GESCHIEDENIS VAN NOUREDDIN EN VAN DE SCHOONE PERZIANE.

De stad Balsora is langen tijd de hoofdstad geweest van een koningrijk,

dat aan de kalifen van Bagdad schatpligtig was. Ten tijde van kalif

Haroun-Al-Raschid, regeerde aldaar een koning, Zinneby genaamd, een

eigen neef van voornoemden kalif. Zinneby vond het niet goed het bestier

van zijn rijk aan een' enkelen vizier toe te vertrouwen, hij stelde er

twee aan, die met gelijke magt bekleed werden, Khasan en Saony.

Khasan was zachtaardig van inborst, voorkomend, en milddadig, hij

vond er behagen in, allen met wie hij iets had uit te staan aan

zich te verpligten, voor zoover dit kon plaats hebben, zonder aan de

geregtigheid, die hij moest handhaven, te kort te doen. Door die

vriendelijkheid won hij aller harten, zelfs van hen, die hij volgens

zijn ambt moest straffen, zoodat er aan het hof van Balsora, ja in de

geheele stad, bijna niemand werd gevonden, die niet met den meesten lof

van hem sprak.

Saony was van eene geheel andere inborst, hij was somber, nooit zag men

hem lagchen, of kwam er een vriendelijk woord uit zijnen mond. Hij was

terugstootend en barsch jegens iedereen, zoo wel jegens aanzienlijken

als geringen. Hij bezat groote schatten, maar wist zich daarmede geene

vrienden te maken, noch er eenig nut mede te stichten; want zijne

gierigheid overtrof alle zijne andere ondeugden, en ging zoover, dat

hij ook voor zich zelven er het noodige niet van durfde nemen. Zoo

maakte hij zich bij ieder gehaat, en men hoorde nooit iets goeds van hem

zeggen. Maar wat hem nog het meeste kwaad deed, was zijn bekende afkeer

van zijn' waardigen ambtgenoot, dien hij op alle mogelijke wijze bij den

koning zwart zocht te maken.

Nu gebeurde het eens, dat de koning van Balsora, na het sluiten van

den raad, met zijne viziers en eenige andere hovelingen een gesprek

aanknoopte over de schoone slavinnen, die bij de Arabieren de plaats van

echtgenooten vervullen, of tot minnaressen worden aangekocht. Eenige

hovelingen beweerden, dat het voldoende was, indien zoodanige slavin in

schoonheid uitmuntte, zoodat men zich door haar bezit kon troosten over

het niet altoos benijdenswaardige lot, met eene vrouw te moeten leven,

aan welke geene schoonheden waren ten deel gevallen, doch die men uit

familiebelang of om andere redenen gehuwd had.

Anderen hielden staande, (en van dat gevoelen was ook de vizier

Khasan), dat ligchamelijke schoonheid niet het eenigste was, wat men

in eene slavin moest zoeken, maar dat zulk een schoon beeld, ook met

verstand, zedigheid en andere vrouwelijke deugden en goede hoedanigheden

moest bedeeld zijn, om een' man op den duur te kunnen boeijen en

gelukkig te maken. De reden, die zij daarvoor bij bragten, was, zeiden

zij, dat een staatsman of geleerde, die vele hoofdbrekende bezigheden

heeft, na aldus den dag in arbeid en zorgen te hebben doorgebragt,

behoefte heeft aan eene gezellin, die hem in den tijd zijner verpozing,

nuttig en aangenaam weet te onderhouden, en hem aldus eene genoegelijke

afleiding kan verschaffen. „Want,” besloten zij, „eene slavin te hebben

met het eenige doel, om onze driften te bevredigen, waarin zij deelt,

zou ons met de dieren gelijk stellen.”

De koning sloot zich bij deze partij aan, en om daarvan een bewijs te

geven, droeg hij aan Khasan op, hem eene slavin te koopen, van volmaakte

schoonheid, maar tevens begaafd met al die schoone hoedanigheden, welke

men besproken had; bovenal moest zij zedig en deugdzaam zijn.

Saony, die van het tegenovergestelde gevoelen was geweest, werd zeer

naijverig op Khasan, wegens de eer, die de koning hem bewees; hij kon

zijn leed deswege niet verkroppen, en beproefde eene spaak in het wiel

te steken. „Sire,” zeide hij, „het zal zeer moeijelijk zijn eene slavin

te vinden, zoo volmaakt, als uwe majesteit verlangt. En vindt men zulk

eene volmaakte schoonheid naar ligchaam en ziel, (hetgeen ik bijna niet

kan gelooven) zoo zult gij haar nog zeer goedkoop hebben, sire, indien

gij daarvoor tien duizend goudstukken betaalt.” „Saony,” antwoordde de

koning met een' glimlach; want hij doorzag het oogmerk van zijn' vizier,

„gij vindt die som waarschijnlijk te groot: zij kan dit voor u zijn,

maar voor mij is zij dat niet.” En te gelijk gaf hij aan zijnen

groot-schatbewaarder, die mede tegenwoordig was, last, om de tien

duizend goudstukken aan het paleis van zijnen vizier Khasan te laten

bezorgen.

Toen Khasan te huis kwam, liet hij al de makelaars, die zich met den

handel in slaven en slavinnen onledig hielden, bij zich ontbieden, en

droeg hun op, zoodra zij eene slavin gevonden zouden hebben, zooals hij

hun omschreef, hem hiervan kennis te geven. De makelaars niets liever

wenschende, dan den vizier voor wien zij de hoogste achting koesterden,

te verpligten, en bovendien door eigenbelang daartoe gedrongen,

beloofden, geene moeite te zullen sparen, om eene slavin, zooals hij

haar wenschte, op te sporen. Er ging dan ook zelden een dag voorbij, dat

zij er niet eene bij hem bragten, die in schoonheid uitmuntte; maar bij

nader onderzoek vond de vizier toch altoos het een of ander gebrek.

Eens echter op een' vroegen morgen, dat Khasan zich naar het paleis

des konings begaf, om den raad bij te wonen, trad een makelaar met

overhaasting op hem toe, en deelde hem mede, dat er den vorigen avond

laat, een Perzische koopman was aangekomen, die eene slavin te koop had

van eene zoo uitstekende schoonheid, dat zij zeker allen overtrof,

welke hij tot dusverre zou gezien hebben. „En wat haren geest en

wetenschappelijke kennis aangaat,” voegde hij er bij, „de koopman

staat er voor in, dat zij daarin gerust de proef kan doorstaan.”

Khasan, verblijd wegens een berigt, dat hem hoop gaf, ditmaal welligt

zijn doel te zullen bereiken, en zich dus bij den koning groot te maken,

zeide tot den makelaar, dat hij hem na den afloop van den raad, met de

schoone slavin ten zijnent verwachtte, en dat hij, indien zij inderdaad

zoo volmaakt was als hij opgaf, op eene goede belooning kon staat maken,

waarna hij zijn' weg vervolgde.

De makelaar bleef niet in gebreke, zich op het bestemde uur aan het

paleis van den vizier te laten vinden, en Khasan vond de slavin zoo

boven verwachting schoon, dat hij haar van toen af den naam gaf van de

schoone Perziane. Daar hij zelf vlug van geest en zeer geleerd was,

behoefde hij slechts een enkel onderhoud met haar te hebben, om zich te

overtuigen, dat hij te vergeefs eene andere slavin zou zoeken, die haar

in eene der door den koning verlangde hoedanigheden overtrof. Hij vroeg

zonder eenig bedenken aan den makelaar, tot welken prijs de Perzische

koopman haar wilde laten.

„Heer,” antwoordde de makelaar, „de koopman is iemand van zijn woord, en

hij heeft mij verklaard, dat hij haar in geen geval minder kan of wil

afstaan, dan voor tienduizend goudstukken. Hij betuigde mij tevens, dat

hij zonder den tijd, de moeite en de zorg, die hij aan hare opvoeding

had ten koste gelegd, mede te rekenen, weinig minder besteed had aan de

meesters, die haar onderwezen hadden, en aan hare voeding en kleeding.

Hij had geen geld ontzien, om haar eene volmaakte opvoeding te geven;

en zij had hem door hare leerzaamheid en haar zeer vlug begrip niet in

zijne hoop teleurgesteld, zij bespeelde alle instrumenten, zij zong

verrukkelijk, zij danste betooverend, haar schrift was fraai, zij had

bijna alle bestaande boeken gelezen, en maakte zeer schoone verzen, in

een woord, zij was een toonbeeld van volmaaktheid voor alle slavinnen,

en te vergeefs zou men haars gelijken zoeken.”

De vizier Khasan kende de verdiensten van de schoone Perziane nog beter

dan de makelaar, die slechts herhaalde, wat de koopman hem daarvan

gezegd had, en begreep dus, met de zaak niet te moeten talmen. Hij zond

onmiddelijk een zijner bedienden naar de karavanserai, waar de makelaar

zeide, dat de koopman zijn' intrek had genomen, om dezen te ontbieden.

De Perzische koopman kwam met den bediende mede, en na wederzijdsche

begroeting zeide de vizier: „ik ben niet ongenegen de slavin van u te

koopen, en dit niet voor mij, maar voor den koning; gij moet echter den

prijs wat billijker stellen, uw eisch komt mij al te hoog voor.”

„Heer,” antwoordde de Perziaan, „ik zou er eene groote eer in stellen,

mijne slavin den koning, als een blijk van mijnen eerbied en hooge

achting voor zijne majesteit, ten geschenke te geven, maar mijne

omstandigheden laten zulks niet toe. Ik vraag echter niets meer dan het

geld, dat ik heb uitgegeven, om van haar te maken, wat zij is. Ik durf u

echter de verzekering geven, dat, hoewel de prijs u te hoog toeschijnt,

zijne Majesteit alle reden zal hebben, met den koop te vreden te zijn.”

