De feesten van den Ramadân zullen over drie dagen zijn afgeloopen;
het oogenblik is dus gekomen om vergunning te vragen tot het bezoeken
van de moskeeën en andere godsdienstige gebouwen der mohammedaansche
stad. Dat zal waarschijnlijk niet gemakkelijk gaan: de mollahs, die
zich altijd tegen het verleenen van zulke vergunningen verzetten,
zullen dit te meer doen nu de gouverneur Zelleh-Sultan, de oudste
zoon van den Shâh, afwezig is en dus zijn persoonlijk gezag niet kan
laten gelden om de fanatieke geestelijkheid in bedwang te houden. Voor
zijn vertrek uit Ispahan, heeft de prins een vice-gouverneur benoemd,
maar de eigenlijke leiding der zaken opgedragen aan zijn geneesheer
en vertrouweling, den generaal Mirza Taghuy-Khan.
De generaal heeft ons dadelijk na onze aankomst een bezoek gebracht. Op
aanbeveling van zijn ouden leermeester, dokter Tolozan, heeft hij
ons zijne diensten en zijne hulp aangeboden; maar hij heeft ons niet
verzwegen dat de bevolking van Ispahan over het geheel niet vriendelijk
gezind is jegens de Christenen, en ons aangeraden voorzichtig te zijn
en geen pogingen aan te wenden om in eene moskee door te dringen,
voordat wij, krachtens een bevel van Zelleh-Sultan, van den imam Djoema
en den moesjteïd eene behoorlijke vergunning zullen hebben verkregen.
In afwachting van de terugkomst van den koerier, die in allerijl naar
Boeroesjerd, waar de prins zich ophoudt, is gezonden, bezoeken wij
alle monumenten, die geen godsdienstig karakter dragen.
Hoewel er in Ispahan geen enkel oud gebouw te vinden is, kan
men toch aan de stad geen hoogen ouderdom ontzeggen; reeds hare
ligging aan den Zendeh-Roed, de eenige rivier van geheel Irak, pleit
daarvoor. Ongelukkig is het niet mogelijk, te midden van allerlei
fabelen en legenden, de historische waarheid te ontdekken. Volgens
de Perzen zou Ispahan gesticht zijn door Dsjemsjid, den stamvader
van het aloude perzische koningshuis. In den _Shâh-Nameh_, in de
twaalfde eeuw door Firdoesi geschreven, wordt verhaald, hoe een smid
van Ispahan, Kaveh genoemd, den verfoeilijken tiran Zoak verdreef,
die om twee zweeren op zijne schouders te genezen, daarop pleisters
legde van menschenhersens. Toen Kaveh vernam, dat ook zijne dochter was
aangewezen om door de koninklijke apothekers te worden gedood, bond hij
zijn leeren schootsvel aan een stok, verzamelde een aantal ontevredenen
rondom dien standaard, verjoeg den overweldiger, en herstelde Feridoen
op den troon zijner voorvaderen. Ter herinnering aan deze gebeurtenis
werd de geïmproviseerde vlag van den beroemden smid eerbiedig bewaard
en aan de bewaking der bezetting van Ispahan toevertrouwd. Door
alle opvolgers van Feridoen met goud en edelgesteenten versierd,
werd de standaard eindelijk zoo groot en zoo zwaar, dat er tijdens de
verovering door de Arabieren zes mannen noodig waren om de relikwie te
dragen. De muzelmansche soldaten verdeelden dien kostbaren buit onder
elkander en verrijkten zich met de sedert eeuwen opgehoopte schatten,
hoewel deze _hagedisseneters_ een groot gedeelte der steenen, waarvan
zij de waarde niet kenden, zoek maakten.
Volgens den arabischen schrijver Yakoed, droeg Ispahan oorspronkelijk
den naam van Djeï, en stond op de plaats van het tegenwoordige
Sheristan. Na de inneming van Jeruzalem, zond Bakhtr en Nasr
(Nebukadnezar) de Joden in ballingschap naar Iran. Zij zwierven
langen tijd door het land rond om eene woonplaats te kiezen, en
vestigden zich eindelijk te Djira, waar de grond en het water het
meeste overeenkwamen met die van hun vaderland. Zij bouwden eene
stad, welke den naam ontving van Yaöediëh (Jodenstad); het ging den
ballingen goed in het vreemde land; Yaöediëh ontwikkelde zich ten
koste van Djeï en werd het tegenwoordige Ispahan.
