XI

30 Juli.--Heden morgen omstreeks vier uren zijn wij van Avah

vertrokken, waar wij ons eenige uren hebben opgehouden en een weinig

rust genoten. Een tocht door de woestijn van Koem, in de maand Juli

en op den vollen middag, is voor Europeanen ondoenlijk, wanneer dat

op de gewone manier der karavanen moet gaan. Wij vertrouwden dus al

onze bagage, met inbegrip van onze geweren en van drieduizend francs

aan los geld, aan onze gidsen toe; en alleen vergezeld van Hosein,

den soldaat, evenals wij op een fiksch paard gezeten, gingen wij op

weg, met het vaste besluit om vóór achten te Koem te zijn, al moesten

wij de paarden van Naïeb Soltaneh dood rijden. Er was bepaald dat wij

telkens een kwartier zouden galoppeeren en dan vijf minuten stappen.

Wij reden eerst door eene steenachtige vallei, ingesloten tusschen

twee geheel kale heuvelreeksen. Met uitzondering van de schorpioenen,

tusschen de steenen verscholen en bij onze nadering vluchtende,

heb ik geen levend wezen gezien. Ten vijf uren kwamen wij aan de

ruïnen van eene karavanseraï zonder water; volgens Hosein, zijn

wij nu half weg. Onze paarden houden zich uitmuntend; maar zullen

zij het ten einde toe kunnen volhouden?--Tegen zes uren wordt de

hitte ondragelijk. Na verloop van nog een uur, beginnen onze zadels

onder de werking der zonnestralen om te krullen, als papier voor het

vuur; een stijgbeugelriem breekt; de anderen zijn over hunne geheele

lengte gespleten. Het zweet loopt tappelings langs ons lichaam; de

teugels ontglijden aan onze vingers; onze oogen zijn verblind door de

weerkaatsing der zon op het gloeiende zand; ons hoofd suist en bonst,

alsof het barsten moet. Ook de paarden, ondanks hunne taaie kracht,

zijn uitgeput en struikelen telkens over de steenen. Eindelijk,

omstreeks acht uren, bespeuren wij den vergulden koepel van de moskee

van Fatma, de beschermheilige van Koem, stralende in het zonnelicht.

Wij komen aan eene fraaie karavanseraï, die echter op dat oogenblik

geheel is ingenomen door eene talrijke karavaan van joodsche

kooplieden. De conciërge, aan de kleur van de staarten onzer paarden

ziende dat zij uit de koninklijke stallen afkomstig zijn, houdt ons

natuurlijk voor personages van hoogen rang; en zijn eerbied voor ons

wordt nog grooter, als Hosein hem met zekeren trots vertelt, dat wij

in ruim drie uren van Avah naar Koem zijn gereden. De brave man haast

zich, om ons te helpen afstijgen; en ziende dat wij van de hitte

geheel bevangen zijn, gelast hij zijn bedienden de waterkruiken te

gaan vullen, ten einde gedurende een paar minuten ijskoud water op onze

gloeiende hoofden te gieten. In het eerste oogenblik is de uitwerking

verbijsterend, maar spoedig daarop gevoelt ge u zonderling pleizierig.

Geheel tot mij zelve gekomen, meende ik in de bala-khaneh eene hevige

woordenwisseling te hooren. De bewaarder der karavanseraï, geholpen

door twee bedienden, heeft den Joden gelast, dit vertrek te ontruimen

en aan ons af te staan; onder luid geschreeuw weigerden zij, op grond

dat zij het eerst waren aangekomen. De conciërge maakte toen, zonder

zich aan het lawaai te storen, korte metten: hij liet de matrassen,

de dekens, de kannen, in een woord al het huisraad der Joden eenvoudig

uit het raam gooien. De kooplieden schikten zich in hun lot; de Joden,

die in Perzië meest van oneerlijken handel, van woeker en knevelarijen

leven, zijn hier zoo zeer veracht, dat zij het niet licht zouden wagen,

zich over minder aangename bejegeningen te beklagen.

De bala-khaneh, een ruim en luchtig lokaal, wordt nu tot onze

beschikking gesteld; door de groote, naar de vier windstreken

gerichte vensteropeningen, kan ik op mijn gemak het panorama van

Koem genieten. Evenals te Mamoeniëh, zijn hier de huizen met kleine

koepels gedekt, die in het zonnelicht met een purperen gloed zijn

overtogen, en aan den gezichteinder wegduiken in een blauwachtigen

doorzichtigen nevel, die den voet der bergen omsluiert. In de verte

verheffen zich de spitse daken van de graven der Sheikhs. Aan onze

linkerhand strekken zich de fraaie tuinen uit, die het beroemde

mausoleum van Fatma omringen.

