IV

16 April.--Wij hebben heden een bezoek afgelegd bij de weinige

Europeanen, die door het noodlot gedwongen zijn, in Tauris verblijf

te houden.

Indien men in Perzië, even als in Amerika, tentoonstellingen hield van

zwaarlijvige lieden, dan zou buiten eenigen twijfel de eerste prijs met

algemeene stemmen worden toegekend aan den turkschen consul. Zelden

zag ik zulk een wandelende vetklomp in menschelijke gedaante. Zijne

buitengewone corpulentie verhindert den effendi, op oostersche manier,

dat wil zeggen met de beenen onder het lijf gevouwen, op kussens

neergehurkt, te eten. Wordt hij ergens ter maaltijd genoodigd, dan

zendt hij vooraf eene diep uitgeholde tafel, waaraan hij zich neerzet,

en waarin zijn majestueuse buik juist past. Spotvogels beweren dat

er tot dusver nog geen paard is gevonden, dat hem zonder rusten naar

eene aangewezen plaats dragen kan; anderen houden staande, dat Zijne

Excellentie zich van tijd tot tijd voor een grooten spiegel plaatst,

om zich te vergewissen dat hij zijne voeten, die hij sinds lang uit

het oog heeft verloren, nog bezit.

In het vorige jaar was diezelfde consul de held van een

schitterend avontuur, waarmede men zich nog in de bazars van Tauris

vermaakt. Hij had zich naar Constantinopel willen begeven, en wel

over Trebizonde, welke weg in den winter gemakkelijker is dan die

over den Kaukasus. Vergeefs hadden zijne collega's getracht, hem van

dit voornemen terug te brengen, en hem gewezen op de gevaren van eene

reis door Kurdistan.

"De Kurden, had hij geantwoord, zijn turksche onderdanen en zullen

zich wel wachten, de hand te slaan aan den vertegenwoordiger van den

beheerscher der geloovigen."

De dappere consul, die zich door geene dreigende gevaren wou laten

terughouden, vertrok, gevolgd door een veertigtal welgewapende

bedienden, op prachtige paarden gezeten, die voor de dienst van het

serail waren bestemd. Nauwelijks had het reisgezelschap de perzische

grenzen overschreden, of de kleine karavaan werd door een dozijn

bandieten overvallen; aan weerstand werd niet gedacht, en de Kurden

maakten zich meester van de paarden en bagages, de wapenen en de

kleederen der reizigers, die zij van alles beroofden. Maar toen zij

op het punt stonden, Zijne Excellencie van zijn laatste kleedingstuk

te ontdoen, schrikten zij zoo van de onmetelijke massa, die zich

aan hunne blikken vertoonde, dat zij zich haastig uit de voeten

maakten....... De effendi hield zich goed.

"Ik had het wel aan mijne collega's gezegd, zoo sprak hij, dat

de majesteit van den vertegenwoordiger van den Padishah ook de

stoutmoedigsten zou verschrikken en op de vlucht drijven."

Wij maakten ook onze opwachting aan de consuls van Rusland en

Engeland. De echtgenoote van dezen laatste gewaagt met veel geestdrift

van de bekoorlijkheden, die het leven te Tauris voor eene europeesche

dame oplevert. In het bekrompen armenische kwartier opgesloten, kan zij

zich met ongesluierd gelaat niet in de muzelmansche stad vertoonen,

zonder aanstonds door eene nieuwsgierige menigte omringd te worden,

die haar met verbaasde blikken aangaapt. Het eenige middel om niet

opgemerkt te worden en ongehinderd te komen en te gaan, is het aannemen

van de oostersche, mohammedaansche kleederdracht: maar eene europeesche

vrouw kan daartoe niet licht besluiten.

17 April.--De stad heeft weinig oude monumenten, maar die weinigen

zijn ten volle de aandacht waard. Het allermerkwaardigste van deze

monumenten is buiten kijf de Blauwe moskee, in de vijftiende eeuw

gebouwd, onder de regeering van Djehan-Shâh uit de mongoolsche

dynastie, die van 1393 tot 1505 over Perzië heerschte.

Dit schoone gebouw verdient wel de bewondering, waarmede de

Perzen daarvan spreken, niet alleen om de algemeene ordonnantie

en de indrukwekkende majesteit van den voorgevel, maar vooral

ook om de smaakvolle sierlijkheid der vormen, en de heerlijke

bekleeding met een prachtig mozaïek van fijne gekleurde porseleinen

tegels. Ongelukkig zijn de koepels, ten gevolge van eene aarbeving,

bijna geheel ingestort, in hun val de gespleten muren mede slepende

en de binnenplaatsen met hoopen puin en scherven bedekkende. De

inwoners van Tauris hebben ongehinderd van deze kostbare materialen

gebruik gemaakt voor den bouw hunner woningen. Niemand deed iets om

dit vernielingswerk te stuiten, want de moskee was door de Sonniten

gebouwd, en de sjîitische Perzen zagen met vreugde den ondergang

van een heiligdom, dat hen aan de heerschappij der gehate ketters

herinnerde. Trouwens de haat tusschen deze beide groote afdeelingen

der muzelmansche wereld is wederkeerig. "Het is verdienstelijker één

sjîitischen Pers, dan zeventig Christenen te dooden," zeggen van hun

kant de orthodoxe sonnitische ulema's.

Voor de moskee bevond zich een ruim voorplein, door zuilengangen

omringd, en in het midden versierd met eene fontein voor de

voorgeschreven wasschingen. Van dit alles is tegenwoordig niets meer

over; de ruimte van den voormaligen voorhof is door huizen bezet, en

langs den voet der trappen, die naar de hoofdpoort geleidden, loopt

een karavanenweg. Op het verhoogde terras verrijst een groote boog,

omlijst door een breeden band van blauw porseleinen tegels.

De binnenzijden van deze portiek prijken met heerlijke mozaïeken van

porselein, zoo zuiver bewerkt en zoo uitnemend saamgevoegd, dat zij

één groote tegel of plaat schijnen te zijn. Het mozaïek verbeeldt

kransen en bloemslingers en wijkt ten eenemale af van de ingewikkelde

geometrische figuren, die zoo kenmerkend zijn voor de seldsjuksche

en mongoolsche kunst. Verwonderlijk is ook de harmonie tusschen de

licht-blauwe, donker-groene, bruin-gele en zwarte tinten der teekening

en het donker-blauw van den grond, waarvan zij de eentonigheid breken,

zonder daardoor schade te doen aan dien eigenaardigen kleurengloed,

waaraan de moskee haar naam van de blauwe dankt.

Eene vrij lage deur, in den binnengevel van de portiek aangebracht,

geeft toegang tot het bedehuis, bestaande uit twee ruime zalen,

weleer met koepels gedekt en door galerijen omringd. De eerste is

versierd met mozaïeken van verschillende kleur, die door hun stijl

aan de mozaïeken van de poort herinneren. De tweede zaal, waarin zich

de mihrab bevindt, is bekleed met blauw porseleinen platen, in den

vorm van kleine zeshoeken. Het donkerblauw email, met gouden arabesken

bezaaid, komt heerlijk uit tegen het ivoorblank der lambrizeringen van

geaderd agaat, aan den bovenrand versierd met eene groote inscriptie

in arabische letters, doorvlochten met fijne kransen van bloemen en

bladeren. Deze prachtige platen van agaatsteen, uit de steengroeven

nabij het meer Oermiah afkomstig, zijn nog heden ten dage volkomen

gaaf, dank zij hun buitengewone hardheid en hun gewicht, waardoor

zij tegen moedwillige schennis werden beveiligd.

Dit gedeelte van het gebouw maakt, niettegenstaande de rijke pracht

der versiering, een ernstigen en statigen indruk, geheel passende

bij de verheven bestemming van het heiligdom.

Rondom de moskee strekt zich, tot aan den buitenmuur, eene sonnitische

begraafplaats uit, die reeds sedert lang verlaten werd.

18 April.--Wij hebben gisteren het middagmaal gebruikt met den

kanselier van het fransche consulaat, den heer Audibert, en zeer

gaarne van zijn vriendelijk aanbod gebruik gemaakt om ons door de

bazars en de voorsteden rond te leiden; heden morgen komt hij ons

afhalen om ons naar de citadel te brengen.

Dit zware, massieve gebouw, vijf-en-twintig ellen hoog, dat bij het

naderen van Tauris reeds van verre in het oog valt, verrijst in het

midden van eene ruime esplanade, omgeven door een veelhoekigen wal,

met torens en bolwerken voorzien en door breede en diepe grachten

omringd, die tegenwoordig half met puin gevuld zijn. De citadel zelve

is niet veel meer dan eene ruïne; rondom den steenen reus groepeeren

zich militaire gebouwen uit later tijd, zooals eene kazerne voor het

garnizoen van Tauris en eene geschutgieterij, waarin niet gewerkt

wordt. Het platte dak, dat men langs een bouwvallige trap bereikt,

is overdekt door twee loggia's, bestemd voor de wachters, die bij

het uitbreken van brand alarm moeten maken.

