Dl. IV, pag. 91.]

Intusschen was, door een misverstand, de vorige liefde van de

prinsessen Badoura en Haïatalnefous voor haren echtgenoot Camaralzaman

langzamerhand in haat en naijver veranderd. Zij spanden zamen, hoe zich

het best van hem te ontdoen, en daartoe, zoo zij meenden, een gunstig

oogenblik, dat de vorst eene reis door zijne staten deed, gevonden

hebbende, overlegden zij, hoe het geschiktste hunne zonen, Amgiad en

Assad, tot eene zamenzwering over te halen. Daar zij den moed niet

hadden, daarover persoonlijk met de prinsen te spreken, kwamen zij

overeen te trachten, hen daartoe schriftelijk te bewegen.

Op den eersten dag van 's konings vertrek zat Amgiad in den raad voor,

en daar er verscheidene regtszaken aanhangig waren, was het twee uur op

den middag, alvorens de zitting werd gesloten. Toen hij nu uit den raad

kwam en zijn paleis binnentrad, kwam een gesnedene op hem toeloopen, en

stelde hem een briefje ter hand van de koningin Haïatalnefous. Amgiad

nam het papier aan, maar had daarin naauwelijks een' blik geslagen, toen

hij uitriep: „Hoe, trouwelooze, betracht gij dus de trouw, die gij aan

uwen meester en koning verschuldigd zijt!” En zijn zwaard trekkende,

sloeg hij hem het hoofd af. In zijne verontwaardiging, begaf hij zich

vervolgens dadelijk naar zijne moeder, de koningin Badoura, liet haar

het briefje zien, en maakte haar bekend met den inhoud, en met de

schrijfster van zulk een goddeloos voorstel. In plaats echter van zijn

gedrag te billijken, en het geschrevene te veroordeelen, ontstak de

koningin Badoura in toorn. „Zoon,” sprak zij, „wat gij mij daar zegt, is

niets dan logen en laster, de koningin Haïatalnefous is eene deugdzame

vrouw, en gij zijt wel vermetel, haar zulk een misdadig voornemen te

willen aanwrijven.” De prins, eenigzins vermoedende, waarom zijne moeder

de partij voor hare mede-koningin met zoo veel drift opnam, kon zijne

verontwaardiging niet bedwingen. „Mevrouw,” sprak hij, „het doet mij

leed; zoo iets tot mijne moeder te moeten zeggen, maar gij zijt de eene

niet veel beter dan de andere! En indien niet de eerbied, dien ik aan

mijnen vader en koning toedraag, mij weêrhield, zou Haïatalnefous haar

misdadig voornemen geen uur overleven.”

De koningin Badoura kon uit het gedrag van haren zoon Amgiad ligt

opmaken, dat zij bij den prins Assad, die niet minder deugdzaam was dan

zijn broeder, niet beter zou slagen. Maar de hartstogt verblindde haar

verstand, en reeds den volgenden dag schreef ook zij eenige regelen, die

zij aan eene oude vrouw, welke vrijen toegang tot het paleis had,

toevertrouwde, met last ze den jongen prins in handen te spelen.

De oude nam ook de gelegenheid waar, dat prins Assad, welke op dien

dag in den raad voorzat, de raadzaal verliet, en stelde hem met een

geheimzinnig gebaar het geschrevene van den koningin Badoura ter hand.

Assad had daar naauwelijks een' blik in geworpen, of hij beval een'

zijner slaven de oude te dooden. Daarop ijlde hij, het briefje nog

in de hand houdende, naar het vertrek van zijne moeder, de koningin

Haïatalnefous, maar deze liet hem zelfs niet aan het woord komen. „Ik

weet reeds, wat gij mij zeggen wilt,” voerde zij hem in hevige gramschap

te gemoet, „gij zijt even onbeschaamd als uw broeder Amgiad. Ga van

hier, en kom mij niet weder onder de oogen.”

De prins stond geheel versteld. Op zulk eene ontvangst was hij niet

voorbereid: was het wel zijne moeder, die hij dus hoorde spreken. Want

ofschoon Amgiad hem had willen sparen, en dus niet gesproken had van

hetgeen den vorigen dag had plaats gevonden, noch van zijn gesprek met

de prinses Badoura, werd hem echter thans alles duidelijk, ook zijne

moeder was schuldig, daar viel niet aan te twijfelen. Zijne oogen

schoten vlammen, en het kostte hem moeite zich te beheerschen. Eindelijk

zijne gramschap bedwingende, verwijderde hij zich zonder eene syllabe te

antwoorden, uit vrees welligt iets te zullen zeggen, dat niet met zijne

grootheid van ziel strookte. Daarop ging hij Amgiad opzoeken, beklaagde

zich op minzamen toon over diens achterhoudendheid, en deelde hem zijn

wedervaren mede. De prinsen beweenden met elkander de boosheid hunner

moeders, doch namen het edelmoedige besluit, deze treurige gebeurtenis

voor den koning verborgen te houden, teneinde hem niet te grieven, want

zij wisten, dat hun vader de koninginnen zeer liefhad, en met de volste

gerustheid op hare deugd vertrouwde. Dien blijden droom wilden zij hem

niet ontnemen.

Zoo edelmoedig waren de teleurgestelde koninginnen niet. Wanhopig bij

de prinsen eene deugd aan te treffen, welke haar tot inkeer had moeten

brengen, vergaten zij tot zelfs het moederlijk gevoel, en spanden zamen,

om hen in het verderf te storten. Zij deden hare vrouwen gelooven, dat

de jonge prinsen haar hadden willen overhalen, om tegen den koning zamen

te spannen, en hare geveinsde tranen, of die de spijt haar deed storten,

gaven daar een' schijn van waarheid aan.

Toen de koning Camaralzaman van zijne reis terugkeerde, en de

gemaakte droefheid der koninginnen opmerkte, vroeg hij met haastige

belangstelling en op een' toon van verbazing, wat haar overkomen was.

Op deze vraag verdubbelden de huichelachtige vrouwen hare zuchten en

tranen, en na zich lang genoeg te hebben laten bidden, nam eindelijk de

koningin Badoura het woord: „Sire,” sprak deze onnatuurlijke moeder

weenende, en het gelaat met de handen bedekkende, als schaamde zij zich

tot hem op te zien, „billijk is onze smart en onze droefheid; wij zijn

niet waardig het daglicht te aanschouwen, nu het ons gebleken is, u

zonen geschonken te hebben, die, van uwe afwezigheid gebruik makende,

zich zoo misdadig aan u wilden vergrijpen. Doch uwe majesteit verschoone

ons haar meer te zeggen, onze droefheid is genoegzaam, om haar te doen

begrijpen, wat onze mond niet mag uitspreken.”

Deze beschuldiging, door hunne eigene moeders tegen zijne zonen

ingebragt, zoodat hij aan de waarheid daarvan volstrekt niet twijfelde,

bragt de koning in de hoogste woede. Hij deed de prinsen bij zich

roepen, en zou hen met eigen hand gedood hebben, indien niet zijn

schoonvader, de oude koning Armanos, zijnen arm had teruggehouden. „Mijn

zoon,” sprak hij, „wat wilt gij doen? Wilt gij uwe handen en uw paleis

met uw eigen bloed bevlekken? Indien uwe zonen werkelijk misdadig zijn,

dan zal het immers altoos in uwe magt staan, om hen te doen straffen.”

De oude vorst deed verder zijn uiterste best, om Camaralzaman

tot bedaren te brengen, en smeekte hem, zich toch vooral niet te

overhaasten, maar vooraf zorgvuldig te onderzoeken, of de prinsen

werkelijk schuldig waren aan de misdaad, die men hun ten laste legde.

Wel had deze toespraak zoo veel invloed op Camaralzaman, dat hij zich

onthield zelf de beul van zijne kinderen te zijn, maar hij liet de

prinsen, zonder hen zelfs te ondervragen, in de gevangenis brengen,

en nog dien avond deed hij een' emir ontbieden, Giondar genaamd, aan

wien hij den last opdroeg met zijne zonen buiten de stad te gaan, en

het doodvonnis aan hen te voltrekken, op die plaats welke hij daartoe

geschikt zoude achten. De emir wilde zich van dezen wreeden last

verontschuldigen, en waagde het den koning opmerkzaam te maken, dat hij

welligt later berouw zou kunnen hebben, over een zoo overhaast en streng

vonnis. „Ik heb,” antwoordde Camaralzaman, „u niet hier doen komen, om

uwen raad te vragen, hoe ik mijne zonen straffen moet, gij hebt alleen

te gehoorzamen. Ga nu, en verstout u niet, mij weder onder de oogen te

komen, zonder mij de kleederen der prinsen te vertoonen, opdat mij

daaruit moge blijken, dat gij volgens mijn bevel gehandeld hebt.”

Tegen eene zoo uitdrukkelijke lastgeving durfde de emir niets meer

inbrengen, maar moest gehoorzamen. Hij haalde de prinsen uit de

gevangenis, en bragt hen buiten de stad. Zij reisden den geheelen nacht

door, zonder echter veel te vorderen, want daar zijne gevangenen te voet

waren, moest de emir zijn anders vurig paard dwingen, slechts stapvoets

te gaan. Met het aanbreken van den dag, hield de emir stil, steeg af, en

zich tot de prinsen wendende, maakte hij hun, met tranen in de oogen,

met den wil huns vaders bekend. „Prinsen,” zeide hij, „dit bevel is zeer

wreed, en het baart mij eene grievende smart, dat het den koning heeft

behaagd juist mij met de volvoering daarvan te belasten; gave de hemel,

dat ik er mij van kon ontslaan.” „Doe uw' pligt,” antwoordden Amgiad en

Assad, „gij zijt onschuldig aan onzen dood, en wij hebben u deswegens

geen verwijt te doen.” Vervolgens omhelsden zij elkander, waarna

prins Assad zich het eerst bereid stelde, om den doodelijken slag te

ontvangen. „Begin met mij, Giondar,” zeide hij, „en bespaar mij de smart

mijn' beminden broeder te zien sterven.” Amgiad echter kwam hier tegen

op, en de strijd, die nu tusschen de broeders plaats vond, getuigde zoo

zeer van hunne innige genegenheid en vriendschap, dat Giondar zijne

tranen niet kon weêrhouden.

