11 Augustus.--Twee karavanenwegen verbinden Kashan met de hoofdstad van
Irâk. De een, die gewoonlijk in den winter gebruikt wordt, loopt langs
de woestijn, over Nateins, waar men de bouwvallen ziet eener moskee,
die vroeger met prachtige porseleinen tegels was bekleed; de andere
weg, die gedurende het koude jaargetijde onbruikbaar is, slingert zich
langs de hellingen van hooge bergen. Wij volgen dezen laatsten weg,
en de schoonheden van het landschap doen ons weldra de bezwaren van
den tocht vergeten. Bij den buitengewoon helderen maneschijn ziet
de berghelling er uit als ware zij door elektrisch licht bestraald,
terwijl het diepe smalle dal in donkere schaduw is gehuld. Intusschen
wordt de weg steeds slechter en straks bijna geheel onbegaanbaar;
de lucht wordt zeer koel en wij krijgen weldra den hoogsten top van
dit gedeelte der bergketen in het gezicht: volgens de waarnemingen
van de beambten der engelsche telegraaflijn, bereikt die top eene
hoogte van drieduizend-vijf honderd-vijf-en-negentig el boven de zee.
Na acht uren stijgens bereikt de karavaan een bergpas. Wij treffen
daar herders met hunne schapen aan; zij bieden ons kaas en melk;
de paarden rusten een oogenblik, daarna stijgen wij op nieuw in het
zadel, om onzen rit naar het dorp Koroet te vervolgen. Dit dorp,
te midden van rotsen en groen verloren, herinnert mij levendig aan
sommige landschappen in de Alpen en de Pyreneën: zonder de minarets en
de platte daken, zou ik mij kunnen verbeelden, ergens in de omstreken
van Interlaken of van Luchon te zijn.--De landlieden van Koroet, door
hunne hooge gebergten en steile rotsen beveiligd tegen de invallen der
Arabieren en Mongolen, den ganschen winter onder de sneeuw begraven
en gedurende de helft van het jaar verstoken van alle gemeenschap met
de bewoners der vlakte, hebben hun ras en hunne taal zuiver bewaard,
zonder bijvoeging van vreemde elementen.
Als in alle berglanden, bestaat de rijkdom der dorpelingen in hunne
kudden: hunne prachtige schapen munten niet alleen uit door den
malschen smaak van hun vleesch en de fijnheid van hunne wol, die voor
de vervaardiging van tapijten wordt gebruikt, maar vooral ook door den
geweldigen omvang van hun ronden staart, die het geheele achterlijf
bedekt en somwijlen, ten gevolge van de mesting, zoo zwaar wordt, dat
de herders genoodzaakt zijn, dien reusachtigen staart op een klein
wagentje te laten rusten. De Perzen eten overigens dit lichaamsdeel
niet; zij koken den staart en vermengen het afkomende, zeer fijne
vet met boter: dit mengsel, woughan genoemd, wordt gebruikt bij het
toebereiden van alle spijzen.
12 Augustus.--De honderdgradige thermometer teekent, als wij tegen
elf uren in den avond Koroet verlaten, niet meer dan zes-en-een halve
graad. Gisteren stond hij te Kashan, in de schaduw, op zes-en-veertig
graden: dit kolossale verschil van temperatuur is vooral te wijten aan
het verschil in hoogte tusschen de beide stations. Sedert onze laatste
pleisterplaats zijn wij omstreeks zeventienhonderd el gestegen. Onze
bedienden, in hunne lichte katoenen kleeding, bibberen van koude,
en zouden zeer zeker hunne toevlucht nemen tot onze garderobe, indien
zij niet, als goede muzelmannen, vreesden zich te verontreinigen door
het aanraken der kleederen van Christenen.