De vizier Khasan, verblijd, gevonden te hebben, wat hij zocht, wilde

niet dingen, en liet aan den koopman de door hem gevorderde som ter hand

stellen. De Perziaan streek het goud op, doch alvorens heên te gaan,

zeide hij nog tot den vizier: „Heer, daar de slavin voor den koning

bestemd is, zoo veroorloof mij u te zeggen, dat de lange reis, welke ik

met haar heb moeten doen, om herwaarts te komen, haar zeer vermoeid

heeft. Hoewel nu reeds hare schoonheid onvergelijkelijk is, zult gij

echter nog geheel iets anders zien; zoo gij haar veertien dagen bij u

houdt, en zij eene zorgvuldige behandeling geniet. Indien gij haar na

dat tijdsverloop aan den koning voorstelt, zal hij meer dan te vreden

zijn, waarvoor gij mij dank zult wijten. Gij zult zelf hebben opgemerkt,

dat haar vel eenigzins door de zon en de sterke lucht bruin geworden is;

maar nadat zij twee of drie malen in het bad is geweest, zal hare huid

in glans en blankheid het albast overtreffen, en gij zult haar oneindig

schooner vinden, dan zij thans is.” Khasan nam dezen raad van den

koopman gunstig op, en besloot dien te volgen. Hij gaf de schoone

Perziane een afzonderlijk vertrek nevens dat van zijne vrouw, aan wie

hij verzocht, haar niet aan te merken en te behandelen als eene slavin,

maar als eene dame, welke den koning toebehoorde, en haar aan hare

eigene tafel te laten eten; verder droeg hij aan zijne gemalin op, voor

hare kleeding te zorgen, zoodat deze in pracht en goeden smaak niets te

wenschen zou overlaten. Alvorens van de schoone Perziane te scheiden,

zeide hij nog tot haar: „uw geluk zou niet grooter kunnen zijn; want ik

heb u voor den koning gekocht, en ik vlei mij, dat hij over uw bezit

nog meer voldaan zal zijn, dan ik dit ben, mij van den mij opgedragen

last gekweten te hebben. Gij zult echter een veertien dagen ten mijnent

blijven, opdat gij u van de vermoeijenis der reis moogt herstellen, en

ik u dus in uwe volmaakte schoonheid aan den koning kan aanbieden. Doch

om die reden moet ik u waarschuwen, dat ik een' zoon heb, dien het niet

aan verstand en ligchamelijke schoonheid ontbreekt, maar jong, dartel en

ondernemend is; neem u dus wel voor hem in acht.” De schoone Perziane

bedankte den vizier voor zijne waarschuwing, en beloofde zich naar

zijnen raad te zullen gedragen.

Noureddin (zoo heette de zoon van den vizier Khasan) had den vrijen

toegang tot de vertrekken zijner moeder, met wie hij gewoonlijk het

middagmaal gebruikte. Hij was welgemaakt van persoon, jong, aangenaam

in den omgang, terwijl hij goede vermogens had, en zich met gemak wist

uit te drukken. Hij bezat de bijzondere gave, iedereen te boeijen, zoo

dikwijls hem dit behaagde. Hij zag dien middag de schoone Perziane bij

zijne moeder aan tafel. Reeds op het eerste gezigt werd hij door hare

schoonheid getroffen, en hoewel hij onderrigt was, dat zijn vader haar

voor den koning gekocht had, gaf hij zich echter niet de minste moeite,

om zijn hart vrij te houden. Hij liet zich, zonder eenigen tegenstand,

door hare bevalligheid medeslepen, en het onderhoud, dat hij met haar

had, en waarbij zij veel verstand aan den dag legde, betooverde hem

zoodanig, dat hij reeds dadelijk tot het besluit kwam, geen middel

onbeproefd te zullen laten, om haar aan den koning te ontnemen.

De schoone Perziane vond ook van haren kant den jeugdigen en geestigen

Noureddin zeer beminnelijk. „De vizier,” sprak zij bij zich zelven,

„bewijst mij zeer veel eer, door mij voor den koning van Balsora te

bestemmen. Maar die grootheid heeft voor mij weinig aanlokkelijks, en

ik zou mij gelukkig achten, indien hij zich te vreden stelde, mij aan

zijnen zoon te geven.”

Noureddin maakte intusschen een goed gebruik van de gelegenheid, waarin

hij was, om zich met de schoone slavin, die hem zoo zeer behaagde, te

onderhouden, en zelfs met haar te schertsen en te stoeijen. Dit liep zoo

druk, dat zijne moeder erg opvatte, en dienstig vond deze gemeenzaamheid

tusschen de jongelieden zoo veel mogelijk tegen te gaan. „Mijn zoon,”

zeide zij dikwijls tot hem, „het is niet betamelijk voor een jongmensch

van uwe jaren, den meesten tijd in de vrouwenvertrekken door te brengen.

Gij hebt wel wat beters te doen, dan hier uwen tijd met scherts en lach

te verbeuzelen, ga dus nu aan uwe studie, en leg u daar met meer ijver

op toe, opdat gij eenmaal bekwaam moogt worden, uw' vader in zijne

hooge waardigheid te kunnen opvolgen.” Bij dergelijke vermaningen

moest Noureddin zich wel verwijderen, wilde hij zijn hartsgeheim niet

verraden, en zich daardoor van de gelegenheid berooven, om zijne schoone

Perziane weder te zien, want kreeg zijn vader er vermoeden op, dan was

alle hoop verloren.

Daar de schoone Perziane op hare lange reis, niet in de gelegenheid was

geweest zich te baden, werd de vrouw van den vizier Khasan er na verloop

van eenige dagen op bedacht, haar een warm bad te laten toebereiden. Zij

gaf daartoe de noodige bevelen aan hare slavinnen, met uitdrukkelijken

last, dat zij aan hare schoone gast dezelfde diensten en oplettendheden

zouden bewijzen, als aan hare eigene persoon. Ook gaf zij haar een zeer

prachtig gewaad, om daarmede de Perziane, als zij uit het bad kwam,

op te tooijen. De vrouw van den vizier gaf zich in deze zaak te meer

moeite, ten einde daar door het bewijs te geven, van hare belangstelling

in alles, wat haren man aangenaam was.

Toen de schoone Perziane uit het bad kwam, was zij nog duizendmalen

schooner, dan zij, op het tijdstip dat hij haar kocht, aan den vizier

Khasan had toegeschenen, zoo zelfs, dat de viziersvrouw, toen zij zich

weder aan haar kwam vertoonen, moeite had haar te herkennen; zoozeer was

zij in haar voordeel veranderd. Zij kuste met innemende bevalligheid

hare gastvrouw de hand, en terwijl een schalksch lachje om den kleinen

mond speelde, sprak zij haar aldus aan: „Mevrouw, ik kan niet raden, hoe

ik u in dit kleed, dat ik aan uwe goedheid te danken heb, mag bevallen.

Uwe vrouwen zeiden, dat het mij zoo bevallig stond, dat zij mij niet

meer herkenden, maar dit zijn vleijerijen, en ik moet u ten dezen op uw

beter oordeel beroepen. Mogt hun zeggen echter eenige waarheid bevatten,

dan zal ik dit geluk aan uwe verpligtende zorgen te danken hebben.”

„Mijne dochter,” antwoordde de viziersvrouw met zigtbare blijdschap,

„wat mijne slavinnen u gezegd hebben, moet gij niet als vleijerij

beschouwen, ik versta mij op die zaken nog beter dan zij, en ik verklaar

u op mijn woord, dat niet alleen dit kleedje u zeer bevallig staat, maar

dat gij ook uit het bad eene schoonheid hebt medegebragt, zoo verre

uitstekende boven hetgeen deze vroeger was, als de zon in glans en

gloed boven de maan en sterren uitblinkt. Gij zoudt mij bijna jaloersch

maken; en indien ik wist dat het bad nog goed was, zou ik grooten lust

gevoelen, daarvan ook gebruik te maken, ten einde door uwe schitterende

schoonheid niet geheel in de schaduw gesteld te worden.” „Mevrouw,”

hernam de schoone Perziane, „uwe goedheid is grooter, dan mijne

weinige bevalligheden zijn kunnen, die zeker bij de uwe zouden moeten

achterstaan, indien gij mijne jaren hadt, en ik de uwe telde. Wat het

bad aangaat, dit laat niets te wenschen over, en indien gij lust hebt

daarvan gebruik te maken, laat dan den tijd niet verloren gaan. Gij zult

Mevrouw! uit het bad komende, van uwe vrouwen misschien hetzelfde

hooren, dat zij mij gezegd hebben.”

De vrouw van den vizier liet zich bepraten, gaf haar besluit aan hare

vrouwen te kennen, en deze haastten zich het benoodigde in orde te

brengen. De schoone Perziane begaf zich nu naar hare kamer, terwijl

de viziersvrouw met hare slavinnen naar het bad ging, en alleen twee

jeugdige dienstboden achterliet, met strikten last, dat, mogt haar zoon

Noureddin in hare afwezigheid komen, dezen niet bij de Perziane toe te

laten.

Die voorzorg was niet overbodig, want naauwelijks had de vrouw van den

vizier zich verwijderd, of Noureddin kwam opdagen, en daar hij zijne

moeder niet in haar vertrek aantrof, ging hij regt door naar de kamer

van het schoone meisje, alwaar hij in het voorvertrek de twee jeugdige

slavinnen, als wacht vond uitgezet. Hij vroeg haar naar zijne moeder;

waarop zij hem antwoordden, dat zij zich in het bad bevond. „En de

schoone Perziane,” vervolgde Noureddin, „moet ik die ook in het

bad zoeken?” „Neen,” hernamen de slavinnen, „zij is reeds daarvan

teruggekeerd, en bevindt zich op hare kamer, maar uwe moeder heeft ons

gelast, dat wij u, indien gij in hare afwezigheid hier kwaamt, niet bij

haar mogen toelaten.”

Noureddin glimlachte, schoof de slavinnen op zijde, en ging regelregt

naar het vertrek van de Perziane, dat slechts door een gordijn van het

voorvertrek was afgescheiden. De jonge slavinnen wilden zich daartegen

verzetten, maar Noureddin nam nu ieder bij een' arm, bragt ze de kamer

uit, en grendelde de deur achter haar digt. De jonge slavinnen dus

buiten de deur gezet, liepen geducht schreeuwende naar het bad, waar zij

hare meesteres al weenende met het gebeurde bekend maakten. De goede

viziersvrouw werd door dit nieuws, en over de onbeschaamdheid, die haar

zoon zich had veroorloofd, zoo ontsteld, dat zij dadelijk uit het bad

sprong, en nog slechts ten halve gekleed, want langer gunde zij zich den

tijd niet, naar de kamers van de schoone Perziane ging. Doch hoe zij

zich ook haastte, bij hare komst had Noureddin zich reeds verwijderd en

de vlucht genomen.

