XIV

De feesten van den Ramadân zullen over drie dagen zijn afgeloopen;

het oogenblik is dus gekomen om vergunning te vragen tot het bezoeken

van de moskeeën en andere godsdienstige gebouwen der mohammedaansche

stad. Dat zal waarschijnlijk niet gemakkelijk gaan: de mollahs, die

zich altijd tegen het verleenen van zulke vergunningen verzetten,

zullen dit te meer doen nu de gouverneur Zelleh-Sultan, de oudste

zoon van den Shâh, afwezig is en dus zijn persoonlijk gezag niet kan

laten gelden om de fanatieke geestelijkheid in bedwang te houden. Voor

zijn vertrek uit Ispahan, heeft de prins een vice-gouverneur benoemd,

maar de eigenlijke leiding der zaken opgedragen aan zijn geneesheer

en vertrouweling, den generaal Mirza Taghuy-Khan.

De generaal heeft ons dadelijk na onze aankomst een bezoek gebracht. Op

aanbeveling van zijn ouden leermeester, dokter Tolozan, heeft hij

ons zijne diensten en zijne hulp aangeboden; maar hij heeft ons niet

verzwegen dat de bevolking van Ispahan over het geheel niet vriendelijk

gezind is jegens de Christenen, en ons aangeraden voorzichtig te zijn

en geen pogingen aan te wenden om in eene moskee door te dringen,

voordat wij, krachtens een bevel van Zelleh-Sultan, van den imam Djoema

en den moesjteïd eene behoorlijke vergunning zullen hebben verkregen.

In afwachting van de terugkomst van den koerier, die in allerijl naar

Boeroesjerd, waar de prins zich ophoudt, is gezonden, bezoeken wij

alle monumenten, die geen godsdienstig karakter dragen.

Hoewel er in Ispahan geen enkel oud gebouw te vinden is, kan

men toch aan de stad geen hoogen ouderdom ontzeggen; reeds hare

ligging aan den Zendeh-Roed, de eenige rivier van geheel Irak, pleit

daarvoor. Ongelukkig is het niet mogelijk, te midden van allerlei

fabelen en legenden, de historische waarheid te ontdekken. Volgens

de Perzen zou Ispahan gesticht zijn door Dsjemsjid, den stamvader

van het aloude perzische koningshuis. In den _Shâh-Nameh_, in de

twaalfde eeuw door Firdoesi geschreven, wordt verhaald, hoe een smid

van Ispahan, Kaveh genoemd, den verfoeilijken tiran Zoak verdreef,

die om twee zweeren op zijne schouders te genezen, daarop pleisters

legde van menschenhersens. Toen Kaveh vernam, dat ook zijne dochter was

aangewezen om door de koninklijke apothekers te worden gedood, bond hij

zijn leeren schootsvel aan een stok, verzamelde een aantal ontevredenen

rondom dien standaard, verjoeg den overweldiger, en herstelde Feridoen

op den troon zijner voorvaderen. Ter herinnering aan deze gebeurtenis

werd de geïmproviseerde vlag van den beroemden smid eerbiedig bewaard

en aan de bewaking der bezetting van Ispahan toevertrouwd. Door

alle opvolgers van Feridoen met goud en edelgesteenten versierd,

werd de standaard eindelijk zoo groot en zoo zwaar, dat er tijdens de

verovering door de Arabieren zes mannen noodig waren om de relikwie te

dragen. De muzelmansche soldaten verdeelden dien kostbaren buit onder

elkander en verrijkten zich met de sedert eeuwen opgehoopte schatten,

hoewel deze _hagedisseneters_ een groot gedeelte der steenen, waarvan

zij de waarde niet kenden, zoek maakten.

Volgens den arabischen schrijver Yakoed, droeg Ispahan oorspronkelijk

den naam van Djeï, en stond op de plaats van het tegenwoordige

Sheristan. Na de inneming van Jeruzalem, zond Bakhtr en Nasr

(Nebukadnezar) de Joden in ballingschap naar Iran. Zij zwierven

langen tijd door het land rond om eene woonplaats te kiezen, en

vestigden zich eindelijk te Djira, waar de grond en het water het

meeste overeenkwamen met die van hun vaderland. Zij bouwden eene

stad, welke den naam ontving van Yaöediëh (Jodenstad); het ging den

ballingen goed in het vreemde land; Yaöediëh ontwikkelde zich ten

koste van Djeï en werd het tegenwoordige Ispahan.

