied
koesteren; zij vinden in dit vragen van geld, dat trouwens in het
openbaar geschiedt, zoo weinig aanstootelijks, dat de pastoor van de
hoofdkerk van Dsjoelfa, die gaarne eene plaatsing in Indië verlangde,
pater Paschalis kwam verzoeken, om voor hem borg te spreken bij den
bisschop. Het verzoek was minstens naïef; natuurlijk weigerde de Padri
zich te bemoeien met eene zaak, waarin zijne tusschenkomst zeer licht
euvel kon worden geduid.
5 September.--Marcel is in het klooster gebleven, ten einde aan een
koerier, die naar Teheran vertrekt, het door hem zelf uitgewerkte
ontwerp te kunnen medegeven voor de herstelling van de stuw te
Saveh. De vervulling van deze hem opgedragen taak heeft mijn echtgenoot
veel moeite en inspanning bezorgd: niet alleen is hij daardoor
genoodzaakt geworden, een omweg en eene zeer lastige reis te maken,
maar ook alle teekeningen heeft hij zelf moeten vervaardigen. Dokter
Tolosan zal het ontwerp rechtstreeks den koning voorleggen.
Daar ik te Dsjoelfa niets te doen had, begaf ik mij naar de woning
van Kodja Yoessoef, en drong er bij zijne vrouw op aan dat zij,
overeenkomstig hare belofte, mij zou voorstellen aan hare schoone
vriendin, de echtgenoote van Hadji Hoesein.
Ik zou zeer gaarne mijne vriendelijke gids te paard hebben begeleid;
maar aangezien het eene vrouw niet geoorloofd is, Ispahan binnen te
treden zonder haar gelaat met een dichten sluier te hebben bedekt,
en het voor mevrouw Yoessoef hoogst gevaarlijk zou zijn, zich in
muzelmansch kostuum in het gezelschap van een Farangui te vertoonen,
moest ik mij er mede vergenoegen, bij het vertrek van de bekoorlijke
khanoem (dame) tegenwoordig te zijn. Zij zette zich schrijlings, als
een man, op een prachtig zwart paard en reed in galop weg, gevolgd
door twee dienstmaagden; een wolk van stof onttrok haar weldra aan
mijne oogen. Een half uur daarna ging ook ik op weg, vergezeld door
een paar getrouwe bedienden van het klooster.
Hadji Hoesein wachtte mij in de zaal van zijn biroen en had
beleefdheidshalve zijne gewone bezoekers verwijderd; slechts twee
of drie personen bevonden zich op de binnenplaats zijner woning,
toen hij mij naar den anderoen (harem) geleidde.
Zijne vrouw verdient ten volle de reputatie van zeldzame schoonheid,
die zij in geheel Ispahan geniet. Aan haar toilet kan men aanstonds
bemerken dat zij aan het hof heeft geleefd en daar zekere vrijheid
van manieren heeft geleerd. Is het om de warmte of uit koketterie,
dat zij zich heeft ontdaan van het gazen hemd, dat de borst der
perzische vrouwen omhult? Zooveel is zeker, dat een schilder of
beeldhouwer zich gelukkig zou achten, als hij zulk een model voor
zich kon doen poseeren. Ik voor mij werd vooral getroffen door den
levendigen geest en het vernuft van de schoone Ziba Khanoem, door haar
opgeruimd vroolijk humeur, door de sierlijke uitdrukkingen waarvan zij
zich in het gesprek bedient en de gemakkelijkheid en zekere distinctie
van haar manieren. Zij schept er blijkbaar behagen in, ons te verhalen
van den gelukkigen tijd toen zij bij den koning was. Met eenige andere
dames was ook zij aangewezen om de twee favoriten te vergezellen, die
Nasr-ed-Din op zijne reis door Europa wilde medenemen, maar die hij,
bij zijn vertrek uit Moskou, naar Perzië moest terugzenden.
