„Laat die praatjes maar achterwege,” antwoordde de koning, „zeg mij

alleen, hoe zich de zaak heeft toegedragen; en wie u heeft beleedigd.

Indien gij het regt op uwe zijde hebt, zal ik wel een middel weten,

om uwen tegenstander zulks te doen berouwen.” „Sire,” vervolgde nu

Saony, de zaak geheel in zijn voordeel voordragende, „ik ging naar de

slavenmarkt, om eene goede keukenmeid te koopen, waaraan ik behoefte

heb. Juist toen ik daar aankwam, werd er eene slavin te koop aangeboden

en ingezet voor vier duizend goudstukken. Deze hooge inzet trok

mijne aandacht. Ik liet haar voorbrengen, en nooit zagen mijne oogen

een schoonere vrouw. Zij nam mij in; ik vroeg aan wie deze slavin

toebehoorde, en vernam dat Noureddin, zoon van wijlen mijn waardigen

ambtgenoot, den vizier Khasan, haar liet verkoopen. Uwe majesteit zal

zich herinneren, dat zij voor twee of drie jaren aan genoemden vizier,

eene som van tien duizend goudstukken heeft gegeven, met last haar voor

dat geld eene slavin te koopen. Hij heeft het geld gebezigd, om deze

slavin aan te schaffen, maar in plaats van haar bij uwe majesteit te

brengen, heeft hij ze aan zijnen zoon gegeven. Na den dood van zijn'

vader heeft die zoon zijne rijke erfenis, met lekker eten, drinken en

allerlei zotheden, in korten tijd doorgebragt, zoodat na verloop van

ruim een jaar niets meer te verkoopen overbleef dan gezegde slavin. Ik

deed Noureddin bij mij komen en zonder met een enkel woord te reppen

van de trouweloosheid, waarmede zijn vader in deze zaak omtrent uwe

majesteit had gehandeld, veel minder hem deswegens eenig verwijt te

doen, sprak ik hem met de grootste beleefdheid aan. „Noureddin,” zeide

ik, „zooals ik verneem, hebben de kooplieden den eersten inzet van uwe

slavin gesteld op vier duizend goudstukken. Ik twijfel niet, of zij

zullen door tegen elkander op te jagen, haar op veel hooger prijs

brengen. Maar wilt gij goed geraden zijn, zoo laat mij uwe slavin voor

gezegde som, en dat niet om mij eene gunst te bewijzen; maar omdat ik

plan heb haar te koopen tot een geschenk voor den koning; bij wien ik

dan wel een goed woord voor u zal weten te spreken. Dit zal u oneindig

meer voordeel zijn, dan dat de kooplieden u eene grootere som betalen.”

In plaats echter van beleefdheid met beleefdheid te beantwoorden, zag de

vermetele jongman mij met fieren blik aan. „Ondeugende grijsaard,” duwde

hij mij toe, „liever dan haar aan u te verkoopen, schenk ik mijne slavin

weg aan den eersten Jood den besten.” „Maar Noureddin,” hernam ik,

zonder mij warm te maken, hoewel ik daartoe alle reden had, „gij neemt

niet in aanmerking, dat gij door zoo te spreken, niet zoo zeer mij, dan

wel den koning hoont, aan wiens genadige goedheid, zoowel uw vader als

ik, onzen hoogen rang, ja alles te danken hebben.” Deze mijne billijke

tegenwerping, die hem moest nederzetten en tot beter inzien brengen,

deed zijne dolle gramschap slechts te heviger ontbranden. Zonder mijn'

hoogen rang en gevorderde jaren in aanmerking te nemen, wierp hij zich

plotseling als een razende op mij, trok mij bij de beenen van het paard,

en bragt mij vervolgens in den beklagenswaardigen toestand, waarin uwe

majesteit mij ziet. Ik bezweer u, sire, in aanmerking te nemen, dat mij

deze hoon alleen is wedervaren, omdat ik als verdediger van uwe eer

optrad, en slechts uwe belangen op het oog had.” Dit gezegd hebbende

liet Saony het hoofd hangen, en zich omdraaijende gaf hij aan zijne

tranen den vrijen loop. De koning, bedrogen door dit listig en onwaar

verslag van zijnen eersten staatsdienaar, en daardoor tegen Noureddin

opgewonden, ontstak in hevigen toorn. Hij wendde zich tot den kapitein

van zijne lijfwacht, die in zijne nabijheid was. „Neem,” sprak hij tot

dezen, „veertig man van mijne lijfwacht, en haal mij Noureddin met zijne

slavin hier. Zijn huis zult gij ter plundering overgeven.”

De kapitein der lijfwacht had het vorstelijke vertrek nog niet verlaten,

toen een der kamerheeren, die het bevel des konings had aangehoord,

zich ijlings voortspoedde, en hem dus voorkwam. Deze man, Sangiar

genaamd, was een vrijgelaten slaaf van den vizier Khasan, aan wien hij

ook zijne tegenwoordige betrekking te danken had. Sangiar, vervuld van

dankbaarheid voor zijn' gewezen heer, en zeer gehecht aan Noureddin,

dien hij had zien geboren worden, kon niet gelooven, dat deze zoo

schuldig was, als de vizier zulks deed voorkomen. Daarbij was het hem

bekend, dat Saony steeds vijandig jegens Khasan was geweest. „Heeft

hij,” zeide Sangiar in zich zelven, toen hij het bevel des konings

hoorde dat hem zeer deed schrikken, „zijn' haat aan den vader niet

kunnen koelen, het is zeker, dat hij zich thans aan den zoon denkt te

wreken, en indien ik hem niet red, dan is Noureddin verloren en zijn

dood onvermijdelijk.” Met deze gedachten bezield, maakte de kamerheer

den meesten spoed, om nog tijdig genoeg aan de woning van Noureddin te

komen, en dezen tegen het hem nakend gevaar te waarschuwen. Hij klopte

driftig aan, en Noureddin, thans geheel zonder slaven, deed zelf de deur

open. „Mijn waarde heer,” zeide nu Sangiar, „maak u dadelijk van hier;

er is voor u in Balsora geene veiligheid meer. Ik smeek u, zuim geen

oogenblik!” „En waarvoor zou ik te vreezen hebben,” gaf Noureddin

ten hoogste verwonderd ten antwoord. „Wat zou mij in de verpligting

brengen, deze stad te verlaten?” „Vertrek, zeg ik u,” hernam Sangiar,

„en neem uwe slavin met u. Saony heeft u bij den koning zoo zwart

gemaakt, dat deze in hevigen toorn tegen u ontstak, en bevel gaf, u en

uwe slavin onmiddelijk gevangen te nemen en voor hem te brengen. De

kapitein van de lijfwacht, met de volvoering van dit bevel belast, volgt

mij op den voet met veertig van zijne manschappen. Het is mij gelukt,

hem voor te komen, maar binnen weinige minuten zal hij hier zijn, en

uw huis omsingeld hebben. Meer kan ik u niet zeggen; want indien de

bevelhebber van 's konings lijfwacht mij hier aantrof, zou ik een

verloren man zijn, zonder u te kunnen redden, waarvoor ik mijne

bezittingen en mijn leven in de waagschaal heb gesteld. Neem dit,”

vervolgde hij, hem eene beurs met veertig goudstukken in de hand

drukkende, „het is alles, wat ik op dit oogenblik bij mij heb, anders

zou ik u meer geven. En nu, vaarwel, Allah bescherme u!” Bij deze

laatste woorden verwijderde Sangiar zich met overhaasting, zonder de

dankbetuigingen van Noureddin af te wachten; alleen riep hij hem

heengaande nogmaals toe: „Maak spoed!”

Noureddin begaf zich onmiddelijk bij de schoone Perziane, om haar

het onrustwekkende nieuws mede te deelen. „Zoo laat ons dan gaan,

heer!” sprak zij, en hing haren sluijer om; „indien ik slechts bij

u mag blijven, is het mij overal goed, waar wij ook heên zullen

trekken.” Zonder dralen verlieten zij nu het huis, en het geluk was den

vlugtelingen gunstig, want niet alleen kwamen zij de stad uit, zonder

opgemerkt of aangehouden te worden, maar aan den mond van den Euphraat

komende, vonden zij daar een schip dat zeilree lag, waarop zij zich aan

boord begaven.

De kapitein bevond zich op het dek midden onder zijne passagiers. „Mijne

kinderen,” vroeg hij, „zijt gij allen aan boord? En heeft niemand uwer

iets vergeten, of nog in de stad te verrigten?” Het antwoord was, dat er

niemand ontbrak, en hij onder zeil kon gaan, zoodra hem dit goed dacht.

De kapitein liet daarop het anker ligten, en liep met een' gunstigen

wind de haven van Balsora uit. Noureddin, die voorgegeven had alleen

voor zijn genoegen te reizen, vernam weldra van een' der passagiers, met

wien hij in gesprek kwam, dat het schip naar Bagdad bestemd was, hetgeen

hem zeer verblijdde.

Terwijl nu Noureddin en de schoone Perziane zich reeds aan boord van het

schip, en in veiligheid bevonden voor den toorn des konings van Balsora,

verscheen de kapitein der lijfwacht voor zijn huis, dat hij terstond

door zijne manschappen liet afzetten, zoodat niemand daaruit kon

ontsnappen. Daarop klopte hij aan, doch daar er niemand kwam opdagen,

om de deur te openen, liet hij deze door zijne soldaten openloopen. Zij

drongen het huis binnen, zochten in alle kamers, hoeken en gaten, maar

vonden natuurlijk noch Noureddin, noch de schoone Perziane. Nu vervoegde

de kapitein zich bij de buren, en vroeg, of dat niet de woning van

Noureddin was, en of zij hem ook hadden zien uitgaan. De eerste vraag

werd toestemmend, de tweede ontkennend beantwoord. Werkelijk hadden zij

hem niet gezien, maar al ware het anders geweest, geen der buren zou

hem verraden of iets gezegd hebben, dat hem tot nadeel kon zijn; want

hij was bij allen bemind. Intusschen werd de woning van Noureddin door

de soldaten uitgeplunderd en omvergehaald, waarna de kapitein zich

genoodzaakt zag den koning te berigten, dat hij te vergeefs naar de hem

aangeduide persoon gezocht, en in het geheele huis geen levend wezen

aangetroffen had. „Is hij niet te huis,” zeide de koning kortaf, met

een vergramd gelaat „dan moet hij elders zijn; gij zult hem mij hier

brengen, waar hij ook wezen mag; want ik wil hem in mijne magt hebben.”

