1 September.--Toen wij gisteren in het klooster terugkeerden, deelde
de Padri ons mede, dat de onder-gouverneur ons heden, twee uren na
zonsopgang, zou ontvangen. Nauwelijks kleurde het schijnsel van den
dageraad den wolkenloozen hemel, of de luide stem van den goeden Padri
weerklonk op het terras, waar hij gewoonlijk slaapt naast zijn trouwen
bediende, den veelzijdig ontwikkelden knaap Katsjik. Onze paarden
moesten behoorlijk opgepoetst en geroskamd worden, om een goed figuur
te maken bij onze intrede in het paleis van den vice-gouverneur.
Met al deze voorbereidingen gaat vrij veel tijd verloren; het bepaalde
uur is reeds verstreken; om den tocht zooveel mogelijk te bekorten,
gaan wij, aan den oever van den Zendeh-Roed gekomen, rechtstreeks
te water en doorwaden de rivier. Er staat niet veel meer dan een el
water in den Zendeh-Roed, maar de stroom is zeer snel, zoodat wij een
eind weegs worden medegevoerd, en ik moeite heb, mij in den zadel
te houden. Aan den overkant gekomen, leidt de Padri ons door eene
straat, met vervallen paleizen omzoomd; vervolgens gaan wij door de
tuinen van het Tsjeel-Soetoen, en houden eindelijk stil voor eene
lage poort. Na door een soort van kronkelende gang te zijn gegaan,
komen wij op eene ruime binnenplaats, met vruchtboomen en rozenstruiken
beplant en versierd met priëelen van wingerdloof.
De vertegenwoordiger van den prins ontvangt ons in eene zeer
eenvoudige zaal; het deftige kostuum van den hoogen staatsambtenaar
bewijst echter, dat de audiëntie een officieel, statig karakter
draagt. De vice-gouverneur staat bekend als een der aangenaamste
praters van Perzië; hij spreekt zeer zuiver het dialekt van Shiraz,
zijne vaderstad, en drukt zich met gemak en met groote eenvoudigheid
uit. Wij hebben, zooveel in ons vermogen was, de perzische geschiedenis
bestudeerd en konden dus met den vice-gouverneur, die een geleerde
is, een belangrijk gesprek voeren, voornamelijk over het leven en
de daden van Shâh Abbas, die den bijnaam van den Groote verwierf,
en wiens herinnering nog steeds te Ispahan voortleeft.
De vice-gouverneur geleidt ons naar het paviljoen, dat prins
Zelleh-Sultan bewoont, wanneer hij zich te Ispahan ophoudt. De
dekoratie van dit smaakvolle paviljoen bestaat geheel uit spiegels
en herinnert aan die van het Tsjeel-Soetoen. Elk der vier achthoekige
pilaren, die het dak der zaal dragen, rust op eene groep van vier jonge
meisjes, die leeuwenkoppen ondersteunen, waaruit waterstralen in het
marmeren bekken, dat het midden der zaal inneemt, vallen. Als men deze
beelden ziet, begrijpt men aanstonds dat de perzische kunstenaars niet
gewoon zijn, het menschenbeeld te behandelen; toch hebben deze figuren,
de eenigen die ik in Perzië heb gezien, zekere naïeve bevalligheid,
hoe onbeholpen zij wezen mogen.
Ter wederzijde van de zaal bevinden zich eenige kleinere
vertrekken. Het grootste is in europeeschen stijl gemeubeld en voorzien
van een grooten toiletspiegel, waarin de prins gaarne zich zelven
beschouwt, om te zien of zijne houding en bewegingen de bevalligheid
en majesteit hebben, die aan zijn hoogen rang en zijne doorluchtige
geboorte uit den stam van Kadsjar passen. Zelleh-Sultan heeft van de
natuur uitmuntende geestesgaven ontvangen, maar met uiterlijk schoon is
hij niet bedeeld. Te oordeelen naar zijne vele portretten, is de zoon
des konings klein van gestalte en zeer dik; ten gevolge van een slag,
dien hij als kind gekregen heeft, is het eene oog bijna gesloten; men
zou zeggen, dat koketterie voor hem niet te pas komt. Maar een prins,
en met name een oostersche prins, komt niet licht tot het bewustzijn
dat hij leelijk is, en al ware hij voor zich zelven daarvan overtuigd,
dan zouden zijne vleiers hem wel het tegendeel weten te beduiden. Prins
Zelleh-Sultan houdt zich dus waarschijnlijk voor een Apollo, en de
zorg voor zijn persoon en zijne kleeding is niet eene van zijne
minste bezigheden. Hij heeft in zijne garderobe de uniformen van
alle souvereinen van Europa en trekt die beurtelings aan; niet lang
geleden zag hij eene fraaie fotografie van den hertog van Connaught
in de uniform van engelsch generaal; hij liet zijn kleermaker, een
agent van de firma Holz, ontbieden en zeide tot hem:
"Laat mij zulk een pak maken.