De schoone Perziane was zeer verwonderd, de viziersvrouw geheel ontsteld

bij zich te zien komen. „Mevrouw,” zeide zij, „zoo als ik zie, zijt gij

geheel buiten u zelve; zou ik naar de reden daarvan mogen vragen? Wat is

u in het bad overkomen, dat gij dit zoo overhaast hebt verlaten?” „Hoe,”

riep de vrouw van den vizier, „kunt gij mij zulk eene vraag doen, en dat

met eene bedaardheid van geest, die mij onverklaarbaar blijft; daar ik

zeker ben, dat mijn zoon Noureddin in mijne afwezigheid hier is geweest,

en zich bij u heeft opgehouden? Moet ik bij zijn stoutmoedig karakter

niet het ergste vreezen, en zou hem en mij wel een grooter ongeluk

kunnen overkomen?”

„Vergeef mij Mevrouw,” hernam de schoone Perziane, „ik begrijp niet,

welk onheil daarin voor u of hem zou kunnen gelegen zijn. Noureddin

heeft mij integendeel verzekerd, dat hij zich in mijn bezit hoogst

gelukkig gevoelde, en ik hoop mij zoo te gedragen, Mevrouw, dat ook gij

alle reden zult hebben, over mij te vreden te zijn.” „Ongelukkige!” riep

de viziersvrouw, in wanhoop de handen wringende, „wat hebt gij gedaan!

Wist gij dan niet, dat mijn man u gekocht en bestemd heeft voor den

koning? Heeft hij u bovendien niet gewaarschuwd, dat gij u voor

Noureddin in acht moest nemen?”

„Ik heb dat ook niet vergeten Mevrouw,” hernam nogmaals de schoone

Perziane, „maar Noureddin kwam bij mij, en gaf mij de verzekering, dat

de vizier, zijn' vader, van gedachten was veranderd, en in plaats van

mij voor den koning te bewaren, zooals hij eerst voornemens was, mij nu,

op zijne bede, aan hem ten geschenke had gegeven. Ik geloofde hem op

zijn woord, Mevrouw; hoe vermogt ik, eene slavin, en van mijne jeugd

af aan de wetten der slavernij onderworpen, mij nu tegen den wil en

wensch van mijnen nieuwen meester te verzetten. Ik zou mij ook aan eene

onwaarheid schuldig maken, indien ik u zeide, dat het mij zwaar viel,

hem te gehoorzamen. Neen, de vrije omgang, die wij met elkander gehad

hebben, heeft mij een' hartstogt voor uw' zoon ingeboezemd, die mij

zonder smart van de hoop deed afzien, aan eenen koning toe te behooren,

en ik zal mij zeer gelukkig achten, mijn verder leven bij Noureddin te

mogen doorbrengen.”

„Mogt het Allah behagen,” zeide hierop de viziersvrouw, „dat het zoo

kon geschieden, en dat mijn zoon u de waarheid gezegd had, ik zou

mij dan met u verblijden en hoogst te vreden zijn. Maar geloof mij,

Noureddin heeft u misleid; het is niet mogelijk dat zijn vader u aan

hem geschonken heeft, ik weet dit maar al te zeker; hij kon noch mogt

dit doen, zonder aan zijnen pligt jegens den koning te kort te doen,

en diens gunst te verliezen, ja welligt zijn hoofd te verbeuren. En ik

ken mijn' man; indien hij verneemt, wat hier is voorgevallen, dan zal

zijne woede geene grenzen kennen. Zelfs mijne tranen zullen hem niet

kunnen verbidden, en hij zal zijn' zoon niet sparen, maar hem aan zijne

regtmatige gramschap opofferen. Arme Noureddin! zelfs uwe moeder kan u

niet redden, gij zijt voor haar verloren!” Dit zeggende, begon zij

bitter te weenen, en hare slavinnen berstten in een luid weegeklag uit,

daar Noureddin, voor wiens leven zij moesten vreezen, door allen geliefd

werd.

Kort daarop kwam de vizier Khasan te huis, en was niet weinig verwonderd

zijne vrouw en hare slavinnen in tranen te vinden, terwijl ook de

schoone Perziane hem toescheen, zeer droefgeestig te zijn. Hij vroeg

naar de oorzaak van deze algemeene droefheid, doch kreeg geen antwoord,

alleen verdubbelden de slavinnen hunne weeklagten. Dit deed zijne

verbazing ten top stijgen, en zich tot zijne vrouw wendende, zeide hij

tot haar: „Ik wil volstrekt weten, wat hier is voorgevallen, dat u aldus

bedroeft; en ik verlang, dat gij mij de volle waarheid zeggen zult.”

De viziersvrouw was nu wel gedwongen te antwoorden, en tot eene leugen

wilde noch durfde zij hare toevlugt nemen, te minder daar toch de

waarheid eenmaal aan den dag moest komen.

„Heer,” sprak zij bevende, „beloof mij vooraf, dat gij mij deze

ongelukkige gebeurtenis niet zult toerekenen, waaraan ik geheel

onschuldig ben, en ik zal u alles zeggen.” En zonder zijn antwoord af te

wachten, vervolgde zij: „Terwijl ik mij met mijne vrouwen in het bad

bevond, is uw zoon hier gekomen, en hij heeft van mijne afwezigheid

gebruik gemaakt, om aan de schoone Perziane te doen gelooven, dat

gij haar niet meer aan den koning wildet geven, maar aan hem hadt

geschonken. Ik zal u niet behoeven te zeggen, met welk oogmerk deze

misleiding plaats had, en wat daarvan de rampzalige gevolgen waren,

gij kunt dit ligt raden. Dit is het, heer! wat mij zoo zeer bedroefd

heeft om uwentwil, en ook om de wille van een' zoon, voor wien ik het

naauwelijks durf wagen, uwe verschoonende barmhartigheid in te roepen en

af te smeeken.”

Het is met geene pen te beschrijven, hoezeer de vizier Khasan ontroerde,

toen hij moest hooren, dat zijn zoon Noureddin zich zoo had kunnen

vergeten. „Ha,” riep hij uit, zich met de vuisten voor het hoofd en op

de borst slaande, en ten teeken van rouw en van droefheid zich den baard

uitrukkende, „rampzalige zoon, die niet waardig zijt het daglicht te

aanschouwen, wat hebt gij gedaan? Gij hebt voor de voeten uws vaders

een' afgrond geopend; waarin hij en helaas, ook gij zult nederstorten.

De koning zal zich niet vergenoegen met uw bloed en het mijne, om wraak

te nemen over eene beleediging, die als ware het, hem in persoon is

aangedaan. Ach! had ik u nooit zien geboren worden, of waart gij in de

wieg gestorven, voor hoeveel droefheid en schande zou ik dan bewaard

zijn gebleven.”

Zijne vrouw trachtte hem te troosten en neder te zetten. „Heer!” zeide

zij, „laat het gebeurde u niet al te zeer bedroeven, het ongeluk is

groot, maar niet onherstelbaar. Ik kan voor mijne juweelen, of voor een

gedeelte daarvan, zonder moeite tien duizend goudstukken bekomen, en gij

kunt daarvoor dan eene andere slavin koopen, die nog schooner en den

koning meer waardig is, dan deze.” „Hoe,” hernam de vizier, „gelooft gij

dan, dat ik mij zoo zou bedroeven over het verlies van tien duizend

goudstukken? Dat verlies, ja, dat van geheel mijn vermogen, zou ik mij

kunnen getroosten. Doch het geldt mijne eer, en die is mij meer waard,

dan al het goud der aarde.” „Het komt mij nogthans voor,” antwoordde

zijne vrouw, „dat ook deze zaak door geld kan hersteld worden, zonder

dat er uwe eer bij lijden zal; en daarom moet gij u de zaak ook niet al

te zwaar voorstellen.”

„Hoe kunt gij dit zeggen,” hervatte de vizier, „gij weet immers dat mijn

ambtgenoot Saony mij ten hoogste vijandig is. Meent gij, dat hij, als

dit geval hem ter ooren komt, daarvan geen gebruik zal maken, om mij

bij den koning in ongenade te brengen? Uwe majesteit, zal hij zeggen,

spreekt altoos zoo veel over de trouw en den ijver van Khasan, om hare

belangen voor te staan, doch hij heeft thans het bewijs geleverd, zoo

veel goedheid niet waardig te zijn. Hij heeft tien duizend goudstukken

ontvangen, om voor u eene slavin te koopen. Hij is er in geslaagd, zich

van die eervolle taak naar wensch te kwijten, nooit heeft men eene

schoonere en meer volmaakte slavin gezien, dan het geluk hem heeft doen

vinden; maar in plaats van haar bij uwe majesteit te brengen, heeft hij

haar aan zijnen zoon ten geschenke gegeven. Zijn zoon, zal Saony met

zijne gewone kwaadaardigheid voortgaan, heeft de schoone slavin met

blijdschap aangenomen, en vermaakt zich dagelijks met haar; wat ik uwe

majesteit daar gezegd heb, is de zuivere waarheid, en zij kan daarnaar

gerust onderzoek laten doen. Ziet gij nu niet in,” vervolgde de vizier

Khasan, „dat de koning, bij zulk eene beschuldiging, mij zijne gunst zal

onttrekken, en de slavin uit mijne woning laten halen, indien hij het

daar nog bij zal laten blijven.”