Van deze hoogte heeft men een zeer schoon uitzicht. De reeds

groene velden strekken zich uit, zoover de blik reikt, tot aan de

eerste uitloopers der hooge, met sneeuw bedekte bergen; aan onze

voeten schuilen de leemen woningen der stad weg onder de witte en

rooskleurige bloesems der vruchtboomen; slechts de koepels der bazars,

der karavanseraïs en moskeeën steken boven het wazige jonge groen

uit. In de verte bespeur ik een uitgestrekten tumulus, door een paar

dorpjes omgeven. De kanselier verhaalde mij, dat dit de ruïne was van

de moskee van Gazan-Khan, die midden in het oude Tauris stond. Sedert

zeshonderd jaar heeft de stad zich meer dan twaalf kilometers verder

verplaatst; voortdurend nadert zij steeds dichter tot de rivier.

Het schromelijk verval der half verlaten voorsteden, de tumuli,

de verlaten kerkhoven, zijn als het ware zoovele mijlpalen, die de

opvolgende verplaatsing van Tauris aanwijzen.

Deze opschuivingen zijn eene eigenaardigheid van vele oostersche

steden en een noodzakelijk gevolg van de zeden des lands: de wet, die

de vrouwen verbiedt, zich ongesluierd in het openbaar te vertoonen

en haar ook tehuis een afzonderlijk verblijf aanwijst, noodzaakt de

muzelmannen tot het bouwen van zeer uitgestrekte woningen, waarvan

de kamers op ruime binnenplaatsen uitkomen, en binnen wier omwalling

men dikwijls ook nog groote tuinen vindt, waar de vrouwen en dochters

ongestoord kunnen wandelen en de versche lucht inademen. Daar dit

alles zeer veel ruimte eischt, blijft er voor de eigenlijke woning

niet veel over: zij bevat dan ook doorgaans niet meer kamers dan voor

één huisgezin volstrekt noodig zijn. Niets is meer onbestaanbaar

met de oostersche zeden dan onze moderne kazernen van vier, vijf

verdiepingen, waarin een aantal gezinnen naast elkander ingekwartierd

zijn: wonen, kan men dit samenhokken ter nauwernood meer noemen. Hier

woont ieder, bijna zelfs de armste, in zijn eigen huis. Als de zonen

van het gezin huwen, verlaten zij de ouderlijke woning en laten zich

een nieuw huis bouwen, veelal in eene nieuwerwetsche wijk; bij den

dood der ouders verhuren zij, als zij kunnen, het oude huis; gelukt

dit niet, dan wordt het houtwerk weggenomen, zoodat alleen de leemen

muren overblijven, die, aan hun lot overgelaten, weldra ineenzakken

en wegbrokkelen. Langzamerhand worden de aldus verlaten wijken weer

tot bouwland gemaakt, terwijl nieuwe voorsteden de plaats innemen

van vroegere akkers en tuinen.

Op onzen terugweg naar het consulaat komen wij langs een aantal

ijskelders, waar gedurende het koude jaargetijde het ijs verzameld

en bewaard wordt, dat 's zomers in de bazars te koop wordt geboden.

Om het noodige ijs te verkrijgen, wendt men een zeer eenvoudig en

goedkoop middel aan. Des avonds leidt men het water van eene naburige

beek naar een op het noorden gelegen vijver, die door een leemen

muur tegen den zuidenwind gedekt is. Dat water bevriest des nachts;

's morgens wordt het ijs stuk geslagen en naar overwelfde kelders

gebracht, waar het tot het einde van den zomer goed blijft. Hoewel dit

ijs zeer goedkoop is, brengt iedere kelder aan den eigenaar jaarlijks

tusschen de honderd en honderd-twintig tomans op (een toman staat

ongeveer gelijk met negen en een halve franc.)

Wij komen nu op nieuw in den bazar, die bijna verlaten is; de laatste

kooplieden bergen de uitgestalde waren weg en sluiten hun winkel. Toch

is het van daag geen vrijdag, de rustdag der muzelmannen, noch een van

de vele feestdagen van den perzischen kalender. Wat mag dan de reden

zijn van dit plotseling ophouden van allen handel en verkeer in een

zoo belangrijken en drukken bazar als die van Tauris? Een hooggeacht

geestelijke, de moesjteïd of opperpriester, had, naar men ons

verhaalde, zoo juist den adem uitgeblazen. Het was een eerbiedwaardige

grijsaard, met een belangwekkend, geestvol gelaat en een gedistingeerd

voorkomen. Evenals alle opperpriesters, droeg hij over zijn gewaad een

witten mantel van zeer fijne wol, en op het hoofd den grooten blauwen

tulband, die in Perzië het onderscheidingsteeken is van de ware of

vermeende afstammelingen van den Profeet. Dit eenvoudig en deftig

kostuum paste volkomen bij zijn statig voorkomen en majestueusen gang,

en deed het scherp geteekende asceten-gelaat, dat wel geschikt was

om ontzag in te boezemen, op het voordeeligst uitkomen.

Eenige dagen geleden had mijn echtgenoot dien geestelijken heer

verzocht, zijne photografie te mogen maken; maar zonder eenige

achterhoudendheid had hij bekend, waarom hij zich liever niet aan

die proef blootstelde.

"Ik ben iemand van hoogen leeftijd, zoo sprak hij; en hoewel ik niet

bijgeloovig ben, zooals de kettersche Sonniten, vrees ik toch, dat ik,

door op die wijze mijn portret te laten maken, als het ware met eigen

hand mijn doodvonnis zal onderteekenen. Ik weet niet, of de kunst,

waardoor gij eensklaps iemands gelaat kunt afbeelden, u van God of van

den duivel geopenbaard is; en bij die onzekerheid, wil ik liever geen

aanstoot en slecht voorbeeld geven. Maar dewijl gij eene herinnering

aan mij wenscht te bezitten, zal ik mijne vicarissen uitnoodigen, met

mij eene groep te vormen, en dan kunt gij onze portretten teekenen:

maar op voorwaarde, dat wij al uwe bewegingen kunnen volgen."

Van achteren bezien, komt de weigering van den grijsaard om zich

te laten photografeeren ons zeer te stade: had hij aan onzen wensch

toegegeven, dan zou het fanatieke volk, bij hetwelk de priester in

zoo hooge eere stond, gewisselijk niet hebben nagelaten, in ons de

bewerkers van zijn plotselingen dood te zien, en getracht hebben zich

daarover op ons te wreken.

De geestelijken, met den naam van moesjteïds aangeduid, bekleeden

den hoogsten rang in de sjîitische hiërarchie, en hebben steeds

in Perzië een zeer grooten invloed uitgeoefend. Zij bekleeden geen

officieel ambt, ontvangen geene bezoldiging, en worden tot die hooge

waardigheid aangewezen door de ondubbelzinnige uitspraak der publieke

opinie van het volk, dat zij in de waarheden der godsdienst moeten

onderrichten, en waarvan zij de verdedigers en beschermers zijn tegen

de onderdrukking of het onrecht der grooten. De titel van moesjteïd

kan niet door de regeering verleend worden. Zelden zijn er in Perzië

meer dan drie of vier moesjteïds, die als zoodanig door het volk

worden erkend; om dien titel te kunnen voeren, moet een mollah,

gedurende een twintigjarig verblijf te Kerbela of te Nedjef, den

hoogsten graad hebben verworven in zeventig vakken van wetenschap;

bovendien moet hij aan het land eene talrijke nakomelingschap hebben

geschonken. Om de achting en het vertrouwen van het volk te verwerven

en te behouden, moeten deze geestelijke heeren eene reputatie genieten

van onbesproken levenswandel, van groote matigheid en ingetogenheid;

doorgaans leven zij zeer teruggetrokken en onttrekken zich aan alle

eerbetooningen of gunstbewijzen van het hof. Hunne stichtelijke

toespraken zijn vol zalving; hunne gebeden langer dan die der gewone

geloovigen; naar hunne vermaningen luistert de schare met deemoed. Ook

als uitleggers van de wet hebben zij groot gezag: in ernstige gevallen

roepen de rechters hunne beslissing in en gedragen zich daarnaar.

