XV

1 September.--Toen wij gisteren in het klooster terugkeerden, deelde

de Padri ons mede, dat de onder-gouverneur ons heden, twee uren na

zonsopgang, zou ontvangen. Nauwelijks kleurde het schijnsel van den

dageraad den wolkenloozen hemel, of de luide stem van den goeden Padri

weerklonk op het terras, waar hij gewoonlijk slaapt naast zijn trouwen

bediende, den veelzijdig ontwikkelden knaap Katsjik. Onze paarden

moesten behoorlijk opgepoetst en geroskamd worden, om een goed figuur

te maken bij onze intrede in het paleis van den vice-gouverneur.

Met al deze voorbereidingen gaat vrij veel tijd verloren; het bepaalde

uur is reeds verstreken; om den tocht zooveel mogelijk te bekorten,

gaan wij, aan den oever van den Zendeh-Roed gekomen, rechtstreeks

te water en doorwaden de rivier. Er staat niet veel meer dan een el

water in den Zendeh-Roed, maar de stroom is zeer snel, zoodat wij een

eind weegs worden medegevoerd, en ik moeite heb, mij in den zadel

te houden. Aan den overkant gekomen, leidt de Padri ons door eene

straat, met vervallen paleizen omzoomd; vervolgens gaan wij door de

tuinen van het Tsjeel-Soetoen, en houden eindelijk stil voor eene

lage poort. Na door een soort van kronkelende gang te zijn gegaan,

komen wij op eene ruime binnenplaats, met vruchtboomen en rozenstruiken

beplant en versierd met priëelen van wingerdloof.

De vertegenwoordiger van den prins ontvangt ons in eene zeer

eenvoudige zaal; het deftige kostuum van den hoogen staatsambtenaar

bewijst echter, dat de audiëntie een officieel, statig karakter

draagt. De vice-gouverneur staat bekend als een der aangenaamste

praters van Perzië; hij spreekt zeer zuiver het dialekt van Shiraz,

zijne vaderstad, en drukt zich met gemak en met groote eenvoudigheid

uit. Wij hebben, zooveel in ons vermogen was, de perzische geschiedenis

bestudeerd en konden dus met den vice-gouverneur, die een geleerde

is, een belangrijk gesprek voeren, voornamelijk over het leven en

de daden van Shâh Abbas, die den bijnaam van den Groote verwierf,

en wiens herinnering nog steeds te Ispahan voortleeft.

De vice-gouverneur geleidt ons naar het paviljoen, dat prins

Zelleh-Sultan bewoont, wanneer hij zich te Ispahan ophoudt. De

dekoratie van dit smaakvolle paviljoen bestaat geheel uit spiegels

en herinnert aan die van het Tsjeel-Soetoen. Elk der vier achthoekige

pilaren, die het dak der zaal dragen, rust op eene groep van vier jonge

meisjes, die leeuwenkoppen ondersteunen, waaruit waterstralen in het

marmeren bekken, dat het midden der zaal inneemt, vallen. Als men deze

beelden ziet, begrijpt men aanstonds dat de perzische kunstenaars niet

gewoon zijn, het menschenbeeld te behandelen; toch hebben deze figuren,

de eenigen die ik in Perzië heb gezien, zekere naïeve bevalligheid,

hoe onbeholpen zij wezen mogen.

Ter wederzijde van de zaal bevinden zich eenige kleinere

vertrekken. Het grootste is in europeeschen stijl gemeubeld en voorzien

van een grooten toiletspiegel, waarin de prins gaarne zich zelven

beschouwt, om te zien of zijne houding en bewegingen de bevalligheid

en majesteit hebben, die aan zijn hoogen rang en zijne doorluchtige

geboorte uit den stam van Kadsjar passen. Zelleh-Sultan heeft van de

natuur uitmuntende geestesgaven ontvangen, maar met uiterlijk schoon is

hij niet bedeeld. Te oordeelen naar zijne vele portretten, is de zoon

des konings klein van gestalte en zeer dik; ten gevolge van een slag,

dien hij als kind gekregen heeft, is het eene oog bijna gesloten; men

zou zeggen, dat koketterie voor hem niet te pas komt. Maar een prins,

en met name een oostersche prins, komt niet licht tot het bewustzijn

dat hij leelijk is, en al ware hij voor zich zelven daarvan overtuigd,

dan zouden zijne vleiers hem wel het tegendeel weten te beduiden. Prins

Zelleh-Sultan houdt zich dus waarschijnlijk voor een Apollo, en de

zorg voor zijn persoon en zijne kleeding is niet eene van zijne

minste bezigheden. Hij heeft in zijne garderobe de uniformen van

alle souvereinen van Europa en trekt die beurtelings aan; niet lang

geleden zag hij eene fraaie fotografie van den hertog van Connaught

in de uniform van engelsch generaal; hij liet zijn kleermaker, een

agent van de firma Holz, ontbieden en zeide tot hem:

"Laat mij zulk een pak maken.