Wij stijgen allen af en beklimmen met haastigen stap den top van
de bergketen. Voorbij den pas--tweeduizend-negenhonderd el boven
de zee--wordt het pad beter; de weg daalt over kale, met rotsen
bezaaide hoogvlakten, al lager en lager en brengt ons eindelijk aan
het dorp Seau, aan den ingang der vlakte, die zich zuidwaarts tot
Ispahan uitstrekt.
Den volgenden morgen vervolgen wij onze reis naar Ispahan. De vallei,
waardoor onze paarden ons in snellen draf voeren, is omsloten
door twee heuvelrijen en loopt uit op fraai gevormde bergen,
wier majestueuse lijnen en warme tinten aan de bergen van Hellas
herinneren. De hoofdstad van Irâk, in een doorzichtigen azuren nevel
gehuld, rust aan den voet dier steile, kale rotswanden; en tegen dien
achtergrond komt de breede groene gordel van gaarden en tuinen, die
Ispahan omgeeft, verrukkelijk schoon uit. In de stralen der dalende
avondzon schittert de blauwe koepel van de Mastsjed Shâh; en tegen
den onbeschrijfelijk helderen hemel teekenen zich de fijne omtrekken
van slanke minarets. Overal verrijzen zware torens, met mozaïeken
versierd; tallooze zwermen duiven, wier vlucht voor een oogenblik
het licht onderschept, reppen zich met vroolijk wiekgeklep naar de
tooverachtige stad.
Daar ligt zij, deze "helft der wereld", Ispahan de schoone, het wonder
der wonderen, de bloeiende paradijsroos, om strijd door de perzische
dichters bezongen en verheerlijkt. Lommerrijk zijn de wegen en paden
die tot haar voeren; een eeuwige lente tooit de vallei met alle
weelden der natuur; de bloemen vervullen de lucht met haar zoete
geuren; de wateren der murmelende beekjes zijn vloeiend kristal,
als de bronnen in het paradijs. Het koeltje, dat door het dicht
gebladerte der bosschages suist, zingt met de zoete stem der duive,
of bootst den orgeltoon der nachtegalen na. Dat de regen u besproeie, o
Ispahan; dat de dauw des hemels u verfrissche boven alle andere steden,
terwijl de donder in de verte rommelt, en de blauwe bliksemstralen
de zwarte wolken klieven! Hamadan is een oord vol liefelijkheid,
waar ieder wonen wil; maar Ispahan is het beeld van het paradijs.
Wij trekken door eenige kleine, half vervallen dorpen, en door dichte
boomgaarden en tuinen, waar de meloenen reeds rijp zijn. De zwarte
en vochtige aarde, gedrenkt door het bevloeiingswater; de beken,
die zich kronkelen door de met maïs en sorgho beplante velden: zij
voeren mij in gedachte terug naar de oevers van den Nijl, als het
water begint te vallen, en naar de wonderschoone tuinen van Sioet,
de koningin van Opper-Egypte.
Wij naderen de muren en gaan door de vestingwerken; in gespannen
verwachting zie ik rondom mij--en onwillekeurig houd ik eensklaps
stil. Welk eene wreede teleurstelling! Ben ik in eene met storm
overweldigde, half verwoeste stad? Aan de binnenzijde van den wal zie
ik nauwe steegjes, met eene dikke laag van vuil en onreinheid bedekt;
rechts en links aanschouw ik verlaten bazars, uitgestorven straten,
ter wederzijde omzoomd door bouwvallige muren, die elk oogenblik
dreigen in te storten. Er is geene levende ziel te bespeuren in deze
voorsteden, die eene schuilplaats zijn van schorpioenen en slangen;
de verwoesting is volkomen, en het is als ware men bij de vernieling
stelselmatig te werk gegaan: vensters en deuren zijn van houtwerk
beroofd; men heeft de platte daken opgebroken om de balken weg te nemen
waarop zij rusten; de tegels zijn stuk geslagen of gestolen; de aarden
muren, door den regen gehavend, zijn nog alleen staande gebleven.