Maar in den laatsten tijd toont het burgerlijk gezag al meer en

meer de neiging om zich van deze geestelijke voogdij te ontslaan;

en de tijd is voorbij, toen de doorluchtige moesjteïd van Ispahan,

Hadji Seïd Mohammed Boghir, in de provincie Irâk een onbeperkt gezag

uitoefende. De misdadigers, die hij ter dood veroordeeld had, werden

in zijne tegenwoordigheid terecht gesteld; meer dan een verzocht

als eene hooge gunst, door de hand van den priester zelven te mogen

sterven. In dat geval werden de lijken op de binnenplaats van het

paleis begraven; en de schuldigen ondergingen den dood in het vaste

vertrouwen dat hunne zonden hun zouden vergeven en de toegang tot

het paradijs voor hen ontsloten zou worden.

Over het algemeen verdient het gedrag en de houding van de hooge

perzische geestelijkheid niets dan lof. De voorbeelden dat een der

opperpriesters door zijn levenswandel stof tot ergernis geeft, zijn

zeer zeldzaam. Trouwens, indien zulke gevallen dikwijls voorkwamen,

zou, vooral bij de in Perzië op het stuk van godsdienst heerschende

onverschilligheid, de bekoring spoedig verbroken zijn, en zou de

hooge geestelijkheid weldra de achting en het ontzag verliezen,

dat zij bij de massa der bevolking nog steeds geniet.--Ongelukkig

kan men van de lagere geestelijkheid, de mollahs, niet zoo gunstige

getuigenis afleggen. Daar zijn duizenden verhalen en anekdoten in

omloop, waaruit hunne hebzucht, hunne kwade trouw of domheid moeten

blijken. Nog gisteren vertelde men in den bazar het volgende:

De mollah Nasr ed-Din preekte laatstleden vrijdag in de moskee

van den Shâh Hosein, de schoenlapper uit den laatsten winkel in

den lederbazar, in het heiligdom neergeknield, schreide bittere

tranen; zijne buren, gesticht door zijne vroomheid en meenende dat

de ernstige vermaningen van den prediker zijn gemoed zoo zeer bewogen

hadden, vroegen met belangstelling naar de oorzaak zijner in het oog

vallende droefheid.--"Mijn bok is gestorven," antwoordde hij snikkende,

"en de mollah heeft bij het preeken met zijn baard dezelfde beweging

gemaakt als mijn overleden huisgenoot. Ach, de herinnering aan hem

heeft mijne tranen doen vloeien!"

Het fanatisme der mollahs houdt gelijken tred met hunne onwetendheid

en hun schraapzucht; zij verfoeien de Christenen; en wanneer,

in het afgeloopen jaar (1880), de Kurden Tauris waren binnen

getrokken,--waarvoor een oogenblik vrees bestond--dan zou het gepeupel,

op aanstoken van de mollahs, ongetwijfeld gemeene zaak hebben gemaakt

met de bandieten, om de armenische wijk, waar de Christenen wonen,

te plunderen; waarschijnlijk om dan later onderling over de verdeeling

van den buit te vechten.

In hunne vurige begeerlijkheid naar aardsche goederen gaan vele mollahs

zoo ver, dat zij zelfs den plicht der weldadigheid verzuimen, waarop

de Korân toch zoo grooten nadruk legt. Ik heb nimmer door een mollah

een aalmoes zien uitreiken, hoewel het schouwspel der heerschende

ellende inderdaad hartverscheurend was. Daarentegen was ik er wel

getuige van, hoe een blinde, door een mollah berispt, omdat hij de

barmhartigheid inriep van een ongeloovige, op bitteren toon antwoordde:

"Geeft dan zelven aalmoezen, gij huichelaars en valsche geloovigen,

en laat ons niet van honger en ellende omkomen!"

Overeenkomstig het gebruik, moet de begrafenis van den moesjteïd twee

uren na zijn overlijden plaats hebben. De menigte stroomt van alle

kanten naar het sterfhuis, om zich bij den lijkstoet aan te sluiten;

ook ik wil gaarne bij de plechtigheid tegenwoordig zijn. Ik spoed mij

dus zoo haastig mogelijk voort, maar word weldra door mijn gids tegen

gehouden: hij heeft mijn voornemen geraden, tracht mij eerst onder

allerlei voorwendsels daarvan terug te houden, maar bekent eindelijk

dat hij geen Christenen mag laten stilstaan op den weg, waarlangs de

lijkstoet komen zal. Ten einde den trouwen dienstknecht geen verdriet

aan te doen en misschien ook den consul in moeilijkheden te brengen,

neem ik het aanbod aan van een der soldaten der policie en begeef

mij naar het platte dak van een huis, door een zijner bloedverwanten

bewoond. Zonder zelve in het oog te vallen, zal ik van daar den stoet

kunnen zien voorbij trekken. Nauwelijks ben ik op het dak aangekomen,

of een verward gerucht en luide jammerkreten klinken mij uit de verte

tegen: de lijkstoet is in aantocht.

Voorop, naar den voor alle landen en hemelstreken geldenden regel,

een troep jongens, schreeuwende, gillende, springende, zoo als hunne

kameraden overal de loffelijke gewoonte hebben te doen; onmiddellijk

achter die rumoerige bende volgt het lijk, op eene baar uitgestrekt,

die door vier mannen gedragen wordt. De doode is bedekt met een fraaien

kashmiren shawl; aan het hoofdeneinde ligt de groote blauwe tulband;

eene schier onafzienbare menigte, bestaande uit mannen van allerlei

stand en leeftijd, loopt in ordelooze verwarring achter de baar,

dringende en duwende om zich een weg te banen tot bij den doode, ten

einde den shawl zoo mogelijk te kunnen kussen of althans aan te raken.

De stoet wordt gesloten door een aantal gesluierde vrouwen,

die de lucht doen weergalmen van haar akelig gekrijsch en

gillende jammerkreten. Vergeefs zie ik uit naar den gouverneur,

de hooge beambten, de soldaten, wier tegenwoordigheid aan de

begrafenisplechtigheid een officieel karakter zou geven. Maar nergens

is een uniform te bespeuren: de rouwbetooning gaat van het volk zelf

uit, en is eene laatste hulde aan de nagedachtenis van een man, die

om zijn hoogen rang en nog meer om zijne deugden en zijn heiligen

wandel de algemeene achting en sympathie genoot.

De gewoonte om de afgestorvenen zoo haastig te begraven geldt

niet alleen voor de leden van de hooge geestelijkheid, maar voor

iedereen. Dit gebruik, waarschijnlijk wel op overwegingen in het

belang der gezondheid gegrond, heeft deze bedenkelijke zijde, dat

het verborgen blijven van misdaden er door wordt in de hand gewerkt.

Is er in een gezin iemand overleden, dan worden de betrekkingen en

vrienden onmiddellijk gewaarschuwd, en heeft binnen de twee uren de

begrafenis plaats, zonder dat een geneesheer of andere deskundige

geroepen wordt om het overlijden te constateeren of de oorzaak van den

dood te onderzoeken, Om de mogelijkheid, dat iemand levend zou worden

begrafen, schijnt men zich inderdaad niet zeer te bekommeren; de armen

beschouwen den dood zeer dikwijls als eene verlossing uit hun lijden,

en rekenen de afgestorvenen gelukkig; de rijken zenden hunne dooden

naar Kerbela of naar Nedjef, en de reis daarheen duurt zoo lang, dat

de schijndoode, die bovendien in geene gesloten kist wordt geborgen,

overvloedig den tijd heeft om weer tot zich zelven te komen.

De toebereidselen voor de begrafenis zelve kunnen, bij zoo spoedige ter

aarde bestelling, uit den aard der zaak niet veel beteekenen. Het lijk,

in een doek of shawl gewikkeld, wordt in een ondiepen kuil gelegd, die

in allerijl op de begraafplaats of ook wel elders gedolven wordt. De

bloedverwanten beschouwen hun plicht als volbracht, wanneer zij het

hoofd van den doode in de richting van Mekka hebben geplaatst, en onder

zijne oksels twee kleine houten krukken gelegd, om zich daarmede op te

richten, als ten dage van het jongste gericht de engel Azraël de dooden

zal opwekken. Is de afgestorvene eene vrouw, dan wordt over het lijk,

nadat het in het graf gelegd is, nog een dichten sluier uitgespreid,

waardoor de vormen geheel onzichtbaar worden.

17 April.--De dood van den moesjteïd wordt blijkbaar als eene openbare

ramp beschouwd: handel en verkeer staan bijna geheel stil. Ten teeken

van rouw blijven de winkels in den bazar gesloten; de bakkers bakken

geen brood en de slagers slachten geen vee: de inwoners van Tauris

schijnen van daag aan geen eten te denken. Om ons eenige afleiding

te bezorgen, besluiten wij met enkele Europeanen een uitstapje te

gaan maken naar de ruïnen der moskee van Gazan-Khan.

Weldra is eene talrijke ruiterbende bijeenverzameld, en wij komen

buiten de stad, na door de bazars en eene uitgestrekte voorstad te zijn

gereden, waar de straatjeugd luidkeels liederen zong ter verheerlijking

van de heldendaden van Moekhtar-Pasja in den russisch-turkschen oorlog.