--Hoogheid, de roode kleur doet alle gebreken van een verkeerd

geknipten rok dubbel uitkomen; het ware daarom wenschelijk dat ik de

maat mocht nemen, opdat het kleed Uwe Hoogheid goed zou passen.

--Dat is niet noodig, hernam de prins, die evenmin als zijn

doorluchtige vader dulden kan dat een zijner onderhoorigen zoo zeer den

verschuldigden eerbied uit het oog verliest om hem aan te raken:--dat

is niet noodig: zeg aan den kleermaker dat deze uniform bestemd is

voor een welgebouwd jonkman, wiens gestalte majestueuser is dan die

van den hertog van Connaught."

De agent gaf aan zijn correspondent last, om voor de maat zoowat

den omvang van een biervat te nemen; toch was de uniform, toen zij

afgeleverd werd, nog te nauw voor den perzischen prins.--Gelukkig

dat men, naar het schijnt, den prins geen ernstiger gebreken kan

verwijten: zijne geboorte, zijne opvoeding, zijne schier onbeperkte

macht en de tradities van zijn huis hadden erger ondeugden bij hem

kunnen ontwikkelen dan deze onschuldige koketterie.

Achter dit paviljoen bevindt zich de anderoen of harem voor de

bijwijven van Zelleh-Sultan, die na den dood der dochter van den

emir nizam geene tweede wettige gemalin genomen heeft. Daar de prins

niet tegenwoordig was, om mij den toegang te verschaffen, heb ik dit

gedeelte van het paleis niet kunnen bezoeken; maar ik heb iets anders

gezien, in zijne soort ruim zoo merkwaardig als odalisken, althans

volgens de verklaring der bedienden: namelijk vier vette varkens,

welgedaan en in blakenden welstand. Deze varkens zijn de eenige

exemplaren van hunne soort, die in geheel Perzië te vinden zijn. De

invoer van varkens, levend of dood, is ten strengste verboden, en hier

zoudt ge te vergeefs varkensvleesch zoeken, in welken vorm ook. Naar

men zegt, had de prins met het invoeren dier varkens in zijn eigen

paleis geene andere bedoeling, dan om het verbod van den Korân te

trotseeren en de geestelijkheid te ergeren: is dit zoo, dan verdient

zijne handelwijze onbepaalde afkeuring en is zij een verstandig man,

bovenal een vorst, ten eenemale onwaardig.

Het is dan ook niet vreemd, dat de mollahs niet zeer ingenomen zijn

met Zelleh-Sultan en zijne liberale neigingen; maar zij zijn wel

genoodzaakt een prins te ontzien, die het bestuur voert over al de

zuidelijke provinciën van Perzië, en van wien men verwacht, dat hij,

bij den dood zijns vaders, zal trachten een onafhankelijk rijk te

stichten, voorloopig het noorden overlatende aan zijn broeder, dien

hij dan later zijn land ontnemen kan, wanneer althans de Russen hem

daarbij niet voor zijn geweest. Zelleh-Sultan is te machtig en te

eerzuchtig om vrijwillig afstand te doen van de hooge positie die hij

inneemt; komt de kroonprins op den troon, dan zal hij genoodzaakt zijn,

zich van een zoo geduchten vasal te ontdoen. Men houdt zich in Perzië

dan ook vrij algemeen overtuigd, al durft men het niet uitspreken,

dat de troon zal worden ingenomen door dengeen van de twee broeders,

die het eerst den ander zal kunnen laten dooden.

Van het paleis terugkeerende, volgden wij den grooten weg van den

Tsjaar-Bagh, die ons naar Dsjoelfa brengen zal; deze weg, doorgaans

eenzaam en verlaten, wordt alleen tegen den avond wat levendiger,

als de karavanen zich op weg begeven. Welk een verschil met de

drukte en beweging, de pracht en weelde, die hier voor tweehonderd

jaren heerschten! Toen zag men, op de met marmeren zerken geplaveide

middenlaan, de aanzienlijke heeren van het hof van den Shâh wandelen,

gedost in kostbare gewaden, schitterende van goud en purper, en

bezaaid met edelgesteenten; en in de zijlanen draafden op prachtige

paarden smaakvol gekleede ruiters, die hunne schitterend opgetuigde

rossen lieten steigeren en dansen voor de oogen der schoone dames,

verborgen achter de getraliede vensters van de Bala-Khaneh, aan het

einde der dreef. Over de platte daken der naburige huizen gaande, heb

ik dat beroemde paviljoen bezocht en van daar uit een blik geworpen

in den Tsjaar-Bagh. De sierlijke ruiters, de voorname hovelingen zijn

verdwenen; enkele voetgangers sleepen zich voort, gebogen onder de

vracht op hunne schouderen; de reusachtige platanen met hunne kale

stammen zijn beroofd van het gebladerte, dat voor de gezondheid en het

leven der boomen noodig is; de zerken gezakt en losgeraakt; de kanalen

zijn uitgedroogd; de vijvers, met stilstaand stinkend water gevuld,

zijn vuile poelen; de van heesters en planten beroofde perken missen

die groote wilde rozelaren, die haast in iederen tuin groeien.

