XII

4 Augustus.--Bij het verlaten van Koem loopt de weg langs de oostelijke

helling van de bergketen, die Perzië van het noorden naar het zuiden

doorsnijdt, de brandend heete wind van de woestijn doet hier zijn

invloed gevoelen en weert de koude af, waarvan wij bij ons vertrek van

Teheran zooveel te lijden hadden. De maan van de Ramadân staat niet

meer aan den hemel; ondanks de heldere lucht en de duizenden sterren,

die aan het uitspansel flonkeren, is het zeer donker. Terwijl de

karavaan voorttrok, hield ik mijn paard even stil, om bij het licht van

mijn zaklantaarn iets op te teekenen. Daarmede gereed zijnde, haastte

ik mij, om mijne gewone plaats aan het hoofd van den stoet weder in te

nemen, toen mijne aandacht eensklaps getrokken werd door een zonderling

verschijnsel: de lastdieren waren door een wolk van lichtende vonken

omgeven. Droomde of waakte ik? Ik riep mijn echtgenoot, die hetzelfde

zag; wij stegen beiden af en naderden de dieren.

Nu werd het raadsel weldra opgehelderd. Om de vliegen af te weren,

waardoor zij ook 's nachts gekweld worden, slaan de paarden voortdurend

met hun lange staarten. Ten gevolge van de buitengewone droogte der

atmosfeer op de hoogvlakten van Irân, zijn de hairen der dieren in

zulke mate elektrisch geworden, dat door de aanraking en prikkeling,

bij het slaan der staarten, vonken ontstaan, die een duidelijk

zichtbaren lichtglans geven.

De tsjarvadar-basjî, verwonderd dat ik achter zijne paarden bleef

loopen, kwam naar mij toe om naar de reden te vragen. "Gij zijt

verbaasd," zeide hij, "dat er uit de staarten der paarden vonken

voortkomen; wat zoudt gij wel zeggen, als ik met een stuk papier uit

uw schrijfboek licht maakte?"

De man haalt daarop uit een zak eenige meloenpitten, laat die op

den grond vallen, en verzoekt mij, die weer op te zoeken; het was

onmogelijk: tusschen de steenen en het zand, waren de pitten niet

meer te vinden. Mijn geïmproviseerde professor in de physica ging

toen op den grond zitten, greep een blad papier bij de punten en

scheurde het langzaam over de lengte door; naarmate het papier, met

een eigenaardigen metaalklank, scheurde, ontstond er een lichtende

streep, die helder genoeg was om de verloren pitten terug te vinden.

Dat is eerst een gelukkig land! In Perzië heeft men geene

Jablochkoff-kaarsen en geen Edisonlampen en hoe al die dingen verder

heeten mogen, noodig: men kan het, vrij wat goedkooper, met een

kattevel doen!

Daar de telegraafpalen van de engelsch-indische lijn den weg wijzen en

voor verdwalen behoeden, besloten wij, toen het dag werd, om vooruit

te rijden, ten einde tijdig te Passangan te zijn. Gewend aan de lange

étappen in de provincie Saveh en aan de eindelooze farsaks van minder

bezochte wegen, rijden wij gedachteloos, ondanks het tegenspartelen

van onze paarden, eene fraaie karavanseraï voorbij; om, na een rit

van twee uren door eene dorre woeste vlakte, aan eene nieuwe herberg

te komen, die er zeer vervallen en armoedig uitziet en door eenige

verlaten woningen is omringd.

"Zijn wij hier te Passangan?" vroeg ik aan den huisbewaarder, die

rustig voor de deur zijne pijp zat te rooken.

"Gij hebt sedert die pleisterplaats drie en een halve farsak afgelegd,

antwoordde hij. Hoe komt gij hier in deze streek, die door de inwoners

verlaten is en die geen drinkbaar water meer oplevert? Ik kan u

noch brood, noch thee, noch melk aanbieden; ik leef uitsluitend van

pasteken, die ik van de tsjarvadars koop."

Onze lichtzinnigheid heeft ons een leelijke poets gespeeld; maar

er schiet nu niet anders over dan hier te wachten. Wij trachten een

weinig te rusten, en zoo den honger te vergeten, die ons kwelde. Tegen

den middag hoor ik eensklaps het getjingel van belletjes: Goddank,

dat is de karavaan!