Dit verhaal is natuurlijk eene legende; zooveel alleen is zeker,
dat geene enkele der aloude hoofdsteden, hetzij van de medische,
hetzij van de perzische koningen, of van de dynastieën der Parthen
en der Sassaniden, met het latere Ispahan kan worden vereenzelvigd.
Onder het khalifaat van Omar werd Ispahan door de Arabieren
ingenomen. De stad werd met verschooning behandeld; zij moest
eene schatting betalen, en de inwoners die weigerden zich tot den
Islam te bekeeren, moesten naar elders verhuizen. De provincie
Irak bleef tot de tiende eeuw onder arabische heerschappij;
vervolgens kwam zij achtervolgens in handen van de Seldsjoeken en
andere turkomanische dynastieën, aan wier heerschappij de Mongolen,
eerst onder Dsjenghis-Khan en daarna onder Tamerlan (Timoer Lang,
d. i. Timoer de Kreupele) een einde maakten. Timoer veroverde Ispahan
in 1385, en behandelde de stad aanvankelijk, naar het schijnt, met
betrekkelijke gematigdheid; maar tengevolge van een oproer gaf hij
bevel de bevolking der weerspannige stad om het leven te brengen. Naar
men wil, zouden op een enkelen dag ruim honderdduizend inwoners zijn
vermoord, en zouden de hoofden van zeventigduizend slachtoffers tot
eene gedrochtelijke pyramide zijn opgestapeld.
Perzië bleef nu een deel van het groote mongoolsche rijk, tot
het in het laatst der vijftiende of het begin der zestiende eeuw
een zekeren Imaël al Safi gelukte, eene nationale dynastie te
stichten en Perzië van de heerschappij der mongoolsche sultans te
bevrijden. De koningen uit de dynastie van Safi of Sofi waren in
onophoudelijke oorlogen gewikkeld, zoowel buiten- als binnenslands,
en in den eersten tijd hunner regeering schijnt Ispahan niet op den
voorgrond te zijn getreden. Maar in 1585 bracht Shah Abbas zijne
residentie naar de oevers van den Zendeh-Roed over, en versierde de
nieuwe hoofdstad met moskeeën, paleizen en bazars; ook trachtte hij
zooveel mogelijk hare bevolking te vermeerderen, onder anderen door,
zoo als wij reeds verhaalden, de Armeniërs van Dsjoelfa te dwingen,
naar Ispahan te verhuizen. De rampspoedige regeering zijner zwakke en
wreede opvolgers verhinderde evenwel den bloei der nieuwe hoofdstad
niet, wier bevolking tot zeshonderdduizend zielen klom, en wier pracht
en weelde door geheel Azië beroemd was.
Onder de regeering van Shâh Hoesein trof Ispahan een nieuwe ramp, bijna
nog vreeselijker dan de inval der Mongolen. De perzische gouverneurs
van Kandahar hadden, door willekeurige maatregelen en vervolgingen van
de sonnitische Afghanen, de verbittering opgewekt van dit krijgshaftige
volk, dat de sjiîtische Perzen reeds als ketters verfoeide. De Afghanen
kwamen in opstand; met groote moeite werden zij overwonnen, en hun
aanvoerder, Mir Weis, als gevangene naar Ispahan gevoerd, waar hij
zich met eigen oogen van de zwakheid van het koninklijk gezag en den
jammerlijken toestand des rijks kon overtuigen. Weder in vrijheid
gesteld en naar Kandahar teruggekeerd, begon hij aldra een nieuwen
opstand voor te bereiden: en inderdaad gelukte het zijn zoon Mahmoed
gansch Perzië te veroveren. Wel leed hij in 1721, bij een eerste
treffen, de nederlaag, maar spoedig daarop sloeg hij, aan het hoofd
van een leger van twintigduizend Afghanen, het beleg voor Ispahan.
