VII

9 Mei.--Omstreeks drie uren in den morgen zette de karavaan zich in

beweging om naar Kazbin te gaan, waar zij twee dagen zal vertoeven:

eene welverdiende rust na een traject van zeshonderd-drie-en-veertig

kilometers, met slecht weer en langs ellendige wegen.

Voorbij Azimabad daalt de vallei zeer sterk; de lucht, door de stralen

der heldere zon verhit, wordt weldra drukkend. Achter den dichten

nevelsluier, die den horizon omhult, schemeren fraaie blauwe koepels

en slanke minarets, oprijzende boven eene groote stad, uitgestrekt

aan den voet der laatste uitloopers van de bergen van Ghilan. Beneden

die sierlijke koepels zie ik er anderen, plat en laag en zonder de

bekleeding met porseleinen tegels, die de moskeeën opluistert. Deze

gebouwen schijnen in alle wijken van de stad verspreid en geven haar

een zeker monumentaal karakter. Een breede gordel van tuinen omringt

de stad, waar wij niet ver van verwijderd zouden zijn, indien niet

een groot meer ons scheen te dwingen een wijden omweg te maken,

om de voorsteden te bereiken.

"Welk een zonderlinge verrassing," zeide ik tot mijn echtgenoot. "Ik

had nooit van andere meren in Perzië hooren spreken dan van de

zoutmeren van Oermiah en Shiraz! Wat is dit dan voor een meer?"

De kaart wordt voor den dag gehaald, maar zij geeft geene

opheldering. Hoe verder wij intusschen voortgaan, des te meer

schijnen de wateren zich ter rechterhand uit te breiden. Een bosch,

dat wij eerst niet gezien hadden, verrijst aan de overzijde der

watervlakte; wij drijven onze paarden voort, maar het water schijnt

voor onze voeten te verdwijnen; de boomen nemen telkens andere en

steeds grilliger gestalten aan; gedurende meer dan een kwartier

houdt deze zinsbegoocheling aan, en worden onze oogen verblind

door de weerspiegeling der brandende zonnestralen op de kalme

watervlakte;--dan verdwijnen meer en bosch eensklaps, als door den

slag eener tooverroede.

Het was eene luchtverheveling.

In plaats van het water en het groen, zien wij voor ons een breeden

stoffigen weg, ingesloten tusschen de leemen muren van tuinen,

met wijngaarden en andere fijne vruchtboomen beplant. Het water

der talrijke waterleidingen van Kazbin wordt gebruikt voor de

besproeiing van deze kostbare boomgaarden; en daar dit water in den

zomer onvoldoende is om in de behoeften der stad te voorzien, hebben

de inwoners een aantal overwelfde reservoirs aangelegd, waarin zij

des winters het overtollige water bewaren.

Sommigen van deze reservoirs, ab ambar genoemd, kunnen meer dan

zesduizend kubiek el water bevatten. Zij zijn vierkant en met halfronde

koepels gedekt; deze koepels alleen steken hoog boven den grond uit

en geven aan de stad dat zonderling voorkomen, dat zoo zeer onze

aandacht trok. Het water wordt dus bewaard in diepe kuipen, waarin

het zelfs gedurende den zomer koel en frisch blijft. Een breede trap,

voorafgegaan door een poort met mozaïek-tegels versierd, voert naar

de kranen beneden in het reservoir aangebracht, vijftien of twintig

el beneden den beganen grond. Steenen banken onder de portiek en

nissen in de wanden bieden den voorbijgangers de gelegenheid aan

om zich neer te zetten, en den waterdragers om even te rusten en de

zware aarden kruiken te ledigen, die zij met moeite naar boven hebben

gedragen. Dikwijls vermeldt een opschrift den datum der stichting

van den ab ambar en den naam van den edelmoedigen weldoener, die het

reservoir heeft doen maken.

