#EERSTE DEEL.#
Bladz.
~Inleiding~ 1
De Ezel, de Os en de Koopman 18
~De Koopman en de Geest~ 29
Geschiedenis van den Eersten Grijsaard en v. d. Hinde 37
Geschiedenis van den Tweeden Grijsaard en v. d. Twee
Zwarte Honden 44
~Geschiedenis van den Visscher~ 50, 72
Geschiedenis van den Griekschen Koning en den
Geneesheer Douban 58, 64, 67
Geschiedenis van den Man en den Papegaai 62
Geschiedenis van den Gestraften Vizier 65
Geschiedenis v. d. Jongen Koning der Zwarte Eilanden 84
~Geschiedenis van de Drie Calenders~ 99
Geschiedenis van den Eersten Calender 127
Geschiedenis van den Tweeden Calender 137, 158
Geschiedenis van den Nijdigaard en den Benijde 152
Geschiedenis van den Derden Calender 174
#TWEEDE DEEL.#
~Geschiedenis van de Vijf Dames van Bagdad~
Geschiedenis van Zobeïde 1
Geschiedenis van Amine 15
~Geschiedenis van Sindbad den Zeeman~ 30
Eerste Reis van Sindbad den Zeeman 34
Tweede „ „ „ „ „ 43
Derde „ „ „ „ „ 52
Vierde „ „ „ „ „ 64
Vijfde „ „ „ „ „ 77
Zesde „ „ „ „ „ 84
Zevende „ „ „ „ „ 95
~De drie Appelen~ 103
Geschiedenis van de Vermoorde Dame 109
Geschiedenis v. Noureddin Ali en v. Bedreddin Hassan 116
#DERDE DEEL.#
~Geschiedenis v. d. Kleinen Gebogchelde~ 1 en 148
Geschiedenis verhaald door den Christen Koopman 11
Geschiedenis verhaald door den Muzelmanschen Koopman 32
Geschiedenis verhaald door den Joodschen Geneesheer 50
Geschiedenis verhaald door den Kleêrmaker 69
Geschiedenis van den Barbier 93
Geschiedenis v. d. Eersten Broeder v. d. Barbier 96
Geschiedenis v. d. Tweeden Broeder v. d. Barbier 102
Geschiedenis v. d. Derden Broeder v. d. Barbier 111
Geschiedenis v. d. Vierden Broeder v. d. Barbier 118
Geschiedenis v. d. Vijfden Broeder v. d. Barbier 124
Geschiedenis v. d. Zesden Broeder v. d. Barbier 138
~Geschiedenis van Aboul-Hassan en Schemselnihar~ 152
#VIERDE DEEL.#
~Geschiedenis van den Prins Camaralzaman en van de
Prinses Badoura~ 1 en 50
Geschiedenis van Marzavan 38
Geschiedenis van de Prinsen Amgiad en Assad 90
~Geschiedenis van Noureddin en van de Schoone Perziane~ 148
+--------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |
| |
| Bron (B:) -- Correctie (C:) |
| |
| B: gij zoo vurig verlangt. |
| C: gij zoo vurig verlangt.” |
| B: mogen onderwijzen Zij leerden |
| C: mogen onderwijzen. Zij leerden |
| B: moeten komen In plaats van met |
| C: moeten komen. In plaats van met |
| B: spreken. Hier hield de prins op, |
| C: spreken.” Hier hield de prins op, |
| B: geval zal zijn De zaak is |
| C: geval zal zijn. De zaak is |
| B: Camaralzamen had plaats gevonden, |
| C: Camaralzaman had plaats gevonden, |
| B: hem wilde toepassen. „Mevrouw, ging |
| C: hem wilde toepassen. „Mevrouw,” ging |
| B: nieuwe weigering was „Mevrouw,” |
| C: nieuwe weigering was. „Mevrouw,” |
| B: de bewuste huwelijkzaak weder op |
| C: de bewuste huwelijkszaak weder op |
| B: „Mijn zoon, zeide zij, |
| C: „Mijn zoon,” zeide zij, |
| B: geslacht, dat met voo veel roem |