Eindelijk werden zij het eens, en verzochten den emir hen aaneen

te binden en zoo te plaatsen, dat hij hen met één' enkelen slag

gelijktijdig het hoofd afhieuw. „Weiger,” zeiden zij, „dezen troost om

zamen te sterven niet aan twee ongelukkige broeders, die van hunne

geboorte af aan alles gemeen hebben gehad, en zich niet bewust zijn iets

strafbaars gedaan te hebben.”

Giondar stond aan de prinsen hunnen wensch toe. Hij bond hen aaneen, en

na hen zoo te hebben geplaatst, als hem het best toescheen, om zijn'

slag niet te missen en hunne hoofden te gelijk in het zand te doen

rollen, vroeg hij hun, of zij hem vóór hunnen dood ook nog iets te

belasten hadden. „Wij hebben u slechts één verzoek te doen,” antwoordden

de prinsen, „en wel, dat gij bij uwe terugkomst aan den koning, onzen

geliefden vader, zult zeggen, dat wij onschuldig zijn gestorven, maar

hem vrijspreken van onzen dood, daar hij niet wel onderrigt is geweest

omtrent de waarheid van de misdaad, die ons ten laste is gelegd.”

Giondar beloofde hun niet in gebreke te zullen blijven, deze hunne

laatste woorden getrouw aan den koning over te brengen, en trok te

gelijker tijd zijn zwaard.

De prinsen, thans tot sterven gereed, wachtten echter te vergeefs op den

slag, die hun in een ander leven zou doen overgaan. Het paard toch van

den emir, dat hij in de nabijheid aan een' boom had gebonden, verschrikt

door het flikkeren van het gepolijste staal, waarin de opgaande zon zich

afspiegelde, deed een' zijsprong, verbrak den teugel, en holde in volle

vaart over het veld. Giondar was aan het prachtige ros zeer gehecht. Hij

werd door dit voorval zoo ontsteld, dat hij, in plaats van de prinsen te

onthoofden, zijn zwaard uit de hand liet vallen, en het hollende dier

naijlde, om het zoo mogelijk weder op te vangen. Het paard was jong en

vurig, en, in plaats van naar den stem zijns meesters te luisteren,

maakte het allerlei kromme sprongen, tot dat het een groot bosch

bereikte, waar het tusschen het geboomte verdween. Giondar gaf echter

den moed niet op: hij volgde het dier, dat zich door zijn gehinnek

verraadde, en daardoor een' ouden leeuw deed ontwaken, die nu met

opgezette staart en manen uit zijn hol te voorschijn sprong. De leeuw

rekte zijne gespierde leden uit, kroop als eene kat over den grond tot

op eenige passen van het paard, doch op het punt om den sprong te doen

en zich op zijne prooi te werpen, zag hij Giondar aankomen, en liep nu

regt op dezen aan.

Giondar, den leeuw ziende naderen, dacht niet meer aan zijn paard, maar

alleen hoe hij zijn leven zou redden. Hij wierp zich in het digste van

het kreupelhout, om daar eene schuilplaats te zoeken; maar de leeuw

verloor hem niet uit het oog, en volgde hem door het hout, gelijk hij

aan het knappen der takken duidelijk kon hooren. In dit uiterste gevaar,

zeide de emir in zich zelven: „Allah zou mij deze straf niet hebben

toegezonden, indien niet de prinsen, die de koning mij heeft gelast te

dooden, onschuldig waren aan de misdaad, waarvan men hen betigt heeft;

het ongeluk vervolgt mij, want ik mis zelfs mijn zwaard, om mij te

kunnen verdedigen tegen het roofdier, dat naar mijn bloed dorst.”

Gedurende de vrij lange afwezigheid van Giondar, werden de prinsen door

een' brandenden dorst gekweld. Amgiad deed nu aan zijn' broeder het

voorstel, dat zij zich zouden losbinden, om aan eene beek, welke hij hem

op eenigen afstand aanwees, hunnen dorst te lessen. „Het is de moeite

niet waard, broeder,” antwoordde Assad; „voor de weinige oogenblikken,

die wij nog te leven hebben, kunnen wij de kwelling van den dorst wel

doorstaan.” Amgiad intusschen, zonder op deze woorden acht te slaan,

maakte zich vrij van zijne banden, en ontbond ook zijn' broeder, hij

mogt willen of niet. Zij begaven zich nu naar de bron, en verfrischten

zich met eene teug helder water. Naauwelijks echter hadden zij hunnen

dorst gelescht, toen het gebrul van den leeuw hun uit het nabijgelegen

bosch in de ooren klonk, en te gelijk de noodkreten van Giondar zich

hooren lieten. Amgiad greep dadelijk het zwaard op, dat de emir had

laten vallen. „Broeder,” zeide hij tot Assad, „laat ons den ongelukkigen

Giondar te hulp snellen, misschien komen wij nog bij tijds, om hem uit

een groot gevaar te redden.”

De prinsen lieten geen oogenblik verloren gaan en kwamen juist aan op

het tijdstip, dat de leeuw den emir had ingehaald en hem ter aarde

wierp. Toen het roofdier echter zag, dat Amgiad met het zwaard in

de hand op hem afkwam, liet hij zijne prooi los, keerde vreesselijk

brullend zijne woede tegen den prins, en kwam met groote sprongen op

hem aan. Amgiad wachtte den leeuw onverschrokken af, en ontving hem met

zulk een' krachtigen zwaardslag, dat hij hem den kop vaneen spleet, en

zijn vijand dood ter nederviel.

Zoodra Giondar bemerkte, dat hij zijn leven aan de prinsen had te

danken, wierp hij zich aan hunne voeten, en betoonde hun voor de hem

bewezen hulp zijne groote erkentelijkheid. „Prinsen,” vervolgde de emir,

terwijl hij opstond en hun de handen kuste, die hij met zijne tranen

besproeide, „de hemel beware mij, dat ik, na hetgeen gij voor mij gedaan

hebt, eene schendige hand aan uw mij thans dierbaar leven slaan zou. Het

zal in eeuwigheid niet gezegd kunnen worden, dat de emir Giondar zich

aan zulk eene snoode ondankbaarheid heeft schuldig gemaakt.” „De dienst,

dien wij u bewezen hebben,” gaven de prinsen ten antwoord, „moet u niet

terughouden, den last u door den koning, onzen geëerbiedigden vader,

opgedragen, te volbrengen. Eerst zullen wij u helpen het paard op te

vangen, en dan met onderwerping aan den wil van onzen vader, den dood

door uwe hand ondergaan, zonder dat wij u dien zullen toerekenen.”

Het paard, dat intusschen uitgehold had, en thans rustig liep te grazen,

liet zich gemakkelijk opvangen; maar de emir was volstrekt niet te

bewegen, om nu aan het verlangen der prinsen toe te geven. Wat zij ook

zeggen mogten, zij konden er hem niet toe overhalen, zijn zwaard met hun

bloed te bezoedelen. „Ik zal daar nimmer toe overgaan,” sprak hij op

vast besloten toon, „maar wilt gij mij eenen dienst bewijzen, staat

mij dan in ruil van hetgeen ik u van mijne kleederen kan geven, uwe

kleederen af, opdat ik die, zooals mij gelast is, aan den koning uw'

vader zal kunnen toonen. Begeeft u zoo ver mogelijk van hier, waardoor

zijne majesteit, niets meer van u hoorende, zal gelooven, dat ik volgens

het mij gegeven bevel met u gehandeld heb.” De prinsen gaven aan het

verlangen van Giondar toe, ontkleedden zich, en trokken datgene aan,

wat de emir van zijne kleederen voegzaam kon missen. Giondar schonk hun

daarop alles, wat hij in goud en zilver bij zich had, en keerde toen,

na een hartelijk afscheid, naar de hoofdstad van het Ebbenhout eiland

terug.

Om zich bij den koning Camaralzaman niet te verraden, doopte hij,

alvorens de terugreis aan te nemen, de kleederen der prinsen in het

bloed van den gedooden leeuw. Bij zijne terugkomst vervoegde hij zich

dadelijk bij den koning Camaralzaman, die hem vroeg, of hij zijnen

last getrouw was nagekomen. De emir gaf een ontwijkend antwoord, dat

echter den schijn had, van afdoende te zijn. „Sire,” sprak hij, hem

de kleederen van de prinsen toonende, „zie hier mijne getuigen.”

„Op welke wijze hebben zij hunnen straf ondergaan,” vroeg de koning

verder. „Sire,” antwoordde Giondar, „zij hebben daarbij de grootste

standvastigheid en onderwerping aan den wil des Hemels aan den dag

gelegd, hetgeen gunstig getuigt voor hunnen moed en voor hun edel hart.

Niet minder groot was, bij het hooren van hun doodvonnis, de eerbied,

dien zij voor uwer majesteits bevelen aan den dag legden. „Wij sterven

onschuldig,” zeiden zij, „maar morren deswegens niet. Wij schrijven

onzen dood toe aan den wil van Allah, en rekenen dien den koning onzen

vader niet toe; want wij weten zeer goed dat hij niet naar waarheid

onderrigt is geweest.””

Tot in het binnenste van zijn gemoed ontroerd en getroffen door het

verslag van den emir Giondar, scheen Camaralzaman in twijfel te geraken,

of zijne zonen wel zoo schuldig waren, als men hem had doen gelooven.

Was het deze onrust, of wel eene beschikking van hooger hand; opdat de

onschuld der prinsen aan den dag mogt komen, hoe ook: hij kwam op het

denkbeeld de kleederen en de zakken zijner zonen te onderzoeken, en

begon met die van Amgiad. Hij vond daarin een briefje, dat hij opende en

las. Aan het schrift de hand van Haïatalnefous herkennende, behoefde

hij niet verder te lezen; eene koude rilling ging hem door de leden. Met

bevende hand tastte hij nu ook in de zakken van Assad, en daarin het

schrijven vindende van de koningin Badoura, werd hij door eene duizeling

aangegrepen en zonk buiten kennis ter neder.