Dit verhaal is natuurlijk eene legende; zooveel alleen is zeker,

dat geene enkele der aloude hoofdsteden, hetzij van de medische,

hetzij van de perzische koningen, of van de dynastieën der Parthen

en der Sassaniden, met het latere Ispahan kan worden vereenzelvigd.

Onder het khalifaat van Omar werd Ispahan door de Arabieren

ingenomen. De stad werd met verschooning behandeld; zij moest

eene schatting betalen, en de inwoners die weigerden zich tot den

Islam te bekeeren, moesten naar elders verhuizen. De provincie

Irak bleef tot de tiende eeuw onder arabische heerschappij;

vervolgens kwam zij achtervolgens in handen van de Seldsjoeken en

andere turkomanische dynastieën, aan wier heerschappij de Mongolen,

eerst onder Dsjenghis-Khan en daarna onder Tamerlan (Timoer Lang,

d. i. Timoer de Kreupele) een einde maakten. Timoer veroverde Ispahan

in 1385, en behandelde de stad aanvankelijk, naar het schijnt, met

betrekkelijke gematigdheid; maar tengevolge van een oproer gaf hij

bevel de bevolking der weerspannige stad om het leven te brengen. Naar

men wil, zouden op een enkelen dag ruim honderdduizend inwoners zijn

vermoord, en zouden de hoofden van zeventigduizend slachtoffers tot

eene gedrochtelijke pyramide zijn opgestapeld.

Perzië bleef nu een deel van het groote mongoolsche rijk, tot

het in het laatst der vijftiende of het begin der zestiende eeuw

een zekeren Imaël al Safi gelukte, eene nationale dynastie te

stichten en Perzië van de heerschappij der mongoolsche sultans te

bevrijden. De koningen uit de dynastie van Safi of Sofi waren in

onophoudelijke oorlogen gewikkeld, zoowel buiten- als binnenslands,

en in den eersten tijd hunner regeering schijnt Ispahan niet op den

voorgrond te zijn getreden. Maar in 1585 bracht Shah Abbas zijne

residentie naar de oevers van den Zendeh-Roed over, en versierde de

nieuwe hoofdstad met moskeeën, paleizen en bazars; ook trachtte hij

zooveel mogelijk hare bevolking te vermeerderen, onder anderen door,

zoo als wij reeds verhaalden, de Armeniërs van Dsjoelfa te dwingen,

naar Ispahan te verhuizen. De rampspoedige regeering zijner zwakke en

wreede opvolgers verhinderde evenwel den bloei der nieuwe hoofdstad

niet, wier bevolking tot zeshonderdduizend zielen klom, en wier pracht

en weelde door geheel Azië beroemd was.

Onder de regeering van Shâh Hoesein trof Ispahan een nieuwe ramp, bijna

nog vreeselijker dan de inval der Mongolen. De perzische gouverneurs

van Kandahar hadden, door willekeurige maatregelen en vervolgingen van

de sonnitische Afghanen, de verbittering opgewekt van dit krijgshaftige

volk, dat de sjiîtische Perzen reeds als ketters verfoeide. De Afghanen

kwamen in opstand; met groote moeite werden zij overwonnen, en hun

aanvoerder, Mir Weis, als gevangene naar Ispahan gevoerd, waar hij

zich met eigen oogen van de zwakheid van het koninklijk gezag en den

jammerlijken toestand des rijks kon overtuigen. Weder in vrijheid

gesteld en naar Kandahar teruggekeerd, begon hij aldra een nieuwen

opstand voor te bereiden: en inderdaad gelukte het zijn zoon Mahmoed

gansch Perzië te veroveren. Wel leed hij in 1721, bij een eerste

treffen, de nederlaag, maar spoedig daarop sloeg hij, aan het hoofd

van een leger van twintigduizend Afghanen, het beleg voor Ispahan.