„Heer,” gaf de viziersvrouw ten antwoord, „ik kan niet ontkennen, dat

Saony tot alles, wat gij daar zegt, zeer goed in staat is, want zijne

boosaardigheid is algemeen bekend; maar om dus tot den koning te

kunnen spreken, zou hij eerst met het voorgevallene geheel, of althans

grootendeels bekend moeten zijn. Doch hoe kan of zal hij daar achter

komen, daar aan niemand iets van het gebeurde bekend is, behalve aan

mijne slavinnen, voor wier stilzwijgen ik u gerust durf borg staan. En

mogt men bij den koning al eenig vermoeden opwekken, en hij u over die

zaak aanspreken, dan kunt gij immers zeggen, dat het na een naauwkeurig

onderzoek is gebleken, dat de slavin op verre na niet al die deugden

en goede hoedanigheden bezat, welke gij bij den koop in haar meendet

te ontdekken, en dat gij te dien opzigte door den Perzischen koopman

bedrogen zijt geworden. De koning zal u op uw woord gelooven, en Saony

zal het verdriet hebben, zijn boosaardig plan te zien mislukken, zooals

dit reeds meermalen het geval is geweest, als hij u bij den koning den

voet dacht te ligten. Stel u dus gerust; en wilt gij mijnen raad volgen,

zoo laat den makelaar bij u ontbieden, geef hem te kennen, dat gij over

de schoone Perziane niet voldaan zijt, en draag hem den last op, eene

andere slavin voor u op te sporen, welke den koning meer waardig is.”

Deze raad kwam den vizier zeer goed voor, en hij besloot daaraan

onmiddelijk gevolg te geven; maar mogt hij nu de zaak minder donker

inzien; de toorn, dien hij tegen zijnen zoon Noureddin had opgevat,

werd daardoor niet verminderd.

Noureddin liet zich intusschen dien dag in het ouderlijke huis niet

zien, hij had zelfs den moed niet, bij zijne jonge vrienden, met wie hij

anders dagelijks omging, eene schuilplaats te vragen, uit vrees, dat

zijn vader hem aldaar mogt zoeken. Hij ging de stad uit, en nam de wijk

in een' openbaren tuin, waar hij nog nimmer geweest was, en dus weinig

vrees behoefde te hebben, er van zijne kennissen te zullen aantreffen.

Eerst laat in den avond, en na het uur, waarop zijn vader gewoon

was zich ter ruste te begeven, waagde hij het, zachtjes aan een

achterpoortje te kloppen, dat in den tuin uitkwam, en zich in de

nabijheid van de vrouwenvertrekken bevond. Door dit poortje had men hem,

als hij soms wat laat uitbleef en hij dit voor zijn' vader niet wilde

weten, meermalen binnen gelaten. Ook ditmaal behoefde Noureddin niet

lang te kloppen; men scheen zoo iets verwacht te hebben; eene der

slavinnen van zijne moeder was opgebleven, en liet hem in. Zij bragt

hem, zonder gerucht te maken, naar zijne kamer, waar Noureddin den nacht

doorbragt, zonder echter veel te slapen. Zoodra het dag begon te worden,

joeg de vrees hem weder voort, want de slavin ontveinsde het niet voor

haren jongen meester, dat de gramschap van zijn' vader zeer hevig was,

en dat deze had gedreigd, hem, de eerste maal dat hij onder zijne oogen

kwam, te zullen dooden. Noureddin bragt dien dag weder in denzelfden

tuin door, en werd des nachts op nieuw door de slavin ingelaten. Dit

leven leidde hij gedurende eene geheele maand, en begon hem ten laatste

zeer te verdrieten, maar daar de vizier, volgens het zeggen der slavin,

nog steeds even vergramd op hem was, had Noureddin den moed niet, zich

aan de voeten zijns vaders te werpen en diens vergiffenis af te smeeken.

De viziersvrouw vernam wel van hare slavinnen, dat Noureddin elken

nacht, als zijn vader te bed was, te huis kwam, maar zij waagde het niet

hem te bezoeken, of in hare tegenwoordigheid toe te laten. Op zekeren

dag echter (er waren reeds vier weken verloopen, en de koning had nog

altoos verzuimd zijn' vizier naar de slavin te vragen, zoodat het

scheen, dat hem de geheele zaak was vergeten) nam zij de gelegenheid

waar, om tegen haren man een woord ten gunste van Noureddin te zeggen,

waartoe het haar tot dusverre aan den moed had ontbroken. „Heer,” zeide

zij, „ik heb mij tot nu toe onthouden met u over onzen zoon te spreken;

het zij mij echter thans vergund, u te vragen, hoe gij met hem denkt te

handelen. Ik moet toestemmen, dat Noureddin zeer schuldig is, en zwaar

tegen u heeft misdaan, daar hij u door zijn misdrijf van de eer heeft

beroofd, om aan den koning eene slavin te kunnen aanbieden, zoo schoon

en zoo volmaakt als de Perziane, maar de zaak is nu eenmaal zoo en niet

te veranderen. Wat zult gij nu doen? Wilt gij uw' zoon met geweld in het

verderf storten? Gij zult u dan eene veel grootere ramp op den hals

halen, dan die, waarvoor gij zoo lang hebt gevreesd, doch die gij nu

gerust uit uwe gedachten kunt zetten. Gij hebt er misschien niet aan

gedacht, dat de booze wereld, als het ruchtbaar wordt, dat gij uwen zoon

uit uw huis hebt verbannen, naar de reden van dit uw gedrag onderzoek

zal doen, en men daardoor juist het geheim zal te weten komen, dat

gij met zoo veel zorg tracht verborgen te houden. En indien dit mogt

gebeuren, zoudt gij het ongeluk, dat daaruit voor u moet voortvloeijen,

aan u zelven te wijten hebben.”

„Mevrouw,” hernam de vizier, „hetgeen gij mij daar zegt, is niet van

grond ontbloot. Maar ik kan niet besluiten aan Noureddin vergiffenis te

schenken, dan na hem eerst gestraft te hebben, gelijk hij verdiend

heeft.” „Indien gij wilt handelen,” viel zij hem in de rede, „zooals

mij daar in de gedachte komt, dan zal Noureddin voldoende gestraft

en vernederd zijn, zonder dat gij hem uwe vergiffenis behoeft te

onthouden. Tot dusverre komt uw zoon elken nacht te huis, nadat gij u

ter ruste hebt begeven; hij slaapt hier en maakt zich weder uit de

voeten vóór dat gij zijt opgestaan. Wacht hem dezen nacht op, en neem

den schijn aan, of gij hem wilt dooden. Ik zal dan toeschieten, om hem

te ontzetten, en gij kunt het doen voorkomen, alsof gij hem alleen op

mijne voorbede het leven laat, en vergiffenis schenkt, waarbij gij hem

de verpligting kunt opleggen de schoone Perziane tot zich te nemen, op

die voorwaarden als het u behagen zal. Hij bemint haar, en zij, dit weet

ik, haat hem niet.”

Khasan liet zich overhalen, den raad zijner vrouw te volgen.

Overeenkomstig met dit plan, plaatste hij zich tegen den tijd, dat

Noureddin gewoonlijk te huis kwam, achter de tuindeur. Toen men nu zijn'

zoon binnenliet, greep hij dezen plotseling aan, en wierp hem ter aarde.

Noureddin het hoofd omdraaijende, herkende zijn' vader, die met een'

dolk in de hand hem vasthield, gereed hem te dooden. Op dat oogenblik

kwam de moeder van Noureddin toeschieten, en den arm des viziers

terughoudende, riep zij: „Heer, wat wilt gij doen?” „Houdt mij niet

tegen,” sprak de vizier, „en laat mij een' zoon dooden, die niet waardig

is het leven te genieten!” „Ach! heer,” hernam zijne vrouw, „ik zal mij

eerder laten dooden, dan dat ik immer zal toelaten, dat gij de handen

doopt in uw eigen bloed.” Noureddin maakte gebruik van dit oogenblik,

en de met tranen gevulde oogen tot den vizier opheffende, riep hij op

smeekenden toon: „Vader, ik heb zwaar jegens u gezondigd, maar spaar

mijn jeugdig leven en schenk mij uwe vergiffenis; wees barmhartig voor

uwen schuldigen, doch berouwhebbenden zoon, gelijk gij hier namaals van

Allah barmhartigheid hoopt te ontvangen, op den dag, dat wij allen voor

zijnen regterstoel zullen moeten verschijnen.”

Khasan liet zich nu den dolk door zijne vrouw uit de hand wringen, en

zoodra hij Noureddin had losgelaten, wierp deze zich aan zijne voeten en

kuste die, om daardoor het bewijs te geven, hoezeer het hem leed deed,

zijnen vader bedroefd en beleedigd te hebben.—„Bedank er uwe moeder

voor,” sprak de vizier op gestrengen toon, „dat ik u laat leven en

vergiffenis schenk; zonder hare tusschenkomst had ik u reeds gedood.

Ik wil u nu zelfs met mijne vergiffenis de schoone Perziane geven,

doch onder beding, dat gij haar niet als eene slavin, maar als uwe

vrouw zult behandelen, en haar nimmer verkoopen of verstooten. Daar zij

verstandiger en deugdzamer is dan gij, zoo hoop ik, dat zij in staat zal

zijn, u terug te houden, van de jeugdige dwaasheden, waardoor gij u in

het verderf zoudt storten.”

Noureddin vond er geene zwarigheid in, de door zijnen vader gevorderde

belofte af te leggen en bedankte hem voor eene goedheid, waarmede

hij zich nooit had durven vleijen. De schoone Perziane was ook zeer

tevreden, en tot groot genoegen van den vizier leefde het jonge paar met

elkander in de beste eendragt.

Khasan wachtte inmiddels niet af, dat de koning hem aansprak over de

lastgeving, die hij op zich had genomen; hij bragt die zaak zelf op het

tapijt, en gaf hoog op van de moeijelijkheid om eene slavin te bekomen,

zoo volmaakt als zijne majesteit wenschte. De koning geloofde hem, en

sprak ten laatste in het geheel niet meer over deze zaak. Wel had

Saony het een en ander vernomen, dat hem verdacht voorkwam; maar zijn

ambtgenoot stond te hoog bij den koning aangeschreven, dan dat hij er

zich aan durfde wagen, als zijn' beschuldiger op te treden.

Zoo bleef dus de zaak, zonder dat de koning eenigen achterdocht opvatte.

