29 April.--Zendjan, de hoofdstad der provincie Khamseh, ligt op
een plateau, dat eene fraaie vruchtbare vlakte bestrijkt, waardoor
een van de nevenstroomen van de Kisiloe-soe loopt; aan hare hooge
ligging dankt de stad in den zomer eene zeer aangename temperatuur,
maar in den winter kan het er zeer koud zijn. Zendjan, dat er,
misschien ten onrechte, roem op draagt, de geboorteplaats te zijn van
Ardeshir-Babeghan, den eersten vorst uit de dynastie der Sassaniden,
werd, kort na de verwoesting van Sultaniëh, door Tamerlan gedeeltelijk
vernield, en verloor toen een van zijn merkwaardigste monumenten,
de graftombe van den sjeikh Aboe-Feridje. Rampen van jeugdiger
dagteekening, uitgelokt door den opstand der Babys, [1] hebben de
herinnering aan den inval der Tartaren uitgewischt en er veel toe
bijdragen om de bevolking der stad te doen verminderen.
Den volgenden dag gingen wij met den postmeester naar buiten, naar
prachtige tuinen langs den oever van een klein rivierke. Groote,
heerlijke vruchtboomen mengen daar hunne bladeren en veelkleurige
bloesems, en vormen prieelen, waarin het zonlicht ter nauwernood
doordringt. De natuurlijke ontwikkeling der takken wordt door niets
gestoord: men ziet hier niets van latwerk, ijzerdraad of welke andere
kunstmiddelen ook.--"Het is hier het aardsch paradijs zonder appel,"
zeide tot mij Mahomed Aga-Khan, een der aanzienlijkste Babys van
Zendjan, terwijl hij mij zijne boomgaarden toonde.
Toen wij van onze wandeling terugkwamen, noodigde hij ons met groote
vriendelijkheid uit, in zijn huis binnen te treden, om zijne vrouw te
groeten. Aanstonds was ik getroffen door de orde en netheid, die in
deze woning heerschten; nergens waren hier die talrijke vrouwelijke
dienstboden te zien, die op den grond neergehurkt zitten en niets
uitvoeren dan haar kalyan rooken. De Babys onthouden zich over het
algemeen van rooken. De eenige vrouw en de dochter van den khan
kwamen mij begroeten; door eenige dienstboden bijgestaan, zijn zij
bezig met het bereiden van het avondmaal.
De moeder laat nu die taak aan hare dochter over en voert mij in
eene kamer, enkele treden boven den beganen grond verheven, waar
zij mij uitnoodigt plaats te nemen op een prachtig kurdisch tapijt,
glad en fijn als fluweel. Er wordt thee en koffie; gepresenteerd; en
terwijl ik het talent bewonder, waarmede de perzische dames deze beide
dranken weten te bereiden, houd ik mijne oogen gevestigd op het mooie
meisje, die opzicht houdt over het koken van de pilau. Hare fraaie,
zuiver gemodeleerde gelaatstrekken krijgen eene bijzondere uitdrukking
door hare schitterende zwarte oogen, die buiten alle verhouding groot
schijnen, ten gevolge van het aanbrengen van eene fijne donkere tint
rondom de oogleden en aan de wenkbrauwen. Haar hoofd is half gehuld
in een sluier van roode wol, waardoor de matte goudkleur van haar
huid nog te meer uitkomt. Twee dikke haarlokken komen aan de slapen
uit dien sluier te voorschijn, terwijl het gevlochte haar verder op
den rug hangt; om den hals draagt zij eene ketting van kornalijn en
gele amber. Hare kleeding bestaat uit een rose chemisette, waarvan de
fijne plooien de zuivere vormen teekenen van een buste, die nooit door
een keurslijf werd misvormd; haar rok van gebloemd indisch kâshmire is
zeer laag onder het hemdje vastgemaakt, zoodat bij iedere beweging de
buik ten deele bloot komt. Dit is het wintertoilet. Gaarne had ik ook
kennis gemaakt met de zomerkleeding, maar daartoe ontbrak mij de tijd.
Behalve zijn tuinen en de bouwvallen van zijn oude muren, heeft Zendjan
niets merkwaardigs; wij stemmen dan ook gaarne in met het voorstel
van den hadji, om reeds nu te vertrekken, ten einde te Sultaniëh een
dag langer te kunnen vertoeven dan aanvankelijk bepaald was. De weg
tusschen Zendjan en Sultaniëh is op dit oogenblik volkomen veilig,
want juist zijn er naar de grenzen van Kurdistan troepen gezonden,
omdat men een nieuwen inval van die roofzuchtige horden vreesde.