De tsjarvadars, die bij hunne komst te Passangan ons niet vonden,

maakten zich ongerust, niet het minst over hunne paarden: zij besloten

dus, ons achterna te trekken. De Perzen hebben hunne zeer leelijke

gebreken: zij liegen en stelen dat het een aard heeft; maar zij hebben

daarentegen eene zeldzame mate van lijdzaamheid en geduld. Hoewel de

muilezeldrijvers, ten gevolge van onze onbezonnenheid, den bepaalden

marsch der karavaan hebben moeten veranderen en haar moeten brengen

naar eene plaats, waar geen eten en geen water te krijgen is,

morren of beklagen zij zich niet. Ook de reizigers zijn even kalm en

onderworpen: wat zou het baten of zij nu met ons ruzie maakten en

ons verwijtingen toevoegden: dat zou immers in den stand van zaken

niets veranderen? "God is groot en de Faranguis zijn ongeloovigen,"

zoo denken zij bij zich zelven. "Wie met schurftige honden aanlegt,

moet niet meenen dat hij rozengeur zal inademen."

Tegen middernacht kwam de karavaan te Simsim, een dorp ver van den

grooten heirweg gelegen; de karavanseraï is verlaten en onbewoond;

er is niets te krijgen; wij moeten voortgaan, al hebben wij allen

niets te eten dan pasteken en wormstekige vruchten.

De groote weg van Teheran naar Ispahan, een van de meest bezochte

wegen van Perzië, loopt door een aantal zeer armoedige dorpen. Daar

de reizigers hier niet, als in Aderbeidsjan, hun intrek kunnen

nemen bij gastvrije inwoners, moeten zij een onderkomen zoeken in de

karavanseraïs, waar zij in den regel althans water, stroo, pasteken

en karnemelk kunnen vinden. De stichting van deze karavanseraïs

dagteekent van zeer ouden tijd. Herodotus spreekt reeds van de

herbergen, van afstand tot afstand langs den weg van Susa naar Sardes

gebouwd; maar het is waarschijnlijk dat men in zijn tijd overal in

Irân dergelijke gebouwen vond, om de karavanen of de doortrekkende

troepen te herbergen. De verdeeling der étappen of dagreizen, die

in onmiddellijk verband staat met de gesteldheid van de landstreek,

met de ligging van bergpassen en wateren, kan in hoofdzaak niet veel

verandering hebben ondergaan; en de gebouwen zelven, overeenkomstig de

eischen en behoeften van het klimaat ingericht, zien er ongetwijfeld

nog zoo uit als ten tijde van Herodotus.

Eene karavanseraï is, schier zonder uitzondering, een groot vierkant

gebouw, waarvan het midden geheel wordt ingenomen door eene ruime

binnenplaats, van booggangen omgeven. Achter die portieken vindt men

de stallen, in overwelfde galerijen, die door vooruitspringende muren

in kompartimenten zijn verdeeld, en waarin ook de muilezeldrijvers

hun verblijf houden.

In den zomer kunnen aanzienlijke reizigers over dag hun intrek nemen

in de overwelfde kelderkamers, die vijf of zes el onder den grond

zijn aangelegd, en waarheen men afdaalt langs trappen, die tevens

tot het aanvoeren van licht en lucht dienen. In deze sousterrains,

waar eene zachte schemering heerscht, die tot rusten uitnoodigt,

is het steeds heerlijk koel. Des avonds verlaten deze bevoorrechten

hunne onderaardsche vertrekken, waarheen het licht anders gevaarlijke

dieren zou lokken, en begeven zich naar den takht, eene breede open

estrade, twee el boven den grond verheven en door met water gevulde

slooten of greppels omringd. Om deze vesting te bereiken, bedienen de

reizigers zich van een ladder, dien zij aanstonds weder optrekken. Deze

voorzorgen zijn noodig met het oog op de schorpioenen, wier aantal

hier zeer groot is en wier beet soms doodelijke gevolgen heeft.

Ik moet er echter bijvoegen, dat op verre na niet alle karavanseraïs

van dergelijke onderaardsche vertrekken en terrassen voorzien zijn. In

zeer velen moet men eenvoudig onder de arkaden of op de binnenplaats

overnachten.

Toen wij te Kashan kwamen, wilden wij onzen intrek nemen in de ruime

karavanseraï buiten de poort der stad; wij stonden op het punt, binnen

te treden, toen twee bedienden naar ons toekwamen en ons uit naam van

hunnen heer, den directeur van de telegraaf, uitnoodigden onzen intrek

te nemen in het station, waar logies voor ons was gereed gemaakt op

de vriendelijke aanbeveling van den kolonel Smith, den hoofddirecteur

van de telegraaflijn, die Hindostan met Engeland verbindt.

Volgens verscheidene oostersche schrijvers zou Kashan door de beroemde

sultane Zobeïde, de echtgenoote van den Khalief Haroen ar-Rashîd,

zijn gesticht; naar luid van andere berichten evenwel, zou zoowel

Kashan als Koem reeds tijdens de Sassaniden hebben bestaan. Wellicht

dankt de tegenwoordige muzelmansche stad haar oorsprong aan de

sultane. Kashân heeft doorgaans het lot gedeeld van het naburige

Ispahan. In de achttiende eeuw werd de stad door de Afghanen verwoest

en door Hadji-Hoesein Khan herbouwd.