Khasan wenschte zich zelven geluk, dat hij den verstandigen raad van

zijne vrouw had opgevolgd, en een vol jaar verliep, toen de vizier eens

zeer verhit uit het bad kwam, en daarbij eene zware verkoudheid opdeed,

zoodat hij zich bij zijne tehuiskomst dadelijk te bed moest begeven. Hij

kreeg dienzelfden nacht eene zware koorts. Den volgenden dag gevoelde

hij zich zoo ziek, dat hij Noureddin, die niet van zijne sponde week,

bij de hand nam, en hem aldus toesprak: „Mijn zoon, ik geloof, dat mijn

einde nadert. Ik weet niet, of ik van de groote goederen, die Allah mij

gegeven heeft, een goed gebruik heb gemaakt, maar gij ziet, dat zij mij

niet van den dood kunnen bevrijden. Het eenigste, dat ik u met stervende

lippen aanbeveel, is dat gij aan uwe belofte omtrent de schoone

Perziane, ook na mijnen dood, gedachtig moogt blijven. Het is in dit

vertrouwen, dat ik onbezorgd van deze wereld ga scheiden; want ik weet

dat gij in haar eene verstandige huisvrouw zult hebben, die u, als gij

haren raad volgt, tot eene beschermengel zal zijn.”

Dit waren de laatste woorden, die de vizier Khasan kon uitbrengen; hij

werd door zware benaauwdheden aangetast, en gaf kort daarop den geest.

Zijn dood werd niet alleen door zijnen zoon en zijne huisgenooten, maar

ook aan het hof en door de gansche stad diep betreurd. De koning verloor

in hem een' wijzen, ijverigen en getrouwen staatsdienaar, en de armen

beweenden hem als een' beschermer en weldoener.

De begrafenis had met groote plegtigheid plaats. De viziers, de emirs

en al de grooten van het hof wedijverden, om zijn lijk naar het graf

te dragen, en wisselden elkander bij beurten af. Bijna alle bewoners

van Balsora, zoowel rijken als armen, volgden de lijkstoet naar de

begraafplaats, en toen de zerk op het graf werd gelegd hoorde men niets

dan weenen en snikken.

Noureddin legde eene groote droefheid aan den dag over het verlies

van eenen vader, dien hij steeds innig had lief gehad, en sloot zich

een' geruimen tijd in zijn huis op, zonder iemand te willen zien of

ontvangen. Eindelijk echter stond hij toe, dat men een zijner beste

vrienden, die zich reeds dikwijls te vergeefs had laten aanmelden, bij

hem liet. Deze vriend stelde alles in het werk, om hem wat op te beuren

en te troosten, en na eenen warmen handdruk sprak hij hem aldus aan:

„Mijn waarde Noureddin, ik en al uwe vrienden nemen hartelijk deel in

het door u geleden verlies; wij begrijpen ook zeer goed, dat gij eenen

vader gelijk de uwe, diep betreuren moet; maar aan die droefheid moet

toch eenmaal een einde komen. Het zou,” vervolgde hij, „onnatuurlijk

zijn, en strijdig met de wetten der zamenleving, indien wij onze

afgestorvene ouders de betamelijke eer niet bewezen, en hen niet

betreurden, zoo als het kinderlijk gevoel dat medebrengt. Wanneer

wij dit verzuimden, zou men ons met regt van ongevoeligheid kunnen

beschuldigen. Maar indien wij ons behoorlijk van dien pligt gekweten

hebben, zoo dat niemand ons deswegens met grond eenig verwijt kan doen,

dan wordt het onze pligt ook aan de zamenleving hare regten te geven, en

weder in de wereld en voor onze vrienden te leven. Droog dus uwe tranen

af, en herneem die blijmoedigheid, waardoor gij altijd de vreugde in

onze gezelschappen aanbragt. Wees overigens, mag ik er, als ouder in

jaren, dezen vriendenraad bijvoegen, matig in uwe vermaken, en een

vriend der ongelukkigen, gelijk de vizier, uw vader, dit was. Door

zijne voetstappen te drukken, zult gij aan zijne asch eene betere eer

bewijzen, dan door uwe tranen, die thans lang genoeg gevloeid hebben, om

van uw kinderlijk gevoel te getuigen.”

Deze inderdaad goede raadgeving van zijn' vriend vond ingang bij

Noureddin, en had hij dien in alle deelen opgevolgd, zoo zou hij zich

eene reeks van ongelukken en rampen hebben bespaard, die hij zich

zelven nu op den hals haalde. In het begin ging alles goed, Noureddin

vergenoegde zich, zijnen vriend dien middag bij zich aan tafel te

noodigen, en verzocht dien bij het heêngaan, hem den volgenden dag

weder gezelschap te willen houden, en een paar zijner vrienden mede te

brengen. Zoo werden de eerste dagen in gepaste vrolijkheid doorgebragt.

Maar voor Noureddin was het onmogelijk, om matig te blijven in zijne

vermaken; hij liet zich door zijne hevige hartstogten medeslepen. Tegen

den raad van zijn' vriend, vermeerderde hij zijn tafelgezelschap weldra

tot een tiental personen, en met deze bragt hij den tijd in feesten en

allerlei dikwijls losbandige vermakelijkheden door, zonder zich om zijne

zaken te bekommeren. Zijne milddadigheid of liever verkwisting was

daarbij zoo groot, dat hij zijne dischgenooten zelden zonder het een of

ander kostbaar geschenk naar huis liet gaan.

Somtijds liet Noureddin, om zijne vrienden genoegen te geven, de schoone

Perziane mede feest vieren. Zij gehoorzaamde uit inschikkelijkheid,

hoewel zij den weelderigen voet waarop hij leefde, niet kon goedkeuren.

Zij ontveinsde zulks ook niet, maar gaf hem haar gevoelen daaromtrent

meermalen met vrijmoedigheid te kennen. „Heer,” zeide zij dan tot hem,

„ik geloof gaarne dat de vizier, uw vader, u groote rijkdommen heeft

nagelaten, maar hoe aanzienlijk die ook mogen zijn, houdt het uwe slavin

ten goede, als zij u zegt, dat gij, op den ingeslagen weg voortgaande,

daarvan spoedig niets meer zult overhouden. Men kan nu en dan zijne

vrienden onthalen en zich met hen vrolijk maken; maar dag aan dag

feesten te geven, daarmede kan men de grootste schatten verkwisten, met

het zekere vooruitzigt van daarop volgende armoede. Gij zult dus voor

uwe eer en uwen goeden naam veel wijzer doen, door het voetspoor van uw'

overleden vader te volgen, en er u op toe te leggen, u voor de hooge

ambten te bekwamen, waarin uw vader zoo veel roem heeft verworven.”

Noureddin hoorde deze goede vermaningen met een lagchend gelaat aan,

en toen zijne echtgenoot hare raadgevingen geëindigd had, zeide hij,

steeds voortgaande met lagchen: „mijne schoonste, houdt mij toch, als

ik u bidden mag, geene zedepreken, gij zijt daartoe veel te goed en te

lief, laten wij er alleen op bedacht zijn, om ons te vermaken. Mijn

overleden vader, heeft mij altoos in den band gehouden, dikwijls meer

dan mij lief was, en bedroefde mij zijnen dood, ik ben zeer verblijd,

thans in vrijheid en naar mijn' eigen wil te kunnen leven. Laat ons,

dierbaarste, onze jeugd genieten, de jonge jaren keeren nooit terug;

om tot het geregelde leven te komen, waarvan gij mij spreekt, zal het

altoos nog tijds genoeg zijn.”

Zoo bleef dan Noureddin, zonder naar de verstandige en welmeenende

waarschuwingen van de schoone Perziane in het minst te luisteren, den

ouden verkeerden weg bewandelen, en wat welligt nog het meeste bijbragt,

om zijne zaken in de war te sturen, hij gaf zich niet eens de moeite

de rekeningen in te zien, welke zijn secretaris niet verzuimde, hem

dagelijks voor te leggen. Telkens als de man met zijn boek kwam, zond

hij hem heên, met de woorden: „ga heên, en val mij niet lastig; ik

heb wel wat anders in mijn hoofd, dan dat ik mij met uwe cijfers kan

bemoeijen. Ik vertrouw u wel; draag meer zorg, dat mijne vrienden steeds

vorstelijk onthaald worden; om het overige bekommer ik mij volstrekt

niet.”

De secretaris was een eerlijk man, en zeer gehecht aan Noureddin, hij

kon het dus niet over zich verkrijgen, zijn' meester, zonder hem te

waarschuwen, in het verderf te zien loopen. „Heer,” zeide hij tot hem,

„gij zijt hier de gebieder, en ik moet mij aan uwen wil onderwerpen.

Ik smeek u echter, aan een' ouden dienaar te veroorloven, om u het

spreekwoord te herinneren, dat hij die groote uitgaven doet en niet

rekent, ongemerkt den bedelstaf te gemoet gaat. Gij vergenoegt u niet,

ontzaggelijke sommen voor uw tafel te besteden, maar gij schenkt

bovendien uw geld met handen vol weg; zonder daarbij eenigen regel te

houden. Al bezat gij koninklijke rijkdommen, zij zouden onvoldoende

zijn, en spoedig zoudt gij den bodem van uwe schatkist zien.” „Ik zeg u

immers, dat gij heên zult gaan,” hernam Noureddin verstoord, „ik begeer

geene lessen van u te ontvangen; zorg slechts goed op te disschen, en

bekommer of bemoei u met het overige niet.”

Zijne vrienden lieten intusschen niet na, eenen zoo gullen gastheer als

Noureddin, getrouw te bezoeken en gezelschap te houden; zij overlaadden

hem met de vleijendste loftuigingen, zijne eenvoudigste gezegden werden

als geestig uitgekreten, en vooral prezen zij alles, wat hem toebehoorde

hemelhoog, waarbij zij goede rekening maakten. „Heer,” sprak de een,

„gisteren reed ik voorbij een uwer landgoederen, nooit zag ik een

schooner aanleg en prachtiger gebouw, alles getuigde voor den goeden

smaak en den rijkdom des bezitters, het is een waar paradijs.” „Het doet

mij genoegen,” antwoordde Noureddin, „dat dit mijn landgoed u zoo zeer

behaagt: men brenge mij pen en papier, en daarmede is de zaak uit; het

behoort van nu af aan u, ik schenk u dat goed.” Anderen spraken met

grooten lof over een der huizen, baden of karavanserijen, die hij in

eigendom had, en die hem hooge renten opbragten. Dat spreken alleen was

voldoende, om hem te bewegen, er den vleijer mede te begiftigen. Zijne

vrienden iets te weigeren, waartoe zij begeerte lieten blijken, was voor

Noureddin eene onmogelijkheid. Hij schonk alles weg, wat hij bezat,

zonder er verder over na te denken. Wel bragt de schoone Perziane

hem meermalen onder het oog, hoezeer hij door die buitensporige

milddadigheid zich zelven benadeelde; maar, in plaats van naar haar te

luisteren, ging hij voort, bij de eerste gelegenheid de beste weg te

schenken, wat hem nog te geven overbleef.