De kapitein van de lijfwacht liet nu zijn onderzoek door de gansche

stad voortzetten, terwijl de koning zijn' vizier Saony met alle eer naar

zijne woning terugzond, zeggende: „Ga naar uw huis, draag zorg voor uwe

gezondheid en bemoei u niet met de straf voor Noureddin, ik zelf zal u

wraak verschaffen, wegens den hoon dien hij u heeft aangedaan.” De

koning wist echter niet, dat de vogel reeds gevlogen en buiten zijn

bereik was; anders zou hij waarschijnlijk niet zoo bepaald hebben

gesproken, en zich veel nuttelooze moeite bespaard hebben. Hij was in

de vaste meening, dat Noureddin zich ergens in de stad schuil hield, en

liet dus omroepen, dat degene, welke den zoon van zijn' gewezen vizier

Khasan verborgen hield, gestreng gestraft zou worden; terwijl hij, die

den vlugteling en zijne slavin aanwees of uitleverde, daarvoor eene

belooning zou ontvangen van duizend goudstukken. Maar welke moeite de

koning zich ook gaf, hij kon omtrent de vlugtelingen niet het minste

berigt inwinnen; zij waren spoorloos verdwenen. De nijdige vizier Saony

had dus geen' anderen troost, dan dat de koning zich voor hem in de bres

had gesteld. Daarmede echter waren de kwetsuren, die hij had ontvangen

niet genezen, en zijne schande was er niet door uitgewischt. Eerde ook

de koning hem, de algemeene verachting en spot die men hem toedroeg, kon

al het water van de zee niet afwasschen.

Intusschen hadden Noureddin en de schoone Perziane eene zeer

voorspoedige reis. Zij kwamen zonder ongelukken na een' betrekkelijk

korten togt op de reede van Bagdad aan. Zoodra de kapitein de stad in

het gezigt kreeg, verzamelde hij al de passagiers om zich, en sprak hen

met een blij gelaat aldus toe: „Mijne kinderen, verheug u met mij, dat

onze reis bijna volbragt is, ziedaar het wereldberoemde Bagdad, de

groote en wondervolle stad, de verzamelplaats van alle volken der

aarde, die als eb en vloed komen en gaan, maar steeds een genoegelijk

aandenken medenemen naar hunne woonsteden. De ondragelijke winterkoude

der Noordpoollanden zal er u evenmin kwellen, als de doodende hitte der

verzengde luchtstreken. Gij vindt er eene eeuwige lente met de schoonste

bloemen en de heerlijkste vruchten, die elders de herfst slechts

schenkt; het is een aardsch paradijs.”

Het schip liet even beneden de stad het anker vallen, waarop de

passagiers zich aan wal begaven, en ieder een onderkomen ging zoeken.

Noureddin gaf voor den overtogt aan den kapitein vijf goudstukken, en

liet zich met zijne schoone Perziane aan de havenkade afzetten. Daar hij

echter nooit in Bagdad geweest was, verkeerde hij nog in het onzekere,

waar zijn' intrek te nemen. Gedurende een' geruimen tijd wandelden zij

langs eene rij tuinen, die zich aan de boorden van den Tigris bevonden,

en daaronder zagen zij er een', die geheel door een' fraaijen muur

omgeven werd. Een net geplaveide weg, dien zij volgden, bragt hen bij de

poort van dien tuin, waarvoor zich eene fontein bevond, wier heldere

waterstralen in een marmeren bekken werden opgevangen.

De prachtige poort, die reeds op zich zelven van den rijkdom en den

goeden smaak des eigenaars getuigde, was gesloten, maar onder de van

marmersteen opgetrokken boog bevond zich een voorhof met eene sofa aan

elke zijde. „Zie hier een waarlijk aangenaam verblijf,” zeide Noureddin

tot de schoone Perziane; „de nacht is spoedig op handen, wij hebben aan

boord ons avondmaal gebruikt, en naar mijn gevoelen moesten wij hier ons

nachtverblijf nemen, dan kunnen wij morgen op ons gemak naar eene goede

herberg uitzien; wat dunkt u daarvan?” „Gij weet heer,” antwoordde de

schoone Perziane, „dat ik geen' anderen wil heb dan de uwe, behaagt

zulks u, laat ons dan hier blijven.” Zij dronken ieder eene teug water

uit de fontein, en plaatsten zich vervolgens op eene der sofa's, den

tijd al schertsende doorbrengende, totdat eindelijk hunne oogen zich

sloten en zij door het zacht gemurmel der fontein in slaap gewiegd

werden.

De tuin behoorde aan den kalif Haroun-Al-Raschid, en in het midden

van dezen lusthof stond een zomerhuis, bekend onder den naam van het

schilderijen-pavilloen, omdat dit koepelvormige gebouw van binnen door

de eerste Perzische kunstenaars geheel met fraaije landschappen, jagten

en allegorische voorstellingen beschilderd was. Die groote en prachtige

zaal ontving haar licht door tachtig vensters. Aan elk van deze bevond

zich een kristallen kroon met verscheidene armen. Deze tachtig lustres

werden nimmer aangestoken, dan wanneer de kalif een' avond in het

pavilloen doorbragt, en dan nog alleen maar bij zeer schoon en stil

weder, als men al de vensters kon openzetten. Alsdan gaf dit eene zeer

prachtige illuminatie, daar het geheele gebouw op zulk een' avond als

in eene zee van licht gehuld was, en zelfs op grooten afstand eene

schitterende vertooning aanbood.

In dezen lusthof woonde slechts een bewaarder, een hoog bejaard man,

genaamd Scheich Ibrahim, aan wien de kalif dezen eerepost, tot loon voor

vroeger bewezen diensten, had opgedragen. Haroun-Al-Raschid had hem

daarbij aanbevolen, niet alle soort van menschen in den tuin toe te

laten, en bovenal zorg te dragen, dat niemand zich verstoutte, gebruik

te maken van de sofa's in de voorportalen bij de poort, opdat deze

onbesmet en rein zouden blijven. Wie zich hiertoe verstoutte, moest hij

wegjagen en kastijden.

Op dezen avond was de bewaarder, daar hij eene dringende zaak te

verrigten had, uitgegaan, en nog niet terug, toen Noureddin en de

schoone Perziane in onwetendheid eene zoo groote inbreuk op des kalifs

bevel maakten. Eindelijk echter kwam hij te huis, en het was nog niet

zoo donker of hij bespeurde dadelijk, dat op eene der sofa's twee

menschen sliepen, wier gelaat met een' linnen doek bedekt was. „Zeer

goed,” mompelde Scheich Ibrahim in zich zelven, „zie daar weder een paar

overtreders van het verbod des kalifs; maar ik zal hen leeren daarvoor

meer achting te hebben, daarop kunnen zij staat maken.” Hij opende de

poort zonder gerucht te maken, ging naar binnen, en kwam een oogenblik

daarna terug met een' rotting in de hand, en de mouwen van zijn kleed

tot aan de ellebogen opgestroopt. Zijn plan was er duchtig op toe te

slaan, en reeds had hij den stok opgeheven, toen hij zich weder bedacht.

„Scheich Ibrahim,” sprak hij in zich zelven, „gij gaat deze menschen

slaan, zonder in aanmerking te nemen dat het welligt vreemdelingen

zijn, die van het bestaande verbod niets af weten, en, geen ander

onderkomen hebbende, hier hun nachtverblijf hebben genomen. Het is dus

verstandiger, dat gij eerst onderzoekt, wie gij voor hebt, en of deze

twee personen inderdaad strafschuldig zijn.” Hij ligtte nu het doek,

dat hunne hoofden bedekte, met groote voorzigtigheid op, en was zeer

verwonderd, een' zoo welgemaakt jongman en eene zoo bekoorlijke vrouw te

aanschouwen. Vervolgens maakte hij Noureddin wakker, door hem even bij

de beenen te trekken.

Noureddin, dus in zijne rust gestoord, rigtte dadelijk het hoofd op,

en toen hij een' grijsaard voor zich zag, wiens langen sneeuwwitten

baard tot op de voeten afhing, ging hij overeind zitten, en zijne hand

grijpende, zeide hij: „Goede vader, Allah zij met u! Verlangt gij iets

van mij?” „Mijn zoon,” hernam Scheich Ibrahim, ingenomen door dezen

vriendelijken groet, „wie zijt gij, en van waar komt gij?” „Wij zijn

vreemdelingen, en eerst zoo even hier aangekomen,” antwoordde Noureddin;

„deze plaats kwam ons niet ongeschikt voor om er den nacht door te

brengen, en den dag af te wachten.” „Toch zoudt gij hier niet goed

zijn,” bragt Scheich Ibrahim in, „sta op en volg mij in den tuin, die

wel bezienswaardig is; ik zal u een beter nachtverblijf verschaffen.”

„Behoort u dezen lusthof?” vroeg Noureddin. „Ongetwijfeld behoort die

mij,” hernam Scheich Ibrahim met een' glimlach; „het is een erfdeel dat

ik van mijn' vader heb. Kom dus binnen; gij zult er geen berouw van

hebben, en veel zien, dat de moeite wel beloont.”

Noureddin stond nu van de sofa op, betuigde aan Scheich Ibrahim zijnen

dank voor diens beleefdheid, en volgde hem in den tuin met de schoone

Perziane, die gedurende het voorafgaande gesprek mede ontwaakt was.

Scheich Ibrahim sloot de poort, en voor hen uitgaande bragt hij zijne

gasten op eene plek, vanwaar zij den tuin in al deszelfs pracht en

uitgestrektheid, als met een' oogopslag konden overzien. Wel had

Noureddin in Balsora vele fraaije lusthoven aanschouwd, maar niet een',

die met dezen was te vergelijken. Hij nam alles naauwkeurig op, en hoe

verder zij kwamen, te hooger klom zijne verbazing, dat dit alles het

eigendom was, van een uitwendig zoo eenvoudig man, als hun gastheer hem

voorkwam. Eindelijk vroeg hij naar diens naam, en sprak toen: „Scheich

Ibrahim, ik moet bekennen, dat deze tuin buitengewoon schoon is. Allah

schenke er u een lang en rustig leven. Wat ons betreft, wij kunnen u

niet dankbaar genoeg zijn, dat gij ons zoo veel schoons laat bezigtigen;

gedoog dat wij u op de eene of andere wijze een blijk van onze

erkentelijkheid geven. Zie hier twee goudstukken, ik smeek u, laat u dit

niet beleedigen; maar doe er ons iets voor halen, opdat wij te zamen

goede sier, en ons vrolijk kunnen maken.”