Het perzische leger, zestigduizend man sterk, trok den vijand te

gemoet en leverde hem slag, op zes mijlen afstands van de stad, bij

Golnabad. Ondanks hunne meerderheid werden de koninklijke troepen

verslagen en namen overhaast de wijk achter de muren der stad, die

met meer dan vierhonderd kanonnen gewapend was. De Afghanen bezetten

nu Dsjoelfa, trokken over de rivier, en omsingelden Ispahan, dat zij

van alle kanten insloten. Het beleg begon in Maart 1722: in Augustus

moesten de paarden, de muilezels en kameelen worden geslacht; in

September voedde men zich met honden en katten; toen met brood van

boomschors; eindelijk werden zelfs de lijken van menschen en dieren

verslonden. Pater Krusinski, een poolsch monnik, die zich destijds te

Ispahan bevond, heeft omtrent dit beleg verschrikkelijke bijzonderheden

medegedeeld. Eindelijk was de toestand onhoudbaar geworden; het water

van den Zendeh-Roed was bedorven door de lijken, die in de rivier

werden geworpen: de hongersnood richtte de vreeselijkste verwoestingen

aan. Er moest een einde aan komen, want ook het hof begon gebrek te

lijden. Men trad in onderhandeling; en om de plundering en verwoesting

zijner hoofdstad te voorkomen, besloot Shâh Hoesein afstand te doen

van de regeering ten behoeve van Mahmoed.

Den 23_sten_ October steeg de koning te paard en begaf zich, in rouw

gekleed, naar het door hem zelven gestichte paleis Farah-Abad, welks

naam, woning der vreugde, nu welhaast eene bespotting scheen. Aan

den ingang van zijn paleis moest de ongelukkige monarch een geruimen

tijd wachten, omdat de overwinnaar zijne siësta hield; toen men hem

eindelijk naar de groote zaal geleidde, zag hij den afghaanschen

rebel op den koninklijken troon zitten.

"Mijn zoon, sprak hij op waardigen toon tot Mahmoed, die niet eens

was opgestaan om den overwonnen koning te ontvangen; daar Allah niet

wil dat ik langer regeere, en naar zijn raadsbesluit het uur gekomen

is van uwe verheffing op den troon van Perzië, draag ik u het rijk

over. Moge uwe regeering gelukkig zijn!"

"Onstandvastig en wisselvallig is alle menschelijke grootheid,

antwoordde de overwinnaar. God beschikt naar goedvinden over de

koninkrijken der aarde: Hij ontneemt ze den een om ze den ander

te geven."

Op bevel van Mahmoed werd den onttroonden Shâh een klein paleis ter

woning aangeboden, waar hij zeven jaren doorbracht en over het algemeen

met zachtheid behandeld werd. Toen daarna het geluk den overweldiger

dreigde te verlaten, werd de ongelukkige vorst, die gevaarlijk worden

kon, om het leven gebracht.

Ispahan had gedurende het beleg vreeselijk geleden. Niet alleen was

de grootste helft der bevolking bezweken, maar de gansche omtrek was

eene wildernis geworden: de tuinen, akkers en dorpen waren verwoest

en de kanalen verstopt. Ook hield de stad op de residentie te zijn:

Karim-Khan maakte Shiraz, zijne vaderstad, tot hoofdstad; en de

dynastie van Kadsjar verlegde den zetel der regeering naar het noorden,

naar Teheran. Dit voltooide den ondergang van de oude metropolis

der Sofis. Het grootste gedeelte der inwoners verhuisde naar elders;

de paleizen en openbare gebouwen werden verwaarloosd, en veranderden

langzamerhand in ruïnen. Toch zijn het nog de gedenkteekenen uit den

tijd der Sofis, die aan de zoo diep vervallen stad haar karakter en

hare belangrijkheid geven.

Mirza Taghuy-Khan brengt ons eerst naar het paviljoen Tsjeel-Soetoen

(de veertig zuilen), dat in een grooten tuin verrijst, die door lage

muren is omringd en met prachtige boomen en hooge rozenstruiken is

beplant. Aan de noordzijde bevindt zich een langwerpige vijver, aan

welks uiteinde eenige marmeren trappen naar het overdekte terras voor

het paleis voeren.

Het paviljoen is door Shâh Hoesein gebouwd op de plek, waar een

paleis van Shâh Abbas stond, dat ter gelegenheid van een feest in

brand geraakte en in de asch werd gelegd. Volgens het verhaal had men

den brand gemakkelijk kunnen blusschen; maar de Shâh wilde zich niet

tegen het goddelijk raadsbesluit verzetten, en gaf bevel het paleis

te laten branden, tevens zijn voornemen te kennen gevende om het nog

prachtiger te herbouwen.

