IX

14 Juni.--Van ons voornemen om naar Damghan te gaan, hebben wij

afgezien; uit berichten van karavanen blijkt dat de pest in hevige

mate in die landstreek woedt en groote verwoestingen aanricht. Wij

hebben daarom eene wijziging in ons reisplan gebracht en slaan de

richting in naar Weramin, op omstreeks twaalf farsaks afstands van

Teheran verwijderd.

Zoodra men de hoofdstad verlaten heeft, voert de weg door de muren

en wallen van het oude Reï, tegenwoordig eenzaam en onbewoond,

aan den voet van de Elbroez-keten gelegen. Ter rechterhand verrijst

een fraaie toren uit den tijd der Seldsjoeken: links zien wij een

kerkhof van de Parsis of aanhangers der oude leer van Zoroaster;

de lijken worden daar ten prooi gelaten aan roofvogels, opdat niet

de tot verrotting overgaande lichamen de aarde of het water zouden

verontreinigen. Voorbij de oude vestingwerken van Reï beginnen fraaie

tuinen, door hooge muren van leem omgeven en door prachtig geboomte

overschaduwd: de vrouwen van de aanzienlijken te Teheran brengen in

deze lusthoven meestal den zomer door. In de nabijheid bevindt zich

het mausoleum van Shâh Abdoel-Azim, reeds van verre kenbaar door zijn

vergulden koepel en de heerlijke bosschages van olmen en platanen,

die het gebouw omringen. De aanblik van dit hoog vereerde heiligdom is

voor onze tsjarvadars eene gereede aanleiding om zich te beklagen over

de miskenning der rechten en privilegiën der godsdienst, die sedert

de komst der Faranguis in Perzië hand over hand toeneemt. "Vroeger,

zeiden zij, vond de misdadiger bij het graf van Shâh Abdoel-Azim eene

onschendbare wijkplaats, waar hij zijn geheele verdere leven kon

doorbrengen, terwijl uit de inkomsten der moskee in zijn onderhoud

werd voorzien; thans is dat geheel veranderd. Wanneer de koning het

beveelt, geven de mollahs geen voedsel aan den schuldige, die bij

het graf eene wijkplaats zocht; door den honger gedreven, moet de

ongelukkige zich dan wel overgeven."

Terwijl onze tsjarvadars zoo met weemoed terugzien naar den goeden

ouden tijd, naderen wij den berg en volgen de eerste uitloopers van

den Damavend, waarvan de hooge besneeuwde top, door de ondergaande

zon met purpergloed overgoten, zich heerlijk afteekent tegen den

oranjekleurigen hemel en het blauwachtig grijze gesteente der bergen.

Op drie farsaks voorbij Teheran neemt het landschap eensklaps een

ander karakter aan; ondanks de invallende duisternis bespeuren

wij aan alle kanten, verloren tusschen het weelderige groen, een

aantal dorpjes. Weldra giet de maan haar helder licht uit over de

bloeiende vlakte, en flonkeren aan den hemel duizenden sterren, met

een glans, waarvan wij ons in ons nevelig noorden, geen denkbeeld

kunnen maken. Maaiers zijn overal aan den arbeid met het vellen

der hooge halmen, die aanstonds door de vrouwen en kinderen tot

schoven worden gebonden. Over dag is de hitte te sterk; het graan

zou dan, bij het maaien, uit de halmen vallen; de nomaden, die in

den oogsttijd hunne diensten aan de landeigenaars verhuren, brengen

den geheelen dag slapende door onder een soort van matten afdakken,

die op palen rusten. Eerst met den avond vangen zij hun arbeid aan,

en gaan daarmede voort tot de zon weer boven de kimmen rijst.

De koelte van den avond schijnt het veld met nieuw leven te hebben

bezield: de stilte van den middag wordt vervangen door honderden

verschillende geluiden. Het gezang van de maaiers, het geblaf van de

honden bij het voorbijtrekken van karavanen, het hinniken der paarden,

het gepiep der duizenden krekels: al deze stemmen en geluiden bezielen

en verlevendigen het open veld en vormen eene scherpe tegenstelling

met de stilte, die thans in de steden heerscht.

Onze muilezeldrijvers, minder gevoelig voor de schoonheden der

perzische nachten, zijn waarschijnlijk al voortgaande ingedommeld. Daar

wij tegen een uur na middernacht nog niet ter plaatse onzer bestemming

zijn gekomen, roepen wij hen ter verantwoording. Zij beweren dat zij

een omweg hebben afgesneden, hetgeen zooveel zeggen wil, als dat

zij verdwaald zijn. Inderdaad worden wij even daarna gestuit door

een net van vrij smalle slooten, die elkander in alle richtingen

kruisen. Vergeefs zoeken wij een uitweg of éene gelegenheid om de

slooten te doorwaden; eindelijk, ziende hoe vermoeid onze paarden

waren door dezen eindeloozen rit over een weeken, drassigen grond,

besluiten wij stil te houden in een naburig gehucht, dat zijne ligging

verraadt door het onophoudelijk geblaf der wachthonden.

Als wij het dorp binnentrekken, vertoonen zich boven de muren de toppen

der katoenen slaapmutsen, die de landlieden gewoon zijn 's nachts

te dragen; niet zonder ongerustheid ondervragen zij onze bedienden,

om te vernemen wat ons reisgezelschap, door gewapende ruiters vooraf

gegaan, op dit ongewone uur in het dorp komt doen.

"Wij zijn van den weg afgedwaald, antwoorden onze muilezeldrijvers;

en uit vrees voor dieven zouden wij onze beesten gaarne onder dak

brengen, in plaats van in het open veld te kampeeren."

Aan de reizigers schenen de vriendelijke tsjarvadars niet eens

te denken!

Men wijst ons nu het huis van den ket khoda, het grootste van het

dorp, waar wij, naar het schijnt, een onderkomen zullen vinden. Een

der tsjarvadars klopt aan de deur der woning; zij wordt geopend, en

na eene vrij langdurige bespreking, treden wij in een donkeren gang,

die naar den tuin loopt. Onder de boomen bevindt zich een ruime,

met tegels geplaveide plaats, die thans voor slaapkamer dient. De

bewoners van dit huis hebben hun nachtkwartier nog niet op het platte

dak opgeslagen, waar men anders des zomers pleegt te slapen. Het is

zoo helder, dat men al de slapers, naast elkander op hun saamgevouwen

dekens uitgestrekt, herkennen kan.

Men biedt ons de beste plaatsen aan, tegen den muur van het huis; toen

wij den wensch te kennen gaven om liever binnenshuis te mogen slapen,

keek onze gastheer ons verwonderd aan; niettemin liet hij aanstonds

een vertrek open sluiten. Ons nachtkwartier is spoedig gereed, en

weldra was alles weer in diepe rust gedompeld, die slechts door onze

aankomst voor eenige oogenblikken verstoord was geworden.

15 Juni.--Den volgenden morgen gingen wij om zes uur op weg, ten einde

zooveel mogelijk de warmte te vermijden. De karavaan trekt eerst over

de talrijke slooten, die ons den vorigen avond hebben tegen gehouden,

en slaat den weg in naar eene roodachtige streep aan den horizon,

die de grens der woestijn aanwijst. In dezen tijd des jaars toont

het veld overal de bewijzen van eene zeldzame vruchtbaarheid;

de zorgvuldig bebouwde akkers wisselen af met schilderachtige

bosschages en boomgroepen, alom door de vlakte verspreid; zoo ver het

oog reikt golft het goudgele koren en blinken de velden met witte

papaverbloemen. Het is thans de tijd van de eerste inzameling van

de opium. In de rijpe bollen maakt men van ter zijde, met een scherp

snijdend werktuig, eene kleine opening; het daaruit vloeiende vocht

wordt opgevangen in een kopje, dat aan den vinger van den landbouwer

is vastgemaakt. Deze operatie wordt driemaal om de veertien dagen

herhaald, waarna de plant al haar sap heeft verloren.