Zoo bragt Noureddin een geheel jaar door, goede sier te maken met zijne

vrienden, en de schatten te verkwisten, die zijne voorouders, vooral de

goede vizier, zijn vader, met veel zorg en moeite verworven en bewaard

hadden. Op den laatsten dag van dat jaar hield Noureddin weder feest met

zijne vrienden, en om vrijer te zijn, had hij na afloop van den maaltijd

zijne slaven weggezonden, toen er aan de deur der zaal werd getikt. Een

der gasten wilde opstaan, maar Noureddin kwam hem voor en deed zelf

open. Het was zijn secretaris. Noureddin trad nu buiten de zaal, om te

vernemen, wat deze hem mogt te zeggen hebben, en trok de deur halverwege

achter zich toe.

De vriend, die opgestaan was, en met een oogopslag den secretaris

gezien had, werd nieuwsgierig, wat deze aan Noureddin mogt te zeggen

hebben. Hij plaatste zich achter de deur, waar hij het volgende gesprek

afluisterde. „Heer,” zeide de secretaris, „ik moet u duizendmaal om

verschooning vragen, dat ik u te midden van uwe vermaken kom storen.

Maar hetgeen ik u heb mede te deelen, kwam mij voor van zoo overwegend

belang te zijn, dat ik gemeend heb, die vrijheid te moeten nemen. Ik heb

mijne laatste rekeningen opgemaakt, en de uitkomst is, zooals ik u reeds

sedert lang en herhaalde malen voorspeld heb, dat er geene penning meer

in kas is, van al de sommen, die gij mij ter hand hebt gesteld, om de

uitgaven voor uwe verteringen te bestrijden. Ook de andere fondsen, die

gij mij hebt aangewezen, zijn uitgeput, en uwe pachters en huurders

hebben mij met onwederlegbare bewijzen getoond, dat uwe goederen en

huizen, aan anderen zijn overgedragen, zoodat ik op uwen naam niets

meer van hen kan invorderen. Ziehier mijne rekeningen, onderzoek die,

en gij zult bevinden, dat de zaak is, zooals ik de eer heb u te zeggen.

Wilt gij overigens mij langer in uwen dienst houden, zoo moet ik u

verzoeken mij nieuwe fondsen aan te wijzen; daar ik mij anders in de

noodzakelijkheid zie, u om mijn ontslag te vragen.” Noureddin werd door

deze toespraak zoo verbaasd, dat hij geen enkel woord wist te

antwoorden.

De vriend, die deze jobstijding had afgeluisterd, maakte er de andere

gasten mede bekend. „Doet,” besloot hij, „er uw voordeel mede; wat mij

betreft, Noureddin heeft mij heden voor het laatst bij zich aan huis

gezien.” „Goed voorgaan, doet goed volgen,” schertsten de anderen, „ook

wij zullen hem in het vervolg niet overloopen; de man zal thans het

zijne zelf wel noodig hebben, zonder er vrienden op te onthalen.”

Op dat oogenblik kwam Noureddin weder binnen, en hoeveel moeite hij zich

ook gaf, zijne gasten weêr aan den gang te brengen, hij verstond zich in

de kunst van veinzen niet zoo goed, of zij konden wel aan hem bemerken,

dat hetgeen zij van den luisteraar hadden vernomen, niet ver bezijden

de waarheid kon zijn. Naauwelijks had Noureddin zijne plaats weder

ingenomen, of een van zijne gasten stond op. „Vriend,” sprak deze: „het

doet mij zeer leed, dat ik u heden niet langer gezelschap kan houden,

veroorloof mij heên te gaan.” „En wat verpligt u, ons zoo vroeg te

verlaten,” vroeg Noureddin. „Mijne vrouw,” luidde het antwoord, „is

dezen morgen bevallen, gij kunt dus ligt denken, dat ik naar huis

verlang.” De vriend maakte eene diepe buiging en vertrok. Nu was het ijs

gebroken, kort daarop verliet een tweede, onder een ander voorwendsel

het gezelschap, en eer een uur verloopen was, waren al de tien vrienden

afgetrokken.

Noureddin wist niet, dat men zijnen secretaris beluisterd had, en dacht

er volstrekt niet aan, dat zijne vrienden tot het besluit waren gekomen,

hem voortaan van hun gezelschap te verschoonen. Hij begaf zich naar het

vertrek der schoone Perziane, en deelde haar de tijding mede, die hij

van zijnen secretaris had vernomen, waarbij hij het niet aan rouwklagten

liet ontbreken, dat hij zijne zaken dus in de war had gebragt.

„Heer,” zeide de schoone Perziane, „veroorloof mij u te doen opmerken,

dat gij steeds uw eigen hoofd hebt gevolgd, waarvan gij nu de treurige

gevolgen moet ondervinden. Ik bedroog mij niet, toen ik u voorspelde,

dat het hierop zou uitloopen. Het is mij een troost, dat ik geen deel

heb aan uw ongeluk, en gij mij daaromtrent niets kunt verwijten. Wanneer

ik u mijne gedachten daarover mededeelde, dan sloegt gij immer mijnen

welmeenenden raad in den wind, ja dreeft er den spot mede, zeggende:

„laten wij ons vermaken, en laat ons gebruik maken van den goeden tijd,

misschien zal dit niet altoos zoo blijven.” Maar ik had geen ongelijk

u te antwoorden, dat wij zelven door verstandige handelingen de

bouwmeesters van ons geluk moeten zijn. Gij wildet echter niet naar

mij hooren, en ik werd mijns ondanks genoodzaakt, u te laten begaan.”

„Ik beken,” hernam Noureddin, „dat ik groot ongelijk heb gehad, uwe

verstandige raadgevingen niet in acht te nemen; maar gij bedenkt niet,

dat, al heb ik ook mijn goed verkwist, dit geschied is in een' kring van

uitgelezene vrienden, die ik sedert jaren ken. Het zijn allen brave

lieden vol erkentelijkheid; ik ben zeker, dat zij mij in den nood

niet zullen verlaten.” „Heer,” antwoordde zijne vrouw, „indien gij

geene andere hulpbronnen hebt, waarop gij u kunt verlaten, dan op de

erkentelijkheid van uwe vrienden, geloof mij vrij, dat uwe hoop alsdan

op zeer zwakke gronden steunt, en gij reden zult vinden, daarover weldra

anders te denken.”

„Bekoorlijke vriendin,” hervatte Noureddin, „ik heb betere gedachten

van mijne vrienden, en van de hulp, die ik bij hen zal vinden, dan gij.

Ik zal hen morgen alle tien bezoeken, vóór het uur dat zij gewoon zijn

te komen, en gij zult mij zien terugkeeren met eene groote som gelds,

waarmede zij mij zullen ondersteunen. Ik ben besloten alsdan mijne

levenswijze te veranderen, en met dat geld eenen handel aan te vangen,

dien ik vertrouw, dat mij goede winsten zal opleveren.”

Noureddin bleef niet in gebreke den volgenden morgen zijne tien vrienden

te bezoeken. Zij woonden allen in de zelfde straat, en hij klopte aan

de eerste deur de beste aan, waar een der rijkste van het vriendental

woonachtig was. Eene slavin kwam voor. Alvorens de deur te openen stak

zij het hoofd door het portiersraamtje, en vroeg wie daar was. „Zeg uwen

heer,” zeide Noureddin, „dat het Noureddin is, de zoon van den gewezen

vizier Khasan, die hem verlangt te spreken.” De slavin deed nu open,

liet hem in de zaal gaan, en ging naar haren meester, die nog te bed

lag, met de boodschap, dat Noureddin zich in de voorzaal bevond, en

hem wenschte te spreken. „Noureddin!” herhaalde de rijke vriend op

minachtenden toon, en zoo luide dat deze het zeer goed kon hooren, „zeg,

dat ik niet te huis ben, en als hij terug mogt komen, zoo zeg hem

telkens het zelfde; voor dien man ben ik niet te spreken.” De slavin

ging naar voren en boodschapte Noureddin, dat zij gemeend had, haar heer

te huis was, doch hij reeds was uitgegaan.

Noureddin verliet de woning van zijnen rijken vriend met een verslagen

hart. „Terwijl die trouwelooze en ondankbare” sprak hij zuchtende,

„gisteren nog verzekerde, dat ik geen' opregter vriend ter wereld had

dan hij, verzaakt en behandelt hij mij heden op zulk eene onwaardige

wijze!” Hij klopte nu bij een' anderen zijner vrienden aan; doch slaagde

daar niet beter. Om kort te gaan: hij kreeg bij alle tien een zelfde

niet te huis, ofschoon zij allen binnen hunne woningen waren.

Nu werd het Noureddin duidelijk, hoe dwaas hij was geweest, zich op

zijne valsche vrienden te verlaten en geloof te slaan aan de vleijende

betuigingen, waarmede zij hem overladen hadden, zoolang hij hen aan

zijne tafel onthaald en met geschenken en weldaden overladen had. „Het

is maar al te waar,” zuchtte hij met tranen in de oogen, „een rijk en

gelukkig mensch, zooals ik nog kort geleden was, is gelijk aan een' met

vruchten beladen boom; men loopt er dagelijks heen, om van zijne vrucht

te plukken, maar zoodra men er geene vruchten meer aan vindt, houdt men

op er naar om te zien.” Zoo lang hij zich op straat bevond, wist echter

Noureddin zijne smart te beheerschen; maar, te huis komende gaf hij

daaraan den vrijen loop, en ging naar zijne schoone levensgezellin, om

haar zijn ongeluk mede te deelen.