Scheich Ibrahim had het zwak zeer geldzuchtig te zijn. Op het gezigt der

beide goudstukken lachte hij in zijn' baard. Hij nam die gretig aan; en

daar hij geene bedienden had, liet hij zijnen gasten alleen, en ging

heen, om den hem opgedragen last zelf uit te voeren. „Ziedaar,” mompelde

hij zeer verblijd in zich zelven, „twee waarlijk goede menschen. Ik zou

mij zelven grootelijks hebben benadeeld, indien ik de onvoorzigtigheid

begaan had, hen te mishandelen en weg te jagen. Ik zal hen vorstelijk

onthalen voor het tiende gedeelte van dit geld, en het overblijvende

voor mijne moeite behouden.”

Terwijl Scheich Ibrahim er op uit was, om het een en ander voor het

avondmaal te bezorgen, zetten Noureddin en de schoone Perziane hunne

wandeling in den tuin voort, totdat zij het schilderijen-pavilloen

bereikten. Zij bewonderden de fraaije bouworde, en klommen den wit

marmeren trap op, die naar de zaal geleidde, waarvan zij de deur echter

gesloten vonden.

Noureddin en de schoone Perziane waren nog niet weder beneden, toen

Scheich Ibrahim terugkwam met de levensmiddelen, die hij in eene groote

mand op zijne schouders droeg. „Scheich Ibrahim,” vroeg Noureddin met

hoog geklommen verbazing, „hebt gij ons niet gezegd, dat deze tuin u

toebehoort?” „Ik heb dat gezegd,” antwoordde Scheich Ibrahim, „en zeg

het nogmaals. Maar waarom doet gij mij deze vraag?” „En dit prachtige

pavilloen, behoort u dit ook?” ging Noureddin voort met vragen.

Op deze laatste vraag was Scheich Ibrahim niet gevat; zij bragt hem van

zijn stuk af. „Indien ik zeg, dat dit mij niet behoort,” overdacht hij

bij zich zelven, „zoo zullen zij mij dadelijk vragen, hoe het kan zamen

gaan, dat ik wel de bezitter van dezen tuin, maar niet van het daarin

staande pavilloen ben; en ik zal beschaamd staan, en niet meer weten wat

te antwoorden.” Éénmaal met eene leugen begonnen, vond hij dus maar het

beste, op den ingeslagen weg voort te gaan. „Mijn zoon,” gaf hij daarom

ten antwoord, „de tuin zonder het pavilloen, dat zou iets vreemds zijn;

beide zijn mijn eigendom.” „Dit zoo zijnde,” hernam nu Noureddin, „zoudt

gij mij, daar wij toch dezen nacht de eer zullen hebben uwe gasten te

zijn, een groot genoegen doen, ons ook het binnenste van dit gebouw te

laten zien, want naar het uitwendige te oordeelen, moet dat buitengewoon

prachtig zijn.”

Scheich Ibrahim was reeds te voorkomend jegens zijne gasten geweest, om

aan Noureddin zulk een eenvoudig verzoek te kunnen weigeren. Hij nam

daarbij in aanmerking, dat de kalif niemand had gezonden, om hem, zoo

als hij gewoon was, van zijne komst te verwittigen, en hij dus dezen

avond niet te verwachten was. Hij vond er zelfs geen bezwaar in, het

avondmaal met zijne gasten in het pavilloen te gebruiken. Met dat

oogmerk zette hij de mand met levensmiddelen, die hij had medegebragt,

op de onderste trede van den trap, en begaf zich naar zijne eigen woning

om den sleutel te halen. Hij kwam weldra terug, een licht medebrengende,

en ontsloot de deur.

Noureddin en de schoone Perziane traden de zaal binnen, en konden zich

niet genoeg verwonderen over de pracht en rijkdom, die zich hier aan

hun oog voordeed. En inderdaad, het kostbare schilderwerk zelfs niet in

aanmerking nemende, was het huisraad regt vorstelijk. Noureddin kon al

die pracht niet aanschouwen, zonder zich zijne vroegere welvaart te

herinneren, en dit perste hem menigen zucht af. Intusschen bragt Scheich

Ibrahim de levensmiddelen boven, en bereidde de tafel toe, waaraan hij

vervolgens met Noureddin en de Perziane plaats nam. Na goed gegeten en

hunne handen gewasschen te hebben, stonden zij van tafel op, en terwijl

Scheich Ibrahim afnam, ging Noureddin naar een der vensters, en opende

dit. Het gezigt, dat hij bij den helderen maneschijn van daar over den

tuin en den Tigris had, was zoo fraai, dat hij de schoone Perziane bij

zich riep, en zij zich een' geruimen tijd in stille bewondering met dit

nachtelijk natuurtafereel vermaakten.

Toen Scheich Ibrahim de tafel afgenomen en zich weder bij zijne gasten

gevoegd had, vroeg Noureddin, of hij, na een zoo keurig maal, niet wat

voor hen te drinken had. „Wat verlangt gij te drinken?” hernam Scheich

Ibrahim. „Ik heb sorbet, die onverbeterlijk is; maar gij weet wel mijn

zoon, dat men het sorbet wel voor, maar niet na het avondmaal gebruikt.”

„Dat weet ik zeer goed,” antwoordde Noureddin, „het is ook geen sorbet,

maar een' andere drank, waarin ik trek heb; nu zult gij mij misschien

beter begrijpen?” „Gij bedoelt welligt wijn?” hernam Scheich Ibrahim.

„Gij kunt goed raden,” antwoordde Noureddin met een' glimlach, „en

wanneer gij die hebt, zult gij mij verpligten, door eene flesch te

geven. De wijn laat zich na het souper zeer goed gebruiken; men wordt er

vrolijk bij, en slaapt er goed op.”

„Allah beware mij,” riep Scheich Ibrahim, „dat ik de wijn in mijn huis

zou hebben, of zelfs de plaats naderen, waar men er dien op nahoudt!

Een man als ik, die viermaal als pelgrim naar Mekka is geweest, moet

voor altoos van den wijn hebben afgezien.” „Gij zoudt ons intusschen

een groot genoegen doen,” hield Noureddin aan, „door ons wijn te

verschaffen. Indien het u niet veel moeite is, zal ik u een middel aan

de hand doen, waardoor gij ons dat genoegen kunt geven; zonder dat gij

zelfs de herberg, waar men dien verkoopt, behoeft binnen te gaan.” „Op

die voorwaarde wil ik het doen,” hernam Scheich Ibrahim, „zeg mij dus

alleen maar, hoe ik het moet aanleggen, om mijne handen en mijn geweten

rein te houden?”

„Wij hebben in uwen tuin,” vervolgde Noureddin, „een' ezel gezien; dit

dier is waarschijnlijk van u, en gij bedient er u van, als gij eene

eenigzins zware vracht te vervoeren hebt. Ziedaar nog twee goudstukken,

neem die en rijd met uwen ezel naar de naastbijgelegen herberg, waar men

wijn verkoopt. Gij behoeft dit wijnhuis intusschen niet binnen te gaan;

gij geeft het geld eenvoudig aan dezen of genen voorbijganger, met

verzoek een paar kruiken wijn voor u te laten vullen, en die in de

manden te plaatsen, die gij uwen ezel kunt laten dragen. Voor eene

kleine belooning, zult gij daar ligt iemand toe vinden, en wat het

afladen betreft, daar zullen wij ons wel mede belasten, zoodat gij met

de geheele zaak niets te doen hebt, dan den ezel voort te drijven,

waardoor uw geweten zich onmogelijk bezwaard kan gevoelen.”

De twee goudstukken (die bij deze aanwijzing gevoegd waren) hadden op

Scheich Ibrahim eene krachtdadige uitwerking. „O mijn zoon,” riep hij

uit, zoodra Noureddin met spreken ophield, „gij verstaat u op die zaken.

Zonder u zou ik nooit aan dat middel gedacht hebben, hetgeen mij in

de mogelijkheid stelt, u wijn te bezorgen, zonder mijn' op dat punt

naauwgezet geweten te verontrusten.” Hierop verwijderde hij zich, om

binnen weinige oogenblikken met den gevraagden wijn terug te keeren.

Zoodra hij terugkwam, ging Noureddin den trap af hem te gemoet, ligtte

de kruiken uit de manden en bragt die op de zaal.

Na den ezel op zijne plaats gebragt te hebben, kwam Scheich Ibrahim

weder in de zaal. „Scheich Ibrahim,” zeide nu Noureddin tot hem,

„wij kunnen u niet dankbaar genoeg zijn voor de moeite, die gij u om

onzentwil hebt gegeven, maar ons ontbreekt nog iets.” „En wat mag dat

zijn?” vroeg Scheich Ibrahim, „wat kan ik nog doen, om u genoegen te

geven?” „Wij hebben geene bokalen om uit te drinken,” hernam Noureddin,

„en kondet gij ons tevens bij den wijn wat fruit bezorgen, dat zou eene

heerlijke zaak zijn.” „Gij hebt slechts te spreken,” antwoordde Scheich

Ibrahim, „wat gij ook wenschen moogt, het zal u geworden.” Scheich

Ibrahim ging naar beneden, om het verlangde te halen, en dekte op nieuw

de tafel, waarop nu weldra heerlijke vruchten op zilveren schotels, en

gouden en zilveren bokalen prijkten. Noureddin noodigde hem uit mede aan

te zitten; maar hoe sterk hij daarop ook aandrong, Scheich Ibrahim was

er niet toe te bewegen; hij wenschte zijnen gasten een' genoegelijken

avond, en verliet de zaal. Noureddin en de schoone Perziane schikten

weder aan, en maakten een begin door elk eene bokaal wijn te drinken,

dien zij uitmuntend bevonden. „Wel nu mijne schoone,” sprak Noureddin

al zijn leed vergetende, „zijn wij niet de gelukkigste menschen der

aarde, dat wij een zoo aangenaam verblijf hebben gevonden? Laten wij ons

dan verblijden, en alle zorgen ter zijde stellen. Kan mijn geluk wel

grooter zijn, u aan mijne zijde, en deze gouden bokaal met tintelenden

wijn voor mij?” Zij schonken en dronken druk, werden steeds vrolijker,

en zongen het eene lied voor, het andere na.