Onbeschrijfelijk was de droefheid van Camaralzaman, toen hij weder tot

zich zelven kwam. Hij sloeg zich op de borst, en deed zich de hardste

verwijten. „Ha, onwaardige vader!” riep hij, „wreedaard, gij hebt als

een onzinnige gewoed tegen uw eigen bloed. Uwe onschuldige kinderen hebt

gij vermoord! Moest hunne deugd, hunne gehoorzaamheid en onderworpenheid

aan uwen wil, waarvan zij steeds blijken gaven, u niet van hunne

onschuld hebben overtuigd? Verblinde vader! verdiendet gij niet, dat

de aarde zich opende en u verslond, na het bedrijven van zulk eene

afschuwelijke misdaad? Ziedaar de straf, die Allah over u laat komen,

omdat gij in den afkeer tegen de vrouwen, die was aangeboren, niet hebt

volhard. O, vrouwen, vrouwen, waartoe hebt gij mij gebragt! Door uwe

krokodillentranen, hebt gij mij tot een' moordenaar gemaakt van mijne

kinderen! Onnatuurlijke moeders, gij hebt duizendmalen den dood

verdiend, schandvlekken van uw geslacht. Maar zal ik mijne handen in uw

bloed doopen, gelijk ik het bloed van mijne zonen heb doen vergieten,

zal ik u aan hunne schimmen wrekend opofferen? Neen, gij zijt mijn'

toorn onwaardig. Maar dat de Hemel mij verplettere, indien ik u immer

wederzie!” Getrouw aan dezen eed, deed hij de koninginnen nog dien

zelfden dag ieder in een afzonderlijk vertrek opsluiten.

Terwijl koning Camaralzaman zich aldus bedroefde, en door een te laat

berouw gekweld werd, dwaalden de prinsen in de wildernis om. Zij

vermeden alle bewoonde plaatsen, en onderhielden hun leven met wilde

vruchten. De nachten bragten zij op een' boom of in eene grot door, om

zich tegen de wilde beesten te beveiligen, en terwijl de een sliep,

hield de andere wacht.

Na bijna eene maand te hebben rondgezworven, kwamen zij aan den voet van

eenen berg, die geheel uit zwarten steen bestond, en zoo hoog en steil

was, dat hij hun toescheen onbeklimbaar te zijn. Wel bespeurden zij een

gebaand pad, maar dit was zoo smal en moeijelijk, dat zij er zich niet

op durfden begeven. Zij gingen daarom langs den voet van den berg, in de

hoop een' beteren weg te zullen vinden, maar te vergeefs, en eindelijk

zagen zij zich gedwongen naar het zelfde pad terug te keeren, dat zij

als bijna onbeklimbaar beschouwden. Daar er echter geen' anderen

overgang was, besloten zij eindelijk het waagstuk te ondernemen, en

begonnnen den berg te bestijgen.

Hoe verder de prinsen kwamen, des te hooger en steiler vertoonde zich de

berg. De moeijelijkheden verdubbelden, en meer dan eens stonden zij in

beraad, om de onderneming als onuitvoerbaar op te geven. Dikwijls waren

zij beiden zoo vermoeid, dat zij op het punt stonden, daar onder te

bezwijken. Maar de noodzakelijkheid drong hen verder te gaan. Hoezeer

zij ook alle krachten inspanden, de nacht overviel hen, alvorens zij

den top des bergs bereikt hadden. Assad gevoelde zich reeds tegen den

avond zoo uitgeput, dat hij niet meer voort kon, en er bij nederviel.

„Broeder,” zeide hij tot Amgiad, „ik kan niet meer; ga gij alleen voort,

en laat mij hier sterven.” „Rust hier uit, zoo lang u goeddunkt,” sprak

Amgiad, en zette zich bij hem neder, „maar laat den moed niet zakken.

Wij behoeven niet lang meer te klimmen, en de maan begunstigt onzen

togt.”

Na een goed half uur rustens deed Assad eene krachtige poging op zich

zelven, hij stond op, en hoewel hij slechts langzaam voort kon, was toch

de bergkruin weldra bereikt. Hier rustten zij op nieuw, doch Amgiad

minder vermoeid dan zijn broeder, stond weldra weder op om het terrein

te onderzoeken. Hij zal zoo omstreeks honderd schreden voortgegaan zijn,

toen hij een' boom gewaar werd. Hij ging er heen, en zag nu tot zijne

vreugde, dat het een' granaatboom was, overladen met de heerlijkste

vruchten, en aan wiens voet een heldere bron ontsprong. Met dit blijde

nieuws keerde hij naar Assad terug, en bragt hem onder den boom bij de

bron. Zij verfrischten zich nu met een' granaatappel en eenen teug

water, waarop zij weldra in slaap vielen.

Toen de prinsen den volgenden morgen ontwaakten, stond de zon reeds hoog

aan den hemel. „Kom broeder,” zeide Amgiad tot Assad, „laat ons nu met

frisschen moed de reis vervolgen; de weg laat zich vrij goed aanzien, en

het afstijgen zal u gemakkelijker vallen, dan het beklimmen.” Maar Assad

was nog zoo vermoeid van den vorigen dag, dat hij niet minder dan drie

dagen noodig had, om zich daarvan te herstellen. Zij bragten die dagen

bij de bron en onder den granaatboom door, wiens schaduw en vruchten

hun van grooten dienst waren. Zij beraamden plannen voor de toekomst,

en spraken over de misdadige oogmerken hunner moeders, waaraan zij

hun tegenwoordig treurig lot te wijten hadden. „Maar,” zeiden zij tot

elkander, „heeft Allah ons op eene zoo zonderlinge wijze van den dood

gered, zoo moeten wij de rampen die ons nog kunnen treffen, met geduld

verdragen, en ons met de hoop troosten, dat Hij ons éénmaal uitkomst

schenken zal.”

Na verloop van drie dagen begaven de broeders zich weder op weg. Deze

was thans minder moeijelijk, doch daar de berg aan die zijde zeer

hellend afliep, en uit verscheidene terrassen bestond, die groote

vlakten vormden, hadden zij vijf dagen noodig om in het vlakke veld te

komen. Spoedig zagen zij nu, tot hunne niet geringe vreugde, eene groote

stad voor zich liggen. „Broeder,” zeide Amgiad tot Assad, „ik kom daar

op een denkbeeld, dat gij, hoop ik, goed zult vinden. Terwijl gij mij

hier wacht, zal ik naar de stad gaan, om eens op te nemen, hoe het daar

gesteld is, en wat wij van hare bewoners te hopen of te vreezen hebben.

In het laatste geval zou het niet voorzichtig zijn, indien wij te

zamen derwaarts gingen. Is echter alles goed, dan zal ik de noodige

levensmiddelen medebrengen. Wat dunkt u?” „Uw voorstel keur ik goed,”

antwoordde Assad, „het is verstandig en voorzigtig; sta echter toe, dat

_ik_ mij met die taak belaste; want indien u daar een ongeluk overkwam,

zou ik radeloos zijn.” „Maar,” hernam Amgiad, „wat gij voor mij vreest,

zou ik dan voor _u_ te vreezen hebben. Ik smeek u dus, laat mij begaan

en wacht mij hier, ik hoop spoedig terug te zullen zijn.” „Neen,” riep

Assad, „nimmer zal ik zulks toestaan. Als ik ga en mij iets overkomt,

dan zal ik ten minste den troost hebben, dat gij in veiligheid zijt.”

Amgiad moest eindelijk toegeven, en zette zich onder eene groep boomen

aan den voet van den berg. Daar zou Assad zich weder bij hem voegen.

Prins Assad nam nu eenig geld uit de beurs, die Amgiad onder zijne

berusting had, en vervolgde zijnen weg naar de stad. Zoodra hij de

poort binnenkwam, ontmoette hij een' grijsaard van een zeer achtbaar

voorkomen, wel gekleed en eene rotting in de hand houdende. Hij

twijfelde niet, of het was iemand van aanzien, van wien hij mogt

vertrouwen, dat hij hem niet zou misleiden, waarom Assad hem vroeg,

of hij de goedheid wilde hebben, hem den weg naar de markt te wijzen,

waar hij eenige kleine inkoopen wilde doen.

De grijsaard toonde zich zeer bereidwillig, zag den prins vriendelijk

lagchend aan, en zeide: „Mijn zoon, wanneer ik mij niet vergis, zijt gij

hier een vreemdeling, want anders zoudt gij mij die vraag niet doen.”

„Ja, mijnheer,” hernam Assad, „ik ben hier geheel vreemd; vergeef mij

daarom mijne vrijmoedigheid, dat ik u met vragen lastig val.” „Gij zijt

mij zeer welkom,” sprak de grijsaard; „ik beschouw het voor onze stad

eene eer, dat een jongmensch van uw voorkomen, zich de moeite geeft,

haar te bezoeken. Ben ik niet te nieuwsgierig door u te vragen, welke

zaken gij op de markt hebt te verrigten?”

„Heer,” gaf Assad ten antwoord, „ik ben reeds bijna twee maanden met

mijn' broeder op reis, om vreemde en verre landen te bezoeken. Wij

hebben den weg bijna geheel te voet afgelegd, en zijn heden in de

nabijheid dezer stad aangekomen. Mijn broeder was zoo vermoeid, dat hij

onder het lommer van een' granaatboom eene rustplaats heeft gezocht; en

mijn herwaarts komen heeft alleen ten doel, om eenige levensmiddelen

voor ons beiden in te koopen.” „Dan, mijn zoon!” sprak de grijsaard op

vriendelijken toon, „zoudt gij het niet beter hebben kunnen treffen. Ik

heb heden aan eenige mijner vrienden een groot feest gegeven, en er zijn

vele spijzen overgebleven, die nog onaangeroerd zijn. Gij hebt slechts

met mij mede te gaan, dan kunt gij bij mij eten, en ik zal u een'

voorraad medegeven, waaraan gij met uw broeder verscheidene dagen genoeg

zult hebben. Dat zal u de moeite besparen, om naar de markt te gaan, en

gij kunt uw geld in den zak houden, waarvan toch een reizend man zelden

te ruim voorzien is, en nimmer te veel kan hebben. Bovendien zal ik u

gedurende uw oponthoud ten mijnent, al de door u verlangde inlichtingen

omtrent deze stad en hare bewoners geven. Niemand is daartoe beter in

staat, daar ik hier geboren ben, en verschillende eervolle betrekkingen

bekleed heb, waardoor ik met allerlei soort van menschen in aanraking

kwam. Gij moogt het dus wel als een gelukkig toeval beschouwen u tot

mij, en niet tot iemand anders gewend te hebben, want niet alle inwoners

zijn zoo als ik; er zijn zelfs zeer slechte lieden onder. Kom dus met

mij, ik zal u het onderscheid doen zien, dat er bestaat tusschen een

eerlijk man, gelijk ik meen te zijn, en tusschen dat soort van menschen,

zooals er hier velen zijn, die zich braaf noemen, maar dit inderdaad

niet zijn.” „Ik ben u zeer dankbaar,” hernam prins Assad, „voor uwen

goeden wil mijwaarts, waarvan gij zulke doorslaande blijken geeft; ik

vertrouw mij geheel en al aan u, en ben bereid met u te gaan, waarheen

gij mij brengen zult.”