"De Shâh, zoo vertelde zij, was zeer mistroostig, toen hij aan boord
ging van de boot, die hem naar Bakoe moest brengen. Al de vrouwen van
den anderoen hadden hem tot aan de plaats der inscheping vergezeld;
toen het sein gegeven werd om het anker te lichten, barstten zij in
luide jammerklachten uit, en maakten zulk een vreeselijk misbaar,
dat de koning, getroffen door haar wanhoop, van zijn reisplan wilde
afzien, en bevel gaf dat men hem weer naar land zou voeren. Hij
zou in Perzië gebleven zijn, indien dokter Tolosan en eenige andere
heeren van zijn gevolg hem niet onder het oog hadden gebracht, welk
een zonderlingen en ongunstigen indruk het maken zou, indien men in
Europa vernam dat de koning der koningen zich had laten bewegen door
de tranen van eenige vrouwen, en dat zijn reeds officieel aangekondigd
bezoek aan de voornaamste hoven van Europa niet zou plaats hebben.
--Hoe is u Rusland bevallen? vroeg ik aan de schoone khanoem.
--Ik heb niets van het land gezien. Van het oogenblik dat de boot zich
van den oever verwijderde, werden wij, dames, opgesloten in kleine
bedompte hutten; later liet men ons plaats nemen in spoorrijtuigen,
waarvan de raampjes zorgvuldig waren gesloten, zoodat wij niet naar
buiten konden zien. Bij onze aankomst te Moskou eindelijk, werden ons
kamers aangewezen, die wij nimmer mochten verlaten en waar wij door de
eunuken van Zijne Majesteit werden bewaakt. De Shâh, die natuurlijk
tegenwoordig moest zijn bij de schitterende receptiën en feesten te
zijner eere, kon niet, zoo als te Teheran, zijne avonden doorbrengen
in den kring zijner vrouwen, die zich over haar verlatenheid en hare
opsluiting bitter beklaagden. De koning zag dan ook weldra in, dat het
niet wel mogelijk zou zijn, zijne vrouwen mede te nemen in de landen
der ongeloovigen en haar toch buiten alle aanraking met vreemden
te houden; hij besloot daarom, ons naar Perzië terug te zenden. Hoe
ongaarne zij den Shâh ook verlieten, toch waren de khanoems met dit
besluit zeer ingenomen, want in geen twee maanden hadden zij de zon
of den blauwen hemel mogen aanschouwen.
Nasr-ed-Din Shâh was overigens zeer tevreden over zijne reis: hij werd
overal met eerbied en onderscheiding bejegend; er werden schitterende
feesten voor hem aangericht, en in de groote steden waren van alle
kanten prachtig uitgedoste troepen bijeengebracht, waarover hij
wapenschouwing hield. Toen hij voor het eerst zulk eene wapenschouwing
bijwoonde, kon hij een gevoel van naijver en toorn niet bedwingen
bij het zien van de fraaie uniformen en de uitmuntende houding van de
russische soldaten. In het paleis terug gekeerd, viel de Shâh heftig
uit tegen den spasalar (opperbevelhebber van het perzische leger).
"Wat doet gij, zoo zeide hij, met al het geld dat ik u geef om mijn
leger te kleeden? Zou de Tsaar eerlijke dienaren hebben, en ik slaven,
die verdienden dood gegeeseld te worden?"
Toen wij in de aangrenzende kamer de luide stem van Zijne Majesteit
hoorden, beefden wij voor het leven van den spasalar; maar deze
voortreffelijke minister, dien niemand toen van oneerlijkheid verdacht,
wist zoo goed te antwoorden, dat de toorn van zijn meester smolt als
sneeuw voor de zon.
"Weet Uwe Majesteit dan niet, zoo sprak hij, dat de Tsaar, ter
gelegenheid van het bezoek van den opvolger van Dsjemsjid en Khosroës,
zijn gansche leger in splinternieuwe uniform heeft gestoken?
--Welken indruk heeft Zijne Majesteit wel gekregen van de verschillende
landen, die hij in Europa heeft bezocht?