31 Juli.--Wij sliepen nog gerust dezen morgen, toen onze bedienden

zeer ontroerd de bala-khaneh binnenstoven: "Saheb! de gouverneur

van Koem, Mirza-Mehti Khan, die van uwe aankomst gehoord heeft,

heeft dertig ferachs gezonden, die u moeten verwelkomen en u de

uitnoodiging overbrengen om in het paleis uw intrek te nemen, daar

deze karavanseraï geen uwer waardig verblijf is."

Onder geleide der feraehs doorkruisen wij een gedeelte der stad, en

komen eindelijk aan de met stuc-ornamenten versierde poort van het

paleis, die toegang geeft tot het eerste binnenplein, waarop een groot

aantal soldaten en mollahs onder de bogen zitten. In den brandenden

zonneschijn staan, blootshoofds, eenige dieven, met ijzeren halsbanden

aan elkander geketend.

De gouverneur van Koem is gehuwd met eene dochter van den

Shâh. Gedurende den zomer verlaat de prinses de stad, die als eene

der heetste in Perzië bekend staat, en begeeft zich met haar kinderen

en haar vrouwen naar het gebergte. Daar de anderoen dus ledig staat,

heeft de gouverneur bevel gegeven, dat dit gedeelte van het paleis

tot onze beschikking zou worden gesteld.

Op het hooren van het woord anderoen of harem plegen de Europeanen

zich allerlei wonderen voor te stellen, en denken zij aanstonds aan

al de heerlijkheden en tooverachtige schatten, waarvan de sprookjes

der Duizend-en-een-Nacht gewagen.--Welnu, wij zijn hier in het paleis

van eene dochter van den koning van Perzië: en ik houde mij overtuigd

dat de meeste burgervrouwen in onze provinciën beter gehuisvest en

geïnstalleerd zijn. Laat ons dus dezen vorstelijken anderoen wat meer

van nabij bekijken.

De gemeenschap met den biroen--het gedeelte van het huis, waar de

huisheer zich overdag ophoudt, zijne vrienden, bekenden en anderen

ontvangt en zijne zaken verricht--wordt gevormd door een gang, die

met verschillende deuren kan worden afgesloten; de laatste deur komt

uit op een tuin, waarin twee geheel gelijkvormige gebouwen staan,

door galerijen verbonden. Het noordelijke paviljoen wordt des zomers

bewoond; het andere, op het zuiden gelegen, is tot winterverblijf

bestemd. Bij groote hitte betrekt men de overwelfde kelderkamers

onder den grond. Het zomerpaviljoen bevat drie vertrekken, die door

talrijke vensters hun licht ontvangen en in elkander loopen. Daarachter

bevinden zich nog andere vertrekken, die door deuren in gemeenschap

staan met kleine donkere, altijd koele boudoirs, waarin men, in de

heete middaguren, zijne siësta komt houden.

De vrouwen brengen den nacht door op de met hooge muren omgeven platte

daken; zij begeven zich des morgens naar de eerstgenoemde kamers, die

op den tuin uitkomen, en trekken zich, naarmate de hitte toeneemt, in

de binnenkamers terug, zorg dragende de luiken en deuren achter zich

te sluiten. Al deze kamers hebben witte gepleisterde muren; alleen

de schoorsteenen zijn met enkele pleisterornamenten versierd. De

zeer lage deuren zijn noch geverfd, noch gepolitoerd; eene ijzeren

ketting, boven aan het paneel bevestigd, is aan een zware schroef

in den bovensten deurpost vastgemaakt; een spijker of een stuk hout,

door de schroef gestoken, dient om de deur te sluiten.

Het ameublement is zoo eenvoudig mogelijk. Eenige kussens en tapijten,

benevens zijden gordijnen, met touwtjes aan lompe ijzeren krammen

vastgemaakt, geven geen hoog denkbeeld van de fantazie en den smaak

der perzische stoffeerders; en toch, iets anders is er niet te zien.

Het winterpaviljoen is geheel aan het andere gelijk; met deze

uitzondering alleen, dat het geene donkere kamers bevat, die in het

koude jaargetijde niet noodig zijn.