In een ander kwartier, zoo mogelijk nog erger gehavend en vervallen,
zijn boeren bezig met het puin der huizen te laden in strooien korven,
op den rug van kleine ezels vastgebonden. Deze van salpeter doortrokken
baksteenen hebben zeer groote waarde voor de bemesting der landerijen.
De "helft der wereld", de "bloeiende paradijsroos", de koninklijke
stad is tegenwoordig voornamelijk een kweektuin van pasteken en
sappige komkommers.
Mijmerende over de lotgevallen van staten en steden, vervolg ik
mijn weg, en kom eindelijk aan den ingang van den Tsjaar-Bagh (vier
tuinen). Deze heerlijke wandeldreef, door Shâh Abbas aangelegd,
wordt aldus genoemd omdat zij het terrein beslaat van vier kerkelijke
domeinen, aan eene moskee behoorende, en die de koning huurde voor
onbepaalden tijd, onder de verplichting om jaarlijks zekere som
als pacht te betalen. De dreef wordt gevormd door vijf breede lanen,
overschaduwd door minstens driehonderdjarige platanen. Ongelukkig zijn
een aantal boomen gestorven of omgevallen, en heeft men de daardoor
ontstane gaten en open plekken niet aangevuld.
De Tsjaar-Bagh heeft eene lengte van ruim drie mijlen. De midden-allée,
voor voetgangers bestemd, is geplaveid en wordt doorsneden door een
kanaal, dat een reeks vijvers van verschillenden vorm en grootte
van het noodige water moet voorzien; de zijlanen zijn voor ruiters
bestemd. Ter rechter- en ter linkerzijde zie ik de ruïnen van een
tiental paleizen, vroeger door de aanzienlijkste heeren van het hof
bewoond; in het voorbijgaan werp ik een bewonderenden blik op den
buitengevel van de medresseh (school) van de Moeder des Konings, en
kom eindelijk aan een prachtige brug over den Zendeh-Roed, gebouwd door
Allah Verdi-Khan, den vriend en veldmaarschalk van Abbas den Groote. De
brug is tweehonderd-vijf-en-negentig el lang en rust op drie-en-dertig
pijlers, op gelijke afstanden van elkander geplaatst. Een breede en
goed onderhouden rijweg is voor de karavanen bestemd; ter wederzijde
loopt eene overdekte galerij voor de voetgangers. De brug is geheel
van gebakken steen; alleen de voetstukken der pijlers zijn van
natuurlijken steen.
Aan den overkant gekomen, sla ik rechts af en bevind mij al spoedig in
de armenische stad of wijk, Dsjoelfa genoemd, waar alle Christenen
wonen: volgens eene oude, nog van kracht zijnde wet, is het hun
verboden, in Ispahan zelf te wonen. Aanstonds word ik getroffen door
het contrast tusschen de mohammedaansche en de christelijke stad. Ook
hier vindt men, achter grauwe muren, onaanzienlijke leemen huizen;
maar de straten zijn net en zindelijk, en de smalle gracht, die de
meeste straten in twee gelijke deelen verdeelt, is met fraaie boomen
beplant, die eene weldadige schaduw verspreiden en in wier lommer
menige fruithandelaar en menige slager zijn kraampje opslaat. Het is
echter ook hier doorgaans stil op straat; er heerscht thans eenige
levendigheid, want een aantal armenische kinderen, met roode wollen
mutsen op het hoofd, komen uit de school en roepen ons vroolijk een
_bonjour mossioû_ of een _good morning!_ toe. Enkele, in witte sluiers
gehulde vrouwen wandelen met langzame schreden langs de muren.