Nog tegenwoordig heeft deze stad een veel meer welvarend voorkomen dan

de meeste andere perzische steden, en onderscheidt zij zich gunstig

door haar nijverheid en haar niet onbelangrijken handel. Niettemin

deelt ook zij in het algemeene verval, waaronder geheel het Oosten

wegkwijnt: hare bevolking, die vroeger dertigduizend zielen bedroeg,

is sedert den laatsten hongersnood tot op tienduizend geslonken. De

van leemen tichels gebouwde huizen zien er goed onderhouden uit;

de meeste straten zijn geplaveid en in het midden van een goot of

riool voorzien, waardoor het water kan wegvloeien; de openingen der

putten zijn met zerken gedekt, zoodat ruiters en voetgangers tegen

ongelukken beveiligd zijn; ja zelfs worden--en dit is in het Oosten

iets geheel buitengewoons--de straten zorgvuldig schoongeveegd.

De ruime bazar, met zijne breede straten en reeks van kleine koepels

naast elkander, is van afstand tot afstand voorzien van eigenaardige

gebouwen of paviljoenen, die men goederen-karavanseraïs zou kunnen

noemen, waar koopwaren worden geborgen en uitgestald. Het fraaiste van

deze paviljoenen of entrepôts, zoo ge wilt, is wel de zoogenoemde

Nieuwe (Tasa) karavanseraï, voor rekening eener corporatie van

kooplieden gebouwd, en waarvan de plaat op bladz. 325 een zeer juist

denkbeeld geeft.

In deze prachtige karavanseraï, verkoopt men zijden en andere geweven

stoffen, die in de stad zelve vervaardigd worden. Het is wel de

moeite waard, zulk eene werkplaats te bezoeken. Uit hoofde van de

buitengewone droogte der lucht, zijn de wevers, om te voorkomen dat

de zijden draden afbreken, wel verplicht in onderaardsche kamers te

werken, die door een luchtgat niet meer dan het hoog noodige licht

ontvangen. Op den grond staan onderscheidene kommen met water gevuld,

waarvan de uitdamping de atmosfeer vochtig moet houden. Ieder werkman,

het bovenlijf geheel naakt, voor zijn hoogst eenvoudigen weefstoel

gezeten, vervaardigt alleen zijn werkstuk.

De stoffen zijn van tweeërlei soort: de eene, licht en dun, dient tot

voering voor kleederen; de andere, zwaar en dik, wordt gebruikt tot

het overtrekken van kleine gecapitonneerde matrassen, die de Perzen

rechtop tegen den muur zetten om daartegen te leunen. De witte, gele

en groene teekeningen van deze zijden stoffen komen doorgaans helder

uit op een fraaien rooden grond; daarenboven zijn er nooit twee stukken

die volkomen op elkander gelijken: er is steeds eenig verschil, hetzij

dan in het patroon, hetzij in de schikking en mengeling der kleuren,

waarbij ieder zoowat zijn eigen smaak en ingeving volgt.

Behalve deze Nieuwe-karavanseraï verdient vooral die der kopersmeden

de aandacht. Vier- of vijfhonderd van die lieden zijn hier voortdurend

aan den arbeid, in lange galerijen, waar ge telkens karavanen kunt

ontmoeten van kameelen, die het in platen opgerolde koper uit Rusland

aanvoeren, of geheele ladingen van koperen ketels en dergelijke

voorwerpen komen halen, die van hier naar alle steden in Perzië

worden verzonden.

Het verschrikkelijk gehamer en geklop in deze karavanseraï is niet

alleen voor Europeanen onuitstaanbaar, ook de Perzen kunnen het te

midden van dit helsch rumoer niet uithouden. Zoo haastig mogelijk

wijzen zij de voorwerpen aan, die zij verlangen, en waarmede dan

de koopman aan hunne woning moet komen om rustig over den koop te

onderhandelen.

In eene oude kroniek lezen wij het volgende verhaal, dat, ondanks de

overdrijving, toch wel geschikt is om een denkbeeld te geven van dit

oorverdoovend geraas.

Toen de beroemde wijsgeer en geneeskundige Avicenna te Ispahan woonde,

waar hij een leerstoel bekleedde, kwam hij op zekeren dag bij den

koning om zijn beklag te doen. "De koperslagers van Kashan, zeide hij,

maken in de laatste dagen zulk een leven, dat het mij onmogelijk is

mijne studiën voort te zetten.