De stad is op een geheel effen terrein gebouwd; de huizen zijn allen

even hoog en vormen bijkans eene massa: het is daarom niet gemakkelijk

zich dadelijk rekenschap te geven van den omvang der stad. Maar te

oordeelen naar het groot aantal ruiters die wij ontmoeten, moet Kazbin

eene groote en volkrijke stad zijn. Tusschen de karavanen van ezels,

paarden, muildieren en kameelen, bemerken wij prachtig gekleede jagers,

op fraaie turkomansche paarden gezeten, wier tuig is versierd met fijn

geciseleerde gouden en zilveren ornamenten en met edelgesteenten. Op

hun schouder dragen zij eene mooie engelsche karabijn; in hun gordel

steken groote pistolen, en op de linker heup hangen lange dolkmessen,

in metalen of fluweelen scheden gevat.

Men herkent in deze schitterende fiere ruiters de afstammelingen dier

kloeke mannen, die in 1723 het afghaansche leger, dat sedert zeven

jaren Perzië overheerde, terugsloegen en daardoor het sein gaven

voor het ontwaken van den nationalen geest en de verdrijving der

overweldigers. De mannen van Kazbin worden als de dapperste soldaten

van het perzische leger beschouwd, terwijl die van Ispahan als de

lafhartigsten bekend staan.

"Onder de regeering van Mohammed-Shah, zoo verhaalt mij onze hadji,

was een opstand uitgebarsten in Khorassan. De Shah zond een bode

naar de troepen van Ispahan, met last om zich naar de hoofdstad te

begeven tot versterking van de koninklijke lijfwacht.--Toen de tijd,

voor de reis benoodigd, verstreken was, zonder dat eenig bericht

van de komst der regimenten was ontvangen, zond de Shah, die zich

daarover ongerust maakte, nogmaals een bode naar de hoofdstad van Irâk,

om een onderzoek in te stellen naar de reden van dit oponthoud. De

officieren antwoordden, dat de troepen niet op marsch waren gegaan,

omdat zij een afdeeling soldaten uit Kazbin verwachtten, ten einde

hen te beschermen bij den tocht door de woestijn van Koem, die door

rooverbenden onveilig werd gemaakt. De koning, die hieruit kon opmaken

wat die dappere krijgers, die hij ontboden had, waard waren, ontbond

de regimenten van Ispahan, en gedurende een geruimen tijd telde het

perzische leger geen enkelen inwoner van Irâk in zijne gelederen."

De stad Kazbin dankt haar welvaart voor een deel aan hare ligging,

juist aan het punt waar de wegen samenkomen, die van Tauris ten

westen en van Resht en de Kaspische-zee ten noorden naar Teheran

loopen. Deze laatste weg, die veel korter en veel gemakkelijker is

dan de weg door Armenië, pleegt steeds gevolgd te worden door alle

gezanten en diplomatieke agenten, die zich naar hun post begeven. Om

den gezanten de gelegenheid te geven, eenige dagen uit te rusten

eer zijn hun reis naar Teheran vervolgen, heeft de Shah te Kazbin

een groot huis laten bouwen, de Mehman-Khaneh (het huis der gasten),

dat door twee voormalige bedienden van Zijne Majesteit wordt bewoond

en ter beschikking gesteld van alle aanzienlijke vreemdelingen.

De Mehman-Khaneh is een groot gebouw met twee verdiepingen, omringd

door eene portiek, die op zware gemetselde pilaren rust. Voor het huis

bevindt zich een kleine ronde tuin, met een vijvertje in het midden,

waarin eenige eenden rondzwemmen en talrijke waterdragers hunne zakken

komen vullen. Eene groote poort in eene houten heining geeft toegang

tot een pleintje, waarop in het rond eenige kramen staan, onder den

beschuttenden lommer van een honderdjarigen plataan. Die kraampjes

bevatten niets bijzonders en zijn uiterst eenvoudig; de kooplieden,

op den grond neergehurkt, verkoopen versche en gedroogde vruchten,

melkspijzen en andere lekkernijen.