Terwijl de grijsaard, met Assad aan zijne zijde, voortging, lachte hij

inwendig over diens ligtgeloovigheid, en uit vrees dat hij iets bemerken

mogt, onderhield hij hem over verscheidene zaken, die geschikt waren, om

hem in zijne goede meening te versterken. „Het verheugt mij werkelijk,”

zeide hij nogmaals, „dat gij u juist tot _mij_ vervoegd hebt, want het

zal mij steeds aangenaam zijn, aan een' vreemdeling eenen dienst te

bewijzen, hoe gering die dan ook op zich zelven in mijne oogen wezen

moge.”

Dus pratende kwamen zij eindelijk aan het huis van den grijsaard. Deze

verzocht den prins binnen te gaan, en bragt hem in eene groote zaal,

waar veertig andere grijsaards in een' kring om een groot vuur gezeten

waren, dat zij aanbaden.

Op dit gezigt gevoelde Assad niet minder afschuw, zich in het gezelschap

van zulke mannen te zien, dan hij ontstelde bedrogen te zijn, en zich

op zulk eene gevaarlijke plaats te bevinden. Terwijl hij onthutst en

roerloos stond te kijken, begroette de listige oude heer de veertig

grijsaards. „Vrome aanbidders van het vuur,” zeide hij, „het is heden

een dag van geluk voor ons! Waar is Gusban?” vervolgde hij, „laat hem

hier komen.”

Op deze woorden, welke luid genoeg werden uitgesproken, om ook buiten

de zaal gehoord te worden, trad Gusban, een reusachtige zwarte slaaf

binnen. Deze scheen zeer goed te weten, waarom zijne tegenwoordigheid

verlangd werd; want zoodra hij Assad gewaar werd, liep hij toe, deed hem

met een' vuistslag ter aarde tuimelen, en bond hem met onbegrijpelijke

snelheid de handen op den rug. „Ik ben gereed heer,” sprak hij thans

met een' helschen lach op het valsche gelaat; „wat zal ik verder met hem

doen?”

„Breng hem,” beval de grijsaard, „ter plaatse, waar de zon niet

schijnt, en de maan hare zilveren stralen niet zien laat, in het hol,

waar een eeuwige duisternis heerscht, en de geesten 's nachts hunnen

bruiloftsdans houden. Verzuim ook niet aan mijne dochters Bastane en

Cavame te zeggen, dat zij de slagen op zijn' rug niet sparen. Een grof

brood des morgens, en een zwart brood des avonds zij zijne spijs, eene

kruik water zijn drank. Dit is genoeg, om hem in het leven te doen

blijven, tot het vertrek van het schip naar de blaauwe zee en den berg

des vuurs. Deze Muzelman zal voor onze Godheid eene welgevallige

offerhande zijn.”

Naauwelijks was dit bevel gegeven of Gusban greep den prins Assad op

eene ruwe wijze aan, en sleepte hem bij de haren de zaal uit, naar een

zich daaronder bevindend verwulfsel. Hier ligtte hij een valluik op,

sleurde den weerloozen gevangene een' trap van twintig treden af, en

nu eene ijzeren deur openende, bragt hij hem in een dompig en somber

onderaardsch hol, en sloot hem aan eenen zwaren ijzeren ketting, die in

den muur was vastgeklonken. Dit verrigt hebbende, begaf hij zich naar de

dochters van den grijsaard, om haar de hem opgedragen boodschap over te

brengen, maar hij vond zijn' meester reeds daar. „Dochters,” zeide deze,

„gaat naar het u bewuste kerkerhol; gij zult er een' Muzelman vinden,

dien ik verschalkt en in mijn huis gelokt heb, om hem tot een offer aan

onze godheid te doen dienen. Handelt met hem, zooals gij gewoon zijt, en

spaar hem niet, waardoor gij het bewijs zult geven, waardige aanbidsters

van het vuur te zijn.”

Bastane en Cavame, opgevoed in haat tegen al wat Muzelman heette,

ontvingen dezen last met blijdschap. Zij spoedden zich naar den kerker,

ontdeden den ongelukkigen gevangene van zijne kleeding, en geeselden

hem, dat het bloed er uitsprong, zoo lang totdat hij in zwijm viel. Na

deze barbaarsche mishandeling, zetten zij een brood en eene kruik met

water bij hem neder, en verwijderden zich.

Er verliep een' geruime tijd, alvorens Assad weder bij kennis kwam.

Hij schreide bitter en beklaagde zijn rampzalig lot, waarbij hij geen'

anderen troost had, dan dat zijn broeder Amgiad niet in zijne ellende

deelde, en gelukkiger dan hij, misschien aan de lagen der vuuraanbidders

zou ontkomen.

Inmiddels bleef prins Amgiad zijn' broeder Assad tot 's avonds aan den

voet van den berg wachten. Hij durfde die plaats niet verlaten, uit

vrees dat zij elkander mis zouden loopen, doch toen het nu donker werd,

begon hij zeer bekommerd te worden over het lot van zijn broeder. Hij

bragt den nacht onrustig en slapeloos door, en begaf zich zoodra de dag

aanbrak, op weg naar de stad.

De poort binnentredende, waren er reeds vele menschen op de been, maar

tot zijne verwondering doorliep Amgiad verscheidene straten, zonder een'

enkelen Muzelman te ontmoeten. Eindelijk kwam er hem een tegen. Hij

wendde zich tot hem, en vroeg hoe de stad heette, en op welken afstand

deze van het Ebbenhout eiland gelegen was. „Gij zijt hier,” luidde het

korte antwoord, „in de stad der toovenaars, alzoo genaamd, omdat de

meeste der inwoners aanbidders van het vuur zijn. Van hier naar het

Ebbenhout eiland duurt de reis over zee vier maanden, en over land

gaande, zoudt gij een vol jaar noodig hebben.” Amgiad wilde nog eene

vraag doen, maar de Muzelman groette hem, en ging zijnen weg.

Daar de beide broeders maar zes weken hadden gereisd, om in deze stad

te komen, wist onze prins niet, wat hij daarvan moest denken; of het

moest zijn, dat de moeijelijke weg over den berg zoo veel korter was,

dan de gewone reisroute. Hij was echter te bekommerd over het lot van

zijnen broeder, om zijne gedachten lang bij iets anders te bepalen.

Een' kleêrmakerswinkel voorbijgaande, trad hij naar binnen, daar hij

den bewoner aan zijn' tulband voor een' Muzelman herkende. Na hem

vriendelijk gegroet te hebben, zette hij zich naast den snijder neder,

en deelde hem onbewimpeld mede, dat hij in de stad was gekomen, om naar

zijn' broeder te zoeken, die reeds den vorigen dag derwaarts vertrok, om

eenige levensmiddelen te koopen, maar niet was teruggekeerd.

De kleêrmaker hoorde aandachtig toe en zeide toen: „Indien uw broeder

in handen is gevallen van dezen of genen vuuraanbidder, dan is hij

reddeloos verloren, en gij moet er niet op rekenen, dat gij hem dan

immer weder zult zien. Troost u dus, zoo goed gij kunt, en wees er op

bedacht, dat gij u zelven in acht neemt, opdat u niet een gelijk ongeluk

overkome. Het beste, dat ik u raden kan, is dat gij bij mij uw' intrek

neemt. Ik zal u dan bekend maken met al de listen en lagen, waarvan de

vuuraanbidders zich bedienen, om de Muzelmannen, vooral vreemdelingen,

te verstrikken, opdat gij uitgaande, u voor hen in acht zult kunnen

nemen.” Amgiad, ten hoogste bedroefd over het verlies van zijn' broeder,

en denkende hem op die wijze het gemakkelijkste te zullen terugvinden,

nam het voorstel van den goedhartigen kleêrmaker dankbaar aan.

Gedurende de eerste maand ging de prins niet anders uit, dan in

gezelschap van zijn gastheer. Daar men hem echter tot dusverre

ongemoeid had gelaten, werd hij stoutmoediger, en op zekeren dag, dat

de kleêrmaker te druk met werk was belet om uit te gaan, begaf hij zich

alleen naar het bad. In het naar huis gaan, ging hij door eene eenzame

straat, waar hij eene gesluijerde dame ontmoette, die regt op hem

aankwam. Zij hield hem staande, ligtte haren sluier op, en liet hem een

zeer schoon gelaat zien, terwijl zij hem minzaam toelonkte, en met een

vriendelijk lachje vroeg, waar hij heenging.

Amgiad kon aan de bevalligheden, die zij voor hem ten toon spreidde,

geen' weerstand bieden. „Mejufvrouw,” gaf hij zonder aarzelen ten

antwoord, „ik ga naar mijn huis, of naar het uwe, zooals gij dat

begeert.” „Heer,” antwoordde de dame met een minzaam lachje, „dames

als ik ontvangen geene heeren bij zich, maar komen bij hen.”

Amgiad werd door dit antwoord, dat hij niet verwacht had, in groote

verlegenheid gebragt. Hij had de stoutmoedigheid niet, haar bij zijnen

gastheer te brengen, die zulks zeker zeer euvel zou opgenomen hebben, en

onzen prins zijne bescherming, die hij in deze stad zoo zeer noodig had,

waarschijnlijk daarom zou ontzegd hebben. Zijne weinige bekendheid had

tevens ten gevolge, dat hij volstrekt geen huis wist, waarheen hij met

deze dame gaan kon, en toch wilde hij er niet toe overgaan haar dit te

zeggen. In deze onzekerheid, wat te moeten doen, besloot hij de zaak aan

het lot over te laten, dat hem de dame had doen ontmoeten; hij ging dus,

zonder zelf te weten waarheen, de eene straat uit en de andere in. De

dame volgde hem zoo trouw als zijne schaduw.