Daar beiden, en vooral de schoone Perziane, eene zeer fraaie stem

hadden, trok hun gezang aldra de aandacht van Scheich Ibrahim, die op

den trap post vatte en hen met het grootste vermaak aanhoorde, zonder

zich evenwel te laten zien. Ten laatste echter stak hij het hoofd door

de half openstaande deur, en meenende dat Noureddin reeds te veel wijn

gedronken had, kon hij zich niet onthouden, hem schertsende toe te

roepen: „Houd maar goeden moed, mijn beste heer! Ik ben zeer verblijd, u

zoo vrolijk te zien.” „O, Scheich Ibrahim,” riep Noureddin, „gij zijt

toch een uitmuntend mensch, en wij hebben alle verpligting aan u! Wij

zouden niet van u durven vergen om een' beker met ons te drinken; maar

kom binnen, en bewijs ons ten minste de eer van uw gezelschap”—„Laat ik

u niet storen,” antwoordde Scheich Ibrahim, „en maak u te zamen vrolijk,

het is u van harte gegund; en ik zal mij vergenoegen, u zoo schoon te

hooren zingen, als gij daar even deedt.” Dit zeggende, trok hij het

hoofd weder terug en verdween.

De schoone Perziane bemerkte echter, dat Scheich Ibrahim op den trap

bleef staan. Zij deelde dit aan Noureddin mede. „Heer,” vervolgde zij,

„onze gastheer betuigt een' grooten afkeer van den wijn te hebben; maar

indien gij mij behulpzaam wilt zijn, maak ik mij sterk hem over te

halen, dat hij ons bescheid doet.” „Ik geloof, mijne schoone,” zeide

Noureddin, „dat gij ditmaal te veel op u zelve rekent, maar ik ben

geheel tot uwen dienst; zeg slechts, wat ik te doen heb.” „Beweeg

hem, dat hij zich bij ons nederzet,” hernam de Perziane „schenk dan

een' beker in, en biedt hem dien aan. Zoo hij weigert, moet gij dien

uitdrinken, en u houden of de wijn u bevangen heeft en gij in slaap

valt; het overige zal ik doen.”

Noureddin begreep terstond, wat de schoone Perziane in den zin had.

Hij riep Scheich Ibrahim, die zich daarop weder aan de deur vertoonde.

„Scheich Ibrahim,” ging hij voort, „wij zijn uwe gasten, en gij hebt ons

op de meest verpligtende wijze onthaald. Zoudt gij ons nu het verzoek

weigeren, dat wij u willen doen, en waarop wij hoogen prijs stellen,

namelijk dat gij ons vereert met uw gezelschap. Ik kan mij niet

voorstellen, dat gij ons dit genoegen ontzeggen zult.”

Scheich Ibrahim liet zich bepraten; hij trad binnen en nam plaats aan

het uiterste einde der sofa, waarop zijne gasten gezeten waren. Hij

hield zich zoo digt mogelijk bij de deur. „Daar zijt gij niet goed

geplaatst, en wij kunnen u moeijelijk zien,” sprak Noureddin, „schik wat

nader bij, en ga naast mijne vrouw zitten; dat zal haar een genoegen

zijn.” „Daar gij het dus verlangt,” antwoordde Scheich Ibrahim, „zal ik

het doen.” Hij schikte werkelijk naderbij, en glimlachte van genoegen,

dat hem het geluk te beurt viel naast eene zoo schoone dame te zitten.

Noureddin verzocht nu aan de Perziane een lied te willen zingen, uit

erkentelijkheid voor de eer, die Scheich Ibrahim hun bewees. Zij kweet

zich daarvan zoo wel, en zong zoo hartstogtelijk, dat de goede grijsaard

geheel opgetogen was. Toen het lied ten einde was, schonk Noureddin een'

beker in, bood dien den gastheer aan, en sprak: „Scheich Ibrahim, als ik

u bidden mag, drink eens op onze gezondheid.” „Heer,” antwoordde hij,

het hoofd afwendende, als schuwde hij zelfs het gezigt van den wijn, „ik

smeek u mij daarvan te verschoonen; ik heb u reeds gezegd, dat ik sints

langen tijd van den wijn heb afgezien.” „Daar gij dan volstrekt niet

wilt drinken op onze gezondheid,” hernam Noureddin, „zoo veroorloof

mij, dat ik dezen beker op uw welzijn ledig.”

Terwijl Noureddin dronk, sneed de schoone Perziane een' appel door, en

bood de helft daarvan Scheich Ibrahim met een bevallig lachje aan. „Gij

hebt,” zeide zij, „niet willen drinken; maar ik vlei mij, dat gij geene

zwarigheid zult maken dezen appel te proeven, die keurig is, en dien ik

u zeer kan aanbevelen.” Scheich Ibrahim kon niet over zich verkrijgen

af te wijzen, wat hem door eene zoo schoone hand en met zoo veel

bevalligheid werd aangeboden; hij nam den halven appel met een

vriendelijk hoofdknikken aan, en bragt dien aan den mond. Zijne schoone

buurvrouw zeide hem deswegens eenige beleefdheden, terwijl Noureddin

zich met den rug in de sofa liet nedervallen, en zich hield alsof hij

plotseling door den slaap overmand werd. De schoone Perziane schikte

thans digter bij Scheich Ibrahim, en fluisterde hem toe: „Ziet gij wel,

zoo doet hij nu. Als wij ons te zamen vrolijk maken, valt hij bij den

tweeden of derden beker reeds in slaap, en laat mij alleen aan de

verveling over. Ik vlei mij echter,” vervolgde zij, een' teederen blik

op haren gastheer werpende, „dat gij wel de goedheid zult willen hebben,

mij tot aan zijn ontwaken gezelschap te houden.”

De schoone Perziane nam nu een' beker, vulde dien met wijn, en bood hem

Scheich Ibrahim met een verleidelijk lagchen aan. „Neem deze bokaal,”

zeide zij, „en drink eerst op mijne gezondheid; ik zal u bescheid doen.”

Scheich Ibrahim maakte groot bezwaar, en verzocht haar dringend hem

hiervan te verschoonen; maar zij hield zoo sterk aan, dat hij, door hare

bekoorlijkheid overwonnen, ten laatste den beker aannam, en dien tot op

den bodem ledigde.

De goede grijsaard dronk gaarne zijn' beker wijn, maar hij schaamde er

zich voor, en onthield er zich van in het bijzijn van onbekenden. Hij

ging dien, gelijk vele zijner geloofsgenooten, in stilte in deze of

gene herberg halen, en had daarbij ook ditmaal geenszins de voorzorg

gebruikt, die Noureddin hem aan de hand had gedaan, om zijn geweten niet

te bezwaren. Hij had den wijn gehaald bij een' herbergier, waar hij zeer

bekend was, terwijl de duisternis hem ten dekmantel diende. Op die wijze

had hij, wat zeer met zijne hebzucht strookte, het geld bespaard, dat

hij, door die boodschap aan een' ander op te dragen, meerder zou hebben

moeten uitgeven.

Terwijl nu Scheich Ibrahim, na gedronken te hebben, voortging zijn'

halven appel te eten, schonk de schoone Perziane een' anderen beker in,

dien hij ditmaal zonder veel tegenstribbelen uit hare hand ontving. Bij

den derden beker maakte hij volstrekt geene zwarigheden meer. Hij dronk

zijnen vierden, toen Noureddin uit zijn' geveinsden slaap ontwaakte, en,

hem dus ziende, met een schaterend lagchen uitriep: „Ha, ha!, Scheich

Ibrahim, daar heb ik u verrast. Gij hebt mij gezegd, dat gij geheel van

den wijn hadt afgezien, en nu drinkt gij ze toch.”

Scheich Ibrahim, niet verdacht, dat hij dus verrast zou worden, werd

bloedrood, maar nam daarom toch den beker niet van den mond, vóór dat

hij dien geledigd had. „Heer,” zeide hij nu lagchende, „indien ik

gezondigd heb, is dit niet mijne schuld, maar die van uwe gade, want hoe

zou ik weêrstand hebben kunnen bieden, waar de bevalligheid in persoon

mijne verleidster was.”

De schoone Perziane nam in schijn de partij voor haren gastheer op.

„Scheich Ibrahim,” zeide zij, „laat hem maar praten, en stoor er u niet

aan; laat ons te zamen drinken en vrolijk zijn.” Eenige oogenblikken

daarna schonk Noureddin eerst voor zich, en toen voor de schoone

Perziane in. Doch daar Scheich Ibrahim zag, dat Noureddin _hem_ niet

bediende hield hij zelf zijnen beker bij, met de woorden: „Denkt gij

misschien, dat ik bang ben, om tegen u op te drinken?” Op dit zeggen

van Scheich Ibrahim konden Noureddin en zijne schoone gade zich bijna

niet van lagchen onthouden. Noureddin schonk hem in, en zij hielden vol

met schertsen en drinken tot bij middernacht. Omstreeks dien tijd merkte

de schoone Perziane op, dat er slechts ééne waskaars op tafel stond,

die een zeer flaauw licht verspreidde, zoodat de groote zaal bijna in

duisternis gehuld was. „Scheich Ibrahim,” sprak zij tot den goeden

grijsaard, „gij hebt ons slechts één licht gegeven, en er zijn hier zoo

vele schoone waskaarsen; doe mij het vermaak die aan te steken, opdat

wij elkander goed kunnen zien.”

Scheich Ibrahim had weinig lust, om op te staan. De wijn, die hem

reeds naar het hoofd steeg, maakte hem vrijmoedig, en zonder eenige

pligtplegingen te maken, zeide hij tot de schoone Perziane: „Verlangt

gij meer licht te hebben, steek het dan zelve aan; dit voegt beter aan

jeugdige menschen zooals gij, dan aan een' grijsaard met stramme beenen.