--Hoogheid, de roode kleur doet alle gebreken van een verkeerd
geknipten rok dubbel uitkomen; het ware daarom wenschelijk dat ik de
maat mocht nemen, opdat het kleed Uwe Hoogheid goed zou passen.
--Dat is niet noodig, hernam de prins, die evenmin als zijn
doorluchtige vader dulden kan dat een zijner onderhoorigen zoo zeer den
verschuldigden eerbied uit het oog verliest om hem aan te raken:--dat
is niet noodig: zeg aan den kleermaker dat deze uniform bestemd is
voor een welgebouwd jonkman, wiens gestalte majestueuser is dan die
van den hertog van Connaught."
De agent gaf aan zijn correspondent last, om voor de maat zoowat
den omvang van een biervat te nemen; toch was de uniform, toen zij
afgeleverd werd, nog te nauw voor den perzischen prins.--Gelukkig
dat men, naar het schijnt, den prins geen ernstiger gebreken kan
verwijten: zijne geboorte, zijne opvoeding, zijne schier onbeperkte
macht en de tradities van zijn huis hadden erger ondeugden bij hem
kunnen ontwikkelen dan deze onschuldige koketterie.
Achter dit paviljoen bevindt zich de anderoen of harem voor de
bijwijven van Zelleh-Sultan, die na den dood der dochter van den
emir nizam geene tweede wettige gemalin genomen heeft. Daar de prins
niet tegenwoordig was, om mij den toegang te verschaffen, heb ik dit
gedeelte van het paleis niet kunnen bezoeken; maar ik heb iets anders
gezien, in zijne soort ruim zoo merkwaardig als odalisken, althans
volgens de verklaring der bedienden: namelijk vier vette varkens,
welgedaan en in blakenden welstand. Deze varkens zijn de eenige
exemplaren van hunne soort, die in geheel Perzië te vinden zijn. De
invoer van varkens, levend of dood, is ten strengste verboden, en hier
zoudt ge te vergeefs varkensvleesch zoeken, in welken vorm ook. Naar
men zegt, had de prins met het invoeren dier varkens in zijn eigen
paleis geene andere bedoeling, dan om het verbod van den Korân te
trotseeren en de geestelijkheid te ergeren: is dit zoo, dan verdient
zijne handelwijze onbepaalde afkeuring en is zij een verstandig man,
bovenal een vorst, ten eenemale onwaardig.
Het is dan ook niet vreemd, dat de mollahs niet zeer ingenomen zijn
met Zelleh-Sultan en zijne liberale neigingen; maar zij zijn wel
genoodzaakt een prins te ontzien, die het bestuur voert over al de
zuidelijke provinciën van Perzië, en van wien men verwacht, dat hij,
bij den dood zijns vaders, zal trachten een onafhankelijk rijk te
stichten, voorloopig het noorden overlatende aan zijn broeder, dien
hij dan later zijn land ontnemen kan, wanneer althans de Russen hem
daarbij niet voor zijn geweest. Zelleh-Sultan is te machtig en te
eerzuchtig om vrijwillig afstand te doen van de hooge positie die hij
inneemt; komt de kroonprins op den troon, dan zal hij genoodzaakt zijn,
zich van een zoo geduchten vasal te ontdoen. Men houdt zich in Perzië
dan ook vrij algemeen overtuigd, al durft men het niet uitspreken,
dat de troon zal worden ingenomen door dengeen van de twee broeders,
die het eerst den ander zal kunnen laten dooden.
Van het paleis terugkeerende, volgden wij den grooten weg van den
Tsjaar-Bagh, die ons naar Dsjoelfa brengen zal; deze weg, doorgaans
eenzaam en verlaten, wordt alleen tegen den avond wat levendiger,
als de karavanen zich op weg begeven. Welk een verschil met de
drukte en beweging, de pracht en weelde, die hier voor tweehonderd
jaren heerschten! Toen zag men, op de met marmeren zerken geplaveide
middenlaan, de aanzienlijke heeren van het hof van den Shâh wandelen,
gedost in kostbare gewaden, schitterende van goud en purper, en
bezaaid met edelgesteenten; en in de zijlanen draafden op prachtige
paarden smaakvol gekleede ruiters, die hunne schitterend opgetuigde
rossen lieten steigeren en dansen voor de oogen der schoone dames,
verborgen achter de getraliede vensters van de Bala-Khaneh, aan het
einde der dreef. Over de platte daken der naburige huizen gaande, heb
ik dat beroemde paviljoen bezocht en van daar uit een blik geworpen
in den Tsjaar-Bagh. De sierlijke ruiters, de voorname hovelingen zijn
verdwenen; enkele voetgangers sleepen zich voort, gebogen onder de
vracht op hunne schouderen; de reusachtige platanen met hunne kale
stammen zijn beroofd van het gebladerte, dat voor de gezondheid en het
leven der boomen noodig is; de zerken gezakt en losgeraakt; de kanalen
zijn uitgedroogd; de vijvers, met stilstaand stinkend water gevuld,
zijn vuile poelen; de van heesters en planten beroofde perken missen
die groote wilde rozelaren, die haast in iederen tuin groeien.