Het perzische leger, zestigduizend man sterk, trok den vijand te
gemoet en leverde hem slag, op zes mijlen afstands van de stad, bij
Golnabad. Ondanks hunne meerderheid werden de koninklijke troepen
verslagen en namen overhaast de wijk achter de muren der stad, die
met meer dan vierhonderd kanonnen gewapend was. De Afghanen bezetten
nu Dsjoelfa, trokken over de rivier, en omsingelden Ispahan, dat zij
van alle kanten insloten. Het beleg begon in Maart 1722: in Augustus
moesten de paarden, de muilezels en kameelen worden geslacht; in
September voedde men zich met honden en katten; toen met brood van
boomschors; eindelijk werden zelfs de lijken van menschen en dieren
verslonden. Pater Krusinski, een poolsch monnik, die zich destijds te
Ispahan bevond, heeft omtrent dit beleg verschrikkelijke bijzonderheden
medegedeeld. Eindelijk was de toestand onhoudbaar geworden; het water
van den Zendeh-Roed was bedorven door de lijken, die in de rivier
werden geworpen: de hongersnood richtte de vreeselijkste verwoestingen
aan. Er moest een einde aan komen, want ook het hof begon gebrek te
lijden. Men trad in onderhandeling; en om de plundering en verwoesting
zijner hoofdstad te voorkomen, besloot Shâh Hoesein afstand te doen
van de regeering ten behoeve van Mahmoed.
Den 23_sten_ October steeg de koning te paard en begaf zich, in rouw
gekleed, naar het door hem zelven gestichte paleis Farah-Abad, welks
naam, woning der vreugde, nu welhaast eene bespotting scheen. Aan
den ingang van zijn paleis moest de ongelukkige monarch een geruimen
tijd wachten, omdat de overwinnaar zijne siësta hield; toen men hem
eindelijk naar de groote zaal geleidde, zag hij den afghaanschen
rebel op den koninklijken troon zitten.
"Mijn zoon, sprak hij op waardigen toon tot Mahmoed, die niet eens
was opgestaan om den overwonnen koning te ontvangen; daar Allah niet
wil dat ik langer regeere, en naar zijn raadsbesluit het uur gekomen
is van uwe verheffing op den troon van Perzië, draag ik u het rijk
over. Moge uwe regeering gelukkig zijn!"
"Onstandvastig en wisselvallig is alle menschelijke grootheid,
antwoordde de overwinnaar. God beschikt naar goedvinden over de
koninkrijken der aarde: Hij ontneemt ze den een om ze den ander
te geven."
Op bevel van Mahmoed werd den onttroonden Shâh een klein paleis ter
woning aangeboden, waar hij zeven jaren doorbracht en over het algemeen
met zachtheid behandeld werd. Toen daarna het geluk den overweldiger
dreigde te verlaten, werd de ongelukkige vorst, die gevaarlijk worden
kon, om het leven gebracht.
Ispahan had gedurende het beleg vreeselijk geleden. Niet alleen was
de grootste helft der bevolking bezweken, maar de gansche omtrek was
eene wildernis geworden: de tuinen, akkers en dorpen waren verwoest
en de kanalen verstopt. Ook hield de stad op de residentie te zijn:
Karim-Khan maakte Shiraz, zijne vaderstad, tot hoofdstad; en de
dynastie van Kadsjar verlegde den zetel der regeering naar het noorden,
naar Teheran. Dit voltooide den ondergang van de oude metropolis
der Sofis. Het grootste gedeelte der inwoners verhuisde naar elders;
de paleizen en openbare gebouwen werden verwaarloosd, en veranderden
langzamerhand in ruïnen. Toch zijn het nog de gedenkteekenen uit den
tijd der Sofis, die aan de zoo diep vervallen stad haar karakter en
hare belangrijkheid geven.
Mirza Taghuy-Khan brengt ons eerst naar het paviljoen Tsjeel-Soetoen
(de veertig zuilen), dat in een grooten tuin verrijst, die door lage
muren is omringd en met prachtige boomen en hooge rozenstruiken is
beplant. Aan de noordzijde bevindt zich een langwerpige vijver, aan
welks uiteinde eenige marmeren trappen naar het overdekte terras voor
het paleis voeren.
Het paviljoen is door Shâh Hoesein gebouwd op de plek, waar een
paleis van Shâh Abbas stond, dat ter gelegenheid van een feest in
brand geraakte en in de asch werd gelegd. Volgens het verhaal had men
den brand gemakkelijk kunnen blusschen; maar de Shâh wilde zich niet
tegen het goddelijk raadsbesluit verzetten, en gaf bevel het paleis
te laten branden, tevens zijn voornemen te kennen gevende om het nog
prachtiger te herbouwen.