Maar draag zorg, er niet meer aan te steken dan vijf of zes, want dat

is voldoende.” De schoone Perziane stond op, ging eene der waskaarsen

halen, ontstak die en begon vervolgens al de tachtig kaarsen aan te

steken, zonder zich in het minst te bekreunen, om hetgeen Scheich

Ibrahim haar gezegd had. Deze was zoo bezig met drinken en praten, dat

hij er volstrekt geene acht op gaf, op welke wijze de schoone Perziane

de haar gegeven vrijheid had overschreden, en toen hij nu met haar aan

het praten raakte, drong Noureddin op zijne beurt aan, dat hij eenige

der lustres of kristallen kroonen zou ontsteken. „Gij moet wel zeer

op uw gemak gesteld zijn,” antwoordde Scheich Ibrahim, „dat gij zulks

van mij durft vergen, en niet zelf de handen aan het werk slaat. Ga,

ontsteek ze als gij lust gevoelt; maar niet meer dan drie.” Noureddin

hield zich echter aan dat getal niet; hij stak al de kroonen aan,

zoodat de zaal als in eene zee van licht zwom; ook wierp hij de tachtig

vensters open, alles zonder dat Scheich Ibrahim daarvan iets bemerkte,

zoo wist de schoone Perziane hem bezig te houden.

Haroun-Al-Raschid had zich op dat uur nog niet ter ruste begeven, en was

in eene der zalen van zijn paleis, welke het uitzigt had op den Tigris,

naar de zijde van het schilderijen-pavilloen. Het toeval wilde, dat de

kalif een der vensters opende, en een oogenblik op het balkon trad, om

frissche lucht te scheppen. Het schelle licht, dat hem tegenstraalde,

deed hem eerst denken, dat er ergens brand was; maar weldra overtuigde

hij zich, dat dit van zijn pavilloen moest zijn, en dat het niet in

brand stond, maar geheel verlicht was. De groot-vizier Giafar was nog

tegenwoordig, en wachtte slechts het tijdstip af, dat de kalif zich ter

rust zou begeven, om naar huis te gaan. Tegen hem barstte het eerst de

toorn van den Beheerscher der geloovigen los. „Vizier!” riep hij, „kom

hier, en aanschouw het schilderijen-pavilloen. Zeg mij, hoe zulks op dit

uur verlicht kan zijn, zonder dat ik mij daar bevind!”

Reeds de stem van den kalif, die van gramschap trilde, deed den

groot-vizier beven, maar zijn schrik nam nog toe, toen hij, op het

balkon komende, bespeurde, dat hetgeen zijn gebieder zeide, maar al te

waar was. Giafar bevond zich in de grootste verlegenheid, te meer daar

hij zich van de zaak geen begrip kon maken, en echter moest hij er iets

op vinden, om de woede van den kalif ter neder te zetten. „Beheerscher

der geloovigen,” zeide hij tot hem, „ik kan uwe majesteit daaromtrent

niets anders zeggen, dan dat Scheich Ibrahim nu vier dagen geleden zich

bij mij vervoegde. Hij gaf mij te kennen, dat hij voornemens was aan

de hoofden zijner moskee een feest te geven, ter gelegenheid van eene

plegtigheid, die hij zeer verblijd was onder de gelukkige regering van

uwe majesteit te mogen vieren. Ik vroeg hem, wat hij dan in die zaak van

mij verlangde, en waarmede ik hem van dienst kon zijn. Hierop verzocht

hij mij, dat ik bij uwe majesteit zou bewerken, dat hij verlof kreeg

zijne gasten in het pavilloen te onthalen, vermits zijne woning daartoe

te klein en ongeschikt was. Ik liet hem gaan met de verzekering, dat hij

zulks wel zou mogen doen, en dat ik er met uwe majesteit over wilde

spreken. Dit laatste is mij echter door het hoofd gegaan, zoodat ik uwer

majesteit voor dit mijn verzuim om vergiffenis moet vragen. Scheich

Ibrahim,” vervolgde hij, „heeft waarschijnlijk dezen dag bestemd voor

die plegtigheid, en zijne gasten willen verrassen, door de zaal van het

pavilloen in al hare pracht te verlichten.”

„Giafar,” sprak de kalif op meer bedaarden toon, „naar hetgeen gij daar

zegt, hebt gij u aan drie onvergeeflijke fouten schuldig gemaakt. De

eerste, door aan Scheich Ibrahim verlof te geven, die plegtigheid in

mijn pavilloen te vieren; aan een eenvoudig bewaarder mijner goederen

komt zulk eene hooge eer niet toe, zijn rang geeft hem daarop geene

aanspraak. De tweede, dat gij de toestemming niet kondet noch mogt

geven, zonder mij daarin vooraf te kennen; en de derde, dat gij de

ware bedoeling van dien goeden man niet beter doorgrond hebt. Ik ben

overtuigd, dat zijne eigenlijke meening was, eene ondersteuning te

verkrijgen, om hem in de uitgaven voor zijn feest te gemoet te komen.

Gij hebt daarop niet gedacht, en ik stel hem niet in het ongelijk, dat

hij, niets van u ontvangende, zich gewroken heeft, door u de nog veel

grootere kosten van deze verlichting te berokkenen.”

De groot-vizier Giafar was zeer verblijd, dat de kalif het in dien zin

opnam, en liet zich derhalve gaarne de misslagen aanleunen, die hem

verweten werden; hij beleed zelfs rondborstig, dat hij verkeerd had

gedaan, door aan Scheich Ibrahim niet eenige goudstukken te geven. „Daar

gij schuld belijdt,” hernam de kalif lagchende, „zoo is het billijk,

dat gij voor de door u begane fouten wordt gestraft; maar die straf zal

ditmaal ligt zijn. Gij zult namelijk met mij het overige van dezen nacht

in het gezelschap van die goede lieden doorbrengen. Het spreekt van

zelven, dat ik, om hunne vreugde niet te bederven, daar incognito zal

verschijnen; terwijl ik mij dus burgerlijk kleed, moet gij en Masrour

eveneens doen; doch draag zorg, dat gij beiden niet op u laat wachten.”

De vizier veroorloofde zich de opmerking te maken, dat het reeds laat

was en het gezelschap dus waarschijnlijk uit een zou zijn gegaan,

alvorens zij gereed waren, en daar konden zijn. De kalif echter gaf te

kennen, dat zijn besluit nu eenmaal genomen was, en hij daarbij bleef.

Giafar verbleekte; maar moest gehoorzamen.

De vorst verliet dus in burgerkleeding zijn paleis met zijn groot-vizier

Giafar en met Masrour, opperste der gesnedenen, en ging door de straten

van Bagdad, totdat hij aan zijn' tuin kwam. Hier had de kalif op nieuw

reden van ergernis, want hij vond de poort open, daar Scheich Ibrahim,

toen hij den wijn haalde, verzuimd had, die te sluiten. „Giafar,” zeide

hij tot den groot-vizier, „wat moet ik er van denken, dat de poort van

mijn' lusthof op dit uur van den nacht open staat? Zou het mogelijk

zijn, dat Scheich Ibrahim de schandelijke gewoonte heeft, deze des

nachts open te laten, om aan dieven en stroopers den vrijen toegang te

geven? Dit is mij zeer onaangenaam, maar ik wil liever gelooven, dat hij

door de drukte van het feest, zich aan dit nieuwe onvergeeflijke verzuim

zal hebben schuldig gemaakt.”

De kalif trad den tuin in, doch bij het pavilloen gekomen, bleef hij

onder aan den trap staan, daar hij, alvorens zich te vertoonen, wilde

weten, hoe het in de zaal toeging. Hij gaf daarom zijn' vizier in

bedenking, om in een der naastbij zijnde boomen te klimmen, vanwaar hij

alles zou kunnen zien, wat in de verlichte zaal voorviel. Giafar echter

maakte hem opmerkzaam, dat de deur der zaal half open stond, zoodat

zij op den trap hunne waarneming zouden kunnen doen, zonder door het

gezelschap te worden opgemerkt.

„Ik zie wel,” zeide de kalif half schertsende, „dat mijn tuinbewaarder

zijn licht wil laten schijnen voor de menschen, daar hij feest viert met

open deuren en vensters.” Groot was echter zijne verbazing, toen hij,

bij de deur plaats vattende Scheich Ibrahim aan tafel zag zitten, in

gezelschap eener onvergelijklijk schoone jonge dame en van een' zeer

welgemaakten jongen man. De koninklijke pavilloen-bewaarder hield den

beker in de hand. „Mijne lieve dame,” sprak hij op vrolijken toon tot

de schoone Perziane, „een goed drinker moet nooit zijnen beker ledigen,

zonder vooraf een lied te zingen. Doe mij de eer een oogenblik te

luisteren.”

Scheich Ibrahim dreunde nu zijn lied helder uit de keel op, en de kalif

was daarover te meer verwonderd, daar hij niet wist, dat hij ooit wijn

dronk, en hij hem tot dusverre voor een zeer bedaard en verstandig

mensch had gehouden. „Giafar,” zeide hij tot zijn' vizier, die een

paar treden lager op den trap stond, op een' toon, die niet vrij van

spotternij was: „Kom eens hier, om te zien, of de lieden daar binnen

bestuurders van de moskee zijn, zooals gij mij dit hebt willen doen

gelooven.”

De toon, waarop de kalif dit zeide, gaf den groot-vizier genoeg te

kennen, dat de zaak zeer slecht voor hem begon te staan. Hij klom echter

den trap op, en zag nu tot zijn' grooten schrik het zelfde tooneel, dat

zich aan den kalif had voorgedaan. Hij geraakte geheel van zijn stuk,

en wist niets tot zijne verontschuldiging bij te brengen. „Welk een

schandaal!” duwde de vorst hem toe. „Men heeft de vermetelheid mijn

pavilloen als herberg te gebruiken, en Scheich Ibrahim ontziet zich

niet, daar met zijne gezellen goede sier te maken. Ik geloof nogtans

niet, dat men een schooner en volmaakter paar in mijn rijk zou kunnen

vinden, dan die twee jonge lieden. En daarom wil ik, alvorens mijn'

toorn te bevredigen, weten, wat dat voor menschen zijn, en hoe Scheich

Ibrahim aan dat gezelschap gekomen is.” De kalif bleef daarom met Giafar

nog bij de deur staan. Zij hoorden nu Scheich Ibrahim tot de schoone

dame zeggen: „Beminnelijke schoone, zoudt gij ook nog eenen wensch

koesteren, waaraan ik voldoen kan, en waardoor de vreugde van dezen

avond, indien mogelijk, nog verhoogd kan worden?” „Ik geloof,”

antwoordde deze, „dat ons ten dien opzigte niets te wenschen overig

blijft, indien gij mij een muzijk-instrument wildet verschaffen.”