--Dat is zeer jammer, zeide de Shâh glimlachend; ik zal aanstonds een

koerier zenden om hun te gelasten, tijdelijk hun arbeid te staken;

gij kunt dan uwe studiën voltooien."

Den volgenden morgen liet Avicenna den koning zijn dank betuigen; geen

enkel gerucht had hem in zijne studiën gestoord, en van de stilte en

rust had hij gebruik gemaakt om bijna een geheel hoofdstuk van zijn

groot geneeskundig werk af te werken.

Maar na verloop van vier dagen van gedwongen werkeloosheid, begonnen

de koperslagers van Kashan zich bitter te beklagen over de schade

die zij leden ten gevolge van de dwaze grillen van een man, die op

drie dagreizen afstands van hun bazar woonde.

"De koning heeft eene week stilte aan zijn geneesheer beloofd," zeide

de gouverneur; "daarvan zijn reeds vier dagen verstreken; neemt dus

gerust den hamer weer ter hand: het is onmogelijk, dat men te Ispahan

het leven zou kunnen hooren, dat gij hier maakt. In ieder geval zal

ik Zijne Majesteit waarschuwen; de koning zal zich dan zelf kunnen

overtuigen van de kwade trouw van Avicenna."

Het werk werd dus hervat, en zoo luid en lustig als ooit weerklonken

de hamerslagen op het weergalmend koper.

Dien eigen avond verscheen Avicenna ten paleize. "De bevelen van Uwe

Majesteit worden door Hare gouverneurs slecht nageleefd: sedert dezen

morgen hebben de koperslagers van Kashan hun bazar weer geopend."

7 Augustus.--In antwoord op de kennisgeving van onze aankomst, heeft

de gouverneur, gedurende onze afwezigheid, een prachtig geschenk

gezonden, bestaande uit vier zakken vol pasteken, meloenen, perziken en

abrikozen, benevens twee mooie aardige lammetjes, het eene sneeuwwit

en het andere met zwarte pootjes en bekje. Als vergoeding voor

dit geschenk verzocht hij ons, hem te paard te fotografeeren. Deze

wonderlijke liefhebberij van alle aanzienlijke Perzen maakt het ons

vrij lastig; maar hoe zouden wij kunnen weigeren aan het verlangen

te voldoen van die groote kinderen, die ons zoo beleefd ontvangen en

ons den toegang openen tot de eerwaardigste heiligdommen. Het bezoek

wordt dus bepaald tegen twee uren voor zonsondergang.

Ten bepaalden tijde verschijnt de gouverneur, omringd van zijn gevolg,

aan het station; naast en achter zijn prachtig zwart paard loopen

de mirzas en een ordonnans-officier, voorafgegaan door een aantal

bedienden met stokken gewapend; een kamerdienaar draagt over zijn

schouder het prachtig gestikte dekkleed, dat, krachtens bijzondere

vergunning van den Shâh, alleen de hooge dignitarissen mogen gebruiken

om over hun paard te werpen, als zij afstijgen.

De hakem (gouverneur) is omtreeks veertig jaar oud. Zijn plompe

lichaamsbouw, zijn bruine kleur en zijne grove alledaagsche

gelaatstrekken teekenen duidelijk zijne afkomst: hij is de zoon van

een schoenlapper van Teheran en is zijn hoogen rang verschuldigd aan

den invloed zijner zuster Anizeh Doowlet, eene der meest geliefde

bijzitten van Nasr ed-Dîn Shâh, die zelve haar buitengewoon geluk

aan een zonderling toeval te danken heeft.

Op zekeren dag ter jacht uitrijdende, ontmoette de koning in den

bazar eene jonge boerin, die eene kruik op het hoofd droeg. De

prachtig schoone oogen en de levendige sprekende gelaatstrekken van

het meisje maakten zulk een diepen indruk op Nasr ed-Dîn, dat hij

aanstonds bevel gaf, haar naar het paleis te brengen en al spoedig

met haar een huwelijk aanging voor negen-en-negentig jaren.

Het is misschien niet overbodig in herinnering te brengen, dat bij de

Mohammedanen, zoowel bij de Sjîiten als de Sonnieten, de echtscheiding

geoorloofd en veelvuldig in gebruik is. De wet is op dit punt zeer

toeschietelijk, en vergunt bovendien het sluiten van tijdelijke

huwelijken, bij voorbeeld voor een jaar of nog korter. De vrouwen, die

op gewone wijze gehuwd zijn, mogen eerst drie maanden na de ontbinding

van haar huwelijk een nieuwen echtgenoot toebehooren; maar bij

tijdelijke huwelijken duurt die tijd niet langer dan vijf-en-twintig

dagen. Ondanks dat worden deze huwelijken als wettig beschouwd, en

zijn ook de kinderen, die daaruit geboren worden, wettig, zoodat zij

aanspraak hebben op hun aandeel in de vaderlijke nalatenschap.