--Nasr-ed-Dîn Shâh is zeer ingenomen met Faranguistan (de perzische
naam van Europa). Hij heeft de grootste koningen en de machtigste
vorstinnen van de Christenheid aan zijne voeten gezien; hij heeft
buitengewoon vlugge danseressen en schoone, elegante vrouwen kunnen
bewonderen; maar toch scheen hem niets te vergelijken bij zijn eigen
land.--Niettemin spreekt de Shâh met veel ingenomenheid van zijn bezoek
aan de groote hoofdsteden van Faranguistan; ten einde eene blijvende
herinnering aan zijne reis te bezitten, heeft hij een grooten gouden
bal laten maken, waarop met fijne parelen, robijnen, saffieren en
smaragden, de zeeën, de bergen, de valleien en de steden zijn aangeduid
van de landen, die hij bezocht heeft. Schitterende diamanten wijzen
de voornaamste hoofdsteden aan. Ik heb dien werereldbol meer dan
eens gezien.
--Waarom, Khanoem, hebt gij het hof van Teheran verlaten?
--Nasr-ed-Dîn Shâh heeft mij aan den agha ten huwelijk gegeven, tot
belooning van vele en gewichtige diensten, die hij aan den koning
heeft bewezen. Ik heb geen reden om mij over mijn lot te beklagen,
want Hadji Hoesein is goed, houdt veel van mij, en heeft geene andere
wettige echtgenoote; maar toch betreur ik het dikwijls dat ik geen
deel meer kan nemen aan de groote reizen, wanneer wij des zomers het
koninklijke kamp volgden; en niet meer kan tegenwoordig zijn bij de
feesten van het Nieuwejaar, of bij de schoone tooneelvoorstellingen
in het paleis, gedurende de maand Moharrem, ter eere der martelaren
van ons geloof."
Dit gezegd hebbende, stond Ziba Khanoem op, en noodigde mij uit, haar
huis te zien. De met fraaie boomen beplante binnenplaats is versierd
met verschillende fonteinen, wier kristallen waterstralen tot in de
zaal eene aangename koelte verspreiden; bloeiende rozenstruiken,
witte en gele jasmijnen vermengen haar sterke geuren met die van
verschillende reukwaters, waarmede de tapijten zijn besprenkeld. De
woning heeft een plat dak, omgeven door een steenen muur, waarin
openingen zijn gelaten, groot genoeg om te kunnen zien wat daarbuiten
is, zonder zelf gezien te worden. Door deze openingen in het
metselwerk bespeur ik een fraai bewerkten, hoogen seintoren, onder
de mongoolsche heerschappij gebouwd. Een wenteltrap, die, naar men
zegt, nog in zeer goeden toestand verkeert, voert naar den top, die
eene hoogte van twee-en-vijftig el boven den beganen grond bereikt;
maar op het eerste portaal bevindt zich eene deur, die den toegang
naar het platform afsluit, van waar men op de binnenplaatsen der
aangrenzende huizen kan zien en alzoo de vrouwen zou kunnen bespieden,
die zich daar in vrijheid bewegen.
Eer wij naar Dsjoelfa teruggaan, noodigt mevrouw Yoessoef mij uit,
om in den biroen--het voor het publiek toegankelijke gedeelte van
het huis--het magazijn van tapijten te bezichtigen. Deze tapijten,
die te Farahan bepaaldelijk voor den uitvoer naar het buitenland
worden vervaardigd, kunnen de vergelijking niet doorstaan met de
oude tapijten, die geheel met de hand werden geweven, en waarvan
de schoone, harmonische kleuren nooit verbleeken. De nieuwerwetsche
tapijten, geel, rood en blauw, met bonte patronen en schelle harde
kleuren, zijn fabriekmatig vervaardigd en met aniline verfstoffen
gekleurd. In Perzië zelf vinden zij weinig aftrek: wie op wezenlijk
fraaie tapijten prijs stelt, gaat niet naar de fabrieken van Farahan,
maar laat ze uit Fars komen, waar de zoogenoemde vooruitgang de fraaie
en steeds blijvende natuurlijke verfstoffen nog niet verdrongen heeft.