10 Mei.--Wij hebben vergeefs getracht in de Mastsjed-Shah door te

dringen: de mollahs weigeren aan Christenen hardnekkig den toegang

tot dit heiligdom. Door tusschenkomst van den directeur van het

telegraafkantoor, liet mijn echtgenoot audiëntie vragen, bij den

gouverneur. Eenige oogenblikken daarna verschijnen een aantal

bedienden in het kantoor en deelen ons mede, dat wij op het paleis

gewacht worden; en daar, als een bijzonder bewijs van beleefdheid,

de shah Zaddeh stoelen laat halen, waarop wij kunnen gaan zitten,

wachten wij eenige oogenblikken en treden vervolgens de woning van

den prins binnen door eene lange galerij, die toegang geeft tot

eene zeer ruime binnenplaats, met zorgvuldig gesnoeide platanen

beplant. Onder de schaduw dier boomen zitten of liggen op den grond

een aantal lijfwachten en andere bedienden, ten deele in diepen

slaap gedompeld. Een tweede galerij, donkerder dan de eerste, voert

naar eene andere binnenplaats, door zuilengangen omringd en door een

smallen gang in gemeenschap staande met de audiëntiezaal.

Aan het boveneinde dier zaal zit de broeder des Konings, op kussens

neergehurkt. Hij is een man van eenigszins gevorderden leeftijd,

met kleine zwarte oogen, een gebogen neus, en een mond waarom zekere

uitdrukking van trotsche minachting zweeft, maar overigens met een

vrij zachtzinnig en vriendelijk voorkomen.

De gouverneur rijst bij onze nadering op, reikt ons de hand, en noodigt

ons plaats te nemen op de fauteuils van het telegraafkantoor, die men

in het midden van de kamer heeft gezet. Er wordt koffie gepresenteerd

in mikroskopische kopjes, rustende op verwonderlijk fijn bewerkte

voetjes van filigraanzilver. Shah Zaddeh, het woord in het fransch

nemende, verontschuldigt zich eerst over zijn gebrekkig spreken van

eene taal, die hij vergeten heeft (eene bloote beleefdheidsformule,

want de prins spreekt zeer zuiver fransch); vervolgens onderzoekt

hij naar het doel onzer reis, en vraagt waarmede hij ons van dienst

kan zijn.

"De mollahs, antwoordt mijn echtgenoot, maken zwarigheid om de

Christenen in de moskeeën toe te laten, en ik kom Uwe Hoogheid

verzoeken mij den toegang tot die gebouwen te verschaffen op de uren

als er geen dienst is.

--Hetgeen gij daar vraagt is zeer moeilijk te verkrijgen, herneemt

de gouverneur; ik ben, voor mijn persoon, een _beschaafd_ man; ik

bid zelfs niet meer, en in de drie maanden dat ik te Kazbin ben,

heb ik nog geen voet in eene moskee gezet. Het is mij dus volmaakt

onverschillig of gij de Mastsjed-Shah bezoekt; maar de iman Djoema

is onverbiddelijk op dat stuk, en ik geloof dat gij wel zoudt doen,

van uw voornemen af te zien."

Na een vrij langdurig onderhoud nemen wij afscheid van Zijne Hoogheid,

zeer teleurgesteld over den slechten uitslag van ons bezoek.--De prins

meende van zijne beschaving blijk te geven door zich te beroemen op

zijn ongeloof; maar, als alle Iraniërs, gelooft hij vastelijk aan

de macht van bezweringen, van waarzeggerijen en van het booze oog,

en is hij steeds geneigd om al hetgeen hij niet verklaren kan, aan

tooverij toe te schrijven. De sterrenwichelarij, in de westersche

wereld vergeten, bloeit nog in volle kracht in het Oosten. Om iemands

horoskoop op te maken, worden nauwkeurige sterrekundige waarnemingen

gedaan, waarvoor de astrologen dikwijls zeer kostbare instrumenten

gebruiken. De Shah heeft zijne officieele toovenaars; zij zouden

ongetwijfeld bij de geboorte der koninklijke kinderen tegenwoordig

zijn, evenals de astroloog, die bij de geboorte van Lodewijk XIV

in de kamer van koningin Anna verborgen was, indien de koninklijke

anderoen voor gewone stervelingen toegankelijk was.