Anizeh Doowlet, vroolijk en opgewekt van aard, geestig en vernuftig op

haar manier, wist zich de bijzondere genegenheid van haar koninklijken

gemaal te verwerven, die haar in die mate boven zijne wettige

gemalinnen begunstigde, dat zij weldra de eerste plaats bekleedde

in den koninklijken anderoen. Met den allen vrouwen aangeboren

takt wist zij zich spoedig, tot zekere hoogte, de fijnere hoofsche

manieren eigen te maken, al behield zij, niet zonder opzet, zekere

vrijheid en ongegeneerdheid, die haar als kind des volks deed kennen

en den Shâh vermoedelijk niet ongevallig was. Evenwel begrijpende,

dat de omgang met haar onbeschaafde bloedverwanten den koning niet

aangenaam zou zijn, wist zij die handig te verwijderen, door hun hooge

en winstgevende betrekkingen te doen geven. Zoo werd een harer broeders

gouverneur van Kashân; en zijn nieuwe rang bevalt den man zoo goed,

dat hij zelf zijne nederige afkomst schijnt vergeten te hebben.

Een schoenmaker van Teheran, op zekeren dag te Kashân zijnde, wilde

een bezoek gaan afleggen bij zijn ouden vriend, den gouverneur,

en begaf zich naar het paleis. De goede man was niet rijk en zeer

eenvoudig gekleed; maar de herinnering aan de oude vriendschap,

die hem in vroeger dagen met den tegenwoordigen zwager van Nasr

ed-Dîn verbonden had, gaf hem moed; vroolijk glimlachende trad hij,

met uitgestoken hand, op zijn ouden kameraad toe.

"Wie ben-je?" vroeg de gouverneur van Kashan, op zeer hoogen toon,

zoo als zelfs de aanzienlijkste mannen zelden of nooit aannemen.

De schoenmaker, beteuterd door dit onverwacht onthaal, deed een stap

terug; maar zijne kalmte hernemende, sprak hij:

"Ik ben Ali Mohammed, uw oude buurman uit den bazar der

schoenmakers. Men heeft mij te Teheran verteld, dat gij, ten gevolge

van overmatige inspanning, ziek geworden waart; ik heb mij gehaast

tot u te komen om u moed in te spreken en te zien of ik u helpen

kon. Maar, helaas! gij zijt er nog erger aan toe, dan ik gedacht

had. Gij zijt reeds geheel blind, mijn arme vriend, daar gij zelfs

uwe oudste kameraden niet meer kunt herkennen."

Bij zijne komst aan het telegraafkantoor laat de schoonbroeder van

Zijne Majesteit zich aanstonds in een fauteuil neder, en kijkt, onder

het drinken van een kop thee, telkens met nieuwsgierige blikken naar

een klein orgel, dat in een hoek der kamer staat.

"Ik zou wel eens iets op dat instrument willen hooren spelen",

zegt hij.

De directeur van het telegraafkantoor verontschuldigt zich, zeggende

dat hij ter nauwernood de noten lezen kan; de gouverneur blijft

aandringen; op vriendelijk verzoek van mijn gastheer, zet ik mij

eindelijk aan het klavier. Mijn publiek is niet van dien aard,

dat ik mij daarover zenuwachtig zou maken; lastiger is de vraag,

wat ik spelen zal. Na eenige aarzeling, besluit ik den knoop door

te hakken, en begin.... _la Fille de madame Angot!_ Ten einde meer

op zijn gemak van de schoonheden dezer muziek te kunnen genieten,

laat de gouverneur zich zachtkens van zijn stoel glijden en gaat op

zijne hurken zitten. Eensklaps roept hij mij toe:

"Die muziek is allerliefst; maar gij speelt veel te gauw; men kan het

niet bijhouden. Doe dat nog eens over, maar langzaam, en sla zoo hard

ge kunt."

Ik begin nog eens, op eene zoo statige maat, als moesten wij de

jongejuffer Angot zelve gaan begraven; nu kent de geestdrift geen

perken meer: de gouverneur schudt met zijn hoofd heen en weer, als de

kinderen, die Koranverzen moeten opzeggen; de mirzas en de bedienden

volgen het voorbeeld van hun heer en geven luide hunne bewondering

te kennen;--zij allen gelijken wel een troep idioten.

Ik sta op en noodig den hakem uit, om nu op zijne beurt ook eens iets

te spelen.