| C: geslacht, dat met zoo veel roem |
| B: voorkwam Maimoune „Gevreesde Maimoune!” |
| C: voorkwam Maimoune. „Gevreesde Maimoune!” |
| B: zoeken Het eerste paleis is van |
| C: zoeken. Het eerste paleis is van |
| B: voor elk huweluk aan den dag |
| C: voor elk huwelijk aan den dag |
| B: want niet tegenstaande mijn boos |
| C: want niettegenstaande mijn boos |
| B: antwoorden barstte Maimone in een |
| C: antwoorden barstte Maimoune in een |
| B: niet; dat ook uwe prinses |
| C: niet, dat ook uwe prinses |
| B: geest kwam te voorschijn Hij was |
| C: geest kwam te voorschijn. Hij was |
| B: volmaakte is” |
| C: volmaakte is.” |
| B: Dit zeggende, kustte hij haar op het |
| C: Dit zeggende, kuste hij haar op het |
| B: den raad toevoegde. De prins Camaralzaman |
| C: den raad toevoegde.” De prins Camaralzaman |
| B: mij dan.” Hierop wendde hij |
| C: mij dan.” Hierop wendde zij |
| B: zijn' groot-vizier, een zeer treurig |
| C: zijn' groot-vizier, „een zeer treurig |
| B: geloerd hebt, zeer goed afgespeeld, |
| C: geleerd hebt, zeer goed afgespeeld, |
| B: hem vernemen zou „Welnu,” vroeg de |
| C: hem vernemen zou. „Welnu,” vroeg de |
| B: gesteld is, zeide hij met een' |
| C: gesteld is,” zeide hij met een' |
| B: zag nu den groot vizier aan, alsof |
| C: zag nu den groot-vizier aan, alsof |
| B: „Sire, gaf de prins ten |
| C: „Sire,” gaf de prins ten |
| B: kwamen toeschieten Zij omringden haar |
| C: kwamen toeschieten. Zij omringden haar |
| B: het oog. „Mevrouw, zeide zij, „de |
| C: het oog. „Mevrouw,” zeide zij, „de |
| B: de schoonste en welgemaakste ridder |
| C: de schoonste en welgemaaktste ridder |
| B: vallen. „Sire, zeide zij tegen haren |
| C: vallen. „Sire,” zeide zij tegen haren |
| B: mag laten zien.” „Dochter, hernam |
| C: mag laten zien.” „Dochter,” hernam |
| B: Schahzaman. „Sire, zeide hij, |
| C: koning van China. „Sire,” zeide hij, |
| B: aan de naburige hoven bekendmaken |
| C: aan de naburige hoven bekendmaken. |
| B: de diepte der zee te werpen. |
| C: de diepte der zee te werpen.” |
| B: honderd vijftig sterrekijkers |
| C: honderd-vijftig sterrekijkers |
| B: getrokken had |
| C: getrokken had. |
| B: daar ten toon gesteld waren Zoodra |
| C: daar ten toon gesteld waren. Zoodra |
| B: steeds hartelijk liefhad Hij zond |
| C: steeds hartelijk liefhad. Hij zond |
| B: zeide zij toen, ik kan u dit |
| C: zeide zij toen, „ik kan u dit |
| B: paleis De gesnedene niet anders |
| C: paleis. De gesnedene niet anders |
| B: zeide zij tot hem, en ontbloot uw |
| C: zeide zij tot hem, „en ontbloot uw |
| B: worstelden, drong hen in de ooren, |
| C: worstelden, drongen hen in de ooren, |
| B: men hem aan den groot vizier voor, |
| C: men hem aan den groot-vizier voor, |
| B: rouw dompelt” „Indien ik met de |
| C: rouw dompelt.” „Indien ik met de |
| B: slagen. „Gij prins, ging hij voort, |
| C: slagen. „Gij prins,” ging hij voort, |
| B: van den koning Schazaman vierden feest. |