11 Mei.--"De gouverneur heeft u zeker geene vergunning gegeven om de

moskee van den Shah te bezoeken, zeide ons gisteren, toen wij van de

audiëntie terug kwamen, de huisbewaarder van de Mehman-Khaneh. Hij is

te bang voor den toorn der mollahs; maar zoo gij op mij vertrouwen

wilt, zal ik u toonen dat een dienaar van Zijne Majesteit slimmer

en gewilliger voor de vreemden is, dan de gouverneurs en de

prinsen. Tusschen het morgen- en het middaggebed is er doorgaans

niemand in de moskee; de mollahs zitten aan tafel en de kooplieden

zijn in den bazar; zoo gij mij belooft, op een gegeven teeken uit te

gaan, maak ik mij sterk dat ik u, zonder dat gij eenig gevaar loopt,

in ons oudste heiligdom zal binnen leiden."

Dezen morgen begeeft onze vriend zich naar de moskee, om zich te

overtuigen dat zij bijna geheel ledig is, en op een gegeven teeken,

volgen wij hem van ver, vergezeld van drie of vier zijner vrienden.

Wij gaan eerst door een donker gewelf, vervolgens door eene open

galerij, waarin ettelijke bedelaars zijn gezeten, die ons met

verbaasde blikken aanstaren, maar niets zeggen. Een hoek omslaande,

komen wij in eene vestibule, die naar eene overwelfde zaal voert,

en bereiken eindelijk het binnenplein van de moskee. Dit zeer ruime

plein is geplaveid met slecht onderhouden baksteenen, waartusschen

het gras welig opschiet. In het midden bevindt zich een waterbekken

voor de wasschingen, overschaduwd door eenige boomen. Langs de vier

zijden van het plein loopt een portiek of zuilengang; in het midden

van iederen vleugel ziet men eene groote poort, toegang gevende tot

een zaal met een halfrond koepeldak; de poorten in de zijvleugels zijn

kleiner van afmeting; de grootste geeft toegang tot de moskee zelve;

boven de vierde verheffen zich twee minarets. Deze poort was vroeger

de hoofdingang; zij is thans gesloten en vervangen door den zijingang,

waardoor wij gekomen zijn.

De Mastsjed-Shah draagt de sporen van verschillende tijdperken. De

vierkante zaal van den mihrab en haar plompe koepel herinneren

aan de bouwwerken uit den tijd van Haroen-al-Rashid. De met stuc

bekleede friesen en lijsten, kostbare overblijfsels van de perzische

kunst der twaalfde eeuw, prijken met uitmuntend bewerkte bloemen en

kunstige letters, op de smaakvolste wijze dooreen gevlochten. Deze

decoratie, tijdens de regeering der Seldsjoeken voltooid, dagteekent

uit denzelfden tijd toen het gebouw eene geheele herstelling moest

ondergaan, ten gevolge van de aardbevingen, die in de elfde en de

twaalfde eeuw de stad teisterden en verwoestten.