Toch beklaagde ik mijn bezoek in de Bala-Khaneh niet. De vertrekken
zijn versierd met lambrizeeringen van verwonderlijk schoone
porseleinen tegels. Deze geëmailleerde tegels vormen schilderijen,
waarop verschillende tafreelen uit het leven in den harem zijn
voorgesteld. In kostbare kleederen van brokaat gedost, met tulbanden
of diademen van edelgesteenten op het hoofd, zitten de dames in fraaie
tuinen, en eten bonbons en vruchten. Vermoedelijk heeft de kunstenaar
zich op chineesche modellen geïnspireerd, want de gelaatsvorm en de
trekken der dames wijken ten eenemale af van den iranischen type. Deze
onderstelling behoeft niet te verwonderen, want men vindt in Perzië
blauw beschilderde schotels en vazen, die bijna niet van echt chineesch
porselein zijn te onderscheiden. Bijna alle figuren op de wanden van de
Bala-Khaneh zijn met een hamer stuk geslagen of zeer beschadigd. Deze
barbaarsche schending had meer dan waarschijnlijk plaats onder Shâh
Abbas II, die, althans in den eersten tijd zijner regeering, zich
door bijzonder strenge vroomheid onderscheidde, en voor wien dus deze
beschilderde paneelen, als in strijd met den Korân, een gruwel waren.
3 September.--Reeds verscheidene malen ben ik langs den voorgevel
van de medresseh (school) van Shâh Sultan Hoesein gegaan, en steeds
levendiger werd bij mij de begeerte om dit gebouw te zien, waarvan de
monumentale poort en de blauw geëmailleerde koepel in de hoogste mate
mijne bewondering hadden opgewekt. De enorme boog, die den ingang
van de medresseh vormt, verheft zich in het midden van een bijna
honderd el breeden voorgevel met twee verdiepingen. Een breede band
van geëmailleerd blauw porselein, op albasten voetstukken rustende,
omzoomt den geheelen boog. De deur is van cypressenhout en bekleed
met kunstig geciseleerde zilveren platen. Binnentredende komt men
in een ruime achtkantige vestibule, met een koepel gedekt; rechts en
links ziet men houten stellages, waarop handelaars in levensmiddelen
heerlijke perziken, prachtige druiven, melk, komkommers, vleeschspijzen
en andere mondbehoeften ten toon stellen.
Deze vestibule, waar meesters en leerlingen zich op het etensuur van
het noodige komen voorzien, heeft aan alle zijden hooge en breede
poorten, die hetzij naar andere portalen, hetzij naar de binnenplaats
voeren. Deze ruime binnenhof is beplant met heerlijke platanen,
die ditmaal niet geschonden zijn, maar al hunne takken hebben behouden.
Tooverachtiger aanblik dan van dezen binnenhof is niet te bedenken. Op
den voorgrond weerspiegelen zich de meer dan honderdjarige boomen
in de heldere wateren van langwerpige albasten bassins; hun dicht
donker gebladerte vormt de wonderschoone lijst van eene weergalooze
dekoratie. Op den achtergrond, als in een lichtenden nevel gehuld,
verrijzen de koepel en de minarets, van onderen tot boven bekleed
met veelkleurige geëmailleerde tegels, schitterende in de stralen der
zon. Tegen het hemelsblauwe fond van den koepel teekenen zich bevallige
witte voluten af, en licht gele arabesken, omzoomd door een rand van
donker blauw of zwart. De bekleeding van het benedengedeelte van het
gebouw bestaat uit melkwitte porseleinen tegels, beschilderd met een
donkerblauw netwerk.--De kunstenaars, die dit bewonderenswaardige
monument hebben geschapen, hebben alle aanspraak op onze hulde en
bewondering: het is niet mogelijk, in architekturale dekoratie iets
voortreffelijkers te leveren, of met meer smaak en takt partij te
trekken van de hulpmiddelen die de eigenaardige natuur van het Oosten
aanbiedt. Ik ken in geheel Europa geen enkel monument, waarvan men
zulk een indruk ontvangt als van de medresseh van Shâh Hoesein.