Toch beklaagde ik mijn bezoek in de Bala-Khaneh niet. De vertrekken

zijn versierd met lambrizeeringen van verwonderlijk schoone

porseleinen tegels. Deze geëmailleerde tegels vormen schilderijen,

waarop verschillende tafreelen uit het leven in den harem zijn

voorgesteld. In kostbare kleederen van brokaat gedost, met tulbanden

of diademen van edelgesteenten op het hoofd, zitten de dames in fraaie

tuinen, en eten bonbons en vruchten. Vermoedelijk heeft de kunstenaar

zich op chineesche modellen geïnspireerd, want de gelaatsvorm en de

trekken der dames wijken ten eenemale af van den iranischen type. Deze

onderstelling behoeft niet te verwonderen, want men vindt in Perzië

blauw beschilderde schotels en vazen, die bijna niet van echt chineesch

porselein zijn te onderscheiden. Bijna alle figuren op de wanden van de

Bala-Khaneh zijn met een hamer stuk geslagen of zeer beschadigd. Deze

barbaarsche schending had meer dan waarschijnlijk plaats onder Shâh

Abbas II, die, althans in den eersten tijd zijner regeering, zich

door bijzonder strenge vroomheid onderscheidde, en voor wien dus deze

beschilderde paneelen, als in strijd met den Korân, een gruwel waren.

3 September.--Reeds verscheidene malen ben ik langs den voorgevel

van de medresseh (school) van Shâh Sultan Hoesein gegaan, en steeds

levendiger werd bij mij de begeerte om dit gebouw te zien, waarvan de

monumentale poort en de blauw geëmailleerde koepel in de hoogste mate

mijne bewondering hadden opgewekt. De enorme boog, die den ingang

van de medresseh vormt, verheft zich in het midden van een bijna

honderd el breeden voorgevel met twee verdiepingen. Een breede band

van geëmailleerd blauw porselein, op albasten voetstukken rustende,

omzoomt den geheelen boog. De deur is van cypressenhout en bekleed

met kunstig geciseleerde zilveren platen. Binnentredende komt men

in een ruime achtkantige vestibule, met een koepel gedekt; rechts en

links ziet men houten stellages, waarop handelaars in levensmiddelen

heerlijke perziken, prachtige druiven, melk, komkommers, vleeschspijzen

en andere mondbehoeften ten toon stellen.

Deze vestibule, waar meesters en leerlingen zich op het etensuur van

het noodige komen voorzien, heeft aan alle zijden hooge en breede

poorten, die hetzij naar andere portalen, hetzij naar de binnenplaats

voeren. Deze ruime binnenhof is beplant met heerlijke platanen,

die ditmaal niet geschonden zijn, maar al hunne takken hebben behouden.

Tooverachtiger aanblik dan van dezen binnenhof is niet te bedenken. Op

den voorgrond weerspiegelen zich de meer dan honderdjarige boomen

in de heldere wateren van langwerpige albasten bassins; hun dicht

donker gebladerte vormt de wonderschoone lijst van eene weergalooze

dekoratie. Op den achtergrond, als in een lichtenden nevel gehuld,

verrijzen de koepel en de minarets, van onderen tot boven bekleed

met veelkleurige geëmailleerde tegels, schitterende in de stralen der

zon. Tegen het hemelsblauwe fond van den koepel teekenen zich bevallige

witte voluten af, en licht gele arabesken, omzoomd door een rand van

donker blauw of zwart. De bekleeding van het benedengedeelte van het

gebouw bestaat uit melkwitte porseleinen tegels, beschilderd met een

donkerblauw netwerk.--De kunstenaars, die dit bewonderenswaardige

monument hebben geschapen, hebben alle aanspraak op onze hulde en

bewondering: het is niet mogelijk, in architekturale dekoratie iets

voortreffelijkers te leveren, of met meer smaak en takt partij te

trekken van de hulpmiddelen die de eigenaardige natuur van het Oosten

aanbiedt. Ik ken in geheel Europa geen enkel monument, waarvan men

zulk een indruk ontvangt als van de medresseh van Shâh Hoesein.