"Dat wil ik wel," antwoordt hij; "ik ben een groot liefhebber van

muziek; maar ik zie dat gij zoowel de handen als de voeten gebruikt

en dat uw geheele lichaam in beweging is; dat is zeer vermoeiend. Zou

ik niet met mijn vingers alleen hetzelfde geluid kunnen maken?"

Uit mijne korte ophelderingen trekt Zijne Excellentie het besluit,

dat de kunstenaar, die zich zelven respecteert, alleen op het klavier

moet slaan; maar dat het in beweging brengen van de pedalen niets

meer dan gewone handenarbeid is, op zijn best goed genoeg voor een

Farangui. Hierdoor gerust gesteld, zet hij zich voor het orgel, en

gebiedt twee ferachs op den grond te gaan liggen en de pedalen op

en neer te doen gaan, terwijl hij zelf in het honderd op de toetsen

trommelt. Zijne vreugde kent geen perken; hij juicht, schatert van

lachen, zit geen sekonde stil, en geeft elk oogenblik een slag of een

schop aan de op den grond liggende bedienden, omdat zij niet voor den

noodigen wind zorgen. Deze ongelukkigen werken hoe langer zoo meer

met de pedalen; het kleine orgel snuift en blaast, en de directeur

ziet het oogenblik komen, waarop het barsten zal. Om zijn instrument

te redden, herinnert hij er aan, dat de zon ter kimme daalt en dat

het oogenblik gekomen is om de fotografie van den gouverneur te maken.

Het geheele gezelschap defileert voorbij mijn toestel. De mirzas en

de ordonnans-officier verlangen dat er een behoorlijke afstand zij

tusschen hen en de ondergeschikte bedienden. Een hunner heeft zelfs

zijn dochtertje laten halen, een kind van vier of vijf jaar: zij

verscheen op den arm van een jongen neger, die juist op het oogenblik

toen ik den toestel zou ontblooten, haastig in de groep plaats nam,

ten einde ook zijn zwart bakkes op de plaat te kunnen zien.

Tot belooning voor mijne moeite en als herinnering aan het aangename

muziekpartijtje, vraag ik van den gouvorneur vergunning om de moskeeën

van Kashan te mogen bezoeken. Hij belooft mij, dat hij er nog dien

eigen avond den iman Djoema over spreken zal; wordt ons verzoek

toegestaan, dan zal hij er mij aanstonds kennis van geven.

8 Augustus.--De hakem is een man van zijn woord. Zijn secretaris bracht

ons dezen morgen de vergunning om de mastsjed Meïdan te bezoeken. De

stichting van dit heiligdom, midden in de stad in een der volkrijkste

wijken gelegen, klimt op tot de veertiende eeuw. Daar de richting

van de moskeeën bepaald wordt door haar positie met betrekking tot

de Kaäba, waarheen de vrome muzelman bij het verrichten van zijn

gebed het gelaat wenden moet, is de bouwmeester verplicht geweest,

den voornaamsten ingang van het bedehuis schuin op de as der straat te

plaatsen. Om dit gebrek te verhelpen, heeft hij, in eene evenwijdige

façade met die van de mastsjed Meïdan, den ingang aangebracht van

eene medresseh, en vervolgens den schuinen hoek verborgen achter een

lossen gevel.

De moskee is ruim en in goeden stijl gebouwd; maar de voornaamste

merkwaardigheid van dit monument, uit een artistiek oogpunt, is zijn

prachtige mihrab, bekleed met porseleinen tegels, waarvan de heerlijke

metaalglans niet onderdoet voor dien der porseleinen bekleeding in den

beroemden imam Zaddeh te Weramin. Het is trouwens niet vreemd, hier

zulk een uitnemend kunstwerk te vinden: Kashan is toch het eigenlijke

vaderland van die metaalachtige tegels, waarvan de kleurenpracht een

zoo tooverachtig schoon effekt maakt.

Van de moskee begeef ik mij met mijn fotografie-toestel naar den

bazar. Hier is de drukte en beweging in vollen gang; bedienden

gaan inkoopen doen; handelaars in perziken en komkommers bieden

den voorbijgangers hunne heerlijke vruchten aan; dan weer trekken

muilezels of kameelen in lange rijen voorbij, beladen met pakken en

balen, die zij naar de karavanseraïs moeten brengen. De weg is reeds

te smal voor al deze menschen en dieren; en het zou mij onmogelijk

zijn, hier met mijn toestel te werken, indien eenige liefhebbers van

de fotografie niet zoo vriendelijk waren, de woelende menigte tegen

te houden: natuurlijk in de hoop dat zij dan ook op de afbeelding

zullen voorkomen.