In het klooster teruggekeerd, vind ik Marcel, den Padri en Mirza
Taghuy-Khan bij elkander in de spreekkamer. De laatste komt ons
het antwoord van Zelleh-Sultan op onzen brief mededeelen; de brief
werd overgebracht door twee koeriers, waarvan de een het vorstelijk
schrijven bij zich had, terwijl de ander moest toezien dat de brief
behoorlijk in onze handen werd gesteld. De prins verzekert ons van
zijne genegenheid, en verklaart hoe aangenaam het hem zou zijn, indien
de fransche heeren, wier reputatie sedert hunne komst in Perzië ook
tot hem is doorgedrongen, hem te Boeroedjerd, waar hij nog eenige
dagen denkt te verblijven, kwamen bezoeken. De vice-gouverneur van
Ispahan wordt voorts uitgenoodigd, ons met de meeste voorkomendheid
te behandelen en in overleg te treden met den moesjteïd en den imam
Djoema, opdat het ons vergund zou worden, zonder gevaar van ons leven,
de heiligdommen te bezoeken.
De onder-gouverneur, de moesjteïd en de imam Djoema hebben bereids
een afschrift van dezen brief ontvangen. De moesjteïd scheen zeer
gekrenkt door de bewoordingen van den firman, maar heeft zich toch
niet rechtstreeks durven verzetten; maar daar de geestelijkheid zich
stipt wil houden aan de letter der wet en deze zeer stellig den toegang
tot de moskeeën aan de Christenen verbiedt, moet er iets op gevonden
worden, om de mollahs in dit moeilijk geval uit de verlegenheid te
helpen. Nu, de commentaren op den Islâm en de uitleggingen van den
gewijden tekst zijn zoo talloos vele en zoo uiteenloopend, dat men
veilig mag vertrouwen dat de theologen ook nu een middel zullen weten
te vinden om het gebod van den Profeet en dat van den zoon van den
Shâh met elkander in overeenstemming te brengen.
In afwachting van hunne beslissing, stelt Mirza Taghuy-Khan ons
een uitstapje voor naar het paleis van Koladoen, in den omtrek
van Ispahan gelegen. Daar de weg derwaarts door de vlakte loopt,
staat de generaal er op, dat wij dien tocht met de rijtuigen van
zijn heer zullen maken. Die zware, stevige rijtuigen zijn tegen
vele beproevingen bestand: maar toch kunnen zij door sommige wijken
der stad niet worden vervoerd, en evenmin door de paarden tegen de
bruggen over den Zendeh-Roed worden opgetrokken. Wij spreken dus af,
dat de Padri, Marcel en ik te paard naar Koladoen zullen gaan, en
dat wij met rijtuig zullen terugkeeren tot aan den oever der rivier.
6 September.--Wij verlaten Dsjoelfa door eene poort, waarvan de
zware houten deur met ijzer beslagen en van reusachtige grendels
voorzien is. Door deze poort drongen de Afghanen de stad binnen,
zoo als blijkt uit de inscripties op twee in den muur gemetselde
steenen. De eene inscriptie is in het armenisch, de andere in het
latijn: dit laatste opschrift is vervaardigd door de monniken, die
met pater Krusinski in de stad waren, en die vergunning kregen tot
het aanbrengen dezer inscriptie, als belooning voor de diensten,
gedurende het verschrikkelijke beleg van Ispahan door hen bewezen.