1 Mei.--Buiten de stad gekomen, zien wij aan onze rechterhand een
groot kamp, bestaande uit regelmatig geplaatste tenten van europeesch
fatsoen. Vlak daarbij, binnen een afgeschoten perk, staan een aantal
paarden, die tot eene legerafdeeling behooren, welke dezen nacht is
aangekomen. Een oostenrijksch officier voert het kommando over die
afdeeling; maar hij heeft een perzisch generaal naast zich, die zijne
bevelen overbrengt, want een echte Sjîiet kan geen bevelen ontvangen
van een Christenhond. De soldaten marcheeren en exerceeren vrij goed;
zij zijn gewapend met uitmuntende chassepots, na den oorlog van 1870
in Pruisen gekocht.
Hun uniform, bestaande uit een korte donkerblauwe jas en een
nauwsluitenden pantalon van dezelfde kleur met een scharlaken
streep, heeft aan die troepen den naam doen geven van het frankische
(europeesche) leger, waarop zij zeer trotsch zijn. Het hoofddeksel,
de kolak, is zuiver perzisch. Buiten de exercitie is de houding
en kleeding dezer keurtroepen zoo slecht mogelijk. De inlandsche
officieren dragen zelfs geen kousen, en hunne uniform is boven alle
beschrijving slordig en vuil. Het stelsel van voeding is een zeer
wezenlijk element van wanorde in het perzische leger: daar er geen
intendance bestaat, moet ieder soldaat voor zijn eigen voeding zorgen,
en in den regel doet hij dit ten koste der streek waar hij vertoeft. De
zeer geringe soldij wordt bovendien nog hoogst onregelmatig uitbetaald,
hoewel de noodige gelden vrij geregeld door de koninklijke schatkist
worden verstrekt; gewoon zonder geld te zijn, zorgt de soldaat dus
zelf voor zijn onderhoud. De plicht om de legers te voeden drukt zeer
ongelijk op de verschillende provinciën en is een zware last: van daar
dat het doortrekken van een legerkorps als een openbare ramp wordt
beschouwd. De conscriptie, even onbillijk geregeld, drukt uitsluitend
op de boeren: de stedelingen zijn daarvan rechtens vrijgesteld.
Dit buitensporige voorrecht aan de groote steden toegekend, draagt niet
weinig bij tot de ontvolking van het platte land, dat op die wijze
van de beste en onontbeerlijkste krachten beroofd wordt; daarentegen
vormt zich in de steden eene klasse van lieden zonder beroep, zonder
wettig middel van bestaan, die op de ellendigste manier hun bestaan
voortsleepen, tot zij den leeftijd bereikt hebben, waarop zij niet
meer voor de militaire dienst in aanmerking kunnen komen.
Elk dorp moet een contingent leveren in verhouding tot zijne bevolking,
maar de ket-khoda, die met de inschrijving belast is, stelt iedereen
vrij, die hem een aardig geschenk wil geven. De manschappen staan onder
het kommando van een hoofdman, kapitein, chef van de kompagnie. Alle
bevelen worden aan hem gegeven; hij alleen is verantwoordelijk
voor zijn troep, dien hij naar goedvinden bestuurt, zonder dat
men hem, tenzij dan om zeer gewichtige redenen, kan verplaatsen of
wegzenden. Tusschen den kapitein en den generaal staan wel de oversten
en de kolonels, maar hun gezag bestaat slechts in naam.
De straffen, die de soldaat beloopen kan, bepalen zich niet enkel
tot zijn persoon: ingeval van desertie, bij voorbeeld, worden ook
zijne bloedverwanten gestraft; de ket-khoda van het dorp ontvangt
last om, na verloop van zekeren tijd, de vrouw en de kinderen van
den deserteur in de gevangenis te werpen, zijn vee te verkoopen,
of zijn huis in brand te steken. In den regel keert de schuldige,
vernemende welk lot zijne familie boven het hoofd hangt, naar zijn
regiment terug, waar hij tot straf de bastonnade ontvangt.