| C: van den koning Schahzaman vierden feest. |
| B: maken Toen alles gereed was, omhelsde |
| C: maken. Toen alles gereed was, omhelsde |
| B: verwijderden de prins Camaralzamen en Marzavan, |
| C: verwijderden de prins Camaralzaman en Marzavan, |
| B: De prins van Marzavan, ruim voorzien |
| C: De prins en Marzavan, ruim voorzien |
| B: zou hebben gedaan Maar hoe zulks |
| C: zou hebben gedaan. Maar hoe zulks |
| B: prins Camaralzaman, ik ben uwer majesteit |
| C: prins Camaralzaman, „ik ben uwer majesteit |
| B: weder in te halen „Wat loopt gij |
| C: weder in te halen. „Wat loopt gij |
| B: spottenden toon!] terwijl hij hem |
| C: spottenden toon, terwijl hij hem |
| B: vinden. Onder dit gesprek kwamen |
| C: vinden.” Onder dit gesprek kwamen |
| B: ik ook verlang, hernam de prins, |
| C: ik ook verlang,” hernam de prins, |
| B: haar te zien” Hij verhaalde vervolgens |
| C: haar te zien.” Hij verhaalde vervolgens |
| B: deed het hem openen Hij |
| C: deed het hem openen. Hij |
| B: niet kende „Deze kornalijn” sprak hij |
| C: niet kende. „Deze kornalijn”, sprak hij |
| B: drong. De prins scheen hiervan |
| C: droeg. De prins scheen hiervan |
| B: zich zelven, hoe zal ik terugkeeren? |
| C: zich zelven, „hoe zal ik terugkeeren? |
| B: te brengen onder den boom; waarop |
| C: te brengen onder den boom, waarop |
| B: in te wachten Maar ook steeds |
| C: in te wachten. Maar ook steeds |
| B: het kamp terugvindne, en was misschien |
| C: het kamp terugvinden, en was misschien |
| B: schuilplaats heeft doen aanlanden. |
| C: schuilplaats heeft doen aanlanden.” |
| B: geen begrip vormen Hoe groot echter |
| C: geen begrip vormen. Hoe groot echter |
| B: den vader toedroeg Hij ging hem met |
| C: den vader toedroeg. Hij ging hem met |
| B: zijn' vader zou aantreffen |
| C: zijn' vader zou aantreffen. |
| B: toorn, en willigt aan de wraakzucht |
| C: toorn, en welligt aan de wraakzucht |
| B: Badoura haren boezem. „Oordeel nu |
| C: Badoura haren boezem. „Oordeel nu, |
| B: roover werpende, gij leefdet om |
| C: roover werpende, „gij leefdet om |
| B: prinses,” juichte hij, dit gelukkige |
| C: prinses,” juichte hij, „dit gelukkige |
| B: een' gerusten slaap; zooals hij in |
| C: een' gerusten slaap, zooals hij in |
| B: zou willen toeëigenen, Dan |
| C: zou willen toeëigenen, dan |
| B: vazen voor zijn aandeel Na deze |
| C: vazen voor zijn aandeel. Na deze |
| B: had terug gekregen De tuinman zag |
| C: had terug gekregen. De tuinman zag |
| B: alleen ter aarde. Vervolgens spoede |
| C: alleen ter aarde. Vervolgens spoedde |
| B: dat hem ter hand komen. |
| C: dat hem ter hand komen.” |
| B: niet op,” zeide de prinses hem op |
| C: niet op,” zeide de prinses, hem op |
| B: welk toeval, de talisman aanleiding |
| C: welk toeval de talisman aanleiding |
| B: hem te zerzoeken, haar met |
| C: hem te verzoeken, haar met |
| B: „Sire, ging de prinses voort, |
| C: „Sire,” ging de prinses voort, |