Zware poorten, die des nachts gesloten worden, geven toegang van
de eene wijk tot de andere; nabij eene dezer poorten voert een smal
steegje naar het klooster der Mekitaristen, waar sedert twee-en-twintig
jaren pater Paschalis Arakélian woont, de eenige zielenherder van de
kleine gemeente der geuniëerde Armeniërs van Dsjoelfa. Alle Europeanen,
die Ispahan bezoeken, trachten zich onder bescherming te stellen
van dezen eerwaardigen geestelijke en komen een beroep doen op zijne
gastvrijheid, die niemand afwijst.
Wij worden gewacht; bij den eersten slag met een zwaren klopper, wordt
de deur wijd geopend door een knaap, die de verschillende betrekkingen
vervult van portier, huisknecht, kamerdienaar en koster. De eerwaarde
pater komt ons aanstonds tegemoet; volgens oud-christelijk gebruik
omhelst en kust hij mijn echtgenoot, en brengt ons, over een met
grafzerken geplaveiden binnenhof, naar eene ruime zaal.
"Verwacht niet," zeide de geestelijke, met zijne diepe welluidende
stem, "dat de monniken wier overste ik was, u komen begroeten en
verwelkomen: al mijne broeders zijn overleden en slapen onder de
zerken op den binnenhof; zij bezweken, na eenige jaren verblijf in
dit land, aan heimwee en ontmoediging. Dank zij mijn oosterschen
oorsprong en mijn krachtig gestel, heb ik aan den noodlottigen
invloed van het klimaat weerstand kunnen bieden: ik ben besloten te
Dsjoelfa te blijven, tot God mij van mijn post afroept. Ik dank Hem,
dat Hij ook u bewogen heeft, naar Ispahan te komen; gij kunt u niet
voorstellen, welk eene verkwikking het voor mij is, nu en dan aan
mijne treurige overdenkingen te worden ontrukt. Weest dus van harte
welkom; het geheele klooster staat tot uwe beschikking; het zal mij een
genoegen zijn, u te vergezellen, wanneer gij zulks mocht verlangen,
of u alle inlichtingen te geven, die gij begeeren mocht. Uwe kamer
is overdag zeer koel, en naar ik hoop, zal ze u wel bevallen, maar
's nachts zou zij te bedompt zijn; daarom heb ik voor u den toren in
gereedheid laten brengen, waar ik 's zomers altijd slaap."
Toen het avond geworden was, noodigde de pater ons uit, plaats
te nemen aan eene tafel, die van smakelijk toebereide gerechten
was voorzien; vervolgens bracht hij ons naar een met populieren en
wijngaarden beplanten tuin, waarin eene wilde gazelle in alle vrijheid
ronddartelde. Op mijne vraag naar den oorsprong dezer armenische
kolonie in het hart van een mohammedaansch land, deelde de priester,
zelf een Armeniër, mij het volgende mede.
In de vierde eeuw onzer jaartelling namen de Armeniërs het Christendom
aan, en daarmede begon voor hen een tijdvak van welvaart en bloei
en intellektueelen vooruitgang. Beroemde schrijvers vertaalden de
Heilige Schrift en andere hebreeuwsche, syrische en grieksche boeken,
en vervaardigden zelfs eene overzetting van Homerus in het armenisch;
de armenische literatuur bereikte haar hoogste ontwikkeling tijdens
het concilie van Chalcedon, na de scheiding tusschen de grieksche en
de armenische kerk. De liturgische schriften uit dien tijd bevatten
heerlijke gebeden en lofzangen in de oude armenische taal, die niet
onbelangrijk verschilt van het tegenwoordige armenisch, dat met vele
vreemde woorden vermengd is.