Al spoedig bereiken wij de ruïnen der moskee van Grazan-Khan, den

mongoolschen sultan, in de geschiedenis van Perzië beroemd om zijne

wapenfeiten en zijne veroveringen.

Volgens de overlevering bezat deze koning velerlei bekwaamheden:

hij was smid, kabinetwerker, kunstdraaier, gieter, sterrekundige,

geneesheer, alchimist; zijn levensbeschrijver voegt er uitdrukkelijk

bij, dat hij zelfs de geschiedenis van zijn volk kende. In zijn

oorlog met Egypte zocht hij den steun van den Heiligen Stoel. Paus

Bonifacius VIII sloot een verbond met den perzischen monarch en

trachtte de Christenvorsten tot een nieuwen kruistocht over te

halen, waarvoor de omstandigheden bijzonder gunstig schenen, nu de

Sarracenen te gelijkertijd door de kruisvaarders en door de Perzen

zouden worden aangevallen. Van dien kruistocht is evenwel niets

gekomen. Gazan-Khan toonde zich, gedurende zijne geheele regeering,

bijzonder welwillend jegens de Christenen, die hij meermalen boven

de Muzelmannen voortrok: in die mate zelfs dat men hem verdacht,

in het geheim de christelijke godsdienst te zijn toegedaan. Naar

men zegt, behoorde tot zijn vertrouwelingen ook een monnik, die zich

altijd aan zijn hof ophield. Desniettemin wordt hij door de perzische

geschiedschrijvers geprezen als een der grootste vorsten, die ooit

over Irân hebben geregeerd.

Gazan-Khan was klein van persoon en zeer leelijk; maar dit gemis van

lichamelijke welgemaaktheid en schoonheid werd ruimschoots opgewogen

door de uitmuntende gaven van zijn geest; hij had, in de geschriften

van Firdoesi en andere perzische dichters en kroniekschrijvers, de

geschiedenis bestudeerd der aloude, min of meer fabelachtige helden,

en zich voorgenomen, hunne voetstappen te drukken: met name koos hij

zich Cyrus en Alexander tot voorbeeld.

De onder zijne regeering gebouwde moskee is tegenwoordig niet meer

dan een groote tumulus, aan alle kanten doorgraven en doorwoeld:

uit het weinige dat er nog van is overgebleven, blijkt de groote

overeenkomst tusschen de decoratie van dit monument en die van de

moskee van Narshivan. Maar de wijze van bewerking der mozaïeken

verschilt: de porseleinen tegels vormen groote platen, waarop de

figuren met de stift zijn geteekend, zoodat op sommige plaatsen

het email is verdwenen en de gebakken steen zichtbaar wordt. Het

is in waarheid eene gravure, met bewonderenswaardige kunst en nog

verwonderlijker geduld bearbeid.--De boeren uit den omtrek zoeken

ijverig de nog ongeschonden tegels op, om die te gebruiken voor het

bouwen of oplappen van hunne huizen, en zoo blijft er allengs van de

groote schepping van Gazan-Khan niets meer over.

Na een bezoek te hebben gebracht aan de verschillende terpen

of ruïnenheuvels van het oude Tauris, keeren wij naar de nieuwe

stad terug. Onze weg loopt door heerlijke tuinen, van elkander

gescheiden door goten, waardoor kristalhelder water stroomt; allerlei

vruchtboomen spreiden hunne met bloesems overladen takken uit boven

meloenen, komkommers, pasteken, en andere groenten, ordeloos door

elkander geplant, maar uitmuntend opschietende.--Hier en daar gunt

het ontluikende groen ons een aardig kijkje op het landschap. Nu

is het eene karavaan van kleine, met hout beladen ezels, achter

elkander over eene hoogst eenvoudige brug gaande; dan weder vrouwen,

in blauwe sluiers gewikkeld, en zich haastig uit de voeten makende

bij de nadering van Faranguis. Het is mij niet mogelijk geweest,

van de moskee van Gazan-Khan eene photografie te maken, daar van het

gebouw niets meer dan eene vormelooze masa over is; maar ik heb mijn

toestel bij mij; ik stijg van het paard, en ondanks den hevigen wind

en de donker bewolkte lucht, verkrijg ik een zeer goeden afdruk van

den tuin en van de karavaan van ezels. Zoo spoedig mogelijk zit ik

weder in het zadel, maar het is reeds te laat: donderslagen ratelen

knetterend door de lucht; verblindende bliksemstralen doorklieven de

zwarte wolken, en de regen valt in stroomen neder. Te vergeefs zoeken

wij eene schuilplaats onder de boomen: hun gebladerte kan ons tegen

deze bui niet beschermen. Ieder geeft zijn paard de sporen en rent

zoo spoedig mogelijk naar de stad.

Toen wij de binnenplaats van het consulaat bereikten, waren wij tot

op het hemd toe nat en dropen onze paarden van het zweet. Gelukkig

is ons hier een goed logies bereid, waar wij droge kleederen en een

lekker brandend vuur vinden. Weldra is het ongeval vergeten.

De wachtkamer voorbijgaande, meende ik de soldaten bezig te zien

met het schoonmaken hunner wapenen; eene ongewone beweging heerscht

in het geheele gebouw: van den salon tot de keuken is alles in de

weer. Gedurende onze afwezigheid heeft de gouverneur een bezoek tegen

den volgenden dag laten aankondigen, en de ontvangst van een zoo

aanzienlijk personage is geene kleinigheid. Niet alleen loopt den kok

van het consulaat het hoofd om: zijne verlegenheid komt nog niet in

vergelijking met die van den mirza (den inlandschen secretaris), onzen

leermeester in het perzisch, op wien de zware taak rust om tusschen

nu en morgen een verheven gedicht saam te stellen ter verheerlijking

van den gouverneur bij zijn komst in het consulaat van Frankrijk. Wij

zullen er van daag onze les maar aan geven.

18 April.--Ik klim op het dak om getuige te zijn van de aankomst van

den gouverneur met zijn gevolg. Policiesoldaten met stokken gewapend

maken ruim baan in de straat, en deelen met loffelijke onpartijdigheid

en onberispelijken ijver slagen uit, in evenredigheid tot den hoogen

rang van den landvoogd. Eindelijk bespeur ik den oom des konings: hij

is gekleed in eene wijde zwarte overjas, om het midden saamgeplooid,

en draagt op het hoofd een kollah (muts) van zwart laken: welke

dracht in de laatste jaren aan het hof in de mode is gekomen. De

bonte muts wordt tegenwoordig nog maar alleen gedragen door lieden

uit de provincie of door mannen van leeftijd.

De hooge geboorte en de macht van den gouverneur van Azerbeïdsjan

zijn kenbaar aan den langzamen statigen gang, passende aan iemand van

zoo doorluchtige afkomst. Zijne harde, scherp geteekende trekken,

zijne bruine gelaatskleur herinneren, naar men mij zegt, aan den

eigenaardigen type van den stam, van Kadjar, waaruit hij gesproten

is. Mijne aandacht wordt voorts het meest getrokken door een prachtig

turkomansch paard, bij den teugel geleid door den stalknecht, die,

zoodra Zijne Excellencie in het consulaat is binnen gegaan, het paard

met een kostbaar tapijt moet bedekken. Het edele, uitnemend schoone

ros is rijk opgetuigd en schittert van fijn goud, waarvan ik niet

kan nalaten de voortreffelijke bewerking te bewonderen.

Onmiddellijk achter het paard van den gouverneur volgt de beul,

geheel in het rood gekleed. Deze dienaar der gerechtigheid wordt,

uit aanmerking van het gewicht zijner betrekking, steeds met zekeren

eerbied behandeld; maar toch mag hij nooit achter zijn meester in

een bevriend huis binnentreden: hij blijft voor de deur zitten, waar

hem koffie, thee, en een pijp wordt aangeboden. Op den beul volgen

de officieren van lageren rang, hofbedienden en een drom ruiters,

in lompen gehuld en het hoofd gedekt met een grijzen, bruinen of

zwarten papash, naar den smaak van den eigenaar. Dit waren, naar men

mij op eerbiedigen toon verzekerde, de kozakken van de koninklijke

lijfwacht. Hoe mogen er dan wel de gewone soldaten uitzien, als de

keurbende van het leger zulk eene armzalige vertooning maakt!