Buiten de omwalling begint een allerbekoorlijkst landschap. Een aantal
schilderachtige dorpjes verschuilen zich in het dichte lommer van
prachtig geboomte; de muren der tuinen en gaarden verdwijnen onder
de bloeiende kamperfoelies en wilde rozen. Nu en dan ziet men, te
midden der bosschages, de ruïnen van kleine moskeeën, nog ten deele
bekleed met een mozaïek van porseleinen tegels. Sedert de invallen
der Afghanen, nu meer dan honderd jaar geleden, zijn de koepels en
gewelven ingestort; de boeren zijn te arm om de kosten der herstelling
te kunnen dragen; de heiligdommen blijven dus in dien half verwoesten
staat, maar worden toch nog voor de eeredienst gebruikt. Wij vervolgen
onzen weg door dit paradijsachtig schoone landschap, tot wij aan
het dorp Koladoen komen, van waar wij, na een rit van een kwartier,
het paleis bereiken.
Lommerrijke boomen, ruischende wateren, een tapeet van malsch groen:
ziedaar het ideaal van een Oosterling, de vervulling van zijne zoetste
wenschen. Dat was ongetwijfeld ook de meening van den laatsten eigenaar
van dit behoorlijk lustoord, die voor omstreeks een paar jaren, op
uitdrukkelijk bevel van prins Zelleh-Sultan, zijne liefelijke woning
moest verlaten om een pelgrimstocht te gaan ondernemen naar Mekka.
Volgens het bevel van den Korân moet iedere Muzelman althans eens
in zijn leven de heilige stad bezoeken: de Shâh en zijn zoon eischen
nu de vervulling van dien plicht, zoo dikwijls zij zich wenschen te
ontdoen van iemand, wiens invloed hun hinderlijk is, of wiens fortuin,
vaak door zeer verdachte middelen verkregen, hunne begeerlijkheid
heeft opgewekt. Het is bijna regel, dat de pelgrims, die aldus op
bevel van den koning naar de heilige plaatsen trekken, nooit terug
komen; de vermoeienissen en gevaren, aan de verre reis verbonden,
geven altijd eene voldoende verklaring van den onverwachten dood dier
onvrijwillige bedevaartgangers.
De eigenaar van Koladoen althans maakte geene uitzondering op dien
regel: zes maanden na zijn vertrek kwam te Ispahan het bericht van
zijn overlijden. Allâh zij zijner ziele genadig! hij is op den weg
des heils bezweken.--Maar hoe is het gegaan met zijne natuurlijke
erfgenamen, zijne vrouwen en kinderen? Het voegt mij niet, hiernaar
te vragen. Mirza Taghuy-Khan is een trouw dienaar, die zich geen
oordeel mag aanmatigen over de handelingen zijns heeren. Zooveel is
zeker, dat het heerlijke paleis van den ongelukkigen pelgrim thans
het eigendom is van prins Zelleh Sultan.
Uit de vensters van de zaal heeft men het uitzicht over de wijde,
vruchtbare vlakte, aan den horizon door eene schilderachtige bergketen
begrensd; door de vlakte slingeren zich, te midden van tabak- en
sorgho-velden, talrijke beken en waterleidingen, waaruit telkens
groote schildpadden te voorschijn kruipen.
In het midden van den tuin bevindt zich een groot reservoir, dat het
noodige water voor de besproeiing der bloemperken en boomgaarden,
die Koladoen omringen, bevat; terwijl de tabak- en katoenvelden
besproeid worden met behulp van hoogst eenvoudige toestellen, zeer
veel overeenkomende met de sjadoefs, die de Egyptenaars gebruiken
om het water van den Nijl op te voeren. Het eenige onderscheid is,
dat hier in Perzië deze werktuigen niet door menschen, maar door
beesten worden in beweging gebracht.