Scheich Ibrahim behoefde daartoe niet ver te gaan. Hij kreeg uit eene

ebbenhouten kast eene fraaije met zilver gemonteerde luit, en bood deze

de schoone Perziane met eene buiging aan. Zij nam het instrument en

begon dit te stemmen.

Inmiddels wendde de kalif zich tot zijn' groot-vizier. „Giafar,” zeide

hij, „de jonge dame zal op de luit spelen, en als zij zich daarvan

goed kwijt zal ik, om harentwil, ook den jongen man en mijn' bewaarder

niet straffen; maar u zal ik laten ophangen, omdat gij mij misleid

hebt.” „Beheerscher der geloovigen,” hernam de groot-vizier met eene

diepe buiging, „mijn leven is ter beschikking van uwe majesteit; maar

als ik toch moet sterven, dan bewijze Allah mij de gunst, dat die dame

zeer slecht moge spelen!” „En waartoe zou u dat baten?” hernam de kalif.

„Hoe meer in getal,” antwoordde de groot-vizier, „des te meer reden

van troost zullen wij vinden, daar het altoos aangenamer is in goed

gezelschap dan alleen te moeten hangen.” De kalif, die gaarne een snedig

gezegde aanhoorde, kon zich bijna niet van lagchen onthouden over dit

antwoord van zijn' vizier. Hij bedwong zich echter, en keerde het oor

naar de opening der deur, om de schoone Perziane te hooren spelen.

Wat hij hoorde, overtrof zijne verwachting. Zij begeleidde haar

instrument met eene heerlijke stem, en speelde zoo meesterlijk, dat

de Beheerscher der geloovigen in verrukking werd gebragt. Zoodra zij

ophield met spelen en zingen, gaf hij zijn' vizier een' wenk, om met hem

naar beneden te gaan, en sprak tot hem: „Schooner stem en meesterlijker

spel heb ik nooit gehoord! Izaäk, dien ik voor den eersten luitspeler

van de wereld hield, heeft in deze jonge dame zijne meesteres gevonden.

Ik ben zoo tevreden over hetgeen ik gehoord heb, dat ik daar meer van

wil hooren, en wel van meer nabij. Maar hoe zullen wij het aanleggen, om

daartoe te geraken; zal ik van mijn regt gebruik maken, en onaangemeld

binnentreden?”

„Beheerscher der geloovigen,” antwoordde de groot-vizier, „indien gij

dat doet, en Scheich Ibrahim u herkent, dan zal hij het van schrik

besterven.” „Zulks zou mij spijten,” hernam de kalif, „want hij heeft

mij vele jaren trouw gediend. Doch er komt mij iets in de gedachten,

waardoor ik welligt tot mijn doel zal kunnen geraken, zonder den goeden

ouden man te verschrikken. Wacht mij met Masrour in gindsche laan,

totdat ik terugkom.”

De nabijheid van den Tigris had den kalif in de gelegenheid gesteld,

een' kleinen tak van die rivier met de vijvers van zijnen lusthof

in verbinding te brengen, zoodat deze steeds van versch water

voorzien werden, en van visch overvloeiden. Dit wisten de Bagdadsche

visscherlieden zeer goed, en zij zouden goede zaken hebben kunnen maken,

indien zij daar hadden mogen visschen; doch dit was hun ontzegd, en de

kalif had aan Scheich Ibrahim gestreng verboden, immer een' van deze

lieden toe te laten. Maar in dien nacht had de hoop op eene rijke vangst

een' der visschers, die met zijne netten beladen daar voorbij kwam, toen

hij de poort open vond, tot eenen nachtelijken strooptocht verleid. Hij

was den tuin binnen geslopen, even voor dat de kalif daar kwam, en deze

had dit gezien. Hierop bouwde Haroun-Al-Raschid zijn plan.

De visscher had zijne netten reeds uitgeworpen en maakte zich gereed die

op te halen, toen de kalif plotseling bij hem stond. Hij herkende den

vorst niettegenstaande zijne verkleeding, wierp zich terstond aan zijne

voeten, en bad om vergiffenis, waarbij hij zich beriep op zijne armoede,

die hem, toen hij de poort open had gevonden, tot dezen nachtelijken

togt had verlokt. „Sta op, en heb geene vrees,” sprak de kalif, „doch

haal uwe netten op, ik wil zien, wat gij gevangen hebt?” De visscher

hier door gerust gesteld, haastte zich aan het bevel van den kalif te

voldoen. Zijne vangst bestond in vijf of zes zeer schoone visschen. De

kalif koos er de twee grootsten uit, liet de koppen bijeen binden, en

zeide toen tot den visscher: „Geef mij uw kleed, neem gij het mijne, pak

uwe netten bij elkander, en spoed u heen.”

De arme visscher vertrok zeer verblijd over zijn goed geluk, dat hem,

behalve de drie nog overige visschen, voor zijne oude plunje, een goed

pak kleeren had verschaft. De kalif voegde zich, de twee visschen in de

hand dragende, weder bij Giafar en Masrour, en plaatste zich weder voor

den groot-vizier die hem niet herkende. „Wat zoekt gij hier nachtdief,”

zeide hij barsch, „pak u dadelijk voort, eer dat u iets erger overkomt!”

De kalif kon zich niet van lagchen onthouden, waardoor Giafar hem

herkende. „Beheerscher der geloovigen,” riep hij uit, „is het mogelijk

dat gij het zijt? Ik herkende u niet, en moet u duizendmalen om

verschooning vragen voor mijne onwellevendheid. Gij kunt u echter thans

gerust in de zaal laten zien, zonder bevreesd te zijn, dat Scheich

Ibrahim u in dat visschersgewaad zoeken zal.” „Blijft gij dan nog hier

met Masrour,” beval de kalif, „terwijl ik mijn rol ga spelen.”

De vorst klom den trap op, en klopte aan de deur der zaal. „Daar is

iemand aan de deur,” zeide Noureddin, die het kloppen het eerst hoorde,

tot zijn' gastheer. „Wie is daar?” riep Scheich Ibrahim, zoo barsch

mogelijk. De kalif stootte de deur open, en deed eene schrede in de

zaal, waarna hij staan bleef. „Scheich Ibrahim,” gaf hij nu ten

antwoord, „ik ben de visscher Kerim. Daar ik bemerkte, dat gij uwe

vrienden onthaaldet, dacht ik dat deze visschen u misschien welkom

zouden zijn; ze zijn zoo even gevangen.”

Noureddin en de schoone Perziane werden belust, toen zij van visch

hoorden spreken. „Scheich Ibrahim,” zeide de laatste, „doe mij het

genoegen dien man binnen te roepen, dat wij zijne visschen eens zien?”

Scheich Ibrahim was niet meer in staat, om aan den gewaanden visscher te

vragen, hoe en langs welken weg hij daar was gekomen; daartoe had hij te

veel gedronken. Hij was op niets anders bedacht, dan om aan de schoone

Perziane zijn hof te maken. Niet zonder moeite keerde hij het hoofd naar

de deur, en zeide al stamelende tot den kalif, dien hij werkelijk voor

een visscher aanzag: „Kom nader nachtdief, opdat wij u zien kunnen.”

De kalif, al de manieren van een' visscher namakende, kwam naderbij, en

bood zijne twee visschen met veel takt te koop aan. „Ziedaar een paar

heerlijke visschen,” zeide de schoone Perziane; „indien zij toebereid

waren, zou ik er met smaak van eten.” „Mevrouw heeft gelijk,” liet

Scheich Ibrahim daarop volgen; „zoo kunnen wij uwe visschen niet

gebruiken, vriend. Wilt gij dat ik ze koopen zal, zoo moet gij ze eerst

zelf toebereiden, waartoe gij in mijne keuken al het noodige vinden

zult.”

De kalif ging zijn' groot-vizier weder opzoeken. „Giafar,” zeide hij,

„ik ben zeer goed ontvangen geworden; maar men verlangt van mij, dat ik

deze visschen zelf zal toebereiden; want Scheich Ibrahim is zoo zeer

door den wijn en de liefde bevangen, dat hij niet meer weet, wat hij

doet of zegt, en geen' anderen wil heeft, dan die van de schoone jonge

dame, aan wier zijde hij gezeten is.” „Geef mij de visschen,” gaf de

groot-vizier ten antwoord, „ik zal ze met spoed laten gereed maken;

binnen een half uur ben ik terug.” „Neen,” hernam de kalif, „de zaak

gaat mij zoo zeer ter harte, dat ik mij de moeite der bereiding wel wil

getroosten. Daar ik in mijne visschersrol zoo goed geslaagd ben, zal ik

ook die van kok wel weten waar te nemen.” Dit zeggende begaf hij zich

naar de woning van Scheich Ibrahim, gevolgd door den groot-vizier en

Masrour.

Alle drie sloegen zij de handen aan het werk, en daar de keuken van

Scheich Ibrahim, hoewel niet groot, ruim voorzien was van alles, wat

zij konden noodig hebben, was de schotel met visch weldra toebereid. De

kalif droeg dien zelf op, en legde tevens bij ieder bord een citroen,

indien een der gasten mogt wenschen daarvan gebruik te maken. Vooral

Noureddin en de schoone Perziane aten, tot groot vermaak van den vorst,

met goeden smaak van zijn geregt.

Toen zij hunnen eetlust bevredigd hadden, sloeg Noureddin de oogen op

den kalif, die in bescheiden houding achter tafel stond, en scheen af te

wachten, of men hem ook nog iets te bevelen had. „Visscher,” zeide

hij, „gij hebt eer van uw werk; men zou de visch niet lekkerder kunnen

wenschen, en gij hebt ons daarmede een groot genoegen gedaan.” Hierop

stak hij de hand in zijne borst en haalde er zijne beurs uit, waarin

nog dertig goudstukken waren, het overschot der veertig, welke Sangiar

bij zijn vertrek uit Balsora gegeven had. „Neem dit voor uwe moeite,”

vervolgde hij, „indien ik meer had zou ik u meer geven; ja, hadde ik u

gekend vóór dat ik mijn vaderlijk erfdeel doorbragt, zoo zou ik u op

éénmaal en voor altoos uit uwe armoede geholpen hebben; stel u echter

thans met dit weinige tevreden.”