Eeuwen en eeuwen lang was Armenië de schouwplaats van een geweldigen
strijd tusschen de Parthen en de Romeinen, en later tusschen de
Perzen en de Byzantijnen. Niet dan met groote moeite, en dan nog maar
zelden geheel, kon het aloude armenische rijk, dat zijne stichting
terugvoerde tot op Haik, een zoon van Japhet, zijne onafhankelijkheid
bewaren; binnenlandsche beroerten en de splitsing van het rijk in
twee zelfstandige staten, Groot-Armenië en Klein-Armenië, verhaastten
den ondergang der aloude monarchie. Perzen, Arabieren, Mongolen,
Seldsjoeken, Turken overstroomden beurtelings het ongelukkige land,
waarvan het eene stuk voor, het andere na werd afgescheurd en dat
eindelijk voor een deel aan Perzië, maar voor verreweg het grootste
gedeelte aan Turkije kwam. De laatste koning van Klein-Armenië was Leo
IV, uit het huis van Lusignan, maar van moederszijde een afstammeling
uit het aloude armenische koningsgeslacht der Bagratiden. Door den
sultan van Egypte overwonnen en gevangen genomen, begaf hij zich,
na zijn ontslag uit de gevangenschap, naar Parijs, waar hij in 1398
overleed.
Het verlies van hunne politieke zelfstandigheid en de verdrukking
waaronder de christelijke Armeniërs eeuwen lang hadden te lijden,
hebben er zeker niet weinig toe bijgedragen om dit volk door alle
landen van het Oosten te verstrooien en bij hen dien zin voor handel,
bepaaldelijk ook voor geldhandel te ontwikkelen, die hen door het
geheele Oosten tot zoo geduchte mededingers van de Joden maakt. De
Armeniërs zijn overigens vreedzaam van aard, onderworpen en geduldig,
vlijtig en arbeidzaam; in hunne zeden en gewoonten hebben zij nog
veel van de oude, aartsvaderlijke eenvoudigheid behouden.
Toen Shâh Abbas, in 1585, zijne residentie van Kasbin naar Ispahan
overbracht, wilde hij de stad, die sedert de verwoesting door
de Mongolen bijna verlaten was, niet alleen in haar vroegeren
luister herstellen, maar ook hare welvaart verzekeren. Met dat
doel noodigde de groote Shâh een aantal Armeniërs uit, zich in de
nieuwe hoofdstad te komen vestigen; hij verzekerde hun de vrije
uitoefening hunner godsdienst, schonk hun belangrijke privilegiën
en stelde aanzienlijke geldsommen tot hunne beschikking; maar daar
de Christenen bleven aarzelen om aan zijne uitnoodiging gevolg te
geven, beval de Shâh dat de geheele bevolking van Dsjoelfa--eene
stad op de tegenwoordige grens tusschen Rusland en Perzië--naar
Ispahan zou worden overgebracht. Om de inwoners tot die verhuizing
te noodzaken, liet hij de bronnen dichtstoppen, de kanalen dempen en
de bruggen afbreken; de lieden van Dsjoelfa, nu gedwongen hun land,
dat in eene wildernis herschapen was, te verlaten, trokken met hunne
gezinnen en hunne kudden naar Ispahan. Velen hunner bezweken onder
weg; anderen vestigden zich in de dorpen, die zij doortrokken; naar
men zegt, bereikten honderd-zestig-duizend landverhuizers de nieuwe
hoofdstad van het perzische rijk. Shâh Abbas schonk hun landerijen op
den rechteroever van den Zendeh-Roed; vergunde hun aan hunne nieuwe
woonplaats den naam te geven van hunne vaderstad; liet kerken bouwen
voor de uitoefening der christelijke godsdienst, en bruggen over de
rivier, opdat de Armeniërs te allen tijde de bazars en karavanseraïs
der mohammedaansche stad zouden kunnen bezoeken. Aldus begunstigd en
bevoorrecht, ontwikkelde de nieuwe kolonie snel; niet alleen wisten de
Armeniërs van Dsjoelfa zich meester te maken van bijna den ganschen
handel van Perzië, maar ook van den buitenlandschen handel op China
en Indië.