Indien de putten, die doorgaans onder de dichte takken van het geboomte
verborgen zijn, het oog al niet trekken, dan verraden zij zich toch
door het luide geknars en gekraak van hunne raderen. Ter wederzijde
van de opening van den put verheft zich een soort van leemen muur,
waarop een ijzeren staaf rust, die de as vormt van een breed houten
rad. Over dit rad loopt een touw, waarvan het eene uiteinde aan een
grooten lederen zak is bevestigd, terwijl het andere is vastgemaakt
aan den halster van een os, een paard of een muilezel. Voor den put
daalt, tusschen twee muren, een kunstmatig aangelegd pad steil naar
beneden: dit is de loopplaats der dieren. Klimt het paard of de os
naar boven, naar den put, dan daalt de lederen zak in den put en vult
zich met water. De voerman laat dan het dier wenden, dat, dalende, den
gevulden zak omhoog trekt; een man vat den zak aan, en de inhoud wordt
zorgvuldig in de besproeiingsriolen uitgestort. De ossen en paarden,
gewend dag aan dag langs dit pad op en neer te gaan, gehoorzamen
werktuigelijk aan den wenk van den voerman, en brengen zoodoende in
betrekkelijk korten tijd eene vrij groote hoeveelheid water naar boven.
Daar in deze streek het water op geringe diepte beneden de oppervlakte
der aarde gevonden wordt, gaat de besproeiing te Koladoen zeer
gemakkelijk; de landlieden maken van deze gunstige omstandigheid dan
ook gebruik, om somwijlen drie oogsten in het jaar van hunne akkers
te winnen. De voornaamste landbouwprodukten van de vruchtbare vlakte
van den Zendeh-Roed zijn katoen, tabak en papaver.
Behalve eene zorgvuldige besproeiing, zonder welk het zaad zelfs niet
ontkiemen zou, vereischt de tabaksplant, die eene hoogte bereikt
van tachtig duim, zeer weinig zorg en arbeid. Alvorens de bladeren
te plukken, laat men ze aan den stengel drogen; daarna worden zij
uitgezocht en in tien of twaalf verschillende soorten of rubrieken
gerangschikt, beginnende met de zachte en fijne bladeren, tot de harde
schors die, uit hoofde van den lagen prijs, binnen ieders bereik
valt. De tabak van Ispahan is beroemd, en wint het in geur van die
van Shiraz, welke laatste voornamelijk naar Constantinopel en naar
Syrië wordt uitgevoerd.
De katoen eischt minder warmte dan de tabak: zij wordt zoowel in
de provinciën van het noorden als in die van het midden van Perzië,
zeer veel verbouwd. In den bloeitijd prijkt de struik met eene menigte
gele bloesems, die afvallen en vervangen worden door roode bolsters of
peulen, zoo groot als een kleine noot. Deze bolster wordt gaandeweg
harder en verliest zijne kleur; geheel hard geworden, splijt hij en
laat de sneeuwwitte katoen zien. Deze fijne donzige wol zou spoedig
met den wind vervliegen, indien niet alle handen dadelijk gereed waren,
om, op het gunstige oogenblik, de bolsters in te zamelen.
Men bergt het katoen in schuren, waar het van vreemde bestanddeelen
wordt gezuiverd en vervolgens in groote balen ingepakt, die naar de
havens worden vervoerd en van daar naar Frankrijk of Engeland gezonden
om verwerkt te worden.
De katoenteelt zou niet minder voordeelen opleveren dan de kultuur
van papaver of tabak, indien de katoen ook in het land zelf verwerkt
werd. Ongelukkig gaan alle mogelijke voordeelen, die de katoen
kan afwerpen, voor de inlandsche handelaars verloren: door de
schuld van de regeering bevinden zij zich in eene zeer ongunstige
verhouding tegenover eenige europeesche handelshuizen, die geene
moeite ontzien om de ontwikkeling der nationale industrie zoo veel
mogelijk tegen te werken. Een voorbeeld uit zeer velen. De goederen,
die in Perzië worden ingevoerd of naar het buitenland uitgevoerd,
zijn aan een vast recht onderworpen, bedragende ongeveer vijf ten
honderd van de handelswaarde: zoo is het officieele tarief. In de
werkelijkheid echter worden niet alleen aan de grenzen, maar ook
nog in iedere stad inkomende rechten geheven en worden de goederen
telkens op nieuw gevisiteerd. Om nu aan deze afpersingen zoo veel
mogelijk te ontkomen en het goed niet verbeurd te zien verklaren,
moeten er fooien of geschenken gegeven worden aan de gouverneurs,
aan de beambten der douane en aan hunne talrijke ondergeschikten,
die nog hebzuchtiger en minder gemakkelijk te bedriegen zijn dan
hunne meesters: op die wijze wordt, als de karavanen verschillende
provinciën moeten doortrekken, dikwerf het drie- en vierdubbele
betaald van hetgeen men volgens de wet verschuldigd is.