Achttien kolommen van cederhout, met ruitvormig gesneden spiegels
bekleed, dragen het dak van de voorgalerij; de middelste zuilen rusten
op marmeren leeuwen, uit wier muil een waterstraal in een marmeren
bekken valt. Eene houten met mozaïek en schitterende sterren versierde
kroonlijst draagt de zoldering, die in vierkante vakken is verdeeld,
welke wederom zijn bezet met spiegels, waarvan de schuin geslepen
rand in kristallen prisma's is gevat.
Uit deze voorgalerij treedt men in een open zaal of talâr, met een
half koepelgewelf overdekt, dat geheel bekleed is met glazen platen,
in metalen lijsten gevat. Ter wederzijde van deze zaal, waarin weleer
de troon stond, die door de Afghanen werd vernield of medegevoerd,
bevinden zich twee gesloten vertrekken, het een voor den Shâh, het
andere voor zijne ministers bestemd. De uitwendige dekoratie van deze
vertrekken en van de troonzaal bestaat uit spiegels van allerlei
grootte en vorm, in vergulde lijsten gevat.--In den tegenwoordigen
toestand van het paleis is het niet wel mogelijk een juist oordeel
te vellen over het effekt van deze schitterende dekoratie, die,
voor zoover ik weet, uitsluitend aan Perzië eigen is. De spiegels,
waarvan het verfoeliesel ten deele is afgevallen, zijn met eene dikke
stoflaag bedekt, en zien er uit als oude zilveren platen, door den
tijd verkleurd en dof gemaakt.
Drie deuren van houtmozaiek voeren uit den talar naar eene groote zaal,
die de volle breedte van de troonzaal en van de beide aangrenzende
vertrekken beslaat. Deze ruime hal is gedekt met drie koepels,
waarvan de middelste rood en de beide anderen blauw zijn geschilderd;
de pendentieven prijken met gouden arabesken. De wandpaneelen onder de
koepels zijn versierd met freskoos, koninklijke audiëntiën of gevechten
voorstellende. Deze schilderijen hebben al de goede hoedanigheden, maar
ook al de gebreken van perzische kunstwerken: een overdreven zorg aan
bijzaken en details gewijd, ten nadeele der hoofdfiguren; rijkdom van
coloriet; stijfheid van houdingen en standen, en volslagen onbekendheid
met de wetten der perspektief. Op een dezer schilderijen, een gevecht
voorstellende, ziet men pikzwarte negers gezeten op sneeuwwitte
olifanten. Nabij den oostelijken ingang is Shâh Abbas afgebeeld,
indische gezanten ten gehoore ontvangende. Alle bijzonderheden van
gelaatsvorm en kleeding zijn met groote nauwkeurigheid weergegeven;
ongelukkig heeft de kunstenaar meer zorg besteed aan de prachtige
met gouddraad doorweven stoffen en de schitterende edelgesteenten,
dan aan de juiste evenredigheden der danseressen op den voorgrond.
Mirza Taghuy-Khan heeft zijne prachtige, rijk vergulde uniform van
generaal eerste klasse aangetrokken, en wordt in zijne bewegingen wel
wat gehinderd door een langen degen, die telkens tusschen de beenen
van zijn nevenman verward raakt. Niemand meene echter, dat onze zoo
fraai uitgedoste vriend inderdaad een krijgsman is: hij is een zeer
vreedzaam man en zijn titel van generaal is een bloote eeretitel,
die in Perzië zeer dikwijls aan hooge burgerlijke beambten gegeven
wordt. Behalve zijne vele andere functiën, is de generaal ook nog
belast met de redactie van het dagblad van Ispahan, het officieele
orgaan van den gouverneur van Irak. Hij moet zich des te meer gestreeld
gevoelen door dit bewijs van vertrouwen van den prins Zelleh Sultan,
daar de Shâh zelf, zeer bedachtzaam, de voorlichting van het publiek
nooit aan een zijner dienaren heeft durven toevertrouwen. Met eigen
koninklijke hand schrijft hij zelf het officieele dagblad, aldus
verzekerd dat de pers zijn volk op geen dwaalspoor zal brengen. Naar
ik meen, zou Mirza Taghuy-Khan, bij zijne vele andere titels, ook
nog gaarne dien voegen van rector der universiteit te Ispahan.