| B: tot den prins Camaralzaman, zeide hij; |
| C: tot den prins Camaralzaman, zeide hij: |
| B: troon te bestijgen. „Sire,” antwoordde |
| C: troon te bestijgen.” „Sire,” antwoordde |
| B: zoo hadden zij, de zelfde officieren, |
| C: zoo hadden zij de zelfde officieren, |
| B: van de koningin Haïatalnefous Amgiad |
| C: van de koningin Haïatalnefous. Amgiad |
| B: hij uitriep: „Hoe! trouwelooze, betracht |
| C: hij uitriep: „Hoe, trouwelooze, betracht |
| B: aan u wilden vergrijpen Doch uwe majesteit |
| C: aan u wilden vergrijpen. Doch uwe majesteit |
| B: moest gehoorzamen Hij haalde de prinsen |
| C: moest gehoorzamen. Hij haalde de prinsen |
| B: de prin-een, „en wel, dat gij |
| C: de prinsen, „en wel, dat gij |
| B: broeder,” antwoorde Assad; „voor de |
| C: broeder,” antwoordde Assad; „voor de |
| B: wiep. Toen het roofdier echter |
| C: wierp. Toen het roofdier echter |
| B: gezegd kunnen worden; dat de emir Giondar |
| C: gezegd kunnen worden, dat de emir Giondar |
| B: nimmer toe overgaan, sprak hij |
| C: nimmer toe overgaan,” sprak hij |
| B: onderrigt is geweest.” |
| C: onderrigt is geweest.”” |
| B: bevende hand taste hij nu ook |
| C: bevende hand tastte hij nu ook |
| B: zelven kwam. Hij sloog zich op de borst, |
| C: zelven kwam. Hij sloeg zich op de borst, |
| B: zoo hoog en stijl |
| C: zoo hoog en steil |
| B: „Broeder, zeide hij tot Amgiad, |
| C: „Broeder,” zeide hij tot Amgiad, |
| B: hier sterven. Rust hier uit, |
| C: hier sterven.” „Rust hier uit, |
| B: bij hem neder, maar laat den moed |
| C: bij hem neder, „maar laat den moed |
| B: half uur rustens, deed Assad eene |
| C: half uur rustens deed Assad eene |
| B: gaat naar het u bewuste kerkerhol; |
| C: „gaat naar het u bewuste kerkerhol; |
| B: aanbidsters van het vuur te zijn. |
| C: aanbidsters van het vuur te zijn.” |
| B: van den berg wachten Hij durfde die |
| C: van den berg wachten. Hij durfde die |
| B: te verstrikken; opdat gij uitgaande, |
| C: te verstrikken, opdat gij uitgaande, |
| B: nemen Amgiad ten hoogste bedroefd |
| C: nemen.” Amgiad, ten hoogste bedroefd |
| B: bieden. „Mejufvrouw, gaf hij zonder |
| C: bieden. „Mejufvrouw,” gaf hij zonder |
| B: halen. De dame nog meer vermoeid |
| C: halen. De dame, nog meer vermoeid |
| B: gij ziet, mejufvrouw,” antwoordde de |
| C: gij ziet, Mejufvrouw,” antwoordde de |
| B: Amgiad de deur open ziende, beschouwde |
| C: Amgiad, de deur open ziende, beschouwde |
| B: riep de dame, of moet ik u halen? |
| C: riep de dame, „of moet ik u halen? |
| B: afwachten, als daar buiten” |
| C: afwachten, als daar buiten.” |
| B: was net bestraat. en kwam in eene |
| C: was net bestraat, en kwam in eene |
| B: zijn op uwe beminde Verleen mij |
| C: zijn op uwe beminde. Verleen mij |
| B: het daar niet aan Laat ons |
| C: het daar niet aan. Laat ons |
| B: voortgesteld, besloot hij eene grap |
| C: voorgesteld, besloot hij eene grap |