Na een moeilijken rit van vier uren midden door de akkers, waarbij

wij, tot groot misnoegen van de dorpelingen, het te veld staande

gewas moeten vertrappen, zie ik in de verte een hoogen toren met

een kegelvormige spits en den geëmailleerden koepel eener moskee,

oprijzende boven een uitgestrekt donkergroen bosch. Dat is het dorp

Weramin. Weldra loopt nu onze weg midden door tuinen, waarvan de

leemen muren elk uitzicht belemmeren.

Kersen-, abrikozen-, pruimen- en perzikenboomen staan in zoo groote

menigte en zoo dicht op elkander, dat zij een ondoordringbaar bosch

vormen: hunne takken zijn zoo overvloedig met vruchten beladen, dat

het gebladerte daar ten deele onder verdwijnt. Een aantal knapen zijn

bezig met het afplukken der roode en witte moerbeziën, zoo groot als

duiveneieren, waarmede de reusachtige boomen bezaaid zijn; elders

gloeien, onder het hooge geboomte, te midden van het donkere groen,

de roode vruchten der granaten.

Weramin, een dorp van landbouwers, heeft geen behoorlijke karavanserai;

maar dokter Tholozan heeft de noodige maatregelen genomen en ons zoo

veel vermogende aanbevelingen verschaft, dat de ket khoda aanstonds

bereid is, een gedeelte van zijn eigen huis tot onze beschikking

te stellen. Toen wij aankwamen was de hitte bijna onuitstaanbaar;

maar dit mocht ons niet weerhouden om, na het afleggen der gewone

beleefdheidsbezoeken, eene wandeling te gaan doen naar de Mastsjed

djoema, een prachtig gebouw, thans een bouwval. Uit vrees voor

instorting van sommige deelen der moskee, wordt er geen dienst meer

gedaan: het is dan ook den vreemdelingen geoorloofd, ongehinderd

het bedehuis te bezoeken en zich onder het puin te laten begraven,

als zij daar lust toe gevoelen.

Het monument staat op eenigen afstand van het dorp, te midden van

velden, die thans onbebouwd en met onkruid en struikgewas begroeid

zijn.

Eene portiek, met fraaie mozaïeken van blauw gekleurde porseleinen

tegels versierd, geeft toegang tot den ruimen voorhof voor het

eigenlijke bedehuis, een der zijvleugels is ingestort, waardoor

het mogelijk is met een enkelen blik het grondplan van het gebouw

te overzien, dat zeer veel overeenkomt met dat van de Mastsjed

Shâh van Kazbin. De zaal van den mihrab, versierd met uitmuntend

bewerkte bloemen in reliëf, trekt vooral onze aandacht, ook door de

eigenaardige schikking en dekoratie van het gewelf. Langs het puin

naar boven klauterende, komen wij aan eene galerij zonder leuning,

die rondom den koepel loopt.

Van hier overziet men de geheele vlakte. Ten zuiden, naar de zijde

van de woestijn, breidt zich eene onafzienbare, rosachtig vale steppe

uit. Ten noorden ziet men, tusschen de moskee en het gebergte, de

leemen muren van een reusachtig fort; rondom deze vesting liggen,

binnen een kring van zeven tot acht mijlen, als in een wijden gordel,

een aantal op zich zelven staande forten, het best te vergelijken met

de vooruit geschoven buitenwerken onzer vestingen. Het dorp zelf wordt

verdedigd door eene vrij goed onderhouden citadel, die vermoedelijk

deel uitmaakt van het stelsel van defensie.

16 Juni.--Met het aanbreken van den dageraad worden de paarden

gezadeld, en gaan wij op weg om een bezoek te brengen aan het

groote fort. Dit fort is een groot rechthoekig gebouw, van aarde

en leem opgetrokken en voorzien van torens, die op onderlinge

afstanden van dertig el zijn geplaatst. Naar het schijnt zijn de

muren, evenals die van Koeyoendsjik of Khorsabad, opgetrokken van

nog weeke vochtige tichelsteenen, die op elkander zijn gelegd en

zoo eene vaste samenhangende massa hebben gevormd. Daar deze manier

van bouwen nooit bij de Muzelmannen in gebruik was, hebben wij hier

hoogst waarschijnlijk te doen met een werk uit den tijd der Sassaniden,

blijkbaar ouder dan de wallen van Reï. Volgens de nog in den mond des

volks voortlevende overlevering, zou dit kasteel gebouwd zijn door

Feridoen, een der legendarische helden van de oude perzische poëzie,

wiens naam ook door Firdoesi is verheerlijkt geworden. Natuurlijk is

aan deze overlevering zeer weinig historische waarde toe te kennen;

intusschen moeten wij ons voorloopig met deze zeer onbestemde

berichten tevreden stellen, want binnen de omwalling vindt men noch

een muur, noch een tumulus, waaruit eenig besluit zou kunnen worden

getrokken omtrent den ouderdom en den oorsprong van deze vesting. Mijn

echtgenoot helt tot de meening over dat deze kaleh, die door breede

slooten overvloedig van versch water voorzien wordt, oorspronkelijk

een versterkt kamp was.--Wij brengen ook een bezoek aan de verspreide

forten, die wij gisteren van de galerij der moskee hebben gezien. Zij

zijn gebouwd op zeer hooge terpen en bestaan uit vier zware torens,

door muren verbonden; blijkbaar maakten zij deel uit van eene

vestinglinie, die aanvallers uit Khorassan moest tegenhouden. Het

grootste en best onderhouden van deze forten ligt in het dorp zelf:

het is vierkant en insgelijks van leemen tichels gebouwd.

De citadel van Weramin was omgeven door eene breede gracht en een

bedekten weg, waarvan men bij de andere forten geen spoor aantreft. De

zeer oude muren zijn in later tijd bekleed geworden met ongebakken

tichels; vermoedelijk verschilde de citadel niet van de andere kalehs,

en werden de buitenwerken aangelegd door de Seldsjoeken of hunne eerste

opvolgers, ter verdediging van de residentie van den gouverneur der

provincie. De naam _kasr_ (kasteel), bij voorkeur aan dit fort gegeven,

schijnt dit vermoeden te bevestigen.

17 Juni.--De hitte is bijkans ondragelijk. Hoewel de zon reeds zeer

dicht aan den horizon genaderd was, toen wij uitgingen om kwartels

en zwaluwen te schieten, die in de korenakkers in menigte gevonden

worden, waren wij bij onze tehuiskomst zoo verhit en uitgeput, dat

wij ons stellig voorgenomen hebben, niet meer uit te gaan voor de

avond is gevallen.

Nauwelijks waren wij in de woning teruggekeerd, of een verward

geluid van stemmen deed zich hooren: wij vernamen kreten, uitroepen,

verwenschingen; in ons anders zoo rustig verblijf verdringt zich nu

eene rumoerige menigte. De ket khoda houdt van daag rechtzitting.

De koning is de opperste handhaver en uitvoerder der wet, maar

hij draagt zijne macht over op zijne stadhouders, de gouverneurs

der provinciën, en door hunne tusschenkomst aan de ontvangers

der belastingen en aan de dorpshoofden, wier bevoegdheid

evenwel niet verder reikt dan de behandeling van eenvoudige

policie-overtredingen. De ket khoda's hebben het recht, kleine

straffen op te leggen, zooals bij voorbeeld de bastonnade, of tot

eene boete te veroordeelen. In ernstige gevallen moet de schuldige

voor den gouverneur der provincie terecht staan, wiens bevoegdheid

veel verder reikt, maar die niet tot den dood kan veroordeelen: dit

recht komt uitsluitend aan den Shâh toe en kan ook aan de prinsen van

den bloede worden toegekend. De rechtspleging voor onbeteekenende,

alledaagsche gevallen is hoogst eenvoudig; de uitspraak laat niet

lang op zich wachten; de kosten zijn schijnbaar gering, maar kunnen

geweldig oploopen, omdat beide partijen geschenken aan den rechter

zenden, ten einde hem voor zich te winnen.