Gansch anders is het met de Europeanen gesteld. Door hunne consuls en
gezanten beschermd, betalen zij eenvoudig het verschuldigde recht,
waarna niemand hen meer lastig durft vallen, en zij hunne waren
ongehinderd door het geheele koninkrijk kunnen vervoeren. Zoo doende
valt het hun niet moeilijk, zeer aanzienlijke winsten te maken, en
toch hunne koopwaren tegen veel minder prijs te verkoopen, dan dien
de inlandsche kooplieden moeten vorderen.
Naast de besproeiing is bemesting noodig om den grond vruchten te
doen voortbrengen. Dit is een punt van belang, en men verzint dan ook
allerlei middelen om zich meststoffen te verschaffen, zonder al te
nauwkeurig naar de herkomst te onderzoeken. In de straten van Ispahan
vindt men langs de huizen eenvoudige open putten, waarin de faecaliën
uit de woningen worden geworpen, en die tevens ten dienste zijn van
het publiek. Bovendien vindt men in de onmiddellijke nabijheid van
bijna alle steden en dorpen, even als in Egypte, een groot aantal
duiventillen. Wie Ispahan nadert, zou inderdaad kunnen meenen dat
de inwoners dier stad zich uitsluitend met duiven voeden. Dit is
echter het geval niet: men verlangt van de duiven niet anders dan
dat zij zich zooveel mogelijk vermenigvuldigen en hokvast blijven: de
duivenmest toch, met puin en steengruis vermengd, is de beste meststof
voor de velden, waarop de meloenen en die heerlijke pasteken groeien,
waarmede de bewoners van Ispahan zich gedurende de zomermaanden bijna
uitsluitend voeden.
De beste meloenen groeien echter niet op de aldus bemeste landen,
maar op de grenzen der woestijn, in min of meer zoutachtige gronden,
waaraan zij haar fijnen smaak en heerlijken geur te danken hebben. Naar
de echte liefhebbers beweren, kan men hoogstens om de dertig jaren,
op denzelfden grond meloenen telen. Naar men zegt, worden de meloenen
die op de tafel van den Shâh verschijnen, aldus gekweekt.
De groote hitte is voorbij: het begint een weinig af te koelen;
wij verlaten de tuinen, en Mirza-Taghuy Khan noodigt ons uit, een
bezoek te gaan brengen aan een oud gebouwtje, op een heuvel midden
in de vallei van den Zendeh-Roed. Wij gaan derwaarts.
Op den top van dien heuvel bevindt zich een soort van ronden toren, die
vroeger met een koepel gedekt was en in het benedengedeelte voorzien
van acht openingen, op gelijke afstanden aangebracht. Aan den vorm
der bogen bespeurt men, dat het gebouw in betrekkelijk modernen tijd
is gerestaureerd; maar het inwendige bevat niets, waaruit met eenige
zekerheid een besluit zou kunnen worden opgemaakt omtrent den tijd
der stichting. Beneden dit gebouw ziet men de ruïnen van ingevallen
huizen, en rondom die huizen een muur van groote gebakken steenen
opgetrokken. De verschillende steenlagen zijn van elkander gescheiden
door een laag riet en biezen, ongeveer op dezelfde wijze als bij de
oude monumenten in Babylonië.