De leerlingen zijn in dezen tijd des jaars niet talrijk

vertegenwoordigd. Zonder de uitstallingen der kooplieden in de voorhal,

en zonder enkele mollahs, die voor de deur hunner cel hunne pijp

zitten te rooken, zou de medresseh wel geheel uitgestorven schijnen.

Om, vooral bij de heerschende hitte, alle noodelooze vermoeienis te

vermijden, stelt onze onwaardeerbare gids, de Padri, ons voor, niet

op het midden van den dag naar Dsjoelfa terug te keeren, maar ons

dejeuner te gebruiken in de karavanserai, waar zich de magazijnen

bevinden van Kodja Yoessoef. Het kantoor van onzen vriend ligt

juist in het drukste gedeelte van deze buurt. Nergens, zelfs niet te

Constantinopel, te Teheran of te Kashan, zag ik zulk eene drukte en

zulk een gewoel als in deze bazars; de schoonste en meest bezochte van

het geheele Oosten. Potten en schotels van oud-chineesch en japansch

porselein, vazen van geciseleerd koper uit den tijd van Shâh Abbas,

hanglampen van massief zilver met turkoizen en parelen bezet: deze

en dergelijke kostbaarheden versieren de winkels en maken dien bazar

tot een waar museum. Museum is inderdaad het juiste woord: ge moogt al

deze kunstwerken vrij bewonderen, maar behoeft er niet aan te denken,

ze te koopen; de kooplieden, die trotsch zijn op het bezit van deze

schatten, waarvan zij de waarde zeer goed kennen, willen die tot geen

prijs afstaan. Overigens dienen deze kostbare voorwerpen niet enkel

tot dekoratie: zij prijken allen met reusachtige bouquetten van witte

en gele rozen, van hyacinthen en jasmijnen, waarvan de doordringende

geuren de vrij bedorven lucht in den met menschen overvulden bazar

althans eenigermate zuiveren.

In dezen tijd des jaars levert vooral de bazar der fruit- en

groentenverkoopers een verrassenden aanblik op. Aan alle zijden ziet

ge stapels van reusachtige, blozende, donzige perziken, pyramiden van

zoete lemoenen, van geurige meloenen en komkommers; in het midden

gespleten pasteken lokken u met hun malsch rood vleesch, zwellende

van welriekend sap; in bonte wanorde liggen op den grond donkerblauwe

druiven en kolossale melansaanappels en velerlei andere vruchten,

een mozaïek van kleuren vormende, waaraan uw oog zich verlustigt. En

niet verre van daar wordt uwe aandacht getrokken door de uitstallingen

der kruideniers, der apothekers en drogisten, waar, beschenen door

het uit de koepels neervallende licht, reeksen van glazen bokalen

en flesschen schitteren, gevuld met allerlei zouten en mineralen,

met peper en safraan en andere specerijen, die bij de toebereiding

van sommige spijzen worden gebruikt.

De binnenplaats van de armenische karavanserai, waarin zich het kantoor

en de magazijnen van Kodja-Yoessoef bevinden, is omgeven door eene

rij van diepe kamers, die met houten luiken worden gesloten. Op het

midden van den dag zijn al die luiken zorgvuldig gegrendeld, Want de

rijke kooplieden brengen slechts eenige uren in hun kantoor door;

terwijl de kleine handelaars van den bazar aan de buitenzijde den

ganschen dag in hun winkel blijven.

De Padri klopt aan; bedienden geleiden ons naar eene overwelfde

zaal, waarin eene verkwikkelijke koelte heerscht. Uit eene

naburige gaarkeuken halen onze bedienden, voor ons dejeuner,

heerlijke kiëbabs in eene fijne broodkorst gewikkeld, en gekonfijte,

sterk gekruide vruchten, die in Perzië bij eiken maaltijd worden

gegeten. Na afloop van het ontbijt laat Kodja-Yoessoef mij eenige

kunstwerken in smeedwerk zien: vogels, schilden, schotels en kannen

van geslagen ijzer, keurig gepolijst en ingelegd met fijne draden

van goud of platina. Ook eenige voorname handelaren in tapijten komen

ons bezoeken. Een hunner noodigt ons uit, in zijn huis een kop thee

te komen drinken, daar zijne artikelen niet gemakkelijk te vervoeren

zijn. Ik neem zijne uitnoodiging te gereeder aan, omdat hij, naar men

zegt, met eene der mooiste vrouwen van Ispahan gehuwd is. Intusschen

zal het mij niet gemakkelijk vallen, in den anderoen door te dringen;

want de koopman, als meest alle anderen, misleid door mijne kleeding

en mijn verbrand gelaat, houdt mij voor een jonkman. Hij ziet mij

aan voor den zoon van mijn echtgenoot, en maakt hem een kompliment

over mijne treffende gelijkenis met mijn onderstelden vader.

Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887 · 第 15 / 41 题