Ik stond juist op het punt den doek weg te nemen, toen mijne beleefde

helpers, die op eigen gezag de circulatie hadden gestremd, haastig

ter zijde traden voor eenige bedienden, gevolgd door een gezelschap

vrouwen, gezeten op ezels met rijk geborduurde dekkleeden versierd.

De nieuw aangekomenen stormen op mij los en gelasten mij onmiddellijk

ter zijde te gaan, om ruimte te maken voor den stoet. Het bevel wordt

op zoo onbeleefden toon gegeven, het plaatsen van den toestel heeft

mij zooveel moeite gekost, en ik heb voor mijn werk zoo weinig tijd

noodig, dat ik ten stelligste weiger mij te verwijderen.

"De khanoems (dames) kunnen gerust voorbijgaan, zeg ik tegen de

bedienden; er zal haar geen ongeluk overkomen."

Deze opmerking baat niet; mijne aanvallers pakken den toestel aan

en dringen mij, zoowel als mijn echtgenoot, die op het gerucht was

toegesneld, in een winkel van den bazar.

Niettegenstaande in Perzië de zeden en de aard der bevolking veel

minder ruw en veel zachtzinniger zijn dan in Aziatisch-Turkije, is

toch ook daar een Europeaan, zoodra hij zich eene vernedering laat

welgevallen, aanstonds zijn prestige kwijt; van dat oogenblik af

is hij in de oogen der menigte niets meer dan een Christenhond, een

paria, tegen wien men zich ongestraft alles veroorloven mag. Het is

volstrekt noodig met kracht op te komen tegen de behandeling, die men

ons heeft aangedaan: anders zullen wij gedurende ons verder verblijf

te Kashan en misschien ook nog daarna, er de onaangename gevolgen van

ondervinden. Op gebiedenden toon geeft Marcel aan onze bedienden den

last, zich onmiddellijk naar het paleis te spoeden om eene klacht in

te dienen bij den gouverneur; vervolgens verwijderen wij ons langzaam

uit den bazar, gevolgd door een zwerm van jongens. Die deugnieten,

getrouwe en vrijmoedige tolken van de gevoelens der menigte,

maken allerlei bokkesprongen, en schelden ons uit voor honden,

voor hondenkinderen, voor onreinen, wier vaders in de hel braden,

en voegen ons meer dergelijke liefelijkheden toe, wel zorgende steeds

buiten ons bereik te blijven.

Nauwelijks zijn wij in het telegraafstation teruggekeerd, of de

eerste mirza van den gouverneur komt verschrikt aanloopen. De hakem

had reeds voor de komst onzer bedienden vernomen, wat er in den

bazar was voorgevallen; bij de karavaan, wier verschijning tot de

moeilijkheden aanleiding had gegeven, bevond zich de echtgenoote

zelve van den gouverneur, die na eene afwezigheid van eenige dagen

te Kashan terugkeerde. Evenmin als hare bedienden, wist zij dus dat

er in die stad twee vreemdelingen uit Europa waren aangekomen.

Zijne Excellentie verzocht ons de ruwheid der bedienden wel te willen

verschoonen; tevens laat hij ons weten dat hij, om de beleediging ons

aangedaan uit te wisschen, heeft gelast, den dienaars de bastonade te

geven; wij worden uitgenoodigd, bij de strafoefening tegenwoordig te

zijn. Wij zijn met deze ophelderingen volkomen tevreden, bedanken voor

de uitnoodiging en vragen genade voor de schuldigen, wier tuchtiging

wij niet verlangen.

Maar de zaak was daarmede nog niet uit. Tegen het vallen van den avond

verschijnt eene muzelmansche dienstbode, die mij verlangt te spreken.

"Bij hare komst aan het paleis," zoo zeide zij, "heeft mijne meesteres

gevraagd naar den naam van de twee Faranguis, om wier wille haar

stoet een oogenblik was opgehouden. Vernemende dat een dezer twee

fotografen eene khanoem (dame) was, heeft zij den wensch te kennen

gegeven, haar eigen portret te laten maken. De hakem heeft geweigerd

aan dat verlangen te voldoen; daarop heeft mijne meesteres besloten,

in stilte uwe hulp in te roepen. Morgen zal zij zich, zonder eenig

gevolg en als dienstmaagd verkleed, naar de woning begeven van den

imam Djoema, aan wiens vrouw zij vooraf het kostuum zal zenden,

dat zij bij deze gelegenheid wil aantrekken."

Wij spreken dus af, dat ik morgen, drie uren na zonsopgang, hare

meesteres ontmoeten zal. Mijn echtgenoot moet een bezoek gaan afleggen

bij den imam; ik zal hem vergezellen, en bij de intrede in het huis,

zal ik in een donkere gang de dienstbode vinden, die mij naar den

anderoen geleiden moet.