In de woning gekomen, heeft de gouverneur in den salon plaats

genomen en met blijkbaar welgevallen geluisterd naar het gedicht

van den mirza, waarin de burgerlijke en militaire deugden van den

doorluchtigen bezoeker worden verheerlijkt in de uitgezochtste en

verhevenste bewoordingen, aan Sadi en Firdoesi ontleend. Deze poëzie,

die op een zingenden toon wordt voorgedragen, schijnt zeer in den

smaak te vallen van de toehoorders, die nu en dan goedkeurend met het

hoofd knikken.--Vervolgens worden ververschingen rondgediend, en een

gesprek aangeknoopt, dat langer dan twee uren duurt, naar perzisch

gebruik afgewisseld door vrij langdurige pausen, waarin niemand een

woord spreekt.

Eindelijk neemt men afscheid van elkander in de beste stemming ter

wereld. Na eene eindelooze wisseling van beleefdheden en complimenten,

schaart de stoet zich weder in orde; de beul herneemt zijne eereplaats;

en de straat, straks zoo druk en woelig, wordt weder ledig en doodsch.

Het begon tijd te worden. De armenische aartsbisschop van Tauris heeft

den wensch te kennen gegeven, ons een bezoek te brengen en bij die

gelegenheid tevens zijne photografie te laten maken: ik was reeds bang

dat ik te laat zou komen. Dank zij onzen photografietoestel, worden

anders gesloten deuren voor ons geopend.--Het aartsbisschoppelijk

paleis, de nederige residentie van Zijne Doorluchtigheid, is van

gebakken steenen gebouwd, maar aan alle kanten omringd door fraaie

tuinen, die ook nog eene school bevatten, waarin armenische kinderen

onderwijs ontvangen.

Wij worden met ongeduld verwacht en met de innemendste vriendelijkheid

ontvangen. Op het gelaat van den kerkvoogd ligt eene uitdrukking

van welwillende goedheid: twee levendige geestvolle oogen geven aan

de regelmatige, breed geteekende trekken eene bijzondere beteekenis;

het hair en de baard zijn gedeeltelijk grijs, maar de gestalte van den

prelaat is nog krachtig en ongebogen. De schoone, indrukwekkende kop

komt voortreffelijk uit onder de kap van zwarte zijde, zoogenoemd moiré

antique, die met een punt boven het mutsje uitsteekt, bijna over de

oogen valt en in breede plooien langs de schouders neergolft. Een wijd

kleed van zwart satijn daalt tot op de voeten; om den hals hangt een

gouden ketting, waaraan een groot, met edelgesteenten omzet medaillon

is bevestigd, op hetwelk een Christuskop in émail is geschilderd.

De Armeniërs, die Zijne Doorluchtigheid omringen, zien er bijna

geheel uit als fransche kapelaans, maar weten met zeer veel takt en

gratie koffie en pijpen te presenteeren. Weldra waren wij met den

aartsbisschop in druk gesprek gewikkeld.

"Het doet mij genoegen u te zien," zeide de prelaat; "niet alleen

omdat ik veel van de Franschen houd, maar ook omdat gij mij zonder

twijfel bericht kunt geven aangaande den Katholikos. Gij zijt immers

over den Kaukasus naar Tauris gekomen?

--Tot mijn leedwezen, Monseigneur, antwoordde mijn echtgenoot, kan ik

de berichten, die gij verwacht, niet geven. Wij waren reeds op vier

dagreizen van Erivan, toen men mij eerst sprak van de schatten van

Etsjmiadzin; ik heb dus niet de eer gehad, den Katholikos te ontmoeten.

--Dat is zeer jammer, hernam de prelaat: een bezoek aan het klooster

van Etsjmiadzin loont de moeite en ik durf u dat nog ten zeerste

aanbevelen."

Nadat wij het portret van den aartsbisschop in verschillende standen

en met zeer goeden uitslag gemaakt hadden, namen wij afscheid. Maar

aan zijne aanbeveling om het klooster van Etsjmiadzin te gaan zien,

hebben wij geen gevolg gegeven. Wij zouden daartoe op onze schreden

moeten terugkeeren en op nieuw de russische grenzen overschrijden,

en daarin hebben wij geen zin: wij hebben voorloopig genoeg van het

heilige Rusland, zijn posthuizen en zijn varkenspootjes met ingelegde

pruimen!

Toch was het jammer, dat wij het klooster Etsjmiadzin hadden laten

liggen; de kleine omweg, dien wij hadden moeten maken om dit beroemde

heiligdom te bereiken, weegt niet op tegen de merkwaardigheden,

die wij daar hadden kunnen bewonderen.

Het klooster Etsjmiadzin is de residentie van den Katholikos, het hoofd

der schismatieke armenische kerk, aan wien de patriarchen te Jeruzalem

en te Constantinopel ondergeschikt zijn. Men weet dat sedert het

concilie van Florence in 1439, de armenische kerk in twee afdeelingen

is gesplitst. Op dat concilie namelijk kwam de vereeniging van de

armenische met de roomsch-katholieke kerk tot stand, waarbij de eerste

haar ritus en andere eigenaardige gebruiken behield. Evenwel trad een

deel van de armenische Christenheid niet tot deze vereeniging toe:

en zoo ontstond, nevens de katholieke of geünieerde armenische kerk,

ook eene afgescheidene of schismatieke, die het oude monophysitische

dogma omtrent de natuur van Christus vasthoudt, en overigens in ritus

en inrichting het meest tot de oude grieksche kerk nadert.

Het hoofd dezer schismatieke kerk nu, die hare aanhangers niet alleen

in eigenlijk Armenië, maar ook in aziatisch Turkije, in Syrië, in

Perzië en zelfs in Hindostan telt, is de patriarch van Etsjmiadzin,

die den titel van Katholikos voert. Dit beroemde overoude klooster

ligt op ongeveer twee-en-twintig mijlen afstands van Erivan,

in eene vruchtbare met boomgaarden en tuinen prijkende vlakte,

negenhonderd-tien el boven de zee verheven. In overouden tijd stond

hier de stad Wagharsjabad. De patriarchale kerk, in de vierde eeuw na

Christus gebouwd, kan hoegenaamd geen aanspraak op architektonische

schoonheid maken, maar staat daarentegen in den roep van buitengewone

heiligheid; de kloostergebouwcn dagteekenen uit den tijd van den

patriarch Narses, uit de eerste helft der zesde eeuw. De kerk bevat

een schat van kostbare relikwieën, zooals de lans, waarmede de Heiland

aan het kruis doorboord werd; den rechterarm van Sint-Gregorius,

en zeer vele anderen, meest allen in prachtige, rijk versierde

relikwariën gevat. Voorts worden in de sakristie kostbare oude vaten

en gereedschappen voor de heilige dienst, benevens kerkelijke gewaden

bewaard. De grootste merkwaardigheid van het klooster is echter wel

de bibliotheek, rijk aan oude zeldzame handschriften, hier sedert

eeuwen bijeengebracht. De schatten van deze bibliotheek zijn, zoo

ik mij niet bedrieg, nog maar zeer onvolledig bekend. Ook bezit het

klooster eene drukkerij, waarop een aantal belangrijke werken in de

armenische taal zijn gedrukt.

In de nabijheid van Etsjmiadzin, liggen nog twee andere, bij de

Armeniërs in hoog aanzien staande kloosters, Kaiane en Hripsime,

die als filiaalstichtingen tot het patriarchale klooster behooren:

vandaar ook de bijnaam van dit laatste, Utsjkilissi, dat wil zeggen,

Driekerken. De bevolking van Etsjmiadzin bedraagt, met inbegrip van

de kweekelingen van het seminarie, ruim honderd personen, waaronder

vele geestelijken van hoogen rang, die den Katholikos als raadslieden

zijn toegevoegd.

19 April. Paschen.--Het is heden feestdag in alle consulaten. Nadat

de receptie was afgeloopen, ben ik op het platte dak geklommen, om

daar, in de schaduw van de fransche vlag, een weinig uit te rusten. De

laatste stralen der ondergaande zon verlichtten de stad van Zobeïde,

die als in vuurgloed scheen gedompeld. Ik was geheel verzonken in de

beschouwing van dit tafreel, toen ik mij zachtkens hoorde roepen.