Na het kamp bezocht te hebben, hervatten wij onzen tocht en trekken
eenige uren achtereen door eene dorre vlakte, die langzamerhand
omhoog rijst tot aan het plateau, onder den naam van Kogoroland
(adelaarsweide) bekend. Steeds in oostelijke richting voortgaande,
bespeuren wij aan den horizon eene lichtende plek en daaronder eene
lange en smalle streep. Toen wij, naderbij gekomen, de vormen en
omtrekken van deze verzameling van gebouwen beter konden onderscheiden,
zien wij een majestueusen koepel, die door zijne indrukwekkende massa
en zijne schitterende bekleeding met helder blauwe porceleinen tegels,
het armoedige dorp aan zijn voet geheel in het niet doet verzinken. Dit
zijn de laatste overblijfselen van de stad Sultaniëh, tegen het einde
der dertiende eeuw gesticht door Arghoer-Khan, den derden souverein
uit de dynastie van Dsjengis-Khan, en vergroot door Oljaïtoe Khodah
Bendeh, die den zetel zijner regeering naar herwaarts overbracht,
en een mausoleum bouwen liet, dat nog heden getuigt van de vervlogen
grootheid der keizerlijke stad. Na den dood van Shah Khodah Bendeh,
verloor Sultaniëh, ondanks zijn prachtigen titel, al spoedig zijn
voorspoed en zijn kunstmatig verworven hoogen rang. In 1381 door
Tamerlan of Timoer-leng met storm veroverd, werd de stad verwoest
en voor goed verlaten; het monument van Oljaïtoe had zijn behoud
uitsluitend aan zijn godsdienstig karakter te danken.
Het was reeds duister, toen wij, huiverende van koude, in den
tsjapar-khaneh terugkeerden. Het klimaat van het plateau van Kogoroland
wordt als een van de koudste in Perzië beschouwd. Gelukkig heeft de
tsjaparsji ons in eene goed gesloten kamer gebracht, voorzien van
vilten tapijten, over de matten gespreid. Een goed vuur verwarmt
onze verkleumde voeten; eindelijk zie ik tot mijne groote vreugde,
hoe eenige voortreffelijke patrijzen aan het spit worden gebraden.
Den volgenden morgen gold ons eerste bezoek de koninklijke
graftombe. De deur is gesloten en de sleutel in bewaring bij den
mollah, die, zoo als het heet, naar den akker vertrokken is. Blijkbaar
is dit niet anders dan een voorwendsel, om het heiligdom te bewaren
tegen verontreiniging door de tegenwoordigheid van ongeloovigen.
Omringd door een troep kwaadwillige boeren, begeven wij ons, met een
brief van den gouverneur van Tauris, naar den ket-khoda. Deze bekijkt
onze papieren aan alle kanten; houdt zich eerst alsof hij het zegel
niet kent, dat bij wijze van onderteekening op het stuk is gesteld;
maar hij eindigt toch met blijkbaar zeer tegen zijn zin, te gelasten
dat men het graf voor ons zal ontsluiten. Deze lastgeving lokte zeer
hevige en luidruchtige protesten uit tegen zulk eene schending van
de rechten der ware muzelmannen.
"De bevelen van den gouverneur zijn zoo stellig mogelijk," zeide de
ket-khoda bij wijze van verontschuldiging. Mij wordt gelast, hulp en
bescherming te verleenen aan deze vreemdelingen en alles te doen wat
in mijn vermogen is om hun van dienst te zijn.
--Is de gouverneur dan zelf ook een ongeloovige?" vroeg met luid
gemor de ontevreden menigte; maar tot verzet kwam het niet.
De mollah wordt nu opgespoord en de deur wordt eindelijk geopend,
tot groote smart en ergernis van alle vromen.
Het gebouw is nog vrij goed onderhouden, en heeft eigenlijk alleen
geleden door eene onhandige restauratie in het begin der zeventiende
eeuw, toen men de oorspronkelijke decoratie onder eene dikke laag
stuc heeft verborgen en de harmonie van het geheel verbroken door
toevoeging van een nutteloos bijgebouw, dat sedert weer half in
puin is gevallen. De uitwendige aanblik van het monument is daarom
niet voordeelig; om de eenvoudige en majestueuse ordonnantie van
het mausoleum te waardeeren, moet men binnentreden en zich onder den
koepel plaatsen. De indruk is dan inderdaad aangrijpend: men gevoelt
dat men hier een edel en verheven kunstwerk voor zich heeft.
De koepel verheft zich tot eene hoogte van een-en-vijftig el boven den
vloer; de wijdte van den koepel aan den benedenrand is vijf-en-twintig
en een halve el. Ik vermeld deze cijfers, om eenig denkbeeld te geven
van de beteekenis van het gebouw, dat eene zeer gunstige getuigenis
aflegt van het constructieve talent van den bouwmeester.