| B: misleidde. „Prins, zeide hij daarom, |
| C: misleidde. „Prins,” zeide hij daarom, |
| B: in gezelschap vond Hij wierp zich aan |
| C: in gezelschap vond. Hij wierp zich aan |
| B: antwoord, wat verlangt gij?” |
| C: antwoord, „wat verlangt gij?” |
| B: „Dat zal ik, antwoordde Amgiad. |
| C: „Dat zal ik,” antwoordde Amgiad. |
| B: „Prins,” zeide Bahader van dankbaarheid |
| C: „Prins,” zeide Bahader, van dankbaarheid |
| B: den prins nu dui-lijk, dat zijn |
| C: den prins nu duidelijk, dat zijn |
| B: den schuldige boet” Zonder verdere |
| C: den schuldige boet.” Zonder verdere |
| B: stroomde, en hem dus den weg wees |
| C: stroomde, en hem dus den weg wees. |
| B: opregtheid van den verhaler. „Prins, |
| C: opregtheid van den verhaler. „Prins,” |
| B: geheele rijk te laten opsporen. |
| C: geheele rijk te laten opsporen.” |
| B: te kunnen aan- eggen. Bovenal gaf |
| C: te kunnen aanleggen. Bovenal gaf |
| B: aan haar te verkoopen Ik wil hem dan |
| C: aan haar te verkoopen. Ik wil hem dan |
| B: hij als scheepschrijver moest voorkomen, |
| C: hij als scheepsschrijver moest voorkomen, |
| B: Behram verstoord over de gemeenzaamheid, |
| C: Behram, verstoord over de gemeenzaamheid, |
| B: en sprak: „Groot magtige koningin, |
| C: en sprak: „Grootmagtige koningin, |
| B: dem muur in de sloep bragt. |
| C: den muur in de sloep bragt. |
| B: de sloep eenen jubelkreet aan |
| C: de sloep eenen jubelkreet aan. |
| B: er echter meer, dan een half uur |
| C: er echter meer dan een half uur |
| B: De koningin Magiane ging zelve |
| C: De koningin Margiane ging zelve |
| B: zeggende wierp hij zich als |
| C: zeggende, wierp hij zich als |
| B: zoodat hij hand noch, vinger verroeren |
| C: zoodat hij hand noch vinger verroeren |
| B: met een kleed overdekte, op eene draagbaar |
| C: met een kleed overdekt, op eene draagbaar |
| B: zieke matroos was Hij zou deze |
| C: zieke matroos was. Hij zou deze |
| B: mede te deelen Dit verslag deed |
| C: mede te deelen. Dit verslag deed |
| B: gedaan had Zijn klagen en kermen, |
| C: gedaan had. Zijn klagen en kermen, |
| B: werktuig harer wreedheid van zich, „ik |
| C: werktuig harer wreedheid, van zich, „ik |
| B: heb, Mijn gevoel verzette er |
| C: heb. Mijn gevoel verzette er |
| B: hetgeen zij mij met goeden uitlag heeft |
| C: hetgeen zij mij met goeden uitleg heeft |
| B: voornemens te versterken Na haar zijnen |
| C: voornemens te versterken. Na haar zijnen |
| B: te hebben, deed, hij haar een |
| C: te hebben, deed hij haar een |
| B: werd gevolgd, wilde Bastame zich |
| C: werd gevolgd, wilde Bastane zich |
| B: en aanhooren Zij bemerkte al spoedig |
| C: en aanhooren Zij bemerkte al spoedig |
| B: die zich nog niet ver- van |
| C: die zich nog niet ver van |
| B: zijnen eersten staats minister, en maakte |
| C: zijnen eersten staats-minister, en maakte |
| B: Ebbenhout-eiland bij Camaralzaman, hunnen |
| C: Ebbenhout eiland bij Camaralzaman, hunnen |