9 Augustus.--Het vastgestelde programma is punt voor punt

uitgevoerd. Op het oogenblik toen ik den drempel der woning van

den imam Djoema had overschreden, geleidden twee vrouwen mij door

een doolhof van donkere gangen naar den anderoen van den hoogen

geestelijke. Eindelijk kom ik in een tuin, waar de twee dames mij in

groote spanning afwachten.

De echtgenoote van den hakem maakt nog eens hare verontschuldiging over

de ruwheid harer bedienden en dankt mij voor de vriendelijkheid, dat

ik gekomen ben. Zij is zeer mooi.... voor eene perzische vrouw. Haar

vollemaansgezicht zou zeker door de dichters van haar land bezongen

worden, die dan ook niet zouden verzuimen uit te weiden over haar

blanke huid en rozenwangen, over den gloed harer groote zwarte oogen,

en het karmozijn harer ietwat dikke lippen. Op dit oogenblik heeft

haar gelaat onbetwistbaar eene zeer bekoorlijke uitdrukking.

De vrouw van den iman Djoema daarentegen is zonder omwegen leelijk

en heeft dan ook wijselijk alle zweem van koketterie laten varen.

"Gij kunt _ax_, maken, zegt de gemalin van den gouverneur tot

mij. _Ax_ is het perzische woord voor fotografie; het beteekent,

het tegenovergestelde, de keerzij. Gij zijt de _ackaz bashi doowlet

faranca_ (de opperfotograaf van de fransche regeering)?

--Zeker, antwoord ik zonder aarzelen, want ik wil hier niet bekend

staan als eene dilettante zonder klandisie.

--Hoeveel madakhel maakt gij wel jaarlijks in die

betrekking? (_Madakhel_ is eene beleefde uitdrukking voor alle

oneerlijke praktijken en oplichterijen, waaraan alle perzische

ambtenaren zich ten nadeele van de koninklijke schatkist schuldig

maken).

--Geene, antwoord ik haastig, met zekere naïeve verontwaardiging.

--Dan verrijkt uw man zich dus voor zich zelven en voor u."

Om aan dit gesprek een einde te maken, begin ik mijn toestel in orde

te brengen. Terwijl ik daarmede bezig ben, praten de beide dames op

zachten toon met elkander; onder mijn doek verborgen, verlies ik geen

woord van haar gesprek.

"In Faranguistan," zegt de vrouw van den gouverneur tot de

echtgenoote van den iman, die zij blijkbaar als eene onwetende

ziel behandelt,--"zijn de vrouwen veel ongelukkiger dan bij ons;

de mannen dwingen haar om te arbeiden. Deze hier is ackaz-bashi;

anderen zijn mirzas of moallem (geleerden); sommigen, zoo als de

dochter van den Shâh der Oeroes (Russen) bekleeden den rang van

generaal en kommandeeren de troepen.

--Gij spot met mijne onwetendheid," zegt de andere op een toon van

twijfel en ongeloof.

--Allamdalla! ik zeg de zuivere waarheid, lieve. Niet alleen zijn

er in Faranguistan vrouwen die legers aanvoeren, maar eene is zelfs

shâh. Vraag het maar aan de khanoem ackaz-bashi; zij zal u zeggen

dat deze vorstin een gezant heeft te Teheran. En--voegt zij er bij,

als om te toonen dat zij goed op de hoogte is--terwijl de dochter

van den koning der Oeroes een helm en epauletten draagt, draagt de

khanoem Shâh nog bovendien een paar lange snorren."

De vrouw van den iman Djoema is nog maar half overtuigd en wil

meer weten.

"Heeft die khanoem Shâh," zoo vraagt zij na eenige oogenblikken van

diep gepeins, "ook verschillende echtgenooten in haar anderoen?"

Ik reken dat het nu tijd is om onder mijn doek van daan te komen. Mij

in het gesprek mengende, geef ik aan de dames de stellige verzekering,

vooreerst dat de Koningin van Engeland geen baard en geen snorren

draagt; ten andere, dat zij maar één echtgenoot heeft gehad; en

eindelijk dat zij in haar partikulier leven een voorbeeld is van alle

vrouwelijke deugden.

De fotografie is klaar, en dit is eene ware uitkomst, want ik zou

mij schamen over te vertellen wat de beide dames met de meeste

vrijmoedigheid onderling bespraken. Juist toen ik gereed was, kwam

eene oude vrouw, die op den uitkijk was gezet, mij waarschuwen dat de

saheb (Marcel) wegging. Ik nam haastig afscheid van de beide khanoems

en vond mijn echtgenoot in de donkere gang, waar ik hem verlaten had.

Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887 · 第 12 / 41 题