Ziedaar, in weinige woorden, de nauwkeurige beschrijving van den

anderoen eener koninklijke prinses, de echtgenoote van een der

aanzienlijkste staatsambtenaren. Men zal mij toegeven dat de inrichting

voor zulk eene dame vrij armoedig is; maar voor ongelukkige reizigers,

zoo als wij, was het een paradijs.

3 Augustus.--De stad, vroeger met meer dan tweehonderd grafteekenen

versierd, maar thans voor drie vierden een puinhoop, is zoo uitgestrekt

dat wij te paard moeten stijgen om haar te doorkruisen. Naar men zegt,

zou de stad omstreeks het jaar 200 na Christus zijn gesticht. De

inwoners zijn dweepzieke muzelmannen, natuurlijk tot de sekte der

Sjîiten behoorende, en niet weinig trotsch op het bezit van het graf

van Fatma, dochter van den îman Rezza.

Voor dit beroemde mausoleum ligt een uitgestrekt kerkhof, waarvan de

grond letterlijk met grafzerken geplaveid is. Behalve de min of meer

echte relikwiën, van de kleindochter van Mohammed afkomstig en die

onder den koepel worden bewaard, vindt men hier, in afzonderlijke

gebouwen, de sarkophagen van Fath-Ali Shâh en van den vader en de

moeder van Nasr ed-Dîn. Zijne Majesteit draagt dan ook bijzondere

zorg voor dit heiligdom en heeft den koepel voor zijne rekening op

nieuw laten vergulden.

Na zonsondergang heeft de gouverneur belet bij ons laten vragen. Daar

mijn echtgenoot antwoordde, dat wij onze opwachting bij Zijne

Excellencie wenschten te maken, werden wij door tien bedienden

afgehaald en naar den biroen geleid. Mirza-Mehti Khan zit onder

eene portiek, omgeven door een aantal mollahs en officieren. Bij

onze nadering verwijderen zich de priesters; de gouverneur treedt

ons te gemoet en ontvangt ons met groote hartelijkheid. Hij vraagt

naar het doel onzer reis, en hoe het ons in den anderoen bevalt, en

biedt eindelijk, maar met blijkbaren tegenzin, aan, ons wijn te zenden.

Het aanbod was zeer verleidelijk; wij zouden dan althans voor eenige

dagen de karnemelk kunnen laten rusten.

"Wij drinken nooit sterke dranken, antwoordt mijn echtgenoot; althans

niet in den zomer."--Het gelaat van den gouverneur helderde op;

onze voorzichtige bescheidenheid had hem uit eene groote moeilijkheid

gered. Welk figuur zou hij hebben gemaakt, als hij wijn uit zijn kelder

had moeten laten halen, hij, die het gebruik van wijn ten strengste

verbiedt uit hoofde van de heiligheid van het graf van Fatma, en die

iederen ongelukkige, die zich aan het drinken van wijn of sterken drank

schuldig maakt, zonder genade eene dracht stokslagen laat toedienen!

Ondanks de hitte leven wij hier als in Luilekkerland. Wij zijn van onze

vermoeienis geheel bekomen; ik heb heden eenige uren doorgebracht met

het bezoeken van de graven der Sheikhs. Deze drie groote monumenten

uit den tijd der Mongolen staan in een ruimen, met boomen beplanten

tuin; de marmeren zerken en het houtwerk zijn verdwenen; de eenige

ornamenten, die nog overgebleven zijn, zijn de fraaie figuren en stuc

in de hoogvelden der deuren.

Daar er nu verder te Koem niets meer te zien valt, besluiten wij

onze reis voort te zetten, en sluiten ons aan bij eene karavaan,

die naar Kashan vertrekt.

Voor ons vertrek heeft de gouverneur een aardig feest georganiseerd. In

den schitterend verlichten tuin speelt een troep tamme gazellen; aan

een boomtak hangt eene kooi met een zwarten doek bedekt. Een knecht

neemt dien doek eensklaps weg; de nachtegaal, die in de kooi zit,

ontwaakt, en verblind door het schitterende licht, meenende de zon

te zien, begint hij te zingen. Na verloop van eenige oogenblikken

bemerkt hij zijne dwaling en zwijgt; maar inmiddels heeft men eene

andere kooi gehaald, die ontdekt wordt op het oogenblik dat de eerste

zanger ophoudt.

Tegen middernacht komt men ons waarschuwen dat de karavaan gereed is

om te vertrekken, en met leedwezen nemen wij afscheid van het gastvrije

paleis, waar wij vier rustige en gelukkige dagen hebben doorgebracht.

Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887 · 第 11 / 41 题