Te Weramin komen geene ernstige zaken voor, en naar het schijnt wordt

zonder aanziens des persoons recht gedaan; toch is het wel de moeite

waard, zulk eene rechtzitting bij te wonen. De binnenplaats van het

huis van den ket khoda dient tot gerechtszaal; in het midden bevindt

zich een soort van geplaveid terras, ter wederzijde omgeven door

bloemperken. Tegen vijf uren in den namiddag opent men eene sluis:

het water overstroomt de perken en den boomgaard; een bediende begiet

het terras, waarop men anders niet zou kunnen gaan zitten, zonder

zich te branden. Zoodra het plaveisel goed droog en aangeveegd is,

wordt daarop een groot tapijt van bruine vilt uitgespreid en een hoop

dekens neergelegd. De ket khoda zet zich op het tapijt en leunt tegen

de dekens; hij noodigt daarop den mirza (secretaris) uit, naast hem te

komen zitten: tegenover den eersten rechter zetten zich twee bijzitters

neder. Bedienden brengen daarop twee kandelabres met glazen bollen,

om het uitwaaien van de vlam der kaarsen te beletten. Deze verlichting

is ten eenemale overbodig, want de maan zal zoo straks verrijzen,

en haar schijnsel is zoo helder, dat men volstrekt geen kunstlicht

behoeft om zonder eenige moeite te kunnen lezen en schrijven.

Nadat deze toebereidselen zijn afgeloopen, verschijnen de partijen

voor de rechtbank. De eischer spreekt het eerst en legt in kalme,

gematigde bewoordingen zijne zaak bloot, evenwel niet zonder daarin

eenige insinuaties aan het adres van zijne tegenpartij te mengen; deze

hoort de beschuldiging rustig aan en draagt vervolgens, met de grootste

kalmte, zijne verdediging voor. De zaak is nu geïnstrueerd. Na met

zijne bijzitters geraadpleegd te hebben, wijst de ket khoda het vonnis,

waarvan in den regel geen beroep is. De beide partijen verliezen nu

haar bedaardheid en verwijderen zich elkander uitscheldende; dikwijls

genoeg gebeurt het dat zij buiten gekomen, elkaar afrossen.

De kleine rechtsgedingen, waarbij wij tegenwoordig zijn, hebben bijna

allen betrekking op diefstal van gevogelte, of wel op het verbreken van

contracten tusschen landeigenaars en bij het jaar gehuurde knechts,

die na gedurende den geheelen winter door hun meester onderhouden te

zijn, hem juist bij het begin van den oogst verlaten hebben om elders

meer geld te verdienen. Het oordeel van den rechter is billijk. Hij

die eene kip gestolen heeft, moet er twee in de plaats geven; heeft

hij geene kippen, dan moet hij aan den bestolene de waarde van twee

dezer vogels vergoeden. De knecht, die zijn contract verbroken heeft,

moet weer terugkeeren tot den meester, die hem den geheelen winter

onderhouden heeft; verkiest hij dit niet, dan krijgt hij eene dracht

stokslagen.

Maar nu komt er een belangwekkend geval. Bij de vorige rechtzitting was

eene ernstige zaak aanhangig gemaakt: een tuinman van het dorp, Kaoly

genaamd, had de vorige week verschillende vrachten fruit en komkommers

naar Teheran gebracht. Toen hij met eenigen zijner confraters naar

Weramin terugkeerde, werd hem onderweg zijn kleed ontstolen. Zoodra hij

in zijn dorp was aangekomen, begaf Kaoly zich naar den rechter, om hem

zijne vermoedens mede te deelen. "Ik heb de reis gemaakt met Reza, Ali,

Hosein, Ismaïl en Yaya; terwijl de ezels uitrustten ben ik in slaap

gevallen; en toen ik wakker werd miste ik mijne mooie koledja; mijne

reisgenooten zijn de eenigen, die den diefstal hebben kunnen plegen."

Aanstonds werden de boeren voor den rechter ontboden: zij waren

zeer ontroerd en trachtten met overvloed van woorden hunne onschuld

te betuigen.

De ket khoda beval toen aan zijn mirza, vijf juist even lange

twijgjes af te snijden van een granaatboom, die, zooals ieder weet,

met wonderbare krachten begaafd is. Hij gaf aan elk der beschuldigden

een twijgje, met last om dat op de volgende zitting weer mee te

brengen. "Het takje," zoo voegde hij er bij, "zal in handen van den

schuldige groeien."

Dezen avond nu wachtten alle toehoorders met gespannen aandacht de

oplossing van dit raadsel. De vijf beschuldigden worden binnen geleid

en stellen den rechter hun granaattakje ter hand, die ze nauwkeurig

beziet en vervolgens zegt: "Yaya, gij zijt een schurk: gij hebt de

koledja gestolen!

--Gode zij dank; dat is niet waar.

--Gij liegt; want zie, gij hebt een stuk van uw takje afgesneden,

om te beletten dat het langer zou zijn dan de anderen. Kaoly, begeef

u met een soldaat naar de woning van Yaya: hij zal u uw kleed ter

hand stellen, en vervolgens terugkeeren om vijf-en-twintig stokslagen

te ontvangen."

Nadat dit rechtvaardig vonnis was uitgesproken, werd de zitting

opgeheven; de deuren worden gesloten, en de ket khoda geeft bevel,

dat het middagmaal zal worden opgedragen. Na hem in al zijne majesteit

als rechter te hebben aanschouwd, zullen wij hem nu als een gewoon

mensch met zijn vingers zien eten.

De bedienden zetten een koperen blad op den grond, bijna zoo groot

als eene tafel; de schotels, die in het midden zijn geplaatst, zijn

gering in aantal, maar zien er zeer smakelijk en uitlokkend uit.

In het midden verrijst een heuvel van pilau, vermengd met fijngehakte

kruiden, in schijfjes gesneden pompoenen en besproeid met melk;

ter wederzijde van dien middenschotel staan croquetten van gehakt

schapenvleesch en gevogelte, in piquante saus om bij de rijst te

gebruiken; tusschen deze beide schotels ziet men aan de eene zijde een

stapeltje komkommers, en aan de andere zijde dunne boterhammetjes,

ten getale van twintig of dertig op elkaar gelegd. Glazen, borden,

messen, vorken, karaffen zijn al te gader onbekende zaken; hoogstens

zal men te Teheran vijf of zes aanzienlijken vinden, die met deze

voor ons zoo onmisbare voorwerpen behoorlijk weten om te gaan.

Men verhaalt zelfs dat de Shâh, voor zijn eerste reis naar Europa,

zich gedurende drie maanden liet onderrichten in het gebruik van

een vork; daar deze oefening hem zeer lastig was gevallen, besloot

hij zich daarvoor schadeloos te stellen en zich met de dames van den

harem te vermaken, ten koste van zijne ministers. De heeren werden

ten hove ten eten gevraagd. Daar de perzische etiquette vordert dat

de koning alleen eet, kon Nasr ed-Din niet persoonlijk bij het diner

tegenwoordig zijn; maar hij had zich met eenige dames achter een

schut verborgen, dat hem toeliet toeschouwer te zijn van het feest.

De gasten verschenen op den bepaalden tijd en verheugden zich reeds

in het vooruitzicht op de kostelijke spijzen uit 's konings keuken;

maar de ooievaar, die bij den vos ten eten gevraagd was, kon geen

langer gezicht zetten dan de ministers, toen zij bespeurden dat het

op europeesche wijze toebereide maal ook met mes en vork gebruikt

moest worden. De heeren hielden zich aanvankelijk goed: zij zetten

zich neder en deden hun uiterste best om met de messen te snijden en

met de vorken de spijzen op hun bord vast te houden en te grijpen; zij

spraken elkander moed in en benijdden hun collega's die handig genoeg

waren om zich niet in de tong of de lippen te prikken. De koning en

zijne dames vermaakten zich kostelijk met de verlegenheid der heeren;

tot eene der dames, van plaats willende verwisselen, tegen het schut

stootte, dat met een zwaren slag omviel. Algemeene verwarring: de

dames, die ongesluierd waren, bedekken zich het gelaat met haar kleed

en vluchten weg; de niet minder verschrikte gasten houden zich de

handen voor de oogen en werpen zich eindelijk met het aangezicht ter

aarde, als om van den beleedigden souverein vergiffenis af te smeeken.