Eindelijk echter werden beiden het omdwalen moede, en bij een groot huis

komende, waarvoor twee banken waren, zette Amgiad zich op eene derzelve,

om eens adem te halen. De dame, nog meer vermoeid dan haar geleider,

viel op de andere bank neder. „Dit is dus uw huis?” vroeg zij. „Zooals

gij ziet, Mejufvrouw,” antwoordde de prins gedachteloos. „Waarom maakt

gij dan de deur niet open,” vervolgde zij, „wij zullen binnen beter

zijn, dan hier buiten; waar wacht gij op?”

Die vraag, hoe natuurlijk ook, bragt den prins op nieuw in verlegenheid.

Hij werd de zaak moede, en besloot er zich af te maken. „Mijne schoone,”

zeide hij, „ik heb mijn' slaaf uitgezonden, om eenigen voorraad op te

doen en mij een goed middagmaal toe te bereiden. Daar ik niet dacht voor

den middag te huis te komen, heb ik hem den sleutel medegegeven. Wat het

ergste is, hij heeft vele zaken te doen, en kan nog lang uitblijven,

hetgeen mij zeer spijt.”

Amgiad dacht, dat dit lange wachten, de dame zou nopen hem te verlaten,

maar hierin bedroog hij zich. „Uw slaaf,” zeide zij, „is wel onbeschaamd

zoo lang op zich te laten wachten, en indien gij hem niet duchtig straft

als hij terugkomt, zal ik mij daar zelve mede belasten. Ik beloof u,

dat hij in het vervolg wat harder loopen, en meer haast maken zal.

Intusschen is het niet welvoegelijk, dat ik hier met een' man alleen

op de stoep van uw huis zit. Maar ik weet raad, om u en mij uit deze

ongelegenheid te helpen.” Dit zeggende, raapte zij een' grooten steen

op, om daarmede het slot stuk te maken, dat volgens de gewoonte in dat

land slechts van hout en zeer zwak was.

Amgiad, wanhopig over haar voornemen, wilde haar daarvan terugbrengen.

„Mejufvrouw,” zeide hij, „wat gaat gij beginnen? Wees zoo goed, zoo lang

geduld te hebben, totdat mijn slaaf terugkomt.” „En waartoe dat?” bragt

de dame in, „dit huis is uw eigendom, en wat is er verbeurd aan een

houten slot? Door er een ander voor te hangen, zal die schade hersteld

zijn.” Zij stootte het slot stuk, deed de deur open, en ging zonder

daartoe verlof te vragen, vrijmoedig naar binnen.

Amgiad, de deur open ziende, beschouwde zich een verloren man. Hij stond

in twijfel, of hij haar volgen en terughalen, of zich door de vlugt in

veiligheid stellen zou. Tot dit laatste was hij besloten, toen de dame

bemerkte, dat hij achterbleef, en daarom terugkeerde. „Wat scheelt er

toch aan?” riep zij hem toe, „zijt gij bevreesd uw eigen huis binnen te

gaan, omdat ik mij voor sleutel van een' steen bediend heb?”

„Neen Mejufvrouw,” sprak de prins, „ik zag uit naar mijn' slaaf; want

als hij niet spoedig komt, weet ik niet, wat ik u zal voorzetten.” „Kom

maar hier,” riep de dame, „of moet ik u halen? Kom, vlug wat; wij kunnen

uwen slaaf even goed binnen uwe woning afwachten, als daar buiten.”

Amgiad was nu, wilde hij een straatrumoer voorkomen, zijns ondanks wel

verpligt naar binnen te gaan, en voegde zich bij de dame. Het voorhof,

waar zij zich nu bevonden, was net bestraat, en kwam in eene ruime

vestibule uit, waar zij het gezigt hadden op eene groote en prachtig

gemeubelde zaal. Midden in die zaal stond eene gedekte tafel, voorzien

van de heerlijkste spijzen en fijnste vruchten, terwijl op een

hoekbuffet allerlei wijnen in kristallen karaffen fonkelden.

Toen Amgiad deze feestelijke toebereidselen zag, voelde hij eens naar

zijn hoofd, of dit nog op de oude plaats zat, want dat hij het verliezen

zou, meende hij als onvermijdelijk. Zijne gezellin integendeel was

verrukt over hetgeen hare oogen zagen. „Hoe nu, mijn goede heer?” riep

zij uit, „gij waart bevreesd, dat wij niets gereed zouden vinden, doch

zie eens, uw slaaf heeft beter gezorgd, dan gij zelf vermoeddet. Als

ik mij niet vergis,” vervolgde zij in plagende scherts, „geldt dit

feestelijk onthaal niet mij, maar eene andere dame. Doch bekommer u

daar niet over, ik wil niet jaloersch zijn op uwe beminde. Verleen mij

slechts de gunst haar en u te bedienen.”

Hoe ongerust hij ook was, kon Amgiad zich om deze plagerij niet van

lagchen onthouden. „Mejufvrouw,” zeide hij, zijnen angst voor een

oogenblik ter zijde stellende, „gij vergist u, ik ben geene gasten

wachtende; het is mijne gewoonte een goed middagmaal te doen.” Zijne

woorden waren echter lang niet in overeenstemming met zijne daden, want

in plaats van zich aan tafel te zetten, wilde hij op de sofa plaats

nemen. „Hoe nu?” zeide zijne gezellin, „wilt gij om mij van uwe gewoonte

afgaan? Dat zal ik niet gedoogen. Daar gij uit het bad komt, zult gij

wel eetlust hebben, en ook mij ontbreekt het daar niet aan. Laat ons

dus aan tafel gaan, eten, drinken en ons vermaken.”

De prins wist niet, hoe zich daarvan te verontschuldigen, zonder een

gek figuur te maken, en zette zich naast zijne schoone. De dame deed

intusschen, alsof zij te huis was; zij diende hem nu het eene dan

het andere voor, en schonk zich een glas wijn in, dat zij op zijne

gezondheid leegdronk. Daarna vulde zij het zelfde glas nogmaals, en

bood dit Amgiad aan, die nu wel gedwongen was, haar bescheid te doen.

Onder dit alles was Amgiad zeer verwonderd, dat noch de heer des huizes,

noch eenig bediende zich liet zien. „Mijn geluk,” zeide hij in zich

zelven, „zou wel groot zijn, indien men ons hier ongestoord liet,

totdat deze zonderlinge ontmoeting, waaruit ik mij niet weet te redden,

zal zijn afgeloopen.” Terwijl de prins zich met deze en andere minder

vrolijke gedachten bezighield, ging de dame voort met eten en drinken.

Zij moedigde hem steeds aan evenzoo te doen, en reeds was het dessert

aangesproken, toen de eigenaar binnenkwam.

Bahader, zoo heette deze, was eerste kamerheer bij den koning der

toovenaars. Het huis, waar onze beide bekenden zich bevonden, was wel

zijn eigendom, doch hij woonde in een ander hotel, en gebruikte dit

slechts als een lustoord, waar hij zich nu en dan met eenige vertrouwde

vrienden vermaakte. Ook thans zou dit plaats hebben, en hij had door

zijne bedienden de tot het feestmaal benoodigde zaken daar heen laten

brengen. Deze waren juist weder vertrokken, toen Amgiad en de dame zich

voor het huis nederzetten.

Bahader kwam, zooals dit zijne gewoonte was, verkleed en zonder eenig

gevolg, iets vroeger dan de genoodigde gasten. Hij was zeer verwonderd

het slot van de deur opengebroken te vinden. Zouden dieven zich daartoe

op het midden van den dag verstout hebben? Hij wist niet, wat te moeten

denken, en ging zonder gerucht te maken naar binnen. Daar hij in de zaal

hoorde praten en lagchen, sloop hij langs den muur den gang door, en

stak het hoofd door de half openstaande deur, om te zien, wat soort van

lieden zich ten zijnent bevonden. Toen hij nu bemerkte, dat het een

jongeling van een edel voorkomen en eene jonge dame waren, die zich

vroolijk maakten met het maal, dat voor hem en zijne vrienden bestemd

was, en dat dus de ramp niet zoo groot bleek, als hij zich eerst had

voorgesteld, besloot hij eene grap te hebben.

De dame zat met den rug eenigzins naar de deur gekeerd, zoodat zij den

kamerheer niet kon zien. Amgiad echter werd hem gewaar, op een oogenblik

dat hij zijn glas aan de lippen bragt. Zijne kleur verschoot, en met de

oogen op Bahader gevestigd, bleef hij als een standbeeld zitten. De

kamerheer legde den vinger op den mond, en wenkte, dat hij hem wilde

spreken. Amgiad dronk nu zijn glas uit, en stond van tafel op. „Waar

wilt gij heen?” vroeg de dame. „Mejufvrouw,” antwoordde hij, „blijf

gerust zitten, ik moet mij even verwijderen, en ben zoo terug.” Bahader

wachtte hem in den gang, en wenkte, dat hij zou volgen. Toen zij het

voorhof hadden bereikt, zoodat zij vrij konden spreken, zonder gehoord

te worden, vroeg de kamerheer, wat hem de vrijheid had doen nemen, het

slot van de huisdeur stuk te maken, en zich met die dame aan zijne tafel

te zetten.