| B: bevolking der hoofstad in beweging |
| C: bevolking der hoofdstad in beweging |
| B: majesteit nederlegd, doch nu er |
| C: majesteit nedergelegd, doch nu er |
| B: het antwoord, „Gaiour, koning van |
| C: het antwoord, „Gaïour, koning van |
| B: zich verpligten. |
| C: zich verpligten.” |
| B: en gelastte zijnen zonen |
| C: en gelastte zijne zonen |
| B: plaatse, hunne terugkomst zou |
| C: plaatse hunne terugkomst zou |
| B: daarvan zeer aan u verpligten. |
| C: daarvan zeer aan u verpligten.” |
| B: zijnde leger, geen ander |
| C: zijnde leger geen ander |
| B: vorst het in persoon aanvoerde |
| C: vorst het in persoon aanvoerde |
| B: vaderliefde, zich in al |
| C: vaderliefde zich in al |
| B: Haroun-al-Raschid, regeerde aldaar |
| C: Haroun-Al-Raschid, regeerde aldaar |
| B: met de dieren gelijk stellen. |
| C: met de dieren gelijk stellen.” |
| B: naar wenschte, op te sporen. |
| C: haar wenschte, op te sporen. |
| B: koopman was aangenomen, die eene |
| C: koopman was aangekomen, die eene |
| B: zij zeker allen overtrof. |
| C: zij zeker allen overtrof, |
| B: verlangde hoedanigheden overtrof Hij |
| C: verlangde hoedanigheden overtrof. Hij |
| B: „Heer” antwoordde de makelaar, „de |
| C: „Heer,” antwoordde de makelaar, „de |
| B: zou men haars gelijken zoeken. |
| C: zou men haars gelijken zoeken.” |
| B: een zijner bedieden naar de karavanserai, |
| C: een zijner bedienden naar de karavanserai, |
| B: opvatte, en dienstig, vond deze |
| C: opvatte, en dienstig vond deze |
| B: tegen te gaan. „Mijn zoon, |
| C: tegen te gaan. „Mijn zoon,” |
| B: vizier gaf zich, in deze zaak te |
| C: vizier gaf zich in deze zaak te |
| B: Khassan had toegeschenen, zoo zelfs, |
| C: Khasan had toegeschenen, zoo zelfs, |
| B: schaduw gesteld te worden.” „Mavrouw,” |
| C: schaduw gesteld te worden.” „Mevrouw,” |
| B: en deze haastte zich het benoodigde |
| C: en deze haastten zich het benoodigde |
| B: niet vergeten Mevrouw, hernam nogmaals de |
| C: niet vergeten Mevrouw,” hernam nogmaals de |
| B: hare slavinnen bersten in een luid |
| C: hare slavinnen berstten in een luid |
| B: zeer droefgeestig te zijn Hij |
| C: zeer droefgeestig te zijn. Hij |
| B: volstrekt weten; wat hier is voorgevallen, |
| C: volstrekt weten, wat hier is voorgevallen, |
| B: ten geschenke gegeven Zijn zoon, |
| C: ten geschenke gegeven. Zijn zoon, |
| B: viziersvrouw ten antwoord „ik kan niet |
| C: viziersvrouw ten antwoord, „ik kan niet |
| B: zijt geworden De koning zal u op uw woord |
| C: zijt geworden. De koning zal u op uw woord |
| B: regterstoel zullen moeten verschijnen. |
| C: regterstoel zullen moeten verschijnen.” |
| B: kustte die, om daardoor het bewijs |
| C: kuste die, om daardoor het bewijs |
| B: met de wetten der zamenleving; indien wij |
| C: met de wetten der zamenleving, indien wij |
| B: gevoel dat medebrengt Wanneer |
| C: gevoel dat medebrengt. Wanneer |