De leerlingen zijn in dezen tijd des jaars niet talrijk
vertegenwoordigd. Zonder de uitstallingen der kooplieden in de voorhal,
en zonder enkele mollahs, die voor de deur hunner cel hunne pijp
zitten te rooken, zou de medresseh wel geheel uitgestorven schijnen.
Om, vooral bij de heerschende hitte, alle noodelooze vermoeienis te
vermijden, stelt onze onwaardeerbare gids, de Padri, ons voor, niet
op het midden van den dag naar Dsjoelfa terug te keeren, maar ons
dejeuner te gebruiken in de karavanserai, waar zich de magazijnen
bevinden van Kodja Yoessoef. Het kantoor van onzen vriend ligt
juist in het drukste gedeelte van deze buurt. Nergens, zelfs niet te
Constantinopel, te Teheran of te Kashan, zag ik zulk eene drukte en
zulk een gewoel als in deze bazars; de schoonste en meest bezochte van
het geheele Oosten. Potten en schotels van oud-chineesch en japansch
porselein, vazen van geciseleerd koper uit den tijd van Shâh Abbas,
hanglampen van massief zilver met turkoizen en parelen bezet: deze
en dergelijke kostbaarheden versieren de winkels en maken dien bazar
tot een waar museum. Museum is inderdaad het juiste woord: ge moogt al
deze kunstwerken vrij bewonderen, maar behoeft er niet aan te denken,
ze te koopen; de kooplieden, die trotsch zijn op het bezit van deze
schatten, waarvan zij de waarde zeer goed kennen, willen die tot geen
prijs afstaan. Overigens dienen deze kostbare voorwerpen niet enkel
tot dekoratie: zij prijken allen met reusachtige bouquetten van witte
en gele rozen, van hyacinthen en jasmijnen, waarvan de doordringende
geuren de vrij bedorven lucht in den met menschen overvulden bazar
althans eenigermate zuiveren.
In dezen tijd des jaars levert vooral de bazar der fruit- en
groentenverkoopers een verrassenden aanblik op. Aan alle zijden ziet
ge stapels van reusachtige, blozende, donzige perziken, pyramiden van
zoete lemoenen, van geurige meloenen en komkommers; in het midden
gespleten pasteken lokken u met hun malsch rood vleesch, zwellende
van welriekend sap; in bonte wanorde liggen op den grond donkerblauwe
druiven en kolossale melansaanappels en velerlei andere vruchten,
een mozaïek van kleuren vormende, waaraan uw oog zich verlustigt. En
niet verre van daar wordt uwe aandacht getrokken door de uitstallingen
der kruideniers, der apothekers en drogisten, waar, beschenen door
het uit de koepels neervallende licht, reeksen van glazen bokalen
en flesschen schitteren, gevuld met allerlei zouten en mineralen,
met peper en safraan en andere specerijen, die bij de toebereiding
van sommige spijzen worden gebruikt.
De binnenplaats van de armenische karavanserai, waarin zich het kantoor
en de magazijnen van Kodja-Yoessoef bevinden, is omgeven door eene
rij van diepe kamers, die met houten luiken worden gesloten. Op het
midden van den dag zijn al die luiken zorgvuldig gegrendeld, Want de
rijke kooplieden brengen slechts eenige uren in hun kantoor door;
terwijl de kleine handelaars van den bazar aan de buitenzijde den
ganschen dag in hun winkel blijven.
De Padri klopt aan; bedienden geleiden ons naar eene overwelfde
zaal, waarin eene verkwikkelijke koelte heerscht. Uit eene
naburige gaarkeuken halen onze bedienden, voor ons dejeuner,
heerlijke kiëbabs in eene fijne broodkorst gewikkeld, en gekonfijte,
sterk gekruide vruchten, die in Perzië bij eiken maaltijd worden
gegeten. Na afloop van het ontbijt laat Kodja-Yoessoef mij eenige
kunstwerken in smeedwerk zien: vogels, schilden, schotels en kannen
van geslagen ijzer, keurig gepolijst en ingelegd met fijne draden
van goud of platina. Ook eenige voorname handelaren in tapijten komen
ons bezoeken. Een hunner noodigt ons uit, in zijn huis een kop thee
te komen drinken, daar zijne artikelen niet gemakkelijk te vervoeren
zijn. Ik neem zijne uitnoodiging te gereeder aan, omdat hij, naar men
zegt, met eene der mooiste vrouwen van Ispahan gehuwd is. Intusschen
zal het mij niet gemakkelijk vallen, in den anderoen door te dringen;
want de koopman, als meest alle anderen, misleid door mijne kleeding
en mijn verbrand gelaat, houdt mij voor een jonkman. Hij ziet mij
aan voor den zoon van mijn echtgenoot, en maakt hem een kompliment
over mijne treffende gelijkenis met mijn onderstelden vader.