De kalif nam de beurs aan, en zeide: „Mijn goede heer, ik kan u niet

genoeg danken voor uwe mildheid. Men is wel gelukkig, als men met zulke

brave en edelmoedige menschen te doen heeft. Echter heb ik, alvorens te

vertrekken, u nog een nederig verzoek te doen, dat ik u smeek mij toe

te staan. Ik zie daar bij mevrouw eene luit liggen, hetgeen mij doet

denken dat zij dit instrument bespeelt. Uw knecht is een hartstogtelijk

beminnaar van muzijk en zang, en bijaldien gij van haar kunt verkrijgen,

dat zij mij de gunst bewijst een enkel lied voor te dragen, zoo zal ik

hoogst gelukkig van hier gaan.”

„Schoone Perziane,” zeide Noureddin zich onmiddelijk tot haar rigtende,

„ik verzoek u dien goeden man dit vermaak te geven, en ik vertrouw,

dat gij mij zulks niet zult weigeren.” Zij nam de luit, stemde die in

weinig tijd, en speelde en zong een lied, waardoor de kalif geheel werd

weggesleept, zoodat hij ten laatste in geestvervoering uitriep: „Welk

eene stem, en welk een spel! Heeft men ooit iets voortreffelijkers

gehoord?”

Het was de gewoonte van Noureddin, alles wat zijn eigendom was, en door

dezen of genen bovenmatig werd geprezen, onbedacht weg te schenken; en

van deze dwaasheid had het ongeluk hem nog niet genezen. „Visscher,” gaf

hij op dien lofspraak ten antwoord, „ik zie wel, dat gij een kenner zijt

zooveel van muzijk als van schoone vrouwen; daar deze jonge dame u zoo

zeer behagen kan, zoo neem haar, zij is u geschonken.” Op het zelfde

oogenblik stond hij op, sloeg zijn overkleed om, en wilde vertrekken,

om den kalif, dien hij slechts voor een' armen visscher kende, in het

rustige bezit te laten van de schoone Perziane. De laatste, ten hoogste

ontsteld en verbaasd over de dwaze vrijgevigheid van Noureddin,

weêrhield hem echter. „Heer,” sprak zij hem teeder aanziende, „waar

wilt gij heen gaan? Ik bid u, herneem uwe plaats, en hoor wat ik voor

u spelen en zingen zal.” Hij deed wat zij verlangde, en nu de luit

aanslaande, en de met tranen gevulde oogen op hem gerigt houdende, zong

zij eenige verzen, waarin zij hem op hartroerenden toon de weinige

liefde verweet, die hij jegens haar liet blijken, door haar zoo

vrijwillig te verlaten, ja weg te schenken aan een' man als Kerim, in

wien ook zij niet den kalif vermoedde, maar slechts een' armen visscher

zag.

Noureddin antwoordde op deze verwijten geen enkel woord. Hij gaf door

zijn stilzwijgen te kennen, dat zijne daad hem niet berouwde. Maar de

kalif, verwonderd over hetgeen hij gehoord had, zeide tot hem: „Heer,

zooals ik bemerk, is deze wonderschoone en hoogst beminnelijke dame,

welke gij mij met zooveel edelmoedigheid ten geschenke wilt geven, uwe

slavin; gij zijt dus haar meester.” „Daar zegt gij de waarheid Kerim,”

antwoordde Noureddin, „en moge het u verbazen, dat ik zoo gereed was,

haar aan u af te staan, uwe verwondering zou ophouden, indien gij

bekend waart met al de rampen, die mij om harentwil zijn overkomen.”

„Ik verzoek u,” hernam de kalif, zijne rol van visscher steeds

voortspelende, „verpligt mij nog door de mededeeling van uwe

lotgevallen, die ik mij voorstel, dat zeer belangwekkend zullen zijn.”

Noureddin, die in grootere zaken zich zoo vrijgevig jegens den gewaanden

visscher betoond had, vond er geen bezwaar in, hem ook dit zijn laatste

verzoek toe te staan. Hij verhaalde hem zijn' geheelen levensloop, van

af het tijdstip dat zijn vader de vizier, de schoone Perziane voor den

koning van Balsora had aangekocht, zijne kennismaking met haar, en alles

wat hij sedert gedaan had, en hem bejegend was, tot hunne aankomst te

Bagdad.

„En waar wilt gij nu heen gaan?” vroeg hierop de kalif. „Dat weet ik

zelf niet,” antwoordde Noureddin, „ik zal gaan, werwaarts Allah mij

geleiden zal.” „Wilt gij naar mij hooren,” hernam de vorst „zoo zult gij

niet verder gaan, maar integendeel naar Balsora terugkeeren. Ik zal een

paar regels schrift medegeven, die gij van mijnentwege aan den koning

moet overhandigen, en ik blijf er u borg voor, dat hij, na die gelezen

te hebben, u zeer wel ontvangen, en niemand het wagen zal, u een kwaad

woord te zeggen, laat staan u eenig leed te doen.”

„Kerim,” antwoordde Noureddin met een een' glimlach en een ongeloovig

hoofdschudden, „hetgeen gij daar zegt, komt mij al zeer vreemd voor; het

is nog nooit gebeurd, dat een arme visscher gelijk gij met een' koning

briefwisseling houdt!” „Dit moet u echter niet verwonderen,” hernam de

kalif; „zijne majesteit en ik zijn te zamen opgevoed en hebben de

zelfde onderwijzers gehad, en steeds heeft er tusschen ons eene naauwe

vriendschap bestaan. Het is waar, dat de fortuin ons niet gelijkelijk

met hare gunsten bedeeld, maar hem tot koning, en mij tot visscher

gemaakt heeft; dit verschil van rang en stand heeft onze vriendschap

evenwel niet kunnen verminderen. Hij heeft mij meermalen en met aandrang

voorgesteld, om mij uit mijnen nederigen stand tot hoogen staat te

verheffen. Ik heb dit standvastig geweigerd, en mij tevreden gesteld,

om van den invloed, dien ik bij hem heb, gebruik te maken ten dienste

mijner vrienden. Nooit heb ik dat te vergeefs gedaan; laat mij slechts

begaan, en gij zult bevinden, dat ik u niet te veel gezegd heb.”

Ten halve overtuigd, maar toch nog weinig meer prijs op zijne bewering

stellende, gaf Noureddin eindelijk zijne toestemming, en daar er

schrijfgereedschap in de zaal aanwezig was, zette de kalif zich dadelijk

neder, en schreef een' brief aan den koning van Balsora, waarboven hij,

aan het uiterste einde van het blad, in zeer klein schrift, deze formule

plaatste: „_In naam van den barmhartigen God_,” ten teeken dat hij

volstrekt en zonder verzuim gehoorzaamd wilde worden.

_Brief van den kalif Haroun-Al-Raschid aan den koning van Balsora._

_„Haroun-Al-Raschid, zoon van Mahdi, zendt dezen brief aan Mohammed

Zinchi, zijn' neef. Zoodra Noureddin, zoon van den vizier Khasan,

brenger van dezen brief, u dien zal hebben overgegeven, en gij

dien zult gelezen hebben, zoo ontdoe u oogenblikkelijk van den

koninklijken mantel, hang hem dien om, en doe hem zitten op uwe

plaats. Wees gegroet.”_

De kalif vouwde en verzegelde den brief, en stelde dien aan Noureddin

ter hand, zonder hem met den inhoud bekend te maken. „Neem dezen,” zeide

hij, „en scheep u oogenblikkelijk in op het schip, dat dagelijks op dit

uur van hier naar Balsora afvaart. Aan boord kunt gij uwe nachtrust

nemen.” Noureddin nam den brief aan, en vertrok zonder ander reisgeld,

dan het weinige, dat hij bij zich droeg op het tijdstip, dat de

kamerheer Sangiar hem zijne beurs gaf. Toen de schoone Perziane hem zag

heengaan, zonk zij achterover op de sofa neder, en smolt weg in tranen.

Naauwelijks had Noureddin de zaal verlaten, of Scheich Ibrahim brak het

stilzwijgen, dat hij gedurende het voorgevallene bewaard had, en zag

den kalif, dien hij nog altoos voor een' visscher hield, aan. „Luister

eens, Kerim,” sprak hij; „gij zijt hier gekomen om ons twee visschen te

verkoopen, die op zijn meest twintig stukken koper waard zijn, en men

heeft u daarvoor gegeven eene goed gevulde beurs, benevens eene slavin.

Meent gij dat alles voor u te behouden? Ik denk daar geheel anders over!

De slavin moet ik half hebben. Wat de beurs aangaat, laat mij zien wat

daarin is, bevat zij zilvergeld, zoo zult gij daarvan een stuk voor u

nemen, maar indien het goud is, zoo neem ik dit geheel voor mij, en ik

zal u eenige koperstukken geven, die ik nog in den zak heb.”

Om hetgeen nu volgen zal op te helderen, moeten wij aanteekenen, dat

de kalif, alvorens den schotel met visch, dien hij had toebereid, op

te dragen, aan zijn' groot-vizier gelast had, zich onmiddelijk naar

het paleis te begeven, van daar vier zijner kamerdienaars en zijn

staatskleed te halen, en in de nabijheid van het pavilloen post te

vatten, totdat hij uit een der vensters in de handen zou klappen. De

groot-vizier had zich van dezen last gekweten, en was met Masrour en

de vier kamerdienaars steeds wachtende op het bestemde teeken.