„Heer,” gaf Amgiad ten antwoord, „ik moet bekennen, dat ik heb gehandeld

als een dwaas, doch zoo gij het geduld wilt hebben mij aan te hooren,

dan zult gij mij welligt minder schuldig achten, dan ik dit thans in uwe

oogen zijn moet.” Hierop deelde hij hem zonder eenige terughouding de

zaak mede. Ook verzweeg hij zijne afkomst niet, noch de reden, waarom

hij zijn vaderland had moeten ontvlugten, om hier of elders in den

vreemde eene wijkplaats te zoeken. Bahader was in het algemeen den

vreemdelingen genegen, en het verheugde hem, iemand van zoo hoogen

rang aan zich te kunnen verpligten. De beschaafde taal en manieren van

Amgiad deden bij hem de overtuiging geboren worden, dat deze hem niet

misleidde. „Prins,” zeide hij daarom, „het verblijdt mij iemand van

zulk eene afkomst en zoo ongelukkig als gij binnen mijne woning aan te

treffen, en dat door een zoo zonderling toeval, als men maar zou kunnen

uitdenken. Beschouw u dus van nu af aan als mijn gast. Inmiddels wil ik

eene grap hebben, en door mij daarbij behulpzaam te zijn zult gij mij

verpligten. Vooraf moet ik u zeggen, dat ik de eerste kamerheer des

konings ben, dat ik een ander huis bewoon, en dit slechts voor eene

uitspanningsplaats houd, om mij met mijne vrienden in ongestoorde

vrijheid te vermaken. Hoor nu mijn plan. Gij hebt aan uwe dame doen

gelooven, dat dit uw huis is, en dat gij een' slaaf hebt. In die meening

moet zij blijven, en die slaaf zal ik zijn. Opdat gij u daartegen niet

moogt verzetten, zoo weet, dat ik zulks als eene gunst van u begeer, en

dat mijn besluit onherroepelijk is. Keer dus naar uwe gezellin terug,

vermaak u met haar, even alsof gij ten uwent waart, en als ik straks

kom, als uw onderdanige slaaf, ontzie mij dan niet, beknor mij over mijn

lang uitblijven, of sla mij zelfs. Gij moogt met uwe dame hier den avond

en den nacht doorbrengen, en morgen kunt gij haar laten gaan; tot zoo

lang wil ik u als slaaf bedienen. Daarna mijn' rang hernemende, zal

ik zien, wat er voor u te doen is, en gij kunt op mij als een' vriend

rekenen. Ga nu, en verzuim geen' tijd!” Amgiad wilde nog het een en

ander inbrengen, maar de kamerheer begeerde daarvan niets te hooren,

en drong er op aan, dat hij zonder verder verzuim naar de eetzaal zou

terugkeeren.

Amgiad was naauwelijks weder in de zaal, toen de vrienden van

den kamerheer verschenen. Bahader ontving hen op het voorhof, en

verontschuldigde zich, dat hij hen dien dag niet kon onthalen, om

redenen, die hij hun nader zoude mededeelen. Zoodra zij zich daarop

verwijderd hadden, ging hij uit, om zich in een slavenkleed te

vermommen.

Inmiddels voegde prins Amgiad zich met een verligt hart weder bij zijne

dame, en dankte Allah in een huis te zijn gekomen, dat aan zulk een'

voornamen en edelen heer toebehoorde. „Mejufvrouw,” zeide hij, zich

aan tafel zettende, „ik vraag u duizendmaal verschooning voor mijne

onwellevendheid, dat ik u zoo lang alleen heb gelaten, en voor den

kwaden luim, waarin de afwezigheid van mijn' slaaf mij gebragt heeft;

maar de schelm zal weten, dat hij mij zoo lang heeft doen wachten, en er

voor boeten.” „Bekommer u daar niet over,” hernam de dame, „heeft uw

slaaf zich aan pligtverzuim schuldig gemaakt, des te erger voor hem,

zijne straf zal hij niet ontgaan. Denken wij dus niet meer om hem, en

laat ons er alleen op bedacht zijn, om ons te vermaken.”

Zij gingen voort goede sier te maken, terwijl ook Amgiad daaraan thans

met een opgeruimd hart deelnam, daar hij nu geene vrees voor de gevolgen

meer behoefde te koesteren. Hij was thans niet minder goed geluimd dan

de dame, en zij schertsten, aten en dronken te zamen, totdat Bahader als

slaaf vermomd binnentrad. De kamerheer speelde zijn' slavenrol zeer

goed. Hij nam den schijn aan zeer verslagen te zijn, dat hij zijnen

meester reeds te huis en in gezelschap vond. Hij wierp zich aan zijne

voeten en kuste den grond, om zijne vergiffenis af te smeeken; en zich

weder oprigtende, bleef hij met de handen voor de borst gekruist, het

hoofd voorover gebogen en met neêrgeslagen oogen voor hem staan, om

zijne bevelen af te wachten.

„Ondeugende slaaf,” sprak Amgiad met gemaakten toorn in oog en stem,

„zeg mij, of er op het geheele wereldrond een' onwaardiger slaaf te

vinden is? Waar zijt gij zoo lang geweest?” „Heer,” antwoordde Bahader,

„vergeef mij mijnen misslag; ik heb de boodschappen verrigt, die gij mij

hebt opgedragen, doch mij daarbij niet zeer gehaast, daar ik u niet zoo

vroeg te huis verwachtte.” „Gij zijt een deugniet,” riep Amgiad, „en uw

rug zal ondervinden, dat liegen en pligtverzuim strafbare zaken zijn,

die gij moet afleeren.” Hij stond nu op, kreeg een' stok, en gaf den

kamerheer een drietal slagen, waarna hij zich weder aan tafel zette. De

dame scheen echter met deze kleine kastijding niet tevreden; zij stond

op hare beurt op, nam den stok, en gaf aan Bahader zoo vele en zulke

gevoelige slagen, dat hem de tranen in de oogen schoten, en hij zich

moeijelijk goed kon houden. Amgiad was ten hoogste verontwaardigd over

de ongehoorde vrijheid, welke de dame zich veroorloofde, en dat zij

een' kamerheer des konings aldus mishandelde, maar wat hij ook mogt

inbrengen, zij stoorde er zich niet aan. „Laat mij begaan,” zeide zij,

„zijt gij al voldaan, ik ben dit nog niet; ik zal hem leeren niet weder

zoo lang uit te blijven.” Intusschen ging zij voort met slaan, en dit

met zooveel woede, dat de prins zich genoodzaakt vond tusschenbeide

te komen en haar den stok te ontrukken, dien zij niet zonder veel

wederstand losliet, maar toch eindelijk moest laten glippen. In de

onmogelijkheid verder te slaan, nam zij hare plaats weder in, echter

niet zonder den gewaanden slaaf nog allerlei scheldnamen naar het hoofd

te werpen.

Bahader, eindelijk uit de handen dezer furie verlost, droogde zijne

tranen af, en ging aan tafel staan, om zijne gasten te bedienen. Toen

hij zag, dat zij niets meer gebruikten, nam hij af, ruimde de zaal op,

bragt alles op zijne plaats, en stak, daar het reeds donker werd, de

waskaarsen aan. Telkens als hij in hare nabijheid kwam, moest hij van

de dame allerlei beleedigingen en bedreigingen aanhooren, tot groote

ergernis van Amgiad, die echter geene kans zag, zijne schoone tot

zwijgen te brengen. Toen het tijd werd, om zich ter ruste te begeven,

maakte Bahader op de sofa een bed in gereedheid, en begaf zich naar

zijne kamer, waar hij, na het doorstaan van zoo vele ongewone

vermoeijenissen, weldra in een' diepen slaap viel.

Amgiad en zijne schoone bleven nog eenigen tijd zitten, en alvorens zij

zich op de sofa plaatsten, verliet de dame voor een oogenblik de zaal.

De deur van de kamer, waar Bahader zich bevond, stond half open; hij

sliep zoo vast, dat men hem in het voorhuis kon hooren snorken. „Ha,

luiaard,” dacht de wraakzuchtige dame, „dat zal uw laatste slaap zijn,”

en naar de zaal terugkeerende, zeide zij tot Amgiad: „Indien gij mij

liefhebt, sta mij dan een enkel verzoek toe.” „Spreek,” gaf de prins ten

antwoord, „wat verlangt gij?” „Neem,” vervolgde zij, „de sabel, welke

daar aan den muur hangt, en sla uwen slaaf het hoofd af.”

Amgiad was niet weinig verbaasd over een zoo wreed verzoek, dat hij

echter toeschreef aan de dampen van den wijn, die haar naar het hoofd

waren gestegen. „Mejufvrouw,” antwoordde hij, „laat ons over mijn' slaaf

niet meer praten; ik heb hem gekastijd, en gij hebt hem geslagen; dat

is eene voldoende straf. Behalve zijn' misslag van heden ben ik zeer

tevreden over hem.” „Daar laat ik mij niet mede afschepen,” riep de dame

woedend; „sterven moet de schelm, en is dit niet door uwe hand, dan zal

het door de mijne zijn!” Dit zeggende nam zij de sabel van den muur,

rukte die uit de scheede, en ijlde de zaal uit, om haar voornemen te

volvoeren.

Amgiad liep echter nog harder dan zij, hield haar staande en zeide: „Ik

zie wel, Mejufvrouw, dat aan uwen wensch moet voldaan worden, maar mijne

eer gedoogt niet, dat mijn slaaf door eene andere hand dan de mijne

valt. Geef mij dus de sabel, en volg mij; maar zonder gerucht te maken,

opdat hij niet ontwake.” De dame reikte het moordtuig over, en volgde

den prins naar de kamer en voor het bed van Bahader. „Hij slaapt nog,

sla nu toe,” zeide zij. „Dat zal ik,” antwoordde Amgiad. Het zwaard

flikkerde in zijne hand, doch in plaats van den kamerheer te treffen,

sloeg hij de wraakzuchtige dame het hoofd af, dat op het bed van Bahader

nederviel.

Onze kamerheer, hierdoor wakker geworden, was niet weinig verbaasd,

toen hij Amgiad met het bebloede zwaard nog in de hand voor zijn bed

staan, en het ligchaam van de dame zonder hoofd op den grond uitgestrekt

zag. Hij vroeg hem, wat dit te beteekenen had. De prins deelde hem de

toedragt van zaken mede, „en,” zoo besloot hij, „om deze razende te

beletten, dat zij u het leven benam, bleef mij geen ander middel over,

dan aan het hare een einde te maken.”

„Prins,” zeide Bahader, van dankbaarheid doordrongen, „personen van

koninklijk bloed en zoo grootmoedig als gij, zijn niet in staat eene

zoo snoode daad toe te laten. Gij hebt mij het leven gered, en ik ben

er u zeer dankbaar voor. Wij zullen echter, wordt de zaak bekend, groote

gevaren loopen; het is daarom noodig het lijk weg te maken vóór dat de

dag aanbreekt. Ik zal mij daarmede belasten.” „Neen,” sprak Amgiad, „ik

heb haar gedood, het is dus niet meer dan billijk, dat ook ik het gevaar

loop, dat er aan verbonden is, om het lijk van hier te brengen.” „Een

vreemdeling als gij,” hernam Bahader, „zou daarin onmogelijk slagen.

Laat mij dus begaan, en blijf hier geduldig wachten. Indien ik vóór

den dag niet terugkom, zal u zulks een bewijs zijn, dat de wacht mij

overvallen heeft. Daarom zal ik u bij geschrifte dit huis met deszelfs

meubelen als eene vrije gift bij levenden lijve overdragen, opdat gij,

mogt ik omkomen, daarvan in het rustig bezit kunt blijven.”