Te Weramin eet men met de vingers, na vooraf de handen gewasschen

te hebben. Al de gasten, heeren en knechts, knielen in het rond om

het blad, stroopen hun rechter mouw tot aan den elleboog op, leggen

hunne linkerhand op de borst om hun kleed vast te houden, en brengen

allen te gelijk de hand naar den schotel. Ieder grijpt zooveel pilau

als hij met de hand omvatten kan, kneedt de rijst, kiest daarop de

stukken vleesch uit, die hij begeert, vermengt die met de pilau en

maakt van dit alles een bal, dien hij nu en dan in de melk dompelt. Is

deze operatie afgeloopen, dan stopt hij dien bal in den wijd gapenden

mond en slikt hem, bijna zonder kauwen, door. Het is geen gewoonte

om gedurende den maaltijd te spreken of te drinken. Trouwens, hij

die dit deed, zou te kort komen. Men eet niet, men voedert zich.

Zoodra het diner, dat zeker geen tien minuten duurt, is afgeloopen,

worden de schotels en het blad weggenomen, waarna een bak rondgaat,

gevuld met serkadjebin (azijn met rozenwater vermengd), die men

gebruikt met diepe fraai bewerkte houten lepels; daarop wascht ieder

zich de handen; rookt zijn pijp, spreekt een gebed, spreidt zijne

dekens op den grond uit en legt zich daarop te slapen.

18 Juni.--Heden morgen hebben wij een bezoek gebracht aan den iman

Zaddeh Yaya, een der belangrijkste monumenten van de streek, maar

ook het eenige, dat gesloten is en waarover een wachter of bewaker

is aangesteld.

Het gebouw is van binnen bekleed met fraaie gekleurde porseleinen

tegels, waarvan er in den laatsten tijd verschillende gestolen en te

Teheran voor zeer hoogen prijs verkocht zijn. Ten gevolge van deze

herhaalde diefstallen, is de toegang tot het kleine heiligdom aan

alle ongeloovigen ten strengste verboden; en aan dit verbod wordt

des te stipter de hand gehouden, omdat de kapellen, die de graven der

imans bevatten, in de oogen der Perzen heiliger zijn dan de moskeeën

zelven. Toen wij het koninklijk bevelschrift aan den ket khoda lieten

zien, zond hij zijn broeder met ons mede om alle moeilijkheden en

botsingen te voorkomen. Die voorzorg bleek niet overtollig. Bij onze

aankomst vonden wij de deur van het heiligdom bewaakt en verdedigd

door boeren met stokken gewapend, geschaard rondom een mollah, met

den witten tulband der priesters gedekt. Op het zien van den broeder

van het dorpshoofd, lieten zij echter allen tegenstand varen, zoodat

wij ongehinderd het gebouw konden bezoeken.

De iman Zaddeh Yaya dagteekent uit drie verschillende tijdperken;

de moskee is uit de twaalfde eeuw, uit den tijd der Seldsjoeken;

maar zij bevat een klein paviljoen met een puntig dak, dat veel

overeenkomst heeft met de Ataba Koembaz van Narshivan. Dit paviljoen

dagteekent ongetwijfeld uit den tijd der Gazneviden, zoo als blijkt

uit de wijze waarop men de verschillende onderdeelen van het monument

onderling verbonden heeft. De prachtige, van den zuiversten metaal

weerschijn glanzende gekleurde porceleinen tegels van den mihrab,

van de lambrizeering en van het graf zijn eerst aangebracht na den

bouw van den tweeden iman Zaddeh, en om ze te plaatsen, heeft men de

oude decoratie moeten wegruimen.

Toen wij in het dorp Weramin terug kwamen, heerschte er op de

marktplaats eene buitengewone drukte: het is marktdag, en de

boeren uit den omtrek zijn naar het dorp gekomen om hun koren te

verkoopen, dat in zakken van geitenhair, op den rug van muilezels

wordt aangevoerd. Anderen brengen kippen ter markt, die met beide

pooten zijn vastgebonden aan het pakzadel van hun ezel; vrouwen, die

bijna ongesluierd zijn, bieden den voorbijgangers eieren, komkommers

en meloenen te koop aan. Een weinig verder wordt de belangrijke

beestenmarkt gehouden, waar schapen, lammeren, geiten en alleraardigste

kleine grijze, zwart gestreepte ezels worden verkocht. De herders,

die de bergen langs het bassin van de Kaspische-zee bewonen, zitten

in de schaduw van een leem en muur op den grond. Hunne gelaatstrekken

zijn hard en scherp geteekend; de kleur hunner huid is bijna zwart,

als die der turkomansche stammen van Asterabad; zij dragen eene licht

groene koledja en eene kolah (muts) van bruin laken, en houden een

herdersstaf in hunne hand.

Het gaat hier al even als bij ons bij dergelijke gelegenheden. De

koopers en verkoopers schreeuwen tegen elkander in, overvragen, dingen

af, prijzen en verachten de koopwaar, en doen alle mogelijke moeite om

elkander eene vlieg af te vangen; terwijl beiden toch zeer goed weten

hoeveel het schaap of de geit werkelijk waard is, en beiden evenzeer te

voren bij zich zelven hebben bepaald, de een wat hij geven, de ander

waarvoor hij het beest afstaan wil. Ook hier heerscht de gewoonte,

dat de eindelijk gesloten koop door handslag bevestigd wordt.

19 Juni--Wij leiden hier een aangenaam leven te Weramin. Onze opperkok

weet op de uitnemendste wijze partij te trekken van onzen voorraad;

elken morgen, als wij van onze verre tochten terug komen, vinden

wij onze kamer frisch en in orde en de tafel beladen met mandjes

vol abrikozen, pruimen en heerlijke kersen. Des avonds, als wij na

zonsondergang terug keeren, beladen met kwartels en andere vogels,

die wij in de velden en boomgaarden geschoten hebben, weet hij een

heerlijken maaltijd te bereiden; op zijn raad zijn wij eindelijk

ook overgegaan tot het drinken van karnemelk, in plaats van water,

dat zeer zeker in deze warmte een ongezonde drank is. Karnemelk wordt

op allerlei wijze, ook bij het bereiden der spijzen gebruikt; en nu

wij er eenmaal aan gewoon zijn, smaakt zij ons iederen dag beter en

zouden wij haar niet meer kunnen missen.

De ket khoda is gisteren naar de stad gegaan; zijn eerste bediende

neemt heden avond zijn plaats op het terras in en zal op zijne beurt

recht spreken tusschen den man en zijn naaste. Een bakker treedt voor:

hij beklaagt zich dat een zijner klanten hem sedert geruimen tijd

niets betaald heeft.

"Aga, zoo besluit hij zijne aanklacht, die man neemt alle dagen

zes brooden van mij; gij begrijpt dus welke schade ik lijden zou,

als gij hem niet dwingt zijne schuld te betalen. Zijn gedrag is des

te schandelijker, omdat hij er zich in het dorp op beroemt, dat hij

een deel van mijne waar weggooit.

--Hoeveel brooden koopt gij iederen dag van uwen bakker? vraagt de

rechter aan den boer.

--Zes.

--Wat doet gij daarmede?

--Ik houd er een; ik geef er twee terug; ik leen de twee anderen,

en het laatste gooi ik inderdaad weg.

--Verklaar u nader, en wacht u, mij voor den gek te houden.

--Het is toch duidelijk genoeg; ik heb gezegd: "ik behoud een

brood"--dat eet ik zelf op; "ik geef er twee terug"; die geef ik

aan mijn vader en mijne moeder; "ik leen er twee anderen"; die zijn

voor mijne kinderen; en het brood dat ik weggooi, is voor mijne

schoonmoeder."

De rechter lachte en stuurde den boer weg met de belofte, dat hij

nader op de zaak zou terug komen.

Het is opmerkelijk, het verschil gade te slaan tusschen het karakter

van de meeste andere Oosterlingen, die over het algemeen ernstig van

aard zijn, en de vroolijkheid der Perzen, wien het allerminst aan

humor ontbreekt. De deftigheid der aanzienlijken is meer kunstmatig

en voorgewend dan natuurlijk, en de dolste grappen worden altijd

toegejuicht, mits ze geestig zijn; de koning en zijne vrouwen kunnen

zich aan die algemeene stemming niet onttrekken en de verzoeking niet

weerstaan om somwijlen aan de dolste invallen toe te geven.