"Çaheb," zeide op beschroomden toon eene chaldeesche vrouw uit

het naburige huis, "laat mij de afbeeldingen eens kijken, die gij

iederen morgen op het dak maakt."--Ik had niet de minste gedachte,

aldus bespied te worden, wanneer ik 's morgens eenige afdrukken naar

mijne clichés maakte. Ik groette mijne nieuwe kennis, en stelde haar

voor, ook eens voor haar portret te poseeren. Zij is daartoe bereid;

de toestel is spoedig in orde; maar het begint donker te worden en

ik kan geene photografie meer maken. Haastig roep ik mijn echtgenoot

en verzoek hem zijn potlood mede te brengen want misschien zal de

schoone Rakhy morgen van gedachte zijn veranderd. Na eerst eenige

tegenwerpingen te hebben gemaakt, slaat zij toch haar sluier, die

haar den mond bedekt, weg, en staat eenige oogenblikken onbewegelijk

stil. Haar zwarte oogen zien ons met eene guitige uitdrukking aan;

haar trekken zijn meer sprekend en forsch dan bevallig; in 't oog

vallend is de afstand tusschen den neus en den mond. Zij draagt een

rooden doek van chineesche zijde om het hoofd geknoopt; de haren,

in een aantal kleine vlechten verdeeld, vallen op den rug, bedekt

door een sluier van witte mousseline, die eenige malen om het hoofd

wordt gewonden, het benedengedeelte van het gelaat tot boven den mond

bedekt, en over de schouders wordt geworpen. Onder een wijde koledja

(overkleed) van blauw laken, met zwart zijden passement afgezet,

draagt zij eene japon van gekleurde stof.--Rakhy was met haar portret

zeer ingenomen en betuigde bij herhaling haar dank.

V

20 April.--De hadji, de aanvoerder der karavaan, is gisteren onze

bagage in oogenschouw komen nemen, ten einde te kunnen berekenen,

hoeveel muildieren voor het vervoer der goederen noodig zouden zijn. Om

het uur voor het vertrek te bepalen, moet niet alleen op den wensch

en het gemak der reizigers worden gelet, maar vooral ook rekening

gehouden met den kalender. De almanak speelt hier eene groote rol,

in de belangrijkste zoowel als in de nietigste zaken, en niet licht

zal men iets ondernemen, zonder vooraf dit orakel te raadplegen. De

eene dag is gunstig voor het aanvangen eener reis, de andere voor

het afleggen van een bezoek; zeer dikwijls wordt niet alleen de dag,

maar ook een bepaald uur aangewezen;--nooit zal het, bij voorbeeld,

een kleermaker in de gedachte komen, iemand de maat nemen, buiten

den door den almanak aangegeven tijd: het kleed zou buiten twijfel

verknipt worden.

Waarschijnlijk is heden de uitspraak van het orakel gunstig, want reeds

met het aanbreken van den dag zijn de tsjarvadars komen vernemen,

of wij gereed waren om te vertrekken. Op ons bevestigend antwoord,

verzekerden zij dat de paarden zoo aanstonds zouden voorkomen.--_Hala_,

dat wil immers zeggen, dadelijk. Op hun woord vertrouwende, begaf

ik mij naar de binnenplaats van het consulaat, met het geweer op den

schouder en de rijzweep in de hand, niet anders denkende dan dat ik

binnen weinige oogenblikken te paard zou moeten stijgen. Het is zes

uren in den morgen; ik wacht geduldig tot zeven uren; toen, niets

ziende verschijnen, ga ik naar den salon.

"Hoe komt gij al zoo vroeg in volle wapenrusting? vraagt mij de

consul lachende.

--Wel, de paarden zouden zoo dadelijk komen. _Hala_, zeiden de

tsjarvadars, en ik dacht vroeg te vertrekken.

--Haast u zoo niet, herneemt de heer Bernay: _Hala_ kan tot van

avond duren; begin maar eerst met ons te ontbijten. Om pleizierig met

eene karavaan te reizen, moet men leeren geduld te oefenen, tot men

eindelijk de gewoonte heeft aangenomen, zich te laten wachten. Wil men

hier de algemeene achting verwerven en met eerbied bejegend worden, dan

moet men niet karig zijn met zijn tijd. Onaanzienlijke, geringe lieden

alleen moeten met de uren woekeren; de aanzienlijken, de wijzen zijn

zoo zeker van hunne zaak, dat zij altijd tijd in overvloed hebben."

Omstreeks één uur in den namiddag deed zich in de anders zoo

stille straat eensklaps een ongewoon gerucht hooren. Gelukkig! daar

zijn de tien paarden, noodig voor het vervoer van onze bagage en

onze bedienden. Het zoo geroemde turkomansche ras is zeer slecht

vertegenwoordigd door die magere, afgetobde knollen. Achttien

dagreizen scheiden ons van Teheran: zullen wij daar ooit komen met

die ongelukkige dieren?

Tot mijne verwondering bespeur ik aan de poort der stad, dat ik met

mijne dienaren en de bagage alleen ben: vergeefs zie ik om naar onze

reisgezellen, de pelgrims naar het graf van den iman Rezza van Mesjhed.

"Wij zullen den nacht doorbrengen in een dorp, twee farsaghs van de

stad verwijderd, zegt de hadji, die ons de eer heeft aangedaan ons

te vergezellen; daar is de algemeene verzamelplaats der karavaan. Zij

zal daar heden avond aankomen; en morgen, met het krieken van den dag,

zullen wij den tocht van twee-en-twintig dagen aanvaarden, aan welks

einde wij, zoo het God behaagt, den gouden koepel van Shah Abdoel-Azim

zullen aanschouwen.

--Hoe veel uren duurt uwe dagreis? vroeg ik hem.

--Een goed georganiseerde en goed bestuurde karavaan, als de mijne,

legt drie-vierde farsagh per uur af, en in een dag tusschen de zes

en acht farsaghs."

Een farsagh, door de grieksche schrijvers een _parasanga_ genoemd,

staat ongeveer gelijk met zes kilometers. Naar het schijnt waren

oudtijds in het Oosten, even als te Rome, de wegen voorzien van

mijlpalen, waarop de reiziger den afstand kon zien, dien hij had

afgelegd. Die palen bestaan tegenwoordig niet meer; daar echter de

karavanen steeds denzelfden weg volgen, zijn de tsjarvadars zeer

nauwkeurig bekend met den afstand van het eene station naar het

andere. Op de groote communicatiewegen vergissen zij zich bijna

nooit in hunne berekening; en zoo de reis soms langer duurt dan zij

volgens den afstand zou moeten duren, dan is dit doorgaans te wijten

aan de hinderpalen, die men, vooral in het ongunstige jaargetijde,

op den weg ontmoet. In den winter wordt de geringste beek vaak een

onstuimige bergstroom, die de karavanen dwingt een langen omweg te

maken, eer men eene plaats gevonden heeft, waar de zwaar beladen

lastdieren kunnen overgaan.

Aan het dorp Rasmidj gekomen, brengen onze gidsen ons naar den

tsjapar-khaneh (het posthuis), waar zich de paarden bevinden bestemd

voor de koeriers, die de dienst verrichten langs den weg van Tauris

naar Teheran. Dit vierkante gebouw bestaat uit een muur, waartegen

aan de binnenzijde de stallen met platte daken zijn gebouwd. Des

zomers blijven de paarden buiten, waar zij voor etensbakken worden

vastgebonden. Boven de poort bevindt zich een klein vertrek, waarvan de

vensters naar de vier windstreken uitzien. De ruiten worden vervangen

door houten traliewerk, waardoor de wind vrij kan spelen, maar dat

toch dicht genoeg is om onbescheiden blikken buiten te sluiten. Deze

luchtige kamer, waarin wij, bij gebrek van beter, onzen intrek nemen,

heet de bala-khaneh (de opperzaal).

Terwijl men bezig is met ontpakken, ga ik eene wandeling maken door den

bazar van het dorp, die vrij wel voorzien is. Men vindt daar mooie,

in goudpapier gewikkelde russische bougies, suiker van Marseille,

dadels en melk in overvloed. Het dochtertje van den postmeester

vergezelt ons; het is een aardig kind van omstreeks zeven jaar,

maar dat vrij wat ouder schijnt; toekomende jaar geeft men haar een

sluier; kort daarop wordt zij ten huwelijk gegeven, en eer zeven

jaren verloopen zijn, wandelt zij met een zuigeling op den arm.

Inmiddels is het donker geworden; maar dat hindert mij niet, want wij

zijn van alles voorzien. In het midden van de kamer staat eene tafel

van ongeverfd hout; stroozakken vervangen de plaats van stoelen, en

zullen straks dienst doen als bedden; in eene kleine nis staat een

trekpot, een samovar, een kandelaar; boven een goed vuur hangen de

dampende ketels. Maar, helaas! niets is op deze wereld bestendig. De

wind steekt op; de schoorsteen begint geweldig te rooken, en het licht

waait uit. Al tastende gelukt het mij, voor het houten traliewerk

mantels en doeken en shawls uit te spreiden, die ik zoo goed mogelijk

met spijkers bevestig.

De kamer is weer tamelijk in orde als de pilau verschijnt. Dit

nationale gerecht wordt zeer smakelijk bereid: naar de lekkerbekken

beweren, zijn er, om de pilau klaar te maken, evenveel verschillende

manieren, als er dagen in het jaar zijn. Een gewone pilau--rijst met

schapevleesch--is binnen het uur klaar; en dit is niet een van zijn

minste verdiensten.