Achttien kolommen van cederhout, met ruitvormig gesneden spiegels

bekleed, dragen het dak van de voorgalerij; de middelste zuilen rusten

op marmeren leeuwen, uit wier muil een waterstraal in een marmeren

bekken valt. Eene houten met mozaïek en schitterende sterren versierde

kroonlijst draagt de zoldering, die in vierkante vakken is verdeeld,

welke wederom zijn bezet met spiegels, waarvan de schuin geslepen

rand in kristallen prisma's is gevat.

Uit deze voorgalerij treedt men in een open zaal of talâr, met een

half koepelgewelf overdekt, dat geheel bekleed is met glazen platen,

in metalen lijsten gevat. Ter wederzijde van deze zaal, waarin weleer

de troon stond, die door de Afghanen werd vernield of medegevoerd,

bevinden zich twee gesloten vertrekken, het een voor den Shâh, het

andere voor zijne ministers bestemd. De uitwendige dekoratie van deze

vertrekken en van de troonzaal bestaat uit spiegels van allerlei

grootte en vorm, in vergulde lijsten gevat.--In den tegenwoordigen

toestand van het paleis is het niet wel mogelijk een juist oordeel

te vellen over het effekt van deze schitterende dekoratie, die,

voor zoover ik weet, uitsluitend aan Perzië eigen is. De spiegels,

waarvan het verfoeliesel ten deele is afgevallen, zijn met eene dikke

stoflaag bedekt, en zien er uit als oude zilveren platen, door den

tijd verkleurd en dof gemaakt.

Drie deuren van houtmozaiek voeren uit den talar naar eene groote zaal,

die de volle breedte van de troonzaal en van de beide aangrenzende

vertrekken beslaat. Deze ruime hal is gedekt met drie koepels,

waarvan de middelste rood en de beide anderen blauw zijn geschilderd;

de pendentieven prijken met gouden arabesken. De wandpaneelen onder de

koepels zijn versierd met freskoos, koninklijke audiëntiën of gevechten

voorstellende. Deze schilderijen hebben al de goede hoedanigheden, maar

ook al de gebreken van perzische kunstwerken: een overdreven zorg aan

bijzaken en details gewijd, ten nadeele der hoofdfiguren; rijkdom van

coloriet; stijfheid van houdingen en standen, en volslagen onbekendheid

met de wetten der perspektief. Op een dezer schilderijen, een gevecht

voorstellende, ziet men pikzwarte negers gezeten op sneeuwwitte

olifanten. Nabij den oostelijken ingang is Shâh Abbas afgebeeld,

indische gezanten ten gehoore ontvangende. Alle bijzonderheden van

gelaatsvorm en kleeding zijn met groote nauwkeurigheid weergegeven;

ongelukkig heeft de kunstenaar meer zorg besteed aan de prachtige

met gouddraad doorweven stoffen en de schitterende edelgesteenten,

dan aan de juiste evenredigheden der danseressen op den voorgrond.

Mirza Taghuy-Khan heeft zijne prachtige, rijk vergulde uniform van

generaal eerste klasse aangetrokken, en wordt in zijne bewegingen wel

wat gehinderd door een langen degen, die telkens tusschen de beenen

van zijn nevenman verward raakt. Niemand meene echter, dat onze zoo

fraai uitgedoste vriend inderdaad een krijgsman is: hij is een zeer

vreedzaam man en zijn titel van generaal is een bloote eeretitel,

die in Perzië zeer dikwijls aan hooge burgerlijke beambten gegeven

wordt. Behalve zijne vele andere functiën, is de generaal ook nog

belast met de redactie van het dagblad van Ispahan, het officieele

orgaan van den gouverneur van Irak. Hij moet zich des te meer gestreeld

gevoelen door dit bewijs van vertrouwen van den prins Zelleh Sultan,

daar de Shâh zelf, zeer bedachtzaam, de voorlichting van het publiek

nooit aan een zijner dienaren heeft durven toevertrouwen. Met eigen

koninklijke hand schrijft hij zelf het officieele dagblad, aldus

verzekerd dat de pers zijn volk op geen dwaalspoor zal brengen. Naar

ik meen, zou Mirza Taghuy-Khan, bij zijne vele andere titels, ook

nog gaarne dien voegen van rector der universiteit te Ispahan.