Zoodra de schoone Perziane Noureddin met een treurig gelaat zag binnen

komen, begreep zij dadelijk, dat hij bij zijne zoogenaamde vrienden de

hulp niet had gevonden, waarop hij bouwde. „Welnu, Heer,” zeide zij,

„zijt gij thans overtuigd van de waarheid mijner voorspelling?” „Ach,

mijne beste!” sprak hij in diepe droefheid, „het is maar al te zeer naar

uw zeggen uitgekomen; niet een van mijne gewezen vrienden heeft mij

willen ontvangen, zien of spreken; ik ben door allen verstooten, zooals

men een' hond van de deur zou jagen, of een' bedelaar wegzenden, wien

men geen lust heeft een stuk brood of eene aalmoes te geven. Nooit had

ik mij kunnen verbeelden zoo ondankbaar behandeld te zullen worden door

menschen, die zoo veel verpligting aan mij hebben, en voor wie ik mij

als het ware heb uitgekleed. Ik weet niet, wat te zullen aanvangen, en

indien gij mij door uwen verstandigen raad niet uit de verlegenheid

helpt, vrees ik tot uitersten te komen, die mijner onwaardig zouden

zijn.” „Heer,” antwoordde de schoone Perziane, „ik weet u in uw ongeluk

geen' anderen raad te geven, dan dat gij uwe slaven en uw kostbaarste

huisraad verkoopt, om van die opbrengst te leven, totdat de hemel u

welligt eenen anderen weg zal openen om u uit deze ellende te redden.”

Dit middel kwam Noureddin zeer hard voor; maar wat zou hij in den nood,

waartoe hij zich gebragt zag, beter doen? Hij begon er mede, zijne

slaven te verkoopen, thans voor hem slechts onnutte monden, die hij niet

meer in staat zou geweest zijn open te houden. Van dat geld leefde hij

eenigen tijd; maar toen dit begon op te raken, moest hij de toevlugt

tot zijne meubelen nemen. Hij liet die op de openbare verkoopplaats

brengen, en aan de meestbiedenden voor kontant geld veilen. Hoewel hij

zeer kostbare stukken had, die hem enorme sommen gekost hadden, werden

zij ver onder de waarde verkocht, en brachten dus betrekkelijk zeer

weinig op. Waar hij duizenden voor besteed had, bekwam hij naauwelijks

zoovele honderden voor terug. De som, die hij in handen kreeg, was

echter altoos nog vrij aanzienlijk, en hij leefde daar eenen geruimen

tijd van; doch toen nu ook dit geld weder op raakte, en al zijne

hulpmiddelen uitgeput waren, wendde hij zich in zijne wanhopige

droefheid andermaal tot de schoone Perziane om troost en raad.

Noureddin had echter niet de minste gedachte op het antwoord, dat deze

verstandige vrouw hem gaf. „Heer,” zeide zij, „ik ben uwe slavin, en

gij weet, dat wijlen uw vader, de vizier, mij gekocht heeft voor tien

duizend goudstukken. Ik weet wel, dat ik sedert in waarde verminderd

ben, maar toch houd ik mij overtuigd, dat ik nog eene som zal kunnen

opbrengen, welke aan die koopsom zeer nabijkomt. Wilt gij dus geraden

zijn, zoo draal niet, mij ter markt te brengen en te verkoopen. Met de

aanzienlijke hoeveelheid geld, die ik u zal opbrengen, kunt gij dan naar

eene andere stad gaan, waar men u niet kent, en u aldaar als koopman

neêrzetten. Moogt gij u dan ook al niet in weelde en overvloed kunnen

baden, gij zult toch de middelen hebben, om op een' goeden voet,

gelukkig en tevreden te leven.”

„O, allerliefste en schoone Perziane!” riep Noureddin, „hoe kunt gij met

mogelijkheid op dat denkbeeld komen? Heb ik u zoo weinig bewijzen van

mijne liefde gegeven, dat gij mij tot zulk eene laagheid in staat acht?

En indien ik die laagheid kon begaan, zou ik dit kunnen doen, zonder

een' meineedige te worden, na de belofte aan mijnen vader gedaan, u

nimmer te zullen verkoopen? Liever wil ik sterven dan er toe overgaan,

mij van u te ontdoen, die ik liefheb als mij zelven. Maar uw voorstel

bedroeft mij, want daaruit blijkt, dat gij mij lang zoo sterk niet

bemint, als ik u liefheb.”

„Heer,” hernam de schoone Perziane, „ik ben overtuigd, dat gij mij zoo

zeer bemint als gij daar zegt, en Allah weet het, dat ik ook u met

geheel mijn hart liefheb. Het grieft mij, u een voorstel te moeten

doen, dat gij zoo zeer ten mijnen nadeele uitlegt. Om echter het door

u aangevoerde te wederleggen, behoef ik u slechts te herinneren, dat

de nood alle wetten breekt. Ik bemin u zoo zeer, als gij mij met

mogelijkheid liefhebben kunt, en ik kan u verzekeren, dat mijne liefde

voor u nimmer ophouden of verminderen zal, aan welken meester ik ook zal

toebehooren. Ja, geen grooter geluk zal mij kunnen te beurt vallen, dan

dat gij mij terugkoopt, zoodra uwe omstandigheden het zullen toelaten.

Ik hoop, dat die tijd éénmaal en welligt spoedig komen zal; want geld

zoekt geld, indien men er slechts prijs op stelt, en het goed weet te

besteden. Wel moet ik toestemmen, dat het eene treurige noodzakelijkheid

is, die ons dringt voor eenen tijd te moeten scheiden; maar ik zie geen

ander middel, om u en mij aan de ellende te onttrekken, die ons voor de

deur staat.”

Noureddin moest bij zich zelven erkennen, dat, wilde hij eene drukkende

armoede ontgaan, hem werkelijk niets anders overbleef, dan te doen,

zooals zijne vrouw hem voorstelde. Hij bragt haar dus, hoewel met een

bloedend hart, naar de markt, waar de slavinnen verkocht werden; en

zich tot een' makelaar, Hagi Hassan genaamd, wendende, zeide hij: „Zie

hier eene slavin, welke ik wil verkoopen; zeg mij den prijs, dien gij

gelooft, dat ik voor haar zal kunnen maken?” Hagi Hassan verzocht

Noureddin en de schoone Perziane naar binnen te gaan, en zoodra de

laatste den sluijer, die haar bekoorlijk gelaat bedekte, op zijn

verzoek had afgelegd, bleef hij eenige oogenblikken als opgetogen van

bewondering staan. „Heer,” zeide hij daarop tot Noureddin, „bedriegen

mij mijne oogen, of is dat niet de slavin, waarvoor wijlen uw vader

de vizier voor eenigen tijd tien duizend goudstukken betaald heeft.”

„Dezelfde,” antwoordde Noureddin. „Ik dacht het reeds,” hernam de

makelaar, „want ofschoon ik in mijn leven vele slavinnen gezien heb, die

op schoonheid aanspraak mogten maken, deze gaat die alle te boven, en is

eenig in haar soort. Gij kunt op eene groote som rekenen, en ik beloof

u mijn uiterste best te zullen doen om haar op dien hoogen prijs te

brengen, dien ik mij voorstel, dat zij waardig is.”

Hagi Hassan en Noureddin verlieten nu de kamer, waar de schoone Perziane

achterbleef. Hij ging terstond de kooplieden opzoeken; maar deze waren

zoo druk bezig met het koopen van Grieksche, Afrikaansche en Tartaarsche

slavinnen dat zij zich geen' tijd gunden, hem te woord te staan, zoodat

onze makelaar wel moest wachten, totdat zij met hunne inkoopen gereed

waren, en de markt ten einde liep. Eerst toen gelukte het hem, de meeste

kooplieden bijeen te brengen. „Mijne brave heeren” sprak nu Hagi Hassan,

met een blij gelaat en levendige gebaren, „al wat rond is, zijn geene

paarlen, al wat lang is, geene vijgen, al wat rood ziet, is nog geen

vleesch, en alle eijeren zijn niet versch. Ik wil hiermede zeggen, dat

hoewel gij in uw leven vele schoone slavinnen gezien en gekocht hebt,

daaronder zeker niet eene geweest is, die in vergelijking zou kunnen

komen, met degene, die ik u thans kan aanbieden. Het is de parel van

alle slavinnen, en gij behoeft mij niet op mijn woord te gelooven; gaat

mede, mijne heeren, komt, ziet en oordeelt! Ik verlang, dat gij zelven

mij zult zeggen, op welken prijs ik haar bij de eerste veiling moet

inzetten.” De kooplieden, gedreven door nieuwsgierigheid om dit zoo hoog

opgevijzelde wonder van schoonheid te zien, volgden Hagi Hassan in

massa, die nu de kamer voor hen ontsloot, waar hij de schoone Perziane

had gelaten. Allen bewonderden haar, en het eenstemmig gevoelen was, dat

men haar aanvankelijk op geene mindere som dan vier duizend goudstukken

moest stellen. Daarop verlieten zij de kamer, welke door Hagi Hassan,

die met hen uitging, weder gesloten werd. Zoodra hij buiten kwam, riep

hij met luider stem: „Voor vier duizend goudstukken de Perzische slavin!

Wie biedt er meer voor?”

Geen der kooplieden had nog een woord gesproken, en onderling

beraadslaagden zij nog, wat zij hoogen zouden, toen de vizier Saony

op de plaats verscheen. Daar hij Noureddin op de markt gezien had, en

het hem niet onbekend was, dat deze zijne meubelen verkocht had, kwam

de vizier op het denkbeeld dat hij, nu weder eenig geld beschikbaar

hebbende, eene slavin wenschte te koopen. Zou hij het niet eens

beproeven, of hij den zoon van zijn' gewezen ambtgenoot en vijand niet

in de wielen kon rijden? Hij reed dus nader bij, en wel juist op het

oogenblik dat Hagi Hassan voor de tweede maal uitriep: „Vier duizend

goudstukken voor de Perzische slavin.”

De hooge prijs deed Saony denken, dat die slavin van eene uitstekende

schoonheid moest zijn, en dit maakte hem nieuwsgierig, om haar te zien.