21 April.--Ik lag nog in diepen slaap gedompeld, toen de stem van

den hadji mij wakker maakte.

"Sta op, Çaheb, zeide hij, wij zijn allen gereed; wij hebben eene

lange dagreis te maken; en wanneer wij in den vroegen morgen van hier

vertrekken, zullen wij nog juist den tijd hebben om voor den nacht

de pleisterplaats te bereiken."

Het is pas één uur: mijn echtgenoot en ik maken zoo spoedig mogelijk

ons toilet. Daar wij hier haast zoo goed als in de open lucht zijn,

hebben wij weer de gewoonte van den Kaukasus aangenomen, en ons geheel

gekleed te slapen gelegd, zorg dragende, niet alleen het lichaam,

maar ook het hoofd, on vooral de oogen te bedekken met den grooten

reisdeken, dien wij te Tauris hadden laten maken.

Verwonderd over de langzaamheid, waarmede onze bedienden den

boel inpakken, beknor ik hen over hunne traagheid. "Wat wilt gij

dan doen gedurende de drie of vier uren, die wij hier nog moeten

blijven?" antwoorden zij.

Ik herinnerde mij toen, maar een weinig te laat, de waarschuwingen

van den heer Bernay en de beteekenis van _Hala_. Om mij van de

toedracht der zaak te overtuigen, verlaat ik het posthuis en ga

naar de karavanserai, waar bijna alle reizigers bijeen zijn: Bij

het schijnsel van eenige walmende kaarsen, die in de booggangen

rondom de binnenplaats branden, bespeur ik gesluierde vrouwen die

schreeuwende kinderen aankleeden; terwijl de dienaars vuur aanmaken

om thee te zetten en de noodige spijzen voor den dag te bereiden. Al

deze lieden zijn laat van Tauris vertrokken, hebben een deel van den

nacht gereisd, en schijnen in het minst niet gehaast om weer op weg

te gaan. De paarden eten rustig hun haver; en de muilezeldrijvers,

in hunne mantels van schapevel gewikkeld, snorken zoo luid, dat zij

bijna het geschreeuw overstemmen der ontijdig gewekte kinderen.

Met den dageraad wordt overal appèl gehouden, en eindelijk verschijnen

de tsjarvadars om onze bagage mede te nemen. Wij zijn nu ongeveer

met ons tachtigen, mannen, vrouwen, kinderen, mollahs, bedienden,

gevolgd door ruim honderd-vijftig lastdieren.

Aan het hoofd der karavaan gaan de krachtigste paarden, uitgedost en

opgeschikt als andalusische muilezels, en allen voorzien van koperen

bellen van verschillende grootte: sommigen hangen om den hals der

paarden en zijn niet grooter dan kleine schelletjes, zooals de schapen

dragen; anderen, tot vijftig duim lang, hangen langs de zijden van het

paard en geven een zwaar geluid, bijna als kerkklokken; dikwijls zijn

zij, naar gelang van de grootte, in elkander gevat, zoodat iedere bel

als het ware de klepel is van diegene waarin zij hangt. Van het eene

einde van de karavaan tot het andere hoort men dit getjingel en gelui,

waarnaar zich de snelheid van den marsch regelt. Op eenigen afstand

maakt dit concert een zeer harmonischen indruk; de liefelijke muziek

doet u denken aan statige, zangerige orgeltonen, of aan het klagend

suizen van den herfstwind in de bosschen.--Dan volgt de geestelijke

leidsman van de bedevaart. Dit is een mollah van rijzige gestalte,

met een bronskleurig gelaat; hij draagt den donkerblauwen tulband

van de seïds en een kleed van kalemkar; zijn paard--vroeger wit,

nu geheel blauw geverfd--is behangen met al het huisraad van den

vromen man: waschkommen, een samovar, ketels, zakken voor het bergen

van verschillende voorwerpen; de ruiter zelf, op een stapel dekens

en tapijten gezeten, schijnt van zijn hemelsblauw paard met dezelfde

minachting op menschen en dieren neer te zien. Ik had verwacht dat hij,

bij het vertrek, den standaard der bedevaartgangers zou ontplooien

en den lofzang aanheffen ter eere van den iman Rezza van Mesjhed,

naar wiens graf hij zijne kudde geleidde; maar de tegenwoordigheid

van twee ongeloovigen heeft hem, naar het schijnt, in de war gebracht

en hem zijn plicht doen verzuimen. Hij wreekt zich, door nu en dan

van ter zijde knorrige blikken op ons te werpen en zijn hoofd om te

draaien zoo dikwijls wij in zijne nabijheid komen, ten einde niet

genoodzaakt te zijn ons te groeten.

Wij rijden dicht achter hem, gevolgd door een troep kinderen van vijf

tot tien jaar, die zeer gelukkig zijn nu zij hun eerste groote reis

maken. Zij rollen elk oogenblik van de hoog opgestapelde bagage,

waarop zij gezeten zijn, naar beneden; maar niemand bekommert zich

daarom. Op de bedevaart krijgt niemand een ongeluk.

Ziehier het rustigste gedeelte der karavaan, dat steeds den middentocht

uitmaakt. De voor de vrouwen bestemde muilezels dragen, ter wederzijde

van het pakzadel, twee lage kisten, tachtig duim lang en vijftig breed,

in Perzië bekend onder den naam van kadjavehs. Boven die kisten

zijn hoepels aangebracht, waarover een groen doek is gespannen,

ten einde de reizigsters tegen de zon, tegen den regen, en vooral

tegen onbescheiden blikken te beschermen. Het is niet gemakkelijk,

in deze zonderlinge voertuigen plaats te nemen: men gebruikt daartoe

een smal laddertje, dat tegen de kist gezet wordt. Als de vrouwen

gezeten zijn, wordt het laddertje onder den kadjaveh vastgemaakt tot

de volgende pleisterplaats is bereikt, want het is geene gewoonte dat

de vrouwen onderweg uitstappen. Op een hoop dekens gezeten of liever

neergehurkt, hebben zij bovendien nog de mondbehoeften bij zich en

de kinderen die te klein zijn om te paard te rijden.

De kadjavehs der dames zijn omringd door de oudste bedienden en door

de jaloersche echtgenooten. Een van deze laatsten heeft op minstens

acht vrouwen te passen, en schijnt die gansch niet gemakkelijke

taak met de uiterste nauwgezetheid te vervullen. Te oordeelen naar

het aantal zijner bedienden en de pracht van zijne kadjavehs, moet

hij een groot heer zijn. Het paard, dat de favorite met haar kroost

draagt, wordt geleid door een jeugdigen knaap, wiens blozende wangen

en levendige geestige oogen onwillekeurig mijne aandacht trekken;

zijn kaal geschoren hoofd is gedekt met eene ronde muts, met zwarte

schapewol gevoerd; hij draagt eene nette koledja, die om de heupen

door een gordel wordt saamgebonden en die zijne slanke, welgevormde

gestalte op het voordeeligst doet uitkomen. Die mooie jongen verkeert

op den meest vertrouwelijken voet met de dames, tot wie niemand het

woord richt; steeds vroolijk en lachende, gaat hij van de eene naar

de andere, brengt boodschappen over, drijft de achterblijvende paarden

voort, steekt de pijpen aan en rookt zelf; neemt de huilende kinderen

van de moeders af, draagt ze op zijn schouders, en legt bijna den

gansenen weg te voet af, zoo goed als de sterkste tsjarvadars.

Ik laat de karavaan voorbij trekken en vind eindelijk onze bedienden

in de achterhoede.

"Wie is toch die knaap, bij den eersten kadjaveh? vroeg ik een hunner.

--Dat is een pitshkhedmet, antwoordde hij; de aga (de meester),

in zijne wijsheid oordeelende dat de vrouwelijke bedienden zijner

gemalinnen niet wel op de reis de gewone dienst kunnen verrichten,

heeft eene stevige en flinke kurdische boerin uitgezocht, heeft haar

het hoofd laten kaal scheren en manskleederen aantrekken, zoodat

zij zich, zonder ergernis te geven, ongesluierd kan vertoonen. Ali,

zooals men haar hier noemt, neemt nu de dienst waar bij de dames,

die geen man zou durven naderen."

23 April.--Gisteren, ten vier uren in den namiddag, hebben wij onzen

plechtigen intocht gehouden te Mianeh, eene kleine stad, maar die

zeer oud is. Wij hebben onzen intrek genomen in het kantoor van de

engelsche telegraaf, dat door twee jonge Armeniërs wordt bewoond.

Nauwelijks was de bagage ontpakt, of men kondigde ons het bezoek aan

van den ket-khoda, een ambtenaar, die de meest heterogene functiën

uitoefent, die recht moet spreken, die belastingen moet innen en

jaarlijks aan den gouverneur der provincie het bepaalde contingent

voor het koninklijk leger zenden. Hij verscheen, omringd, als naar

gewoonte, door een drom van bedienden, waarvan sommigen aangestoken

pijpen droegen.