Heeft Nasr ed-Din nog in den afgeloopen winter niet verlangd, dat

een zijner ministers, zwaarlijvig als een turksche pasja, op een der

vijvers van het paleis zou schaatsenrijden, opdat de koning zich zou

kunnen vermaken met het schouwspel zijner wanhopige pogingen om staande

te blijven en na telkens herhaalden val weer op de been te komen?

Eene der invloedrijkste dames van den koninklijken harem, die niet

ingenomen was met de aanstelling van europeesche officieren bij het

perzische leger, had zich onlangs een kleed laten maken, waarop een

aantal soldaten, naar de laatste mode gekleed, waren afgebeeld. Bij

het eerste bezoek, dat de Shâh haar bracht, strekte zij zich op den

grond uit en rolde zich als een dwaas over het tapijt.

"Wat doet gij toch?" vroeg de koning verbaasd.

--Opvolger van Alexander, licht der wereld, koning der koningen,

zie, hoe ik uw frankisch leger behandel," antwoordde de prinses,

schaterend van lachen.

20 Juni--Sedert eene week doorkruisen wij in alle richtingen den omtrek

van Weramin; wij zullen nu ons uitstapje besluiten met een bezoek

aan den iman Zaddeh Jaffary, waarvan alle landlieden met eerbied en

ingenomenheid spreken. Hij is drie farsaks (achttien mijlen) van het

dorp verwijderd.

Des nachts om twee uren gaan wij op weg. Bij het aanbreken van den dag

zagen wij, op een zeer verwijderden heuvel, een blauwe stip: dat is

de koepel van den iman Zaddeh. Daar wij nu de richting kennen, zenden

wij onzen tsjarvadar terug, zetten onze paarden in galop, en komen

weldra aan een vriendelijk dorpje, waarvan de nederige huizen zijn

gegroept rondom eene door prachtige cypressen overschaduwde moskee.

Het gebouw is uit den tijd van Shâh Abbas: de ligging is

allerschilderachtigst; maar uit een architektonisch oogpunt heeft

het bedehuis niets te beteekenen.

Wij hebben besloten, nog dezen avond naar Teheran te vertrekken. De

toebereidselen waren spoedig voltooid, en niet zonder zeker leedgevoel

verlieten wij de gastvrije woning van den ket khoda.

21 Juni.--Om twee uren na middernacht kwam onze kleine karavaan,

zonder eenigen tegenspoed ondervonden te hebben, bij de ruïnen van

Reï. Daar de poorten van Teheran 's nachts gesloten zijn, raden onze

bedienden ons aan, hier stil te houden en den dag af te wachten in

een dier fraaie tuinen, waar de reiziger op elk uur thee, een pijp

en ook logies kan vinden.

Wij kloppen aan; de deur wordt geopend; de paarden worden in den stal

gebracht, en mijn gastheer haast zich om een geschikt nachtverblijf

voor mij te zoeken. Na eene lamp te hebben opgestoken, noodigt hij

mij uit hem te volgen, en gaat verder den tuin in. Op een open plek

gekomen, waar de grond zorgvuldig is gelijk gemaakt, zet hij zijne

lamp neder en wil zich verwijderen.

"Eer gij de thee gaat halen," zeide ik tot hem, "zou ik gaarne hebben

dat gij mij eene kamer wildet wijzen om mijne wapenen neer te leggen,

zoodat ik gerust slapen kan."

De kastelein nam zijne lamp weer op, en bracht mij toen geheel naar het

achtereinde van den tuin, op een terras, omringd door boomen, die door

het water eener kristalheldere, koele beek besproeid worden. Ditmaal

kon ik niet wel anders dan met mijn logies tevreden zijn; ik bevind

mij stellig in het prachtigste, schaduwrijkste en luchtigste vertrek

van het geheele huis. Ik moet mij leeren verzoenen met het voor

ons onmogelijke denkbeeld, om onder den blooten hemel te slapen;

men brengt de noodige tapijten, kussens en dekens, en weldra ben ik

in diepe rust gedompeld.

De rit heeft vier uren geduurd; de zon stond dan ook reeds een poos

aan den hemel, eer ik ontwaakte. Haar stralen, zeer getemperd door

het dichte looverdak boven mijn hoofd, hebben, eer zij ons bereiken,

veel van hun kracht verloren; eindelijk echter dringen zij door het

gebladerte heen en schijnen vlak op mijn gelaat; de betoovering is

geweken: het is onmogelijk langer te slapen. Dit zou toch niet best

meer gaan, want er is gezelschap uit Teheran gekomen, en de dames,

die daarbij zijn, lachen en spreken en schreeuwen zoo luid, dat

men wel wakker worden moet. In Perzië kiest men, naar het schijnt,

de zeer vroege morgenuren voor dergelijke uitstapjes uit.

22 Juni.--Wij zijn door Teheran getrokken, waar de hitte ondragelijk is

(vijf-en-veertig graden in de schaduw, in den tuin der zusters). Alle

vreemde gezantschappen hebben de stad verlaten en de wijk genomen

naar schilderachtige kleine dorpen, in de smalle boschrijke valleien

aan den voet van de Elbroezketen.

De zaakgelastigde van Frankrijk, de graaf de Vieil-Castel, had ons de

vriendelijke uitnoodiging gezonden, om voor ons vertrek, eenige dagen

op zijn buitenverblijf te komen doorbrengen. Met veel genoegen maakten

wij van die uitnoodiging gebruik. De zomerresidentie van de fransche

legatie is het dorp Tadjrish; de woning ligt aan het boveneinde van

eene vallei, waar het heerlijk koel is. De avonden zijn bijna koud,

en in den talar, waar de lucht vrijen toegang heeft en waar eene van

den berg afdalende beek doorstroomt, bedraagt de temperatuur doorgaans

niet meer dan vijf-en-twintig graden (Celsius).

Heerlijke wandelingen omgeven aan alle kanten het dorp

Tadjrish. Vooreerst heeft men den Bagh Firdoez, het eigendom van een

schoonzoon des konings. Te midden van een grooten tuin, met prachtige

boomen beplant, staat een onvoltooid paleis, dat reeds zeer veel van

de vochtigheid geleden heeft en half tot een bouwval geworden is. Men

vindt er eenige moderne ornamenten in pleister; de muren van den talar

zijn in vakken verdeeld, waarop een italiaansche kladschilder tooneelen

uit europeesche balletten, met zeer gedecolletteerde danseressen,

heeft afgebeeld. Om aan de Perzen een juist denkbeeld te geven van

onze westersche zeden, heeft dezelfde kunstenaar, in een afgelegen

kabinetje, een mijnheer voorgesteld met een nankin pantalon, een

grijs jasje, en een hoogen hoed op een oor, een dans uitvoerende voor

eene dame, wier houding en toilet niet wel te beschrijven is. Het

paleis van Bagh-Firdoez is juist geschikt om ons een denkbeeld te

geven van het perzische leven: pracht en schooierige armoede naast

elkaar. De lambrizeeringen van den salon zijn van heerlijk schoon

gevlamd agaat, de deuren in mozaïek van cederhout en ivoor; maar de

vloer der vertrekken bestaat uit plat getreden aarde, zonder eenige

bedekking van hout of steen. Het paleis wordt niet meer onderhouden

en is, zooals ik zeide, reeds half een bouwval. Binnen tien jaar zal

het dak zijn ingestort; over twintig, zal er van het gebouw niets

meer over zijn dan een vormlooze puinhoop. Dat is zoo de gewone gang

van zaken in het Oosten.