Deze voorspoed duurde echter niet veel langer dan het leven van
Abbas-Shâh. Zijne opvolgers, belust op de schatten der Armeniërs,
begonnen hun zware schattingen op te leggen en weldra op allerlei
wijze te kwellen en te plunderen. Haat tegen de Christenen voegde zich
bij de hebzucht der perzische monarchen; de armenische bevolking van
Dsjoelfa werd op de wreedste wijze verdrukt en vervolgd, zoodat de
kolonie bijna geheel werd te gronde gericht. Onder de regeering van
Nadir-Shâh werd de toestand schier onhoudbaar. Gedurende een vol jaar
moest de armenische kolonie een schatting opbrengen van dertig-duizend
francs per dag; en toen het eindelijk onmogelijk geworden was, die som
bijeen te brengen, liet de despoot twintig der voornaamste inwoners
ter dood brengen. Den volgenden dag werd den Christenen gelast, hunne
kerken te sluiten en onverwijld den Islam te omhelzen. De meergegoeden
verhuisden in massa naar elders; de armen, die niet konden vertrekken,
bleven ten prooi aan allerlei kwellingen en mishandelingen. Het
werd hun verboden, te paard binnen Ispahan te komen: zij moesten
te voet gaan en hun paard bij den teugel leiden; zelfs werd hun het
recht van zelfverdediging ontzegd, en wie een Christen beroofde of
doodde, kon zeker zijn van straffeloosheid. De eerwaarde Padri,
die mij dat alles verhaalde, voegde er echter ook bij, dat veel
in den laatsten tijd anders was geworden. De Armeniërs hebben weer
vergunning gekregen om hunne kerken te openen en mogen hunne godsdienst
vrijelijk uitoefenen; niettemin leven de Christenen, wier aantal nog
ruim vierduizend bedraagt, geheel afgescheiden van hunne voormalige
verdrukkers, jegens wie zij nu juist niet vriendelijk gezind zijn. De
mannen alleen spreken perzisch; de vrouwen stellen er eene eer in,
de taal der overheerschers niet te verstaan, en er zijn te Dsjoelfa
misschien geen tien vrouwen, die ooit over de rivier zijn gegaan en
Ispahan hebben bezocht, waar zij trouwens ook niet toegelaten zouden
worden dan gesluierd en naar mohammedaansch gebruik gekleed. De thans
zeer verarmde kolonie zou sinds lang hebben opgehouden te bestaan,
indien de mannen niet de gewoonte hadden aangenomen, om in Hindostan
hun fortuin te gaan beproeven. Niet zonder smart verlaten zij het
land, waar de herinnering aan de vroegere welvaart huns volks, hun de
tegenwoordige ellende bijna doet vergeten; de jonge man neemt zooveel
geld mede als zijn gezin misssen kan en zendt zijne overgewonnen
spaarpenningen getrouw naar Dsjoelfa. Is de fortuin hem gunstig,
dan laat hij zijne vrouw en kinderen overkomen: onderscheidene
aanzienlijke armenische familiën te Benares en te Bombay stammen
af van landverhuizers uit Dsjoelfa. Is de fortuin hem niet gunstig,
dan tracht hij met hard werken althans zooveel te verdienen, dat hij
na zijn terugkeer in zijn onderhoud kan voorzien.
"De toestand mijner geloofsgenooten, zeide de Padri, zou nog wel
dragelijk zijn, indien niet de voorrechten, door de mohammedaansche
wet aan renegaten toegekend, voor velen eene voortdurende verlokking
waren. Deze ellendelingen worden gevierd, in triomf naar den bazar
gevoerd, van nieuwe kleederen voorzien, met geschenken overladen, en
verkrijgen door hun overgang het uitsluitend recht op de nalatenschap
hunner ouders en bloedverwanten, met voorbijgang van broeders,
zusters en kinderen. De muzelmannen zelven beroepen zich vaak op niet
bestaande banden van bloedverwantschap, om rechtens de Christenen
te kunnen berooven. Daar het nu, bij gebrek van een burgerlijken
stand, zeer moeilijk is, de ongegrondheid hunner beweering aan
te toonen, en daar in dergelijke geschillen uitspraak moet worden
gedaan door fanatieke mollahs, gebeurt het dikwijls dat gegoede,
welvarende christelijke familiën, bij den dood van het hoofd des
gezins, eensklaps tot de diepste armoede vervallen. Ik moet echter
tot eer van mijne volksgenooten getuigen, dat zij, in spijt van de
voorrechten, den afvalligen toegekend, bijna allen aan het geloof
hunner vaderen getrouw blijven."