Den volgenden dag, Vrijdag, richten wij onze schreden naar een

geëmailleerden koepel, die naar men zegt, het graf bedekt van een kind

van twee jaren, een zoontje van den iman Hosein. Voor den ingang van

het monument ligt een ruim kerkhof. Vrouwen, op de graven gezeten,

praten met hare vriendinnen of eten bonbons. Op de eerst onlangs

gelegde zerken hurken moeders of weduwen, die luid weeklagen en

van tijd tot tijd een soort van klaagzang aanheffen, zonder dat

haar geburinnen daar veel aandacht aan schenken. Zij dragen allen

hetzelfde kostuum. Rijken en armen trekken, als zij uitgaan, een zeer

wijden pantalon aan, die tot op de voeten afdaalt, en hullen zich in

de plooien van een ruimen blauwen mantel, die over het hoofd wordt

getrokken en daar vastgehouden door een breeden sluier van zware

stof, die tot de knieën hangt. Op de hoogte van de oogen is in dien

sluier eene smalle met gaas voorziene opening. Als eene vrouw aldus

is ingepakt, is het voor ieder volstrekt onmogelijk haar te herkennen.

Naast de poort van het monument van den iman Zaddeh Hosein bespeuren

wij een trap, die naar een terras voert. Derwaarts willen wij ons

begeven om den afloop te zien van de godsdienstoefening. Eerst slaat

niemand acht op ons; maar toen het gebed is afgeloopen, verschijnt

een mollah met een streng uitzicht op de binnenplaats, en richt,

op de aanwijzing van andere priesters, zijne oogen naar de plek,

waar wij ons zoo goed mogelijk verscholen hebben. Aanstonds klimt de

grijsaard de trap op; maar hoe groot is onze verbazing, toen hij, in

plaats van ons te gelasten onverwijld heen te gaan, ons uitnoodigt om

beneden de graftombe te komen bezichtigen. Het mausoleum is vierkant;

aan de voorzijde bevindt zich een ruim, met prachtige mozaïeken

versierd portaal, dat toegang tot het heiligdom geeft. In het midden

van eene groote zaal, waarvan de met wit stuc bekleede wanden

met ornamenten van geslepen glas zijn versierd, staat een groote

sarkophaag, met goud bekleed; hij rust rechtstreeks op den grond en

is omgeven door een zilveren hekwerk, aan de hoeken met vier groote

zilveren ballen prijkende. Op den vloer gespreide tapijten, koperen

lampen, eenige met fraaie letters geschreven teksten uit den Korân,

aan het hek vastgemaakt, lappen van kleedingstukken, als _ex-voto's_

op den sarkophaag neergelegd, vormen de verdere versiering van het

bedehuis, waarin eene aandachtige schare vergaderd is. De geloovigen

treden binnen, na hunne muilen voor de deur te hebben uitgetrokken;

zij knielen neder, neigen hun aangezicht ter aarde, staan weer op,

leggen hunne beide handen op het zilveren hek en gaan driemaal om den

sarkophaag. Aan de hoeken kussen zij de zilveren ballen, na die met

hun voorhoofd te hebben aangeraakt, onder het prevelen van arabische

gebeden, die de meesten hunner niet verstaan; vervolgens verwijderen

zij zich, achteruit gaande en bij iederen stap eene buiging makende.

Nabij het graf bevinden zich twee kleine zalen, voor de geestelijken

van het heiligdom bestemd. De muren zijn verguld en prijken met

prachtige arabesken in roode, groene en blauwe kleur, hetgeen

een uitmuntend effekt maakt. In de richting van Mekka zien wij een

mihrab, met een gordijn bedekt, waarachter de lijst van een schilderij

zichtbaar is. Men schuift het gordijn weg, en wij zien eene schilderij

van hoogst middelmatige uitvoering, voorstellende een mansportret

met scherp geteekende gelaatstrekken, het hoofd gedekt met een haïk,

door een koord van kemelshair bevestigd, en gekleed met een bruinen

wollen mantel. Dit is volkomen de type van een arabischen sheikh. Men

zeide ons dat het portret Mohammed moest voorstellen. Is dit zoo,

dan is het zeker zeer vreemd, zulk eene afbeelding in eene moskee

te vinden, daar toch de Korân uitdrukkelijk het weergeven van het

menschenbeeld verbiedt.