| B: In het beging ging alles goed, |
| C: In het begin ging alles goed, |
| B: „Heer,” zeide zij dan tot hem |
| C: „Heer,” zeide zij dan tot hem, |
| B: zonder er vrienden op te onthalen. |
| C: zonder er vrienden op te onthalen.” |
| B: mij heên te gaan.” En wat verpligt u, |
| C: mij heên te gaan.” „En wat verpligt u, |
| B: gevolgen moet ondervinden Ik bedroog |
| C: gevolgen moet ondervinden. Ik bedroog |
| B: daaromtrent niets kunt verwijten Wanneer |
| C: daaromtrent niets kunt verwijten. Wanneer |
| B: geluk moeten zijn. „Gij wildet echter |
| C: geluk moeten zijn. Gij wildet echter |
| B: zijn,” „Heer,” antwoordde de schoone |
| C: zijn.” „Heer,” antwoordde de schoone |
| B: niet in weelde en ovevloed kunnen |
| C: niet in weelde en overvloed kunnen |
| B: „Dezelfde,” antwoorde Noureddin. |
| C: „Dezelfde,” antwoordde Noureddin. |
| B: Daarop verlaten zij de kamer, |
| C: Daarop verlieten zij de kamer, |
| B: slavin te toonen Het was het gebruik, |
| C: slavin te toonen. Het was het gebruik, |
| B: vóór dat de toeslag valt” „Ik geef dat |
| C: vóór dat de toeslag valt.” „Ik geef dat |
| B: hernam Hagi Hassan, bij den |
| C: hernam Hagi Hassan, „bij den |
| B: zijn paard staande De tegenwoordigheid van |
| C: zijn paard staande. De tegenwoordigheid van |
| B: vijand mijns vaders Ik ben dringend |
| C: vijand mijns vaders. Ik ben dringend |
| B: daar hebt laten hêenvoeren, om uwen |
| C: daar hebt laten heênvoeren, om uwen |
| B: den mond halen” |
| C: den mond halen.” |
| B: den vizier Khazan, haar liet verkoopen. |
| C: den vizier Khasan, haar liet verkoopen. |
| B: vervolgens in den baklagenswaardigen |
| C: vervolgens in den beklagenswaardigen |
| B: oogenblik!” En waarvoor zou ik te vreezen |
| C: oogenblik!” „En waarvoor zou ik te vreezen |
| B: zijn' vizier Sanoy met |
| C: zijn' vizier Saony met |
| B: om zich, en sprak hem |
| C: om zich, en sprak hen |
| B: schilderijen pavilloen, omdat dit koepelvormige |
| C: schilderijen-pavilloen, omdat dit koepelvormige |
| B: inderdaad strafschuldig zijn” Hij ligtte nu het |
| C: inderdaad strafschuldig zijn.” Hij ligtte nu het |
| B: voor mijne moeite behouden. |
| C: voor mijne moeite behouden.” |
| B: beter begrijpen? „Gij bedoelt welligt |
| C: beter begrijpen?” „Gij bedoelt welligt |
| B: hebben in uwen tuin, vervolgde Noureddin, |
| C: hebben in uwen tuin,” vervolgde Noureddin, |
| B: wijn verkoopt Gij behoeft dit wijnhuis |
| C: wijn verkoopt. Gij behoeft dit wijnhuis |
| B: verstaat u op die zaken |
| C: verstaat u op die zaken. |
| B: ontbreekt nog iets.” En wat mag |
| C: ontbreekt nog iets.” „En wat mag |
| B: om uit te drinken, hernam |
| C: om uit te drinken,” hernam |
| B: en kondet gij ons tevens bij |
| C: „en kondet gij ons tevens bij |
| B: zilveren bokalen prijkten Noureddin noodigde |
| C: zilveren bokalen prijkten. Noureddin noodigde |
| B: zoo vrolijk te zien” „O, Scheich Ibrahim,” |
| C: zoo vrolijk te zien.” „O, Scheich Ibrahim,” |