Ik mag van deze universiteit niet zwijgen, al kunnen wij ook
geene kennis maken met de studenten, die juist vacantie hebben. De
prins-gouverneur drukt de voetstappen van zijn vader, in zoo verre
hij zich beijvert om de scholen zooveel mogelijk te onttrekken aan den
uitsluitenden invloed van de geestelijkheid en naast de theologie ook
nog ruimte te laten voor de beoefening van andere wetenschappen. Jammer
genoeg is het aantal der leerlingen van de medresseh al even gering
als dat der professoren. De colleges in de physika, de mathesis,
de geschiedenis en de vreemde talen zijn opgedragen aan een jong
geleerde, die zich bijna den geheelen dag bezig houdt met het rooken
van opium. Deze evenknie van Pico della Mirandola heeft zijne opvoeding
te Parijs en te Londen ontvangen; maar in stede van te studeeren en
in den omgang met beschaafde Westerlingen zijn geest te ontwikkelen,
heeft hij, zoo als trouwens bijna alle jonge Perzen die naar Europa
komen, niet anders gedaan dan de ondeugden, hem als Aziaat eigen,
te vermeerderen met de verfoeilijkste verkeerdheden en misbruiken
onzer westersche beschaving.
De professor en de studenten van de universiteit van Ispahan zijn
gehuisvest in een allerbevalligst paviljoen, te midden van een grooten
tuin grenzende aan dien van het Tsjeel-Soetoen. Dit paleis, vroeger
door Feth-Ali Shâh gebouwd om als zomerresidentie te dienen, draagt
den naam van Heisht-Besjet (acht paradijzen), omdat het, behalve de
koninklijke appartementen, vier vleugels met twee verdiepingen bevat,
bestemd voor de acht favoriten van den koning.
De weg van het Tsjeel-Soetoen naar het Heisht-Besjet loopt langs een
vijver, ter wederzijde omgeven door echt perzische tuinen. Van deze
tuinen kunnen noch de engelsche parken met hunne groote grasperken,
door bloembedden en boomgroepen afgewisseld, noch de oud-fransche
tuinen, met hun geschoren hagen en symmetrischen aanleg, eenig
denkbeeld geven; de perzische _bagh's_ zijn uitgestrekte velden,
beplant met hooge platanen tot aan den top gesnoeid, en voorts
bedekt met bloemen, zonder eenige orde of schikking, in de bontste
verscheidenheid naast en door elkander gezaaid. De aanblik van deze
reusachtige bloemperken is zeer eigenaardig; vooral uit de verte
gezien, maken zij, door de zon beschenen, met hunne bonte mengeling
van kleuren een verrassend effekt. Aan het einde van den vijver
verrijst het achthoekige paviljoen van Heisht-Besjet, bestaande uit
eene groote zaal in het midden van het gebouw, uit vier portieken en
vier zijgebouwen.
Op de wanden der vertrekken nabij de portiek ziet men twee groote
muurschilderingen: de eene stelt Feth-Ali Shâh voor, omgeven door
zijne zoons; de andere verbeeldt denzelfden monarch jacht makende op
wilde dieren. De koning, over den hals van zijn paard gebogen, steekt
zijne lans in den muil van een dier, waarvan ik niet kan zeggen of
het een leeuw, dan wel een panther moet voorstellen.
Het Heisht-Besjet is thans geheel ontmeubeld; en van de acht favoriten
des konings, die eens deze vertrekken bewoonden, is geen spoor of
herinnering overgebleven. De generaal Mirza Taghuy Khan had wel
gelijk toen hij mij opzettelijk mededeelde dat wij ons in eene
school bevonden, want zonder zijne verzekering zou ik dat nooit
vermoed hebben. Er zijn noch banken, noch tafels, noch boeken,
noch een katheder voor den leeraar: al deze dingen zijn in eene
perzische school niet noodig. De Perzen, groot en klein, oud en jong,
schoonschrijvers van beroep of eerstbeginnende leerlingen, schrijven
allen op een velletje papier dat in de palm der linkerhand rust;
men heeft dus niet anders te doen dan een tapijt op den vloer uit te
spreiden, en het schoollokaal is gereed. Natuurlijk behooren daartoe
ook een riet en de noodige roeden voor het toedienen van de bastonnade.