De platanen van Bagh-Firdoez en van Tadjrish zijn door den gansenen

omtrek beroemd. Een dezer boomen, binnen de omwalling van de moskee

staande, is bijna door geheel Perzië bekend onder den naam van

Tsjanare Tadjrish (plataan van Tadjrish). Men kan zich bezwaarlijk

een denkbeeld maken van de grootte van dien boom, en vooral van den

ontzaglijken omvang van den stam, die een omtrek heeft van vijftien

el. Ongelukkig is het niet mogelijk zijne hoogte te schatten: de

takken, niet minder dik dan zware boomen, strekken zich uit tusschen

verschillende gebouwen, die ze ten deele bedekken en voor het oog

verbergen. Deze boom is in werkelijkheid de moskee van Tadjrish;

de geloovigen vereenigen zich onder zijn lommer om hunne gebeden op

te zeggen; de kinderen komen bij den boom samen om van de mollahs

onderricht te ontvangen; en toch blijft er nog ruimte over voor

handelaars in thee en frisch water, om tusschen de wortels hun samovar,

hun kruiken en kopjes te plaatsen.

19 Juli.--Naïeb Soltaneh, de jongste zoon van den koning, vernomen

hebbende dat wij eerlang naar Ispahan zouden vertrekken, heeft mijn

echtgenoot verzocht, een omweg te maken, ten einde eene afdamming,

in den omtrek van Saveh, in oogenschouw te gaan nemen. Deze dam,

door Shâh Abbas gemaakt, is onderloopsch geworden, en de prins zou

het werk weder willen in orde maken, om zoodoende de opbrengst te

vermeerderen van de provincie, waarvan hij gouverneur is.

Vergezeld van zijn adjudant, den generaal Abbas-Koely Khan, vertrekken

wij naar Teheran. Over dag had de thermometer vijf-en-veertig graden in

de schaduw geteekend; in den nacht daalde hij tot op twaalf graden. Men

kan zich niet voorstellen, hoe onaangenaam en nadeelig die plotselinge

overgangen van temperatuur zijn.

Op den middag van den volgenden dag trok de karavaan, hijgend en

zwoegend, onder eene brandende zon, over den schaduwloozen weg, en

bereikte de zware muren, die het groote dorp Pick omgeven. De generaal

beval dat men ons naar de woning zou brengen van een kapitein, die

het best ingerichte huis in het vlek bezat.

Aan ieder einde van de zaal, waarin men ons binnenleidt, bevindt zich,

gelijkvloers, in den muur eene groote vierkante opening, het best met

onze schoorsteenen te vergelijken, die in gemeenschap staat met een

buis of pijp, welke eenige ellen boven het dak uitsteekt. Dat zijn

twee windvangers, die aldus tegenover elkander geplaatst, een zeer

sterken luchtstroom veroorzaken. Door de werking van dien gezegenden

luchtstroom, door het besprenkelen van onze hoofden met koud water,

en door gebruik van kokend heete thee, die de bedienden ons voorzetten,

komen wij weder een weinig tot ons zelven.

21 Juli.--Na een dag rust, vervolgen wij des avonds laat onzen

weg door eene droge en dorre vlakte. Welk een treurige aanblik

biedt het landschap, als de zon opgaat. Nergens is een spoor van

groen te bespeuren! Maar wij zijn niet ver meer verwijderd van de

pleisterplaats, zooals onze gidsen zeggen, terwijl zij mij in de

verte eene grijze stip wijzen, die bij de algemeen vaal-grauwe

kleur van het landschap ter nauwernood zichtbaar is. Dat is het

dorp Mamoeniëh, dat een zeer zonderlingen indruk maakt. De huizen,

ter nauwernood drie el boven den grond verheven, zijn van ongebakken

steenen gebouwd en gedekt met kleine koepeltjes, vlak naast elkaar

geplaatst. De buitensporig hooge prijs van het hout in dit geheel van

boomen ontbloote land, noodzaakt de bewoners om zoowel de muren als

de daken hunner woningen uit aarde en leem saam te stellen. Zelfs de

openingen voor deuren en vensters, zoo deze laatsten er zijn, zijn

van hout ontbloot: des winters hangt men een tapijt voor den ingang;

des zomers is de woning voor ieders blikken geopend.

Er groeit zelfs geen struik te Mamoeniëh: de boeren, die hun gansche

leven in het dorp gesleten hebben, moeten dan ook, om groen en

boomen te zien, wachten tot zij zijn aangekomen in die door koele,

heldere beekjes besproeide tuinen en bosschages van het paradijs, dat

Mohammed aan de geloovigen heeft beloofd. Ik hoop voor de muzelmannen,

dat het water van het paradijs niet zoo brak en zout zal zijn als dat

der putten, waarvan onze paarden ziek zijn geworden. De dorpelingen

zijn er echter aan gewoon: zij ondervinden er geen hinder van en

roemen zelfs den smaak.

X

22 Juli.--Eer men te Saveh komt, loopt de weg door kale steppen, niet

minder dor dan de wildernis van Mamoeniëh. Toch neemt het landschap een

eenigszins ander karakter aan: overal ziet men diepe kuilen, gaten en

spleten in den grond, die het voortgaan zeer bemoeilijken. Omstreeks

middernacht komen wij langs een verwoeste karavanserai, die thans

door roovers als schuilplaats wordt gebruikt; deze brutale bandieten

plunderen de karavanen en maken de geregelde communicatie tusschen

de hoofdstad en Saveh zoo goed als onmogelijk. Nog niet lang geleden,

hebben vijftien roovers, die men in deze ruïne omsingeld had, zich met

de uiterste hardnekkigheid verdedigd en verscheidene soldaten gedood,

eer het gelukte hen meester te worden.

Juist toen wij uit de droge bedding eener rivier opstegen, begon de

dag aan te breken; een djeloedar ging toen vooruit, om den gouverneur

van Saveh van onze nadering te verwittigen.

Een paar uren later bemerkte ik aan den horizon eene stofwolk, die

al naderende grooter werd; onze paarden, zenuwachtig geworden door

het gerucht der ruiterbende, beginnen te hinniken; weldra staat de

machtige gouverneur der provincie voor ons.

Eenige maanden geleden is Naïeb Soltaneh op de zonderlinge gedachte

gekomen om de belangrijke betrekking van gouverneur op te dragen

aan een oostenrijksch baron, die eene specialiteit in financieele

zaken heette te zijn, en dien hij heeft gelast de proef te nemen met

een nieuw belastingstelsel naar oostenrijksch model. Deze baron nu,

op europeesche wijze gekleed, trekt door niets de aandacht; maar

zijn gevolg, naar de regelen der perzische etiquette saamgesteld, is

des te opmerkelijker. Het huis van een hoogen staatsdienaar bestaat,

behalve de ferachs, die meer bepaaldelijk met de zorg voor de tenten

belast zijn, uit een aantal dignitarissen, die allen hun aangewezen

werkkring hebben.

In de eerste plaats komen de mirza's of secretarissen, die voornamelijk

de officieele correspondentie hebben te voeren. Hunne betrekking

verbiedt hun wapenen te dragen: in plaats van een dolk, steken

zij een langwerpigen inktkoker in hun gordel.--De tweede rang komt

toe aan den nazer, majordomus of hofmeester; hij voert het opzicht

over het talrijke bediendenpersoneel en brengt hun de bevelen van

den heer over. Als de heer uitrijdt, heeft de nazer te zorgen dat

steeds de noodige bedienden tegenwoordig zijn: vooreerst de _abdar_,

die voor de dranken, zoo als thee, koffie en sorbet, moet zorgen;

voorts de _kaliadji_, die de pijpen moet stoppen en altijd vuur in

gereedheid hebben om ze aan te steken; en eindelijk de _kiebabsji_,

die de schaapskoteletten, welke steeds gereed moeten zijn, moet braden.

Elk van deze bedienden voert op zijn paard de noodige gereedschappen

mede, die hij voor het behoorlijk vervullen zijner functiën behoeft;

en men kan zich niets praktischer denken dan de zakken, waarin de

abdar zijn samovars bergt, de met versch water gevulde kruiken van

den kaliadji, of de lederen valiezen van den kiebabsji.

Na wisseling der gewone beleefdheden sluiten de beide gezelschappen

zich bij elkander aan en vervolgen wij onzen tocht. Weldra krijgen

wij de omwalling van Saveh in het oog. De stad is in eene zeer lage

vlakte gebouwd, naar men beweert, in de bedding van een meer, dat

bij de geboorte van Mohammed eensklaps opdroogde.