| B: grijsaard dronk gaare zijn' beker wijn, |
| C: grijsaard dronk gaarne zijn' beker wijn, |
| B: uit hare hand ontving. „Bij |
| C: uit hare hand ontving. Bij |
| B: mijne verleidster was. |
| C: mijne verleidster was.” |
| B: al de tachtig kaaren aan te |
| C: al de tachtig kaarsen aan te |
| B: Ibrahim, vervolgde hij, „heeft waarschijnlijk |
| C: Ibrahim,” vervolgde hij, „heeft waarschijnlijk |
| B: aanspraak De tweede, dat gij de |
| C: aanspraak. De tweede, dat gij de |
| B: niet eenige goudstukken te geven „Daar |
| C: niet eenige goudstukken te geven. „Daar |
| B: niet op u laat wachten” |
| C: niet op u laat wachten.” |
| B: verlichte zaal voorviel Giafar echter |
| C: verlichte zaal voorviel. Giafar echter |
| B: half open stond, zo dat |
| C: half open stond, zo zoodat |
| B: deur plaats vat tende Scheich Ibrahim |
| C: deur plaats vat vattende Scheich Ibrahim |
| B: daartoe niet ver te gaan Hij kreeg uit |
| C: daartoe niet ver te gaan. Hij kreeg uit |
| B: zijn' groot vizier. „Giafar,” zeide |
| C: zijn' groot-vizier. „Giafar,” zeide |
| B: ge zegde aanhoorde, kon zich bijna |
| C: ge gezegde aanhoorde, kon zich bijna |
| B: besterven” „Zulks zou mij spijten,” |
| C: besterven.” „Zulks zou mij spijten,” |
| B: die hem niet herkende „Wat zoekt |
| C: die hem niet herkende. „Wat zoekt |
| B: ging zijn' groot vizier weder opzoeken. |
| C: ging zijn' groot-vizier weder opzoeken. |
| B: ben ik terug. „Neen,” hernam de kalif, |
| C: ben ik terug.” „Neen,” hernam de kalif, |
| B: iets te bevelen had. „Visscher, zeide |
| C: iets te bevelen had. „Visscher,” zeide |
| B: hij, gij hebt eer van uw werk; |
| C: hij, „gij hebt eer van uw werk; |
| B: vervolgde hij, indien ik meer had |
| C: vervolgde hij, „indien ik meer had |
| B: is u geschonken. Op het zelfde |
| C: is u geschonken.” Op het zelfde |
| B: zag |
| C: zag. |
| B: antwoordde Noureddin, ik zal gaan, werwaarts |
| C: antwoordde Noureddin, „ik zal gaan, werwaarts |
| B: u echter niet verwonderen, hernam de |
| C: u echter niet verwonderen,” hernam de |
| B: mijner vrienden Nooit heb ik dat |
| C: mijner vrienden. Nooit heb ik dat |
| B: mantel, hang hem doen om, en doe |
| C: mantel, hang hem dien om, en doe |
| B: plaats Wees gegroet.”_ |
| C: plaats. Wees gegroet.”_ |
| B: inhoud bekend te maken. Neem dezen,” |
| C: inhoud bekend te maken. „Neem dezen,” |
| B: Naauwelijks had Nourreddin de zaal verlaten, |
| C: Naauwelijks had Noureddin de zaal verlaten, |
| B: plotseling verschijning dadelijk geheel |
| C: plotselinge verschijning dadelijk geheel |
| B: „Wacht u daarvoor sire, hernam de schelmsche |
| C: „Wacht u daarvoor sire,” hernam de schelmsche |
| B: worden.” „Hoe, onbeschaamde!” antwoordde |
| C: worden.”” „Hoe, onbeschaamde!” antwoordde |
| B: den dood zijns vijands?” Daarna begaf |
| C: den dood zijns vijands?”” Daarna begaf |
| |
+--------------------------------------------------------+