Terwijl wij in de aanschouwing van deze schilderij verdiept zijn,

keeren de mollahs, die hun gebed verricht hebben, langzamerhand in

de zaal terug, en hurken zwijgend naast elkander, langs den muur

neder. Den voornaamste onder hen wordt nu de kalyan gebracht;

hij biedt de pijp aan de andere priesters aan, daarbij hunne

hiërarchische rangorde streng in het oog houdende, en eerst nadat

allen geweigerd hebben daarvan gebruik te maken, begint hij zelf

te rooken. Na eenige trekken gedaan te hebben, biedt hij de pijp

wederom den priester aan, wien hij die het eerst had gepresenteerd;

de priester neemt haar thans aan en reikt haar op zijn beurt aan een

ander over. Deze formaliteit wordt telkens herhaald, en duurt zoo lang,

tot de kalyan, half uitgedoofd, weder in handen komt van den bediende,

die voor het op nieuw vullen en aansteken zorgen moet. Nadat de pijp

behoorlijk de ronde gedaan heeft, nemen eenige mollahs de boeken die

in de nissen liggen; anderen halen uit de plooien van hun gewaad een

kleinen verlakten inktkoker te voorschijn, alsmede een rol papier,

en beginnen te schrijven. Het is voor ons tijd om te gaan.

Op onzen terugweg door een der voorsteden werd mijne aandacht getrokken

door het geschetter van eene trompet. Op een pleintje, geheel buiten

den karavanenweg, was eene vrij talrijke schare verzameld, om getuige

te zijn van den dood der afstammelingen van Ali, Hassan en Hosein,

op last van Khalief Omar om het leven gebracht. Deze dramatische

voorstellingen zijn bij de Sjîieten zeer geliefd; en zoo vaak zij de

droevige geschiedenis hooren verhalen van de martelaars van hun geloof,

wordt op nieuw in hun gemoed de haat opgewekt tegen de Sonnieten,

de bewerkers van den dood der rechtstreeksche afstammelingen van

den Profeet.

Kazbin bezit niet, als Teheran, eene zaal, waar dergelijke

voorstellingen met groote pracht kunnen worden gegeven: zij hebben hier

in de open lucht plaats. De toeschouwers zitten neergehurkt rondom

een open plek, waar zich de spelers bevinden; aan de eene zijde de

gesluierde vrouwen, aan de andere de mannen met de ronde muts der

landlieden op het hoofd. Op het open terrein ziet men een tapijt,

waarop een sabel en een schenkkan; boven het tooneel welft zich de

blauwe hemel, en de stralende zon zorgt voor de verlichting. Twee

kinderen, met groote groene tulbanden op het hoofd, vervullen bij

deze mysteriën de rol van het koor in het antieke treurspel en

reciteeren op zangerigen toon klaagliederen, die aan aller oogen

tranen ontlokken. Bij treffende, aangrijpende oogenblikken paren zich

de snikken en tranen der spelers aan die der toeschouwers; de valsche

verrader zelf, wiens gelaat met een kap bedekt is, jammert over zijn

eigene verdorvenheid; de vrouwen snikken en jammeren luidkeels,

en slaan zich met heftige gebaren op de borst. Deze uitbarstingen

van toon en droefheid houden eenige minuten aan, waarna zij weer

het afgebroken gesprek hervatten en vroolijk snappen en lachen. Het

orchest, bestaande uit een trommel en een trompet, staat op een hoek

van het tapijt en voegt zijn wanluidende tonen bij het geschreeuw en

gejammer der toeschouwers. Niet verre van daar zit, op een houten

stoel, een zwaarlijvig man, die met blijkbare zelfvoldoening het

tooneel aanziet: misschien is hij wel de impressario, die voor het

eerst met een uitgelezen troep voor het publiek optreedt.

Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887 · 第 8 / 41 题