Hij zette zijn paard aan, baande zich een' weg door den kring van

kooplieden, waardoor Hagi Hassan omringd was, en beval dezen hem de

slavin te toonen. Het was het gebruik, niemand meer toe te laten bij

eene slavin, zoo lang de kooplieden, die haar gezien hadden, nog aan

het bod waren, doch deze vonden het nu toch niet raadzaam, hun regt te

handhaven tegenover den vizier, wiens magt zij vreesden. Hagi Hassan zag

zich dus genoopt aan het hem gegeven bevel te gehoorzamen; hij ontsloot

de kamer en deed de schoone Perziane naar buiten komen, opdat Saony haar

zou kunnen zien, zonder dat hij van zijn paard behoefde te stijgen.

De vizier was opgetogen van bewondering, toen hij eene slavin van zulk

eene uitstekende schoonheid te voorschijn zag komen. Hij had met den

zelfden makelaar reeds zaken gedaan, zoodat diens naam hem niet onbekend

was. „Hagi Hassan,” zeide hij, „hebt gij haar niet afgeroepen voor vier

duizend goudstukken?” „Ja heer,” antwoordde de aldus aangesprokene,

„dat is de som, waarop deze kooplieden mij geraden hebben, haar in te

zetten, en zoo even heb ik haar daarvoor afgeroepen, in afwachting dat

zij zullen hoogen, vóór dat de toeslag valt.” „Ik geef dat geld,”

hernam Saony, „indien er niemand meer biedt.” Ter zelfder tijd wierp

hij den kooplieden een' blik toe, die genoeg te kennen gaf, dat hij

niet begeerde, dat zij meer zouden bieden. Dit had de door den vizier

gewenschte uitwerking; hij was algemeen zoo gevreesd, dat de kooplieden

zich wel wachtten, den mond te openen, om tegen hem te bieden, zelfs

hadden zij den moed niet zich te beklagen, dat hij door zijn bod op hun

regt inbreuk maakte. Na dus eenigen tijd gewacht te hebben, zeide de

vizier Saony op hoogen toon tot Hagi Hassan: „Welnu, waar wacht gij op?

Ga naar den verkooper, en sluit den koop met hem voor vier duizend

goudstukken; of vraag hem, hoe hij er over denkt, en of ik, Saony, de

slavin voor dien prijs hebben zal, of niet.” De vizier wist nog niet,

dat de slavin aan Noureddin toebehoorde.

Hagi Hassan sloot zijne kamer, en spoedde zich om Noureddin op te zoeken

en de zaak met hem te bespreken. „Heer,” zeide hij tot hem, „het is

mij zeer leed u te moeten mededeelen, dat uwe slavin voor zooveel als

niet verkocht zal worden, gij zoudt haar even goed hebben kunnen weg

schenken.” „En om welke reden?” vroeg Noureddin, ten hoogste verwonderd

over deze zonderlinge inleiding. „Heer,” hernam Hagi Hassan, „bij den

aanvang liet zich alles zeer goed aanzien, ik dacht u eene goede koopsom

te bezorgen. Zoodra de kooplieden uwe slavin bezigtigd hadden, vonden

zij geene de minste zwarigheid mij op te dragen, haar terstond op

vier duizend goudstukken in te zetten. Ik heb haar voor dien prijs

afgeroepen; maar toen kwam juist de vizier Saony daar voorbij, en hield

zijn paard staande. De tegenwoordigheid van dezen algemeen gevreesden

staatsdienaar was voldoende, om de kooplieden den mond te stoppen, daar

zij anders niet zouden hebben geäarzeld, haar op den zelfden prijs te

brengen, die de vizier uw vader besteed heeft. Saony wil echter niet

meer geven dan vier duizend goudstukken, en het is wel tegen mijn' zin,

dat ik zulk een onredelijk bod moet doen. De slavin is uw eigendom,

intusschen mag ik u niet aanraden, haar voor dien prijs te laten. Gij

kent hare waarde, en een ieder kent die. Bovendien is Saony er wel de

man naar, eene uitvlucht te bedenken, om zich van de betaling af te

maken.”

„Hagi Hassan,” hernam Noureddin, „ik ben u voor uwen raad zeer verpligt;

wees echter gerust: want nimmer zal ik dulden, dat mijne slavin overgaat

in handen van den grootsten vijand mijns vaders. Ik ben dringend om geld

verlegen, maar liever wil ik in de diepste armoede sterven, dan gedoogen

dat mijne slavin aan hem wordt uitgeleverd. Ik heb u slechts ééne vraag

te doen; zeg mij alleen, wat moet ik doen om den verkoop te keeren?”

„Niets is gemakkelijker,” gaf Hagi Hassan ten antwoord, „houdt u, alsof

gij op uwe slavin vertoornd zijt geweest, en in uwe gramschap hebt

gezworen, haar ter markt te brengen; maar dat gij geen plan hadt haar te

verkoopen, en gij haar alleen daar hebt laten heênvoeren, om uwen eed

getrouw te zijn. Dit zal ieder bevredigen en Saony zal er niets tegen

kunnen inbrengen. Maak u dus gereed, en zoodra gij zien zult, dat ik

haar, als ware dit met uwe toestemming, aan Saony overlever, moet gij

toeschieten, uwe slavin terugnemen, haar eenige slagen geven, en met

haar naar uwe woning gaan.” „Ik bedank u,” sprak Noureddin, „en gij

kunt er staat op maken, dat ik uwen raad zal volgen.”

Hagi Hassan keerde naar zijne kamer terug, opende de deur en ging

binnen. Na de schoone Perziane met een paar woorden onderrigt te hebben,

dat zij niet moest ontstellen over hetgeen gebeuren zou, nam hij haar

bij den arm, en bragt haar bij den vizier Saony, die nog altoos voor de

deur wachtte. „Heer,” zeide de makelaar, „ziehier de slavin; zij behoort

u, neem haar.”

Naauwelijks had Hagi Hassan deze woorden gesproken, of Noureddin schoot

toe, maakte zich meester van de schoone Perziane, en gaf haar eenige

slagen. „Neem dit voor uwe brutaliteit,” sprak hij, luid genoeg, om

door de omstanders gehoord te kunnen worden, „en keer met mij naar huis

terug. Uw lastig humeur heeft er mij wel toe gebragt te zweren, dat ik

u ter markt zou brengen, maar niet u te zullen verkoopen. Ik heb u nog

noodig, en het zal altoos nog tijd zijn, tot dit uiterste over te gaan,

als gij u niet wilt beteren.”

De vizier Saony ontstak over deze handelwijze van Noureddin in hevigen

toorn. „Ellendige verkwister,” riep hij, „wilt gij mij doen gelooven,

dat u buiten deze slavin nog iets anders te verkoopen overblijft? Hier

met de slavin!” En te gelijk zijn paard aanzettende, reed hij op

Noureddin toe, om hem de schoone Perziane te ontnemen. Deze beleediging,

hem door zijn' grootsten vijand en in het openbaar aangedaan, deed

Noureddin het bloed naar het hoofd stijgen. „Wacht mij hier,” sprak hij

tot de schoone Perziane, en haren arm los latende, greep hij het paard

van den vizier bij den teugel, zoodat dit eenige passen achterwaarts

deed. „Ondeugende kerel!” schreeuwde hij in woede, „wat verstout gij u

te zeggen, en wat wilt gij van mij? Indien ik mij niet ontzag voor de

omstanders, ik zou u den baard uitrukken, of u den lasterlijken tong uit

den mond halen.”

Daar de vizier Saony bij niemand bemind was, ja veeleer algemeen gehaat

werd, was er onder de toeschouwers niet één te vinden, wien het geen

genoegen zou hebben gedaan, indien deze gehate staatsminister eens

duchtig door Noureddin werd afgeklopt. Zij gaven hem dit genoeg door

teekens te kennen, en deden hem begrijpen, dat hij zich naar hartelust

kon wreken, zonder dat iemand hunner zich in den twist zou mengen.

Saony maakte gebruik van zijn rijzweep, om Noureddin te dwingen de

teugels van zijn paard los te laten; doch deze, een jongman in de kracht

des levens, ontrukte hem de zweep, en trok hem, aangemoedigd door het

gejubel der omstanders, van zijn paard. Hij sleurde hem met de haren

door het slijk, en sloeg er zoo duchtig op los, dat het gelaat van den

vizier weldra met modder en bloed bedekt was. De slaven, die Saony

vergezelden, sloegen de hand aan hunne sabels, en wilden zich op

Noureddin werpen, doch de kooplieden stelden zich tusschen beide en

verijdelden hun opzet. „Wat wilt gij aanvangen?” zeiden zij; „ziet gij

niet, dat de een vizier, de ander de zoon van een' vizier is? Laat hen

hun verschil onder elkander afmaken. Misschien verzoenen zij zich later,

en indien gij Noureddin mogt dooden, gelooft niet, dat uw meester, hoe

magtig hij ook is, u tegen het geregt zou kunnen beschermen.” Door deze

toespraak begonnen de slaven bevreesd te worden, en draalden zoo lang,

totdat Noureddin zelf ophield zijn' overwonnen en magteloozen vijand

te slaan. Hij liet den vizier in het slijk liggen, nam zijne schoone

Perziane met zich, en keerde met haar naar zijne woning terug, onder

het gejuich van het volk, dat hem met loftuitingen overlaadde.

Inmiddels werd Saony door zijne slaven opgeholpen; hij kon zich

naauwelijks op de been houden, en op de schouders van twee zijner

dienaren leunende, begaf hij zich, gevolgd door eene hem uitjouwende

volksmenigte, regelregt naar het paleis des konings. Toen hij zich onder

een der ramen van de vertrekken des konings bevond, begon hij luide op

klagenden toon om geregtigheid te roepen. De koning deze klaagtoonen

hoorende, liet hem voor zich brengen, en zoodra de vizier verscheen,

vroeg hij hem, wie hem in dien ellendigen toestand gebragt had. „Sire,”

zeide Saony, „men behoeft slechts in de gunst van uwe majesteit te

staan, en eenig aandeel in uwen raad te hebben, om mishandeld te worden

op eene wijze, zooals zij ziet, dat ik behandeld ben geworden.”

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel · 第 9 / 12 题