Wij noodigen hem uit, plaats te nemen op een voor hem bestemd tapijt,

alle aanwezigen hurken naast hem neder, ieder overeenkomstig den rang,

dien hij in de maatschappelijke hiërarchie inneemt.

"Heil zij u! Is de gezondheid van Uwe Edelheid goed? vraagt de

ket-khoda, terwijl hij de hand op zijn hart legt.

--Zij is goed, Gode zij dank, antwoordt mijn echtgenoot.

--Is de gezondheid van Uwe Edelheid zeer goed?

--Bij uwe mogendheid, zij is zeer goed. En is de gezondheid van Uwe

Edelheid goed?

--Sedert de komst van Uwe Edelheid in dit land is zij uitmuntend. Reeds

sedert lang heeft uw slaaf gehoopt, Uwer Edelheid zijne hulde te

mogen aanbieden.

--God zij geloofd, uw dienaar had zijne opwachting bij U behooren

te maken.

--Ik dank ten hoogste Uwe Edelheid; uw slaaf is altijd gereed, u voor

te zijn."

Nadat deze begroetingen waren afgeloopen, begon de ket-khoda te vragen

naar onze nationaliteit en naar het doel onzer reis; vervolgens

verwijderde hij zich, God biddende over onze kostbare levens te

willen waken.

De kleeding van dezen ambtenaar bestaat uit een wit katoenen broek,

en een jas van dezelfde stof, met vergulde knoopen, waarop de leeuw en

de zon van het koninklijk wapen prijken. Zijn kleine kollah duidt aan,

dat hij de mode van het hof wenscht te volgen; de andere inwoners van

het dorp dragen nog allen de ronde papash der Turkomannen. Des avonds

laat komt de hadji, na zijne pelgrims zoo goed mogelijk onder dak te

hebben gebracht, ons waarschuwen dat de vermoeidheid der vrouwen en

vooral de uitputting der paarden ten gevolge van de modderige wegen,

hem noodzaakt een dag te Mianeh te blijven.

"Dat is goed," antwoordt mijn echtgenoot, "ik zal dan vooruit gaan

om wat langer bij den Dokhtarépol te kunnen blijven.

--Onmogelijk, Çaheb, de weg is niet veilig; misschien zou men u mijne

paarden ontnemen.

--Hadji, zeide ik op mijne beurt, ik merk dat gij steeds meer denkt

aan uwe beesten dan aan de reizigers: toch zijt gij geroepen om voor

beiden althans in gelijke mate te zorgen. Zend ons morgen ochtend vroeg

drie paarden: worden die ons ontstolen, dan zullen wij ze u vergoeden.

--Allah ké-rib!" (God is groot) mompelde de hadji, terwijl hij

heenging, zich aan ons besluit onderwerpende.

26 April.--Bij het krieken van den dag verlaten wij Mianeh, slechts

gevolgd door een armenischen bediende; de dekens zijn opgerold;

wij hebben onze fotografie-toestellen en levensmiddelen voor twee

dagen bij ons; onze geladen geweren liggen voor ons op het zadel,

en twee paar revolvers hangen aan onze gordels. Al dit geschut zal,

naar ik vertrouw, de dieven wel afschrikken, die lust mochten gevoelen

om de paarden van den hadji te stelen.

Ter linkerzijde van den weg verheffen zich de half in puin

gevallen muren van eene oude vesting; op de brokstukken zitten,

onbewegelijk, enkele gieren. Rechts hebben wij tuinen met bloeiende

vruchtboomen beplant. Door een moeras, waarin de paarden tot aan de

knieën wegzinken, komen wij aan de brug van Mianeh en beginnen den

Kaflan-koe of berg van den Tigris te beklimmen, in het gezelschap

van een derwîsj, van wien wij ons niet kunnen ontslaan. De weg, die

door menschen schijnt aangelegd, gaat vrij steil omhoog, langs diepe

afgronden en kloven, waarin kleine bergstroomen bruisen. De berg wordt

al woester en woester: eindelijk, na vier uren stijgens, bereiken wij

een pas, die in het slechte jaargetijde zoo ongenaakbaar is, dat de

Turken, toen zij in het bezit waren van dit land, om den overtocht

voor hunne troepen gemakkelijker te maken, over eene lengte van een

kilometer ter wederzijde van den pas, eene soort van straatweg lieten

aanleggen. Onze paarden rusten hier even uit, en inmiddels geniet ik

van het prachtige panorama.

Aan den voet van den Kaflan-koe, die de grensscheiding vormt tusschen

Azerbeïdsjan en Irâk, strekt zich de bloeiende vlakte van Mianeh uit,

beheerscht door de besneeuwde toppen van den Elbroez.

Een heldere lentezon schijnt op de verblindend witte toppen en op

de donkere rotsen der bergen. Halverwege de helling verrijst, in de

vallei van Kisiloe-soe, een alleen staande rotskegel of piek, waarvan

de smalle top gekroond wordt door een gebouw, in den omtrek bekend

onder den naam van het kasteel der Maagd (Dokhtaré-pol). De stichting

van dit zonderlinge kasteel verliest zich in de hooge oudheid;

volgens de overlevering zou deze ongenaakbare vesting zijn gebouwd

door Ardeshir-Derazdash (Langhand), den Artaxerxes der grieksche

schrijvers, om tot kerker te dienen voor eene ongehoorzame prinses.

De derwîsj, onze nieuwe reisgenoot, verhaalt mij eene andere legende.

"Een koning, zoo zegt hij, had eene schoone dochter, zacht van aard

en met alle bekoorlijkheden toegerust. Afkeer van de menschen deed

deze prinses besluiten, zich aan de wereld te onttrekken en zich

hier in de eenzaamheid te verbergen. Geen enkel pad gaf toegang tot

het arendsnest, waar zij zich een kasteel had laten bouwen. Wie zou

het hebben durven wagen, deze ontoegankelijke rotsen te beklimmen? Op

zekeren dag echter gebeurde het dat een jeugdige herder uit de verte

de maagd zag, en nu, in liefde tot haar ontbrand, waagde hij zich met

zijne geiten op de loodrechte steilten van den berg, en zong daar,

dag aan dag, zijn teeder minnelied.

"De prinses sloeg daar eerst geen acht op; maar toen de herder dag aan

dag terugkeerde en daar buiten de muren van het kasteel in eenzaamheid

zijn lied zong, voelde zij zich bewogen door zijne trouwe liefde en

luisterde met aandacht naar zijne zoete stem, schoon als die van David.

"En toen de wateren van den bergstroom waren gezwollen, zoodat de

herder niet meer onder de muren van het kasteel kon komen zingen,

liet de prinses voor hem de brug bouwen, die gij nog in de vallei

kunt zien en die ook den naam draagt van Dokhtaré-pol. Immers, welke

macht ter wereld zou twee gelieven van elkander kunnen scheiden?"

Het kasteel der Maagd staat in den omtrek niet ter goeder naam: langen

tijd was het een der schuilhoeken van de beruchte vereeniging der

Assassijnen. Om het voor immer aan deze bandieten te ontrukken, zag

Abbas de Groote zich verplicht, de hooge muren van de geduchte vesting

te breken; reeds tijdens de reis van Chardin, in 1672, verkeerde het

kasteel in zeer bouwvalligen toestand. De afstammelingen van de oude

meesters van den burcht leven tegenwoordig als vreedzame boeren in

Irâk Adjemi, en schijnen het roovershandwerk van hunne voorvaderen

voor goed te bebben opgegeven.

De brug, waarvan de derwîsj sprak, is wel der bezichtiging waard. Zij

bestaat uit een grooten middenboog ter wijdte van vijf-en-twintig el,

en twee zijbogen van zeventien el wijd. De middenboog prijkt aan de

bovenzijde met eene groote inscriptie in gouden letters op een grond

van donkerblauw email. Deze schitterende decoratie past volkomen

bij de kleur van de oude steenen en geeft aan het geheele werk

een monumentaal karakter, nog verhoogd door de omlijsting van kale

bergen. Het opschrift geeft vermoedelijk eenige inlichting omtrent

den tijd van den bouw der brug. Maar de vrij diepe en breede rivier

was zoo gezwollen, dat wij niet dicht genoeg konden naderen om het

opschrift te lezen, zelfs met behulp van een lorgnet. Waarschijnlijk

dagteekent de brug uit de twaalfde eeuw.

28 April.--De twee laatste dagreizen waren zeer vermoeiend. Heden

hebben wij dertien uren te paard gezeten: het was dan ook inderdaad

voor allen eene uitkomst, toen wij Zendjan naderden.

Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887 · 第 6 / 41 题