Een aantal ferachs, tegen de eerste huizen van de stad op den

grond gezeten, zetten zich bij onze komst aanstonds in beweging en

gaan vooruit, met hun karwatsen de menigte uiteen drijvende, die

toestroomt om de Europeanen aan het hoofd van den stoet te zien. Naar

mate wij voortgaan, treedt de menigte eerbiedig ter zijde; maar het

onthaal is toch niet zeer vriendelijk. Dat is trouwens niet vreemd:

de adjudant van den prins, de generaal Abbas-Koely Khan, die ons

vergezelt, komt om de achterstallige belasting in te vorderen, die

door den gouverneur is uitgeschreven. Afpersingen en knevelarijen

zijn in Perzië aan de orde van den dag, en kunnen te gemakkelijker

geschieden, omdat er noch een kadaster, noch eene officieele regeling

der belastingen bestaat. De gouverneur eener provincie is bevoegd om

het bedrag der belasting te bepalen en de wijze van heffing te regelen,

zoo als hem dat goeddunkt; bij zijne komst vindt hij noch registers,

noch aanteekeningen, die hem tot leiddraad zouden kunnen strekken. Hij

moet de belastingschuldigen zooveel mogelijk in hun dagelijksch leven

laten bespieden, ten einde eenigszins een maatstaf te vinden voor

hunne belastbaarheid. Van daar dat de Perzen zich altijd arm voordoen,

en dikwijls uit voorzichtigheid hun geld in den grond verbergen,

liever dan het te gebruiken voor de verbetering van hun land of het

te steken in industrieele ondernemingen, niettegenstaande eene rente

van vijf-en-twintig percent hier als wettig en geoorloofd geldt.

Toen de stoet voor het paleis aankwam, traden de ferachs ter zijde;

een man sprong vooruit en hieuw met een enkelen bijlslag den kop af van

een groot zwart schaap. Deze gewoonte om den aankomenden gast met een

offer te verwelkomen, klimt in Perzië tot de hoogste oudheid op. De

generaal beloont de handigheid van den offeraar met een hoofdknik,

stijgt van het paard en beklimt de trappen van eene estrade, die

voor de poort van het paleis is opgeslagen. Op uitnoodiging van

den gouverneur beklimmen wij ook de estrade, en zetten ons neder

op stoelen, die op eene rij zijn geplaatst; daar zitten wij ruim

een uur, om bekeken te worden door de menigte, die van alle kanten

is toegestroomd. Eindelijk heft de generaal de zitting op en laat

zijn paard voorkomen. Hij deelt ons mede, dat wij niet in het paleis

kunnen logeeren, waar de ruimte zeer beperkt is. De zaak is, dat hij

zelf liefst geheel vrij wil zijn, om den onder-gouverneur, de andere

inlandsche beambten en de spionnen te ontvangen, die het oog moeten

houden op de handelingen van den oostenrijkschen baron. Wij stijgen

te paard, rijden, door ferachs geleid, over een kerkhof, en komen aan

een zeer vervallen huis, waaruit men de bewoners heeft weggejaagd en

dat nu tot onze beschikking is gesteld.

De keus tusschen de verschillende vertrekken is niet gemakkelijk: de

eenen, aan den zonkant, hebben een zweem van deuren, waarmede men op

het midden van den dag, het licht ietwat kan buitensluiten; de anderen,

op het noorden gelegen, kunnen in het geheel niet gesloten worden:

het is er verblindend licht, en de vliegen zijn er zoo talrijk als het

zand aan den oever der zee. Eindelijk, na lange aarzeling, kies ik eene

kamer met eene deur. Ik laat de matrassen op den grond uitspreiden, en

na voor de openingen zwarte wollen voorhangsels te hebben gespijkerd,

strek ik mij uit, in de hoop een gewenschten slaap te kunnen genieten.

Mijne rust duurt niet lang. Eensklaps bemerk ik op den grond allerlei

wemelend gedierte, dat ook de vrijheid heeft genomen over mijn gezicht

te wandelen. Wij zijn bijna geheel overdekt met scharen van ongedierte,

door de vorige bewoners achtergelaten; terwijl reusachtige spinnen

langs de leemen muren zijn afgedaald en over den vloer rondloopen. In

een oogwenk snel ik naar de deur en trek het gordijn weg. Het licht der

zon stroomt de kamer binnen: het ongedierte neemt haastig de vlucht en

verbergt zich in gaten en spleten. Maar toch kunnen wij niet rusten:

vliegen, bijen en wespen komen nu in de plaats van onze vroegere

vijanden, die wij bijna zouden terugwenschen. De temperatuur stijgt

voortdurend: ten twee uren teekende de thermometer vier-en-veertig

graden Celsius.

23 Juli.--Vergezeld door den generaal, hebben wij een kijkje genomen

van de stad, waaraan evenwel niets te zien is. Saveh is de hoofdstad

van een district, dat vroeger in vier kantons verdeeld was, die

honderd-acht-en-twintig vlekken en dorpen bevatten, thans voor het

meerendeel verwoest en verlaten. Overal waar de zeer vruchtbare

grond behoorlijk besproeid kan worden, brengt hij katoen, rijst en

tarwe in overvloed voort. Deze produkten worden meest naar Teheran

gezonden. Ondanks de geweldige hitte heerschen er in het land noch

koortsen, noch besmettelijke ziekten.

Slechts een enkel monument, dat nog in vrij goeden staat verkeert,

de Mastsjed Djoema, getuigt van den vroegeren rijkdom der stad. Deze

moskee wordt thans, om haar afgelegen ligging, niet meer gebruikt;

zij strekt tegenwoordig tot verblijfplaats voor bedelaars en derwîsjen

uit allerlei streken, die binnen hare dikke muren een toevluchtsoord

zoeken. Natuurlijk is dit het allerminst bevorderlijk aan den welstand

van het gebouw.

24 Juli.--Sedert onze komst te Saveh, heeft Abbas-Koely Khan het

buitengewoon druk: ik vraag mij soms, of ik niet eensklaps teruggevoerd

ben tot de oude tijden, tot de dagen der satrapen en der koningen uit

het huis der Achemeniden. Dit is zeker, dat al zijn sedert eeuwen

voorbij gegaan en al behoort sinds lang de grootheid en macht van

Irân tot de legende, in de wijze van bestuur zeer weinig schijnt

veranderd. De generaal doet mij denken aan die ambtenaren, de oogen en

ooren des konings genoemd, die telken jare de provinciën rondreisden,

om de klachten te vernemen tegen de satrapen, om den toestand des

lands te onderzoeken en de hooge ambtenaren te ondervragen, die

elkander moesten bespieden en zelven weder door spionnen waren omgeven.

De positie van den tegenwoordigen satraap schijnt niet

benijdenswaardig. Naar het mij voorkomt, heeft de baron zich, hetzij

uit overmoed, hetzij uit onvoorzichtigheid, in onoverkomelijke

moeilijkheden gewikkeld. Financieele hervormingen tot stand te

willen brengen in een land als Perzië, waar kuiperij en intrigue

oppermachtig zijn, wanneer men zoowel met de taal als met de zeden

der inwoners onbekend is en nog daarenboven in de oogen der bevolking

een ongeloovige en dus een voorwerp van afschuw:--zie daar eene

onderneming, die meer dan moed vordert, die bijna aan waanzin zou doen

denken. De tusschenkomst en inmenging der geestelijkheid in sommige

financieele aangelegenheden maakt den toestand van een christelijken

gouverneur nog onhoudbaarder. Dadelijk na de komst van den baron

weigerden de mollahs zich in betrekking te stellen met een onreine;

maar om aan die weigering den schijn te ontnemen, als wilden zij den

koning in zijn vertegenwoordiger beleedigen, komen zij elken dag in

grooten getale hunne opwachting maken bij den generaal, met wien zij

ook inderdaad gewichtige zaken te bespreken hebben.