Ik mag van deze universiteit niet zwijgen, al kunnen wij ook

geene kennis maken met de studenten, die juist vacantie hebben. De

prins-gouverneur drukt de voetstappen van zijn vader, in zoo verre

hij zich beijvert om de scholen zooveel mogelijk te onttrekken aan den

uitsluitenden invloed van de geestelijkheid en naast de theologie ook

nog ruimte te laten voor de beoefening van andere wetenschappen. Jammer

genoeg is het aantal der leerlingen van de medresseh al even gering

als dat der professoren. De colleges in de physika, de mathesis,

de geschiedenis en de vreemde talen zijn opgedragen aan een jong

geleerde, die zich bijna den geheelen dag bezig houdt met het rooken

van opium. Deze evenknie van Pico della Mirandola heeft zijne opvoeding

te Parijs en te Londen ontvangen; maar in stede van te studeeren en

in den omgang met beschaafde Westerlingen zijn geest te ontwikkelen,

heeft hij, zoo als trouwens bijna alle jonge Perzen die naar Europa

komen, niet anders gedaan dan de ondeugden, hem als Aziaat eigen,

te vermeerderen met de verfoeilijkste verkeerdheden en misbruiken

onzer westersche beschaving.

De professor en de studenten van de universiteit van Ispahan zijn

gehuisvest in een allerbevalligst paviljoen, te midden van een grooten

tuin grenzende aan dien van het Tsjeel-Soetoen. Dit paleis, vroeger

door Feth-Ali Shâh gebouwd om als zomerresidentie te dienen, draagt

den naam van Heisht-Besjet (acht paradijzen), omdat het, behalve de

koninklijke appartementen, vier vleugels met twee verdiepingen bevat,

bestemd voor de acht favoriten van den koning.

De weg van het Tsjeel-Soetoen naar het Heisht-Besjet loopt langs een

vijver, ter wederzijde omgeven door echt perzische tuinen. Van deze

tuinen kunnen noch de engelsche parken met hunne groote grasperken,

door bloembedden en boomgroepen afgewisseld, noch de oud-fransche

tuinen, met hun geschoren hagen en symmetrischen aanleg, eenig

denkbeeld geven; de perzische _bagh's_ zijn uitgestrekte velden,

beplant met hooge platanen tot aan den top gesnoeid, en voorts

bedekt met bloemen, zonder eenige orde of schikking, in de bontste

verscheidenheid naast en door elkander gezaaid. De aanblik van deze

reusachtige bloemperken is zeer eigenaardig; vooral uit de verte

gezien, maken zij, door de zon beschenen, met hunne bonte mengeling

van kleuren een verrassend effekt. Aan het einde van den vijver

verrijst het achthoekige paviljoen van Heisht-Besjet, bestaande uit

eene groote zaal in het midden van het gebouw, uit vier portieken en

vier zijgebouwen.

Op de wanden der vertrekken nabij de portiek ziet men twee groote

muurschilderingen: de eene stelt Feth-Ali Shâh voor, omgeven door

zijne zoons; de andere verbeeldt denzelfden monarch jacht makende op

wilde dieren. De koning, over den hals van zijn paard gebogen, steekt

zijne lans in den muil van een dier, waarvan ik niet kan zeggen of

het een leeuw, dan wel een panther moet voorstellen.

Het Heisht-Besjet is thans geheel ontmeubeld; en van de acht favoriten

des konings, die eens deze vertrekken bewoonden, is geen spoor of

herinnering overgebleven. De generaal Mirza Taghuy Khan had wel

gelijk toen hij mij opzettelijk mededeelde dat wij ons in eene

school bevonden, want zonder zijne verzekering zou ik dat nooit

vermoed hebben. Er zijn noch banken, noch tafels, noch boeken,

noch een katheder voor den leeraar: al deze dingen zijn in eene

perzische school niet noodig. De Perzen, groot en klein, oud en jong,

schoonschrijvers van beroep of eerstbeginnende leerlingen, schrijven

allen op een velletje papier dat in de palm der linkerhand rust;

men heeft dus niet anders te doen dan een tapijt op den vloer uit te

spreiden, en het schoollokaal is gereed. Natuurlijk behooren daartoe

ook een riet en de noodige roeden voor het toedienen van de bastonnade.

Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887 · 第 14 / 41 题