Daar was nog geen uur verloopen, toen de moskee, waar wij tot dusver
bijna alleen waren geweest, zich eensklaps met menschen vulde. Een
uit den hoop trad naar voren.
"Wij hebben," zoo sprak hij, "het bevel van den gouverneur laten
uitvoeren; gij zijt, ondanks de voorschriften onzer godsdienst,
binnengetreden in een hoog eerwaardig heiligdom, en zijt daar reeds
te lang gebleven; verwijdert u onmiddellijk, of betaalt tien tomans
voor ieder uur, dat gij hier vertoeft."
Mijn echtgenoot, bleek van toorn, antwoordde dat hij niet zou heengaan;
dat hij geen geld bij zich had, en geen shaï (stuiver) zou geven.
"Is dat uw laatste woord?" vroeg de spreker.
"Zeer zeker."
Aanstonds sluit de menigte een dichten kring om ons, en onder luid
geschater, pakken vijf of zes kerels ons bij de armen en de schouders
en dringen en trekken ons buiten het mausoleum, waarvan zij aanstonds
de deur sluiten.
De ket-khoda is ook nu onze eenige toevlucht. Gevolgd door een troep
tierende en scheldende vrouwen, wier taal wij wel niet verstaan, maar
omtrent de beteekenis van wier woorden wij niet in twijfel kunnen zijn,
en door kinderen, die ons met steentjes werpen, komen wij eindelijk
aan de woning van den magistraatspersoon. Op het ongewone gerucht
treedt hij naar buiten; en in tegenwoordigheid van de menigte stellen
wij, overtuigd dat alleen een stoutmoedig optreden ons baten kan,
hem het volgende ultimatum: "Indien de poort van het graf van Shah
Khodah Bendeh niet onverwijld voor ons geopend wordt, keeren wij
naar Zendjan terug, om van den gouverneur soldaten te vragen, die
ons zullen beschermen. Gij, ket-khoda, zult uwe betrekking verliezen,
omdat gij Faranguis hebt laten mishandelen; en uwe onderhoorigen zullen
hebben te zorgen voor logies en onderhoud der soldaten, wier eischen,
zooals allen weten, niet gering zijn."
Dit argument maakte blijkbaar indruk: het geschreeuw hield eensklaps
op. De ket-khoda, al zijn moed bijeen rapende, liet den aanstoker
van dit opstandje in de gevangenis werpen, en gaf bevel dat men ons
ongemoeid zou laten, op straffe van de bastonnade.
Einde goed, alles goed: wij kunnen nu op ons gemak de details van
het gebouw bestudeeren. Het mausoleum is geheel opgetrokken van
vierkante gebakken steenen, die van binnen in het gebouw roomkleurig
zijn. De bewoners der streek, getroffen door de zeldzame fijnheid on
de schoone kleur dier steenen, beweren dat het leem met gazellemelk
is gekneed. De lambrizeeringen der kapellen en de buitenzijde der
pilaren zijn versierd met mozaïeken, gouden sterren op een blauw
geëmailleerden grond, die heerlijk uitkomen tegen de melkwitte
steenen. Aan de buitenzijde is de koepel geheel bedekt met blauw
porseleinen tegels. Soortgelijke tegels, afgewisseld met wit en
donker blauw email, versieren de galerijen der minarets, de zuilen
en de kroonlijst.--Bijzonder rijk is de versiering van de gewelven
der bovengalerijen. De in reliëf bewerkte figuren zijn gekleurd: de
tinten wisselen tusschen grijs en wijnrood. Niets kan een denkbeeld
geven van de pracht van deze polychromie, die u denken doet aan de
wonderschoone kleurenmengeling der oude indische shawls.
Op eenigen afstand van de stad staat nog een tweede mausoleum, op
kleiner schaal gebouwd dan dat van Shah Khodah Bendeh, maar evenzeer
met smaak versierd. Het gebouw is achtkantig en met een koepel gedekt;
elke der acht zijden is versierd met een fraaie mozaïek; het midden
der tympans wordt aangewezen door prachtige steenen in de gedaante
van twaalfpuntige sterren, zoo fijn van bewerking als kant. Nevens
dit mausoleum ziet men de bouwvallen van eene moskee.