Den volgenden morgen worden wij, in ons luchtig slaapvertrek in den
toren, vroegtijdig gewekt door het luiden der klokken vlak boven onze
hoofden. Ik spoed mij naar beneden, naar de kerk, waar de dienst
reeds begonnen is. De kapel is groot en ruim; de wit gepleisterde
muren dragen een gewelf, in den italiaanschen smaak van de achttiende
eeuw versierd. Eenige schilderijen, door de Dominikaner-monniken,
aan wie het klooster vroeger behoorde, vervaardigd, geven aan deze
kapel eenige gelijkenis met eene of andere dorpskerk in Toskane. Op
den vloer zijn fraaie tapijten uitgespreid, even als in de moskeeën;
de voetstappen der binnenkomenden zijn daardoor onhoorbaar, te meer
daar het de gewoonte is, bij het binnentreden in de kerk zijne schoenen
uit te trekken.
De geuniëerde of katholieke Armeniërs--dat zijn zij, die met behoud
overigens van hun ouden nationalen ritus, tot de katholieke Kerk zijn
toegetreden,--zijn niet veel meer dan driehonderd zielen sterk; de
overige bevolking van Dsjoelfa behoort tot de schismatieke armenische
kerk en staat onder het bestuur van een bisschop, door den patriarch
of katholikos van Etsjmiadzin benoemd en van drie ondergeschikte
priesters.
De mannen, op kleine dunne kussens neergeknield, nemen het hooger
gedeelte der kerk in. Zij zijn gekleed in een op de borst overgeslagen
jas, die een wit hemd zonder kraag te voorschijn laat komen, dat
aan den hals met passement is versierd; een hooge zwarte kollah
(muts) en een wijde blauw katoenen pantalon voltooien dit alles
behalve smaakvolle kostuum. De vrouwen zitten naast elkander aan
het benedeneinde der kerk. De groote, met smaak gedrapeerde zijden
doeken op haar hoofd, de zijden japonnen, waarvan de vorm met dien
der jassen van de mannen overeenkomt, en die om de heupen door een
gordel van filigraan zilver worden saamgehouden, staan haar zeer goed;
dit kostuum zou inderdaad bevallig mogen genoemd worden, wanneer
het benedenste gedeelte van het gelaat niet geheel bedekt werd door
een zwaren witten doek of sluier, die mond en kin onzichtbaar maakt,
en op den duur wezenlijk misvormt. De armenische vrouwen dragen dien
doek niet enkel als zij uitgaan, maar als zij getrouwd zijn, leggen
zij dien ook in huis niet meer af. Zoowel in de kerk als op straat,
zijn de christelijke vrouwen geheel gehuld in een wijden witten mantel,
dien zij met zeer veel smaak weten te drapeeren.
Na afloop van de mis verlaten de vrouwen en de lieden uit de
volksklasse het klooster; de meer aanzienlijken, die hunne opwachting
bij den Padri willen maken, begeven zich naar eene kamer, waar thee
wordt gepresenteerd. Het bezoek is heden buitengewoon talrijk. Bij
de aankomst van een christelijken vreemdeling, is het de gewoonte dat
al zijne geloofsgenooten hem komen bezoeken en verwelkomen. Wij maken
dan nu ook kennis met personen van allerlei nationaliteit, die echter
niet allen bij de mis zijn tegenwoordig geweest. De meesten toch,
Engelschen, Duitschers of Hollanders, behooren niet tot de armenische
kerk, maar komen niettemin hunne opwachting maken bij de gasten van
het klooster.