Zoodra Bahader dezen giftbrief geschreven en aan den prins Amgiad ter

hand gesteld had, deed hij het lijk met het hoofd der verslagene dame in

een' zak, nam dien op zijnen schouder, en sloeg daarmede den kortsten

hem bekenden weg naar het zeestrand in. Hij was zijn doel reeds nabij,

toen hij tot zijn ongeluk door eene politiewacht ontmoet werd. Deze

hielden hem aan en den zak openende, vonden zij daarin het lijk en het

afgehouwen hoofd van de vermoorde dame. Dus op de daad betrapt en van

moord of medepligtigheid daaraan overtuigd, had de bevelhebber der wacht

volgens de bestaande landswetten het regt, hem op de plaats zelve ter

dood te laten brengen, doch daar hij in den vermomden slaaf den eersten

kamerheer des konings herkende, vergenoegde hij zich, Bahader mede naar

zijne woning te nemen, teneinde hem den volgenden morgen voor den koning

te brengen. De vorst had naauwelijks het verslag van den bevelhebber der

wacht aangehoord, of verontwaardigd over de snoode misdaad waaraan hij

zijnen kamerheer schuldig achtte, overlaadde hij hem met verwijten.

„Het is dan maar al te waar,” riep hij in hevigen toorn, „dat gij mijne

onderdanen vermoordt en berooft, en de lijken uwer slagtoffers in zee

werpt. Voor u is geen genade, al waart gij mijn' eigen zoon; het regt

moet zijnen loop hebben. Breng den booswicht uit mijne oogen,” vervolgde

hij, „laat onmiddelijk eene galg oprigten, en hang hem daaraan op.”

Bahader hoorde zijn vonnis met gelatenheid aan, en bragt geen enkel

woord tot zijne verdediging in. Hij was te grootmoedig, om den prins als

den dader bekend te maken; liever wilde hij onschuldig sterven, dan eene

ondankbaarheid begaan.

De bevelhebber der wacht nam hem met zich mede, en terwijl men de galg

oprigtte, liet hij door de stad omroepen, dat dien middag het doodvonnis

zou voltrokken worden aan den eersten kamerheer des konings, wegens

eenen door hem gepleegden moord.

Intusschen wachtte prins Amgiad te vergeefs op de terugkomst van

Bahader. Hij maakte daaruit op, dat hem een ongeluk moest zijn bejegend,

en juist wilde hij uitgaan, om te zien of hij ook iets aangaande zijn

lot zou kunnen te weten komen, toen de omroeper op den hoek van die

straat het volk opriep, om de teregtstelling van den eersten kamerheer

des konings bij te wonen. Het was den prins nu duidelijk, dat zijn

weldoener bij het wegdragen van het lijk in handen van de politie moest

zijn gevallen, en dat hij te grootmoedig was geweest zich te redden,

door den waren schuldige te doen kennen. „En ik zou gedoogen,” sprak hij

bij zich zelven, „dat die edele man zich voor mij opoffert? Neen, dan

zou ik mij zelven diep verachten. Indien iemand sterven moet voor de

regtvaardige straf, welke deze boosaardige dame ondergaan heeft, zoo

zal ik dit zijn, en niet de kamerheer. Nimmer zal ik dulden, dat de

onschuldige voor den schuldige boet.” Zonder verdere overwegingen begaf

hij zich vervolgens naar de strafplaats, waar het volk reeds in grooten

getale heen stroomde, en hem dus den weg wees.

De prins wachtte het oogenblik af, dat de geregtsdienaars met Bahader

op de strafplaats verschenen, en hem onder de galg geleidden. Toen

drong hij door de menigte heen, en sprak den regter aldus aan: „Heer, ik

verklaar en bezweer u, dat de eerste kamerheer des konings, dien gij ter

dood wilt brengen, geheel onschuldig is aan den dood van de vermoorde

dame. Ik heb die misdaad bedreven, indien het eene misdaad mag genoemd

worden, eene boosaardige vrouw uit de wereld te helpen, die besloten had

den edelen Bahader in den slaap het leven te benemen. Hoor van mij, hoe

zich die zaak heeft toegedragen, en ben ik schuldig in uwe oogen, zoo

doe mij sterven, maar laat dezen onschuldige gaan.”

De regter had het geduld den prins ten einde toe aan te hooren, en

toen deze zijn verslag geëindigd en hem zijne ontmoeting met de dame

medegedeeld had, nam hij daaruit aanleiding, de voltrekking van het

vonnis op te schorsen, en de zaak andermaal voor den koning te brengen.

De koning vond het gebeurde van zoo zonderlingen aard, en er was zoo

veel in, dat voor de schuld der dame pleitte, dat hij besloot Amgiad

daarover zelf te hooren, en hem voor zich te laten brengen. Reeds het

open voorkomen van den jongen man nam den koning gunstig in, en hij

liet zich de zaak tot in de kleinste bijzonderheden verhalen.

Amgiad verheugde zich zeer over deze gunstige stemming van den vorst, en

besloot daarvan in zijn voordeel gebruik te maken. Hij bepaalde zich dus

niet tot zijne ontmoeting met de dame, toen hij uit het bad kwam, en tot

hetgeen met haren dood in betrekking stond; maar deed ook een beknopt

verhaal, hoe hij met zijn' broeder Assad het rijk van den koning zijn'

vader had moeten ontvlugten, hoe zij na eene hoogst vermoeijende reis

bij deze stad waren aangekomen, en wat hem daar verder bejegend was,

want omtrent het lot van zijn' broeder verkeerde hij in onzekerheid.

Dit verhaal maakte blijkbaar een' gunstigen indruk op den koning. Hij

twijfelde geen oogenblik aan de opregtheid van den verhaler. „Prins,”

zeide hij, „het verblijdt mij, door deze gelegenheid met u bekend te

worden. Ik schenk u niet slechts het leven, en dat van mijn' kamerheer,

wiens grootmoedig gedrag ik zeer prijzen moet, en dien ik in zijn ambt

herstel; maar ik maak u tot mijn' groot-vizier, teneinde u op die wijze

te troosten over de onverdiende miskenning, welke gij van den koning uw'

vader hebt ondervonden. Wat nu uw' broeder den prins Assad aangaat, ik

geef u vrijheid, gebruik te maken van al het gezag, dat ik in uwe handen

gelegd heb, om hem door mijn geheele rijk te laten opsporen.”

Amgiad betuigde den koning van de stad en van het land der toovenaars

zijnen dank voor al deze onverdiende gunstbewijzen, en beloofde, zich

die door getrouwen dienstijver éénmaal waardig te maken. Met Bahader

onderhield hij eene naauwe vriendschap, terwijl hij ook den braven

kleêrmaker niet vergat, bij wien hij als vreemdeling een onderkomen en

bescherming had gevonden. Hij verhief hem, met toestemming des konings,

tot hofleverancier, en gaf hem bovendien een rijk geschenk, om daarmede

zijne zaak op eene groote schaal te kunnen aanleggen. Bovenal gaf hij

zich alle mogelijke moeite, om het verblijf van zijnen broeder uit te

vinden. Hij deed door de omroepers in de geheele stad bekend maken, dat

degene, welke het verblijf van zijn' broeder opspoorde, of slechts eene

aanwijzing daaromtrent wist te doen, eene rijke belooning zou ontvangen.

Hij zond ook lieden naar buiten om in den omtrek onderzoek te doen, maar

alles te vergeefs, hij kon niets omtrent Assad te weten komen.

Intusschen bevond Assad zich nog altoos in het zelfde onderaardsche hol,

waar hij door de behendigheid van den listigen grijsaard was opgesloten

geworden. Bastane en Cavame mishandelden den ongelukkigen gevangene nog

steeds met verregaande wreedheid en onmenschelijkheid, terwijl de dag

tot het groote feest der vuuraanbidders met rassche schreden naderde.

Het schip, dat gewoonlijk de reis naar de blaauwe zee en den berg des

vuurs deed, werd reeds uitgerust en de lading, uit allerlei koopwaren

bestaande, opgekocht. Dit alles geschiedde onder toezigt van een'

zekeren kapitein Behram, een' zeer ijverigen vuurdienaar. Op den daartoe

vastgestelden dag deed Behram prins Assad in eene kist, die ten deele

met koopwaren was gevuld, en waarin men eenige luchtgaten had gemaakt,

aan boord brengen, en deze in het ruim tusschen andere goederen

plaatsen.

De groot-vizier Amgiad, wetende dat de vuuraanbidders de barbaarsche

gewoonte hadden elk jaar op den berg des vuurs een' Muzelman aan hunne

ingebeelde godheid te offeren, kwam op het denkbeeld, dat welligt zijn

broeder Assad, in handen van deze lieden kon zijn gevallen, en door

hem tot deze plegtigheid bewaard geworden. Toen hij nu vernam dat het

daartoe bestemde schip zeilree lag, begaf hij zich in persoon aan

boord van dien bodem. Hij deed alle passagiers en matrozen op het dek

komen, en hield hen daar zoo lang als zijne onderhoorigen het schip

doorzochten. Zij vonden echter Assad niet; deze was te goed verborgen.

Toen dit onderzoek was afgeloopen, liep het schip de haven uit, en

zoodra het zich in volle zee bevond, liet Behram prins Assad uit zijne

kist halen, en hem in ketenen sluiten, uit vrees, dat hij om zijn lot te

ontgaan over boord springen en dus een einde aan zijn leven mogt maken;

want de ongelukkige wist welk een' wreeden dood hem te wachten stond.