6 Mei.--Op twee dagreizen van Sultaniëh ligt het mooiste dorp, dat
wij sedert ons vertrek van Tauris nog gezien hebben. De vlakte rondom
het dorp wordt door talrijke waterleidingen besproeid; korenvelden
wisselen af met katoenplantages en populieren. De weelderige flora
der tuinen en de met wilde kamperfoelie begroeide muren en schuttingen
onttrekken de lage woningen van het dorp aan het oog: het eenige huis,
dat onze aandacht trekt, is dat van den barbier van het dorp.
Het beroep van barbier (dallak) is hier geene sinecure: niet
alleen moet hij de baarden scheren van alle jonge lieden, maar
ook de hoofden van alle mannen, onverschillig van welken leeftijd,
met uitzondering van slechts twee hairlokken achter de ooren. Maar
zijne kunst reikt nog verder: een barbier die zijn vak verstaat is
tegelijk tandmeester, besnijdt de kinderen en dient aan de kranken
eene purgatie en lating toe.
De barbier van Khoremdereh--zoo heet het dorp--is door geheel den
omtrek beroemd: de hadji, die op reis onzen geneeskundigen raad
heeft ingeroepen en zich daarbij wel heeft bevonden, heeft dan ook
niet verzuimd hem te verwittigen van de komst van twee beroemde
collega's. De tijding heeft zich snel door het dorp verspreid;
en als wij van eene wandeling door de tuinen terugkomen, vinden wij
onze kamer opgevuld met patiënten van allerlei soort. Sommigen hebben
hunne kinderen of hunne bejaarde ouders medegebracht; anderen komen
om genezing te zoeken voor hunne eigene kwalen. Tering, rhumatiek en
oogziekten zijn de heerschende kwalen. Voegt daarbij de verregaande
onzindelijkheid, vooral van de vrouwen en kinderen. Wij geven zooveel
mogelijk goeden raad: wij bevelen den teringlijders wollen kleederen
aan; den lijders aan rhumatiek, wrijvingen en beweging; allen zonder
onderscheid het gebruik van zeep en water. Bovendien deelen wij ook
nog medicijnen uit, en dat alles kosteloos. Wij hadden dan ook een
volledig succès. Na aldus ongeveer een twintigtal patiënten behandeld
te hebben, zijn wij verplicht het daarbij te laten; want wij moeten
eenige rust nemen, eer wij naar Kazbin vertrekken.
8 Mei.--De rit van Khoremdereh naar Azimabad duurt niet lang. Na een
tocht van omstreeks zeven uren bespeur ik een fraai dorp, langs den
zoom eener rivier gebouwd; de karavaan trekt dwars door dat riviertje,
tot groote ontsteltenis van een zwerm visschen, en dringt in de
straten van Azimabad door, voorafgegaan door boeren, die ons zijn
komen verwelkomen en uitnoodigen, in hunne woning in te keeren.
"Dit huis behoort aan u en ik ben uw knecht," zegt onze gastheer,
eene lage en smalle deur in een leemen muur openende.
Ons nieuwe logies ziet er goed uit. In het midden der woning
bevindt zich een soort van overdekt portaal, dat men bereikt langs
een dier trappen, waarvan de hooge treden voor europeesche beenen
zoo vermoeiend zijn. Ter wederzijde van het voorhuis is een groote
zaal; de eene zal ons tot huiskamer en salon dienen; de andere, die
tevens tot keuken is ingericht, is bestemd voor ons personeel. Onze
gastheer zal zich met zijn gezin zoo lang in den stal terugtrekken;
indien zij willen beloven zich rustig te houden, willen, wij hun de
bala-khaneh, de opperzaal, boven de vestibule, afstaan. De kamers
ontvangen haar licht door zeer groote breede vensters, van houten
traliewerk voorzien, dat met geolied papier is beplakt. Glas zou hier
zeer moeilijk te krijgen zijn. De zoldering bestaat uit over elkander
gelegde rondhouten; de wit gepleisterde muren zijn voorzien van twee
rijen breede nissen; ook is er een miniatuur schoorsteen. Koffers met
koperen of stalen ornamenten; strooien matten, hier en daar bedekt
met fraaie, maar versleten tapijten; twee of drie kalyans; een Korân
en eenige bundels perzische poëzie, met onbeholpen, leelijk gekleurde
plaatjes:--ziedaar het ameublement van onze kamer. Voor het huis staan
eenige vruchtboomen in een soort van tuin, die door een hoogen leemen
muur omgeven is. Naar dit model zijn de woningen van alle vermogende
landlieden dezer streek gebouwd.