Ons eerste tegenbezoek geldt, den volgenden morgen, den armenischen
bisschop, die ons gisteren ook is komen begroeten.
Zijne woning, met den weidschen naam van paleis versierd, ligt in eene
met fraaie lommerrijke boomen beplante straat. De poort geeft toegang
tot eene zeer ruime binnenplaats, waarop de kerk staat, die thans
gesloten is. Links van den ingang ziet men eene lange galerij, waar,
in steenen sarkophagen, de lijken rusten van de armenische bisschoppen,
aan wie de moeilijke en dikwijls gevaarvolle taak was opgedragen,
om de kleine christelijke kudde, te midden der mohammedaansche wereld
verloren, te hoeden en te verdedigen.
De tegenwoordige armenische bisschop, hoewel nog jong, vervult,
naar men zegt, met veel takt zijne niet gemakkelijke taak. In
voorkomen en manieren heeft hij iets zeer gedistingeerds. Een ruim
kleed van granaatkleurig kashmîr omhult zijne slanke gestalte;
een zwart zijden kap doet zijn ernstig vriendelijk gelaat op het
voordeeligst uitkomen. Als alle hooge dignitarissen van de armenische
geestelijkheid, is ook hij monnik; alleen die geestelijken, die de
gelofte van kuischheid hebben afgelegd en tot hunne benoeming in het
klooster blijven waar zij zich op de studie toeleggen, hebben aanspraak
op de bisschoppelijke waardigheid; terwijl de leden van de wereldlijke
geestelijkheid, die eenmaal in hun leven mogen huwen, daardoor ook
afstand doen van alle bevordering in de kerkelijke hiërarchie.
De bisschop bedient alle weken de mis; maar de geloovigen wonen die in
den regel slechts op hooge feestdagen bij: zij beschouwen het heilig
offer als te verheven, om het dagelijks te herhalen. De armenische
prelaten staan onder het gezag van den patriarch van Etsjmiadzin,
den katholikos, die hen wijdt en benoemt. Zij erkennen den Paus
als den eerste onder de bisschoppen, maar niet als het hoofd der
kerk. Hoewel het dogma der armenische kerk op gewichtige punten van
dat der katholieke afwijkt, wordt zij toch slechts als schismatiek
en niet als kettersch beschouwd. De door armenische geestelijken
toegediende doop wordt dan ook als geldig erkend; en de geestelijken
zelven, die tot de katholieke Kerk overgaan, behoeven niet op nieuw de
wijding te ontvangen, maar worden aangemerkt als geschorste priesters,
aan wie de bisschop de rechten van hun priesterlijk ambt terug geeft.
De bisschop geleidt ons zelf naar de kerk, die in den vorm van een
grieksch kruis is gebouwd en gedekt met een hoogen koepel, waarvan
het onderste gedeelte van acht ramen is voorzien. Op de wandpaneelen
tusschen die vensters heeft men in fresko medaillons geschilderd
op een blauwen grond met goud en arabesken. De muren zijn bedekt met
schilderijen, het werk van italiaansche monniken; die schilderijen zijn
nu wel niet allen meesterstukken, maar toch wordt het oog bekoord door
het warme levendige koloriet, in zoo volkomen harmonie met het blauw
van het gewelf, het goud van den koepel en de fraaie mozaïeken onder
de schilderijen. De kerk is keurig netjes onderhouden en vertoont
nergens een spoor van verval, zelfs niet van ouderdom.
Behalve de kapel van het bisschoppelijk paleis en die van het
katholieke klooster, zijn slechts twee kerken weder voor de uitoefening
voor de christelijke eeredienst geopend.