In den beginne was de reis voorspoedig, doch na eenige dagen zeilens,

kregen zij tegenwind, die spoedig tot een' orkaan oversloeg. Het schip

wilde niet meer naar het roer luisteren, en aan de genade van wind en

golven overgegeven, dreef het zoo ver uit de koers, dat kapitein noch

stuurman meer wisten, op welke hoogte zij zich bevonden, en men in

gedurige vrees verkeerde, op eene rots of blinde klip te stooten en

te vergaan. Nog woedde de storm met gelijke kracht, toen men met het

aanbreken van den dag land ontdekte. De passagiers en het scheepsvolk

schepten nu weder moed, want terwijl het vaartuig door den wind en den

vloed met snelheid naar het rotsachtige strand werd gedreven, zagen zij

de haven van eene groote stad voor zich, en de stuurman had alle hoop

deze te kunnen bezeilen. Ook Behram zag daarvan de mogelijkheid in,

maar hij wist tevens dat dit eiland bestuurd werd door de koningin

Margiane, eene Muzelmansche vorstin en dus eene groote vijandin

der vuuraanbidders. Niet alleen wilde zij geen' enkelen van die

afgodendienaars in hare staten dulden, maar zelfs hunne schepen mogten

in die havens van haar rijk niet binnenloopen. Moest een vaartuig door

storm daar eene toevlugt zoeken, dan werden schip en lading beide

verbeurd verklaard, en de bemanning tot slaven gemaakt of ter dood

gebragt.

Het stond echter niet meer in de magt van den kapitein eene andere

uitkomst te zoeken, want het schip tegen wind en stroom in te voeren en

de volle zee te kiezen, daartoe bestond geene mogelijkheid. Wilde hij

dus niet tegen de scherpe rotsen, die de kust omgaven, verpletterd

worden, dan bleef hem niets anders over dan de gevreesde haven binnen

te loopen. In dezen uitersten nood nam Behram raad met den stuurman en

met zijn scheepsvolk. „Kinderen,” sprak hij hun toe, „wij verkeeren in

eenen bijna hopeloozen toestand. Wij moeten op de rotsen van deze kust

vergaan, en zullen dan onzen dood in de golven vinden, of wij zijn

gedwongen eene wijkplaats te zoeken in de haven der hoofdstad van de

koningin Margiane, die daar voor ons ligt. De onverzoenlijke haat

van deze vorstin tegen onzen godsdienst en hare belijders is u niet

onbekend. Zij zal ons schip verbeurd verklaren, en wij zullen of gedood

of als slaven verkocht worden. Er is slechts een middel, dat ons welligt

zal kunnen redden. Wij moeten den Muzelman, dien wij aan boord hebben,

van zijn ketenen ontdoen en hem als slaaf kleeden. Wanneer dan de

koningin Margiane mij laat ontbieden en vraagt, waarin ik handel drijf,

dan zal ik zeggen een slavenhandelaar te zijn, en dat ik al mijne slaven

verkocht heb, uitgezonderd een' enkelen jongeling, dien ik voor mij

zelven behouden heb als mijn' schrijver, omdat hij zeer goed lezen en

schrijven kan. Wanneer ik dan nog zeg, dat hij een Muzelman is, zal zij

hem zeker willen zien; zij zal medelijden hebben met zijne jeugd en mij

voorstellen, hem aan haar te verkoopen. Ik wil hem dan aan de vorstin

ten geschenke geven, onder voorwaarde, met mijn schip in de haven te

mogen vertoeven, tot het weder mij zal veroorloven zee te kiezen.

Ziedaar mijn plan; weet gij echter iets beters, zoo zegt het mij.” De

stuurman en de matrozen juichten echter eenstemmig het voorstel van den

kapitein toe, waaraan onmiddelijk een begin van uitvoering werd gegeven.

Daar hij als scheepsschrijver moest voorkomen, deed Behram den prins

Assad een goed kleed aantrekken, en naauwelijks was men daarmede

gereed, toen het schip de haven binnenliep, en men het anker liet

vallen. Het paleis van de koningin Margiane was hier in de nabijheid

gelegen, en de tuin strekte zich uit tot aan het zeestrand. Zoodra haar

berigt werd, dat er een vreemd schip de haven was binnen gekomen, zond

zij een' harer officieren, om den kapitein aan te zeggen, dat zij hem

begeerde te spreken, terwijl zij, om hare nieuwsgierigheid te spoediger

te bevredigen, zelve naar den tuin ging, om hem terstond bij de landing

te ontmoeten.

Behram, op eene dergelijke uitnoodiging voorbereid, ging dadelijk met

prins Assad in de sloep, en ontscheepte op last van den officier bij

de aanlegplaats der koninklijke tuinen, ter plaatse, waar de koningin

Margiane zich bevond. De kapitein wierp zich aan hare voeten, en na

zich beroepen te hebben op de noodzakelijkheid, waarin hij door den

storm gebragt was, om in de haven van hare hoofdstad eene wijkplaats te

zoeken, zeide hij een slavenhandelaar te zijn, die al zijne slaven had

verkocht, op één' na, welke hij tot zijn' schrijver gebruikte. Hierdoor

op Assad opmerkzaam gemaakt, vestigde de koningin Margiane hare oogen op

hem, en zijn schoon uiterlijk behaagde haar zoo zeer, dat zij terstond

besloot hem tegen elken prijs te koopen. Met die bedoeling vroeg zij hem

naar zijn' naam.

Behram wierp den prins een' blik van verstandhouding toe, die tevens

iets dreigende had, om hem indachtig te maken, aan hetgeen hem, toen hij

van zijne ketenen was ontslagen, werd opgelegd, namelijk den rol van

schrijver en slaaf naar vereischte te vervullen, en niets te verraden,

op straffe van anders zijne wraak te zullen ondervinden. Assad bekreunde

zich echter om dien wenk niet. „Groote koningin,” gaf hij ten antwoord,

terwijl de tranen hem in de oogen kwamen, „begeert uwe majesteit mijnen

vorigen of tegenwoordigen naam te weten?”

„Hoe!” hernam de koningin; „hebt gij dan twee namen?” „Helaas, ja,”

zuchtte de prins, „weleer heette ik Assad (_zeer gelukkig_), thans noem

ik mij Motar (_het slagtoffer_).”

Margiane, die den waren zin van dit antwoord niet begreep, meende dat

hij daarmede op zijn' toestand als slaaf zinspeelde, en maakte er uit

op, dat hij bij zijne schoone gestalte ook een gezond verstand bezitten

zou. Zij drong dus op dit punt niet verder aan, maar zeide kort daarop:

„Daar gij scheepsschrijver zijt, zult gij wel fraai kunnen schrijven,

laat mij eens eene proeve van uw schrift zien.” Assad droeg aan zijn'

gordel een' inktkoker en papier; want Behram had er voor gezorgd, dat

zijne uitrusting geheel met zijn beroep van schrijver overeenstemde,

teneinde de koningin niet mogt twijfelen, aan hetgeen hij haar wilde

doen gelooven. De prins zonderde zich een oogenblik af, en stelde de

volgende op zijne ellende toepasselijke spreuken op het papier.

„Waar de helderziende in het water loopt, weet de blinde zich te

wachten. De onwetende, die slechts onzin spreekt, ziet zich tot hoogen

staat verheven, terwijl de wijze, met al zijne welsprekendheid, in het

stof moet kruipen.—De Muzelman, rijk in het geloof, verzucht in de

diepste ellende; terwijl de ongeloovige zegepraalt en over hem heerscht.

Zoo is de wil des Allerhoogsten, en wie zal daarin verandering brengen;

waar is de mensch, die zijn noodlot ontgaan kan?”

Assad bood deze regelen de koningin aan, en Margiane was niet minder

verwonderd over den diepen zin der woorden, dan over de fraaiheid der

letters. Er was niets meer noodig om haar geheel voor den prins in te

nemen. Naauwelijks had zij dan ook het papier ingezien en gelezen, of

zij wendde zich tot Behram, en zeide: „Deze slaaf bevalt mij, en ik

begeer hem van u te koopen; tenzij gij goed mogt vinden hem mij ten

geschenke te geven, dat misschien niet in uw nadeel zijn zal. Wat wilt

gij, kies!”

Behram, verstoord over de gemeenzaamheid, die tusschen de koningin en

Assad ontstaan was, en beducht dat deze, als hij hem achterliet, als

zijn aanklager bij Margiane zou optreden, waardoor hij het ergste van

haar te duchten zou hebben, gaf onbeschoft genoeg ten antwoord, dat hij

niet noodig had eene keus te doen, daar hij zijn' slaaf niet konde, noch

wilde missen. Dit antwoord vergramde de koningin Margiane dermate, dat

zij den kapitein geen enkel woord meer wilde toespreken. Zij liet hem

alleen staan, en nam Assad mede naar haar paleis. Van daar zond zij een'

harer officieren aan Behram, om hem aan te zeggen, dat, indien hij den

volgenden morgen met zijn schip nog in de haven werd gezien, zij dit

dan met al wat er op en in was in brand zou laten steken. Behram was

gedwongen zich naar dit bevel te voegen; hij keerde in eene kwade luim

naar boord terug, en hoewel de storm niet geheel bedaard was, liet hij

echter alles in gereedheid brengen om nog dien nacht onder zeil te

kunnen gaan.

De koningin Margiane was naauwelijks in haar paleis, of zij gaf last het

avondeten zonder verwijl op te dragen, en Assad mede naar haar vertrek

nemende, verzocht zij hem aan hare zijde plaats te nemen. De prins

verontschuldigde zich, zeggende dat zulk eene hooge eer aan een' slaaf

niet toekwam. „Aan een' slaaf,” hernam de koningin, „gij moogt dat

tijdelijk geweest zijn, thans zijt gij het niet meer. Zet u dus naast

mij neder, en verhaal mij uwe geschiedenis; want hetgeen gij gezegd

en geschreven hebt met betrekking tot uw ongeluk, gevolgd bij de

onbeschaamdheid van dien slavenhandelaar, doet mij vermoeden dat die

zeer merkwaardig zal zijn.”

Assad nam nu aan hare zijde plaats, en sprak: „Grootmagtige koningin,

uwe majesteit vergist zich niet, mijne geschiedenis is werkelijk zeer

vreemd. De kwellingen, de ongeloofelijke martelingen, welke ik heb

doorgestaan, en de dood, waartoe ik bestemd was, waarvan uwe majesteit

mij door hare waarlijk vorstelijke edelmoedigheid heeft bevrijd, zullen

haar de grootheid doen kennen van hare aan mij bewezen weldaad, welke ik

nimmer vergeten zal.”

Na deze inleiding, waardoor de nieuwsgierigheid van Margiane nog meer

werd opgewekt, begon Assad haar bekend te maken met zijne koninklijke

afkomst, met die van zijn' broeder Amgiad, en met de vriendschap, die

zij van jongs af aan voor elkander koesterden. Hij deelde haar ook mede,

hoe de booze bedoelingen hunner moeders, de bron van al hunne daarop

volgende