Men verkeert in het onzekere omtrent den oorsprong en de bestemming
dezer ruïnen, waaraan de bewoners van Ispahan, tamelijk willekeurig,
den naam hebben gegeven van Ateshka (vuuraltaar). Het is zeer wel
mogelijk, dat in vroeger eeuwen, ook op dezen heuvel altaren hebben
gestaan, aan het heilige vuur gewijd; maar dat verklaart nog niet de
aanwezigheid van zware muren op den top des bergs: immers, volgens
de verzekering van Herodotus, hadden de vuuraanbidders geen tempels,
maar bouwden zij hunne altaren in de open lucht. Uit eene nauwkeurige
studie van de ruïnen van Ateshka schijnt veeleer af te leiden dat de
oudste gebouwen de overblijfselen zijn van eene vesting uit den tijd
der Sassaniden, die den loop van den Zendeh-Roed moest bestrijken, en
misschien tevens aan den gouverneur van Djeï, in tijden van oorlog of
opstand, eene wijkplaats aanbieden, waar hij genoegzaam tegen iederen
aanval beveiligd was.
Toen de avond begon te vallen, besloten wij de rijtuigen van den
prins te gaan opzoeken, die in een naburig dorpje waren gestald,
en die wij spoedig vonden. Ik klom met Mirza-Taghuy Khan in een met
zes paarden bespannen coupé. Pater Paschalis, mijn echtgenoot en nog
eenige andere personen werden opeengepakt in een kales. Zoodra wij
plaats genomen hebben, legt de koetsier de zweep op de paarden,--en
voorwaarts gaat het! Wij rijden weg, onder de eerbiedige begroetingen
en huldebewijzen van de saamgestroomde dorpelingen, die met verbazing
de rijtuigen van den zoon des konings aanstaren en ons natuurlijk
voor zeer hooge personages houden.
Weldra zijn wij buiten het dorp en rijden nu over smalle wegen,
aan de eene zijde begrensd door muren, aan de andere door slooten,
die wel niet diep zijn, maar toch diep en vooral steil genoeg om
een leelijk ongeluk te krijgen, als wij er in mochten buitelen. De
dertig ruiters van ons escorte, die vooruit draven, jagen zulke
dichte stofwolken op, dat mijn reisgenoot en ik genoodzaakt zijn,
mond en oogen dicht te houden, om niet te stikken en blind te worden;
maar dit had nog niets te beduiden, vergeleken met de gymnastische
oefeningen, die wij voortdurend in praktijk moesten brengen om ons
ook maar eenigszins in evenwicht te houden.
Het in vollen ren hollende rijtuig springt als een elastieke bal,
nu eens tegen de muren geslingerd, waarvan de stukken afvliegen; dan
weer door slooten, greppels en kanalen gesleept, waarvan het water
ons om de ooren spat; terwijl wij, ons krampachtig vastklemmende aan
de portieren, ons best doen om niet met onze hoofden door de kap van
het rijtuig te stooten.
Mirza-Taghuy Khan houdt zich goed: hij wil mij waarschijnlijk het
bewijs leveren dat in Perzië alles mogelijk is: maar in zijn hart is
hij gansch niet op zijn gemak. Als de rijtuigen eens braken! Gisteren
nog heeft hij een vertrouwelijken brief van den prins gekregen, waarin
deze zich beklaagde dat er te Boeroedjerd geene mooie vrouwen waren,
en last gaf aanstonds eenige dames uit den anderoen te zenden. Ten
einde de khanoems niet door eene lange reis te paard te vermoeien,
moeten zij zorgvuldig ingepakt worden in de twee rijtuigen, waarmede
wij thans zulk een fantastischen rit doen. Zijn de wegen te smal of de
berghellingen te steil voor de paarden, dan moeten de soldaten van de
vier compagnieën infanterie, die als escorte medegaan, de rijtuigen
voorttrekken.--Wat zou Mirza-Taghuy Khan beginnen, als de equipages
nu eens verongelukten!
Wij komen ten slotte toch behouden aan, en stappen, met een zucht van
verlichting, vermoeid, half geledebraakt en onkenbaar van de stof,
uit de rijtuigen van prins Zelleh-Sultan.