Voorname muzelmannen laten bij hun dood gewoonlijk een derde van

hunne onroerende goederen na aan moskeeën of andere godsdienstige

stichtingen. Deze kerkelijke of geestelijke goederen zijn bekend

onder den naam van _vakoef_. De schenker heeft het recht, de

administratie van die goederen op te dragen aan zijne kinderen of

naaste bloedverwanten, en te bepalen op welke wijze dit beheer,

bij erfopvolging, in zijn geslacht zal overgaan. Een gedeelte der

inkomsten blijft ter beschikking van den beheerder, van wien het

evenwel verwacht wordt, dat hij dit geld voor vrome doeleinden zal

gebruiken. Dergelijke schenkingen hebben doorgaans ten doel om aan de

erfgenamen van den schenker, ten eeuwigen dage het genot van althans

een deel hunner fortuin te waarborgen; eenmaal kerkelijk goed geworden,

is de bezitting onschendbaar en beveiligd tegen de verbeurdverklaring,

die bij den dood van hooggeplaatste staatsambtenaren of aanzienlijke

personen, zoo vaak door den Shâh bevolen wordt.

De mohammedaansche wet bevat zeer strenge en uitvoerige bepalingen

omtrent het beheer dezer vakoefgoederen; de beheerders zijn gehouden

zich overeenkomstig den wil van den erflater te gedragen; zij mogen

geen onroerend goed, zelfs niet tegen huur, voor zich zelven of hunne

bloedverwanten in gebruik nemen; zij zijn persoonlijk verantwoordelijk

voor elke uitgaaf of elk gebruik der geadministreerde gelden, strijdig

met den wil of de bedoeling van den erflater; bij gebleken wanbeheer,

worden de beheerders ontslagen en door anderen vervangen. Deze

kerkelijke goederen mogen nooit vervreemd worden; want, volgens de

uitdrukkelijke bepaling der wet, zijn zij het eigendom van God,

waarvan de menschen slechts het vruchtgebruik hebben. Voor eene

ruiling tegen andere onroerende goederen van gelijke waarde is de

koninklijke toestemming noodig. Ongeveer twee derde der inkomsten van

de vakoefgoederen wordt voor liefdadige instellingen en dergelijken

gebruikt; het overige dient om in het onderhoud der geestelijkheid te

voorzien. Blijven er inkomsten over, dan mogen de beheerders daarvoor

nieuwe goederen aankoopen, die dan evenwel geene eigenlijke vakoef

zijn, en dus ook in geval van nood verkocht kunnen worden.

Men begrijpt hoe, bij het overlijden van een vermogend man die

geene beheerders voor zijne vakoef heeft aangewezen, de leden der

geestelijkheid in de weer zijn om elkander het beheer dier goederen en

hetgeen daarmede samenhangt te betwisten. Om dien strijd te beslechten

is zeer dikwijls de tusschenkomst van den Shâh en de uitspraak der

moesjteïds noodig. Dit is het eenige geval, waarin de mollahs, anders

steeds in meer of minder verborgen oppositie tegen het burgerlijk

gezag, al hunne grieven vergeten en de medewerking en den steun

komen vragen van den gouverneur of van andere invloedrijke personen,

die hunne belangen bij den Shâh kunnen voorstaan. Op dit oogenblik

betwisten de geestelijkheid van Saveh en die van Ispahan elkander

het beheer van zulk een domein; en al zijn wij geen getuigen van de

audiëntiën die de generaal verleent, toch kunnen wij ons een denkbeeld

vormen van den ijver, waarmede de mollahs hunne zaak bepleiten. Eene

zitting van vier uren elken voormiddag is hun nog niet genoeg om al

hunne argumenten in het veld te brengen; zij komen nog in stilte,

ieder voor zich, nu en dan terug; en uit de achting waarmede men ons

behandelt, afleidende dat ook wij lieden van invloed zijn, aarzelen

zij niet ook ons het hof te maken.

28 Juli.--Sedert vier dagen wonen wij in hutten nabij den beroemden

dijk, dien mijn echtgenoot onderzoeken moet. De vallei loopt vrij

steil omhoog tusschen twee loodrechte bergen en versmalt zich

eindelijk zoozeer, dat de rotsen aan den voet elkander schijnen te

raken. De opening wordt gesloten door een dam, van groote steenen en

cement opgetrokken. Ongelukkig heeft men dien dam niet op de rots

zelve gelegd, maar op eene zware laag losse steenen uit de bedding

der rivier. Het natuurlijk gevolg daarvan was, dat het water, zoodra

het een zeker peil bereikt had en genoegzame drukking kon uitoefenen,

begon door te kwellen; zoodat eerst het zand, daarna de losse steenen

en eindelijk de blokken zelven werden losgewoeld en er een belangrijk

gat ontstond, waardoor het water uit het bekken wegvloeide. Sedert

een reeks van jaren hebben de gouverneurs zich bezig gehouden met de

herstelling van dien dam; bij herhaling hebben zij de opening trachten

te stoppen met steenblokken en cement; maar aangezien de oorzaak der

kwaal niet werd weggenomen, baatten deze hulpmiddelen niets, en gingen

de nieuw aangebrachte steenen al spoedig den weg van hun voorgangers.

Mijn echtgenoot heeft den dijk opgemeten en onderzocht; het werk zelf

is stevig en soliede genoeg, maar de grondslag deugt niet; hij heeft

de bovengelegen vallei in het ruwe opgemeten om de hoeveelheid water

te berekenen, die in het bekken geborgen kan worden; hij zal nu van

daag een onderhoud hebben met den meestermetselaar of bouwkundige,

die hem de prijzen moet opgeven van het hout en andere materialen,

het arbeidsloon, en verder hem al die inlichtingen moet verschaffen,

die hij voor het opmaken zijner begrooting behoeft. De generaal en

de bouwkundige wachten met zichtbaar ongeduld op de uitkomst dezer

bespreking. De bouwkundige neemt het woord, en doet zijne opgaven,

waaruit blijkt dat de kosten van dergelijke werken hier zoowat

het dubbele zouden bedragen van hetgeen in Frankrijk en Engeland

gevorderd zou zijn; en dat niettegenstaande het loon van een goed

perzisch werkman hoogstens anderhalve frank per dag bedraagt, en de

materialen ten deele door den aanbesteder geleverd worden. Marcel,

geërgerd over dit onbeschaamd bedrog, maakte spoedig een einde aan de

conferentie, en verklaarde aan de beide vertrouwden van den prins,

dat aangezien hij zijne berekeningen niet kon gronden op blijkbaar

verkeerde opgaven, hij het ontwerp te Ispahan zou opmaken en van daar

rechtstreeks aan den prins zenden; tot basis voor zijne begrooting

zal hij dan de gemiddelde prijzen in Frankrijk nemen. Naïeb Soltaneh

moet dan maar zien, wat hij daarmede zal aanvangen. Dit antwoord

bevalt den generaal niet; hij gaat heen zonder iets te zeggen; maar

even daarna liet hij zich wegens ongesteldheid verontschuldigen dat

hij niet aan tafel zou komen; ook kon hij, tot zijn spijt, ons niet

naar Koem vergezellen, maar dwong zijne gezondheid hem, onverwijld

naar Teheran terug te keeren. In verband daarmede, besluiten wij nog

dien eigen avond naar Koem te vertrekken.

Toen het tijd werd om de muildieren voor het vertrek gereed te maken,

kwam men ons mededeelen, dat de generaal die dieren naar Teheran

had terug gezonden. Daar de Ramadân overmorgen begint, was er geen

tijd meer, om andere muildieren, met hunne drijvers van Saveh te

gaan halen. Er schoot dus niets anders over, dan onze bagage op een

ouden kameel te laden, die niet meer dan achttien mijlen per dag

kon afleggen; of wel die bagage in kleine pakketten te verdeelen,

welke dan gedragen zouden worden door ezeltjes, niet veel grooter

dan honden. Dit laatste verdient in ieder geval de voorkeur. Wij

bestijgen onze rijpaarden, die wij de voorzichtigheid hebben gehad

altijd bij ons te houden; en vergezeld door een enkelen soldaat als

militair geleide, verlaten wij onze hut, en slaan den weg in naar Koem,

gevolgd door onze karavaan van miniatuur-ezels.

Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887 · 第 10 / 41 题