Keeren wij nu tot het zoo even afgebroken gesprek terug. De vorst

altijd in zijne rol van visscher volhardende, antwoordde den

pavilloen-bewaarder vrij beslist, met te zeggen: „Scheich Ibrahim, of er

in de beurs goud of zilver is, weet ik niet; maar ik ben bereid dit met

u te deelen. Wat echter de slavin aangaat, deze begeer ik geheel voor

mij te behouden. Neemt gij genoegen in mijn voorstel, zoo zullen wij het

geld tellen en deelen; staat u dat echter niet aan, zoo zult gij niets

hebben.” Op zulk een' hoogen toon was Scheich Ibrahim nog nooit door

een' visscher toegesproken; hij gevoelde zich in zijne eer getast, en

opstuivende greep hij een' der porseleinen bekers van de tafel, en wierp

dien den kalif naar het hoofd. Het viel dezen niet moeijelijk den worp

te ontwijken, waardoor Scheich Ibrahim nog meer opgewonden werd. Hij

stond al waggelende op, nam de kaars die op de tafel stond, en klom een'

verborgen trap af om een' rotting te halen.

De kalif maakte van deze gelegenheid gebruik, om zijn visschersgewaad

met het door Giafar medegebragte kleed te verwisselen, en Scheich

Ibrahim, met een' rotting in de hand weder binnenkomende, werd door

deze plotselinge verschijning dadelijk geheel uit den droom geholpen.

Hij wierp zich voor de voeten van zijn' vorst, die hem al lagchende

vergiffenis schonk. Aan de schone Perziane beloofde de kalif eene

kamer in zijn paleis, totdat hij haar als koningin aan Noureddin zou

terugzenden.

De terugreis van Noureddin naar Balsora was voor zijn geluk te

voorspoedig. Hij kwam daar eenige dagen vroeger aan, dan iemand denken

kon, en voor hem, zooals wij zien zullen, veel te vroeg. Zonder bij

zijne bloedverwanten of vrienden aan te gaan, ging hij van het schip

regelregt naar het paleis des konings, daar hij wist, dat de koning in

den regel juist op dien dag audiëntie gaf. Het gelukte hem, den brief in

de hoogte houdende, door de menigte heen te dringen, en denzelven met

de gebruikelijke eerbewijzing den vorst te overhandigen. De koning nam

dien aan, en opende hem; maar naauwelijks had hij den inhoud gezien,

of zijne kleur verschoot. Hij kuste echter den brief tot driemalen, en

maakte zich gereed het bevel van den kalif te volbrengen, toen hij zich

weder bezon, en den brief aan den vizier Saony, den geslagen vijand van

Noureddin, ter lezing overreikte.

Saony, die Noureddin terstond herkend had, en zich reeds zeer ongerust

maakte, wat hem herwaarts mogt voeren, was, toen hij het bevel las,

dat de brief behelsde, even zeer verrast als de koning zelf. Doch daar

hij in de zaak niet minder betrokken was, zoo zon hij dadelijk op een

middel, om deze lastgeving te verijdelen. Den schijn aannemende, alsof

hij den brief niet goed kon lezen, liep hij naar een der vensters om

beter licht te hebben. Hij hield hier het papier digt voor de oogen,

scheurde er de formule bovenaan behendig af, stak die in den mond,

en slikte het reepje papier door, waarmede het teeken, dat de kalif

volstrekt gehoorzaamd wilde worden, verdwenen was.

Na deze valsche streek voegde Saony zich weder bij den koning, gaf den

brief terug, en vroeg op fluisterden toon: „En wat is nu het voornemen

van uwe majesteit?” „Te doen, wat de kalif mij beveelt,” gaf de koning

ten antwoord. „Wacht u daarvoor sire,” hernam de schelmsche vizier; „ik

erken wel het handschrift van den kalif, maar de gewone bekrachtiging

ontbreekt.” De koning had deze, toen hij den brief voor de eerste maal

las, zeer goed opgemerkt, doch daar zij nu ontbrak, meende hij zich, in

de verwarring, waarin hij verkeerde, vergist te hebben. Hij liet zich

door Saony bepraten, en gaf Noureddin in handen van zijn vizier, om met

hem naar welgevallen te handelen. Deze liet Noureddin naar zijne woning

brengen, en hem daar stokslagen geven, totdat hij voor dood bleef

liggen. In dien toestand deed hij hem naar de gevangenis vervoeren, en

in een onderaardsch hok werpen, den cipier gelastende, hem niet dan

water en brood te geven.

Tien dagen lang bleef Noureddin in zijne ellendige gevangenis, waar hij

zon noch maan aanschouwde, en eene eeuwige nacht hem omringde. Op den

elfden dag begaf Saony, die inmiddels door allerlei slinksche middelen

bij den koning het doodvonnis over Noureddin had weten te verkrijgen,

zich naar de gevangenis, vergezeld door een twintigtal zijner slaven.

Men bragt den gevangene tot hem. Zoodra Noureddin zag dat hij in de

handen van zijn' vijand was overgeleverd, voegde hij hem toe: „Gij

zegepraalt en maakt misbruik van uwe magt, maar ik stel vertrouwen in de

spreuk, welke in een van onze boeken geschreven staat: „O regter, gij

die onregtvaardig oordeelt, gedenk, dat gij zelf weldra zult geoordeeld

worden.”” „Hoe, onbeschaamde!” antwoordde Saony, „gij waagt het ook nu

nog mij te honen? Maar laat dit zoo zijn, ik vergeef het u; laat mij

overkomen wat wil, indien ik u slechts eerst, voor de oogen van geheel

Balsora, het hoofd door den beul mag zien afslaan. Want ook gij moet

weten, wat een onzer boeken zegt: „Wat is er aan gelegen, te moeten

sterven den dag na den dood zijns vijands?”” Daarna begaf hij zich naar

het koninklijk paleis, in welks front een schavot was opgerigt, en

liet Noureddin door slaven bewaakt, voor zich uitrijden. De vrees, dat

het verbitterde volk zou trachten den algemeen beminden gevangene te

bevrijden, deed den vizier allen spoed maken. Hij leverde Noureddin

dadelijk aan den beul over. Ook deze had medelijden met hem. „Heer,”

sprak hij, „ik smeek u, mij uwen dood niet toe te rekenen. Als slaaf,

ben ik in de noodzakelijkheid te gehoorzamen. Indien ik echter nog

het een of ander voor u doen kan, zoo hebt gij slechts te spreken.”

Noureddin stelde hem gerust, bedankte hem voor zijne gehechtheid, en

maakte zich gereed, om den doodelijken slag te ontvangen. Nog slechts

een wenk des konings, en het ware met zijn leven gedaan!..... Daar

verschijnt op eenmaal in de straat, die regt op het plein van het paleis

aanliep, een troep ruiters, die in vollen galop naderen. De kalif merkte

dit dadelijk op, en niettegenstaande het onophoudelijk aandringen van

Saony, geeft hij bevel het vonnis eenige minuten op te schorsen. Hij

had den vizier Giafar herkend, en wilde eerst weten, wat deze hem kwam

zeggen.

Om de komst van dezen staatsdienaar te Balsora te verklaren, moeten wij

mededeelen, dat de kalif, nadat Noureddin met den brief was vertrokken,

er de eerstvolgende dagen in het geheel niet aan gedacht had, om hem te

bevestigen in zijn koningschap (waarvan hij tot de schoone Perziane

gesproken had) door een' kourier naar Balsora hem achterna te zenden.

Eens echter, dat hij zich naar zijne kamer begaf, hoorde hij in de

vrouwenvertrekken eene zeer schoone stem; hij bleef staan om te

luisteren, maar naauwelijks had hij de eerste woorden aangehoord, of

hij vroeg aan Masrour, den opperste der gesnedenen, die hem volgde,

welke vrouw daar zoo fraai zong. „Sire,” antwoordde Masrour, „het is de

schoone slavin van dien jongen heer, wien het uwer majesteit behaagd

heeft naar Balsora te zenden, om daar koning te zijn in de plaats van

Mohammed Zinchi.”

„Ach! arme Noureddin,” riep de sultan nu uit, „hoe heb ik u vergeten!

Spoed u,” vervolgde hij tot Masrour, „laat de vizier Giafar zich

onmiddelijk naar Balsora begeven; en is Noureddin niet meer in het land

der levenden, heeft men hem doen sterven, zoo doe hij den vizier Saony

oogenblikkelijk ophangen. Leeft hij echter nog, zoo zal hij den koning,

diens vizier en Noureddin voor mij brengen.”

De groot-vizier had naauwelijks dit bevel vernomen, of hij spoedde zich

met zijn gevolg naar Balsora, om daar nog juist bij tijds aan te komen.

De koning van Balsora ontving hem bij den ingang van zijn paleis met de

meeste onderscheiding, en vroeg dadelijk naar het doel zijner zending.

„Haroun-Al-Raschid,” sprak Giafar, „doet u vragen of Noureddin, de zoon

van Khasan, nog leeft?” De koning beantwoordde deze vraag toestemmend,

en deed den gevangene voorbrengen. Onmiddelijk liet Giafar hem van zijne

boeijen ontdoen, en die Saony aanleggen. Slechts één dag hield hij zich

te Balsora op; hij vertrok reeds den volgenden morgen, om zoo spoedig

mogelijk den Beheerscher der geloovigen gerust te stellen, en hem

Mohammed Zinchi, Noureddin en Saony over te leveren. Hij deelde hem

alles mede, wat Noureddin van den koning van Balsora, daartoe door Saony

aangedreven, had moeten verduren.

De kalif stelde daarop den boozen vizier geheel in Noureddin's handen,

en toen deze weigerde hem persoonlijk te dooden, liet hij hem reeds den

volgenden dag op een van Bagdad's pleinen door beulshanden onthoofden.

Aan Noureddin gaf Haroun-Al-Raschid zijn verlangen te kennen, dat

hij naar Balsora zou terugkeeren, om daar als koning te heerschen.

„Beheerscher der geloovigen,” gaf deze ten antwoord, „in de stad Balsora

te wonen, is mij, na al het voorgevallene, ondoenlijk geworden. Ik

verzoek daarom uwe majesteit mij in haren persoonlijken dienst te

nemen.” De kalif gaf aan dezen wensch gehoor, en verhief Noureddin tot

zijnen meest begunstigden hoveling, terwijl hij hem de schoone Perziane

terug gaf. Hij schonk hem bovendien zoo vele goederen, dat Noureddin

spoedig zijn vroeger lijden vergeten was. Wat de koning van Balsora

betreft, de kalif stelde zich tevreden hem voor te houden, van hoeveel

belang het voor een' vorst is, goede staatsdienaren te kiezen. Met deze

les zond hij hem naar zijn koningrijk terug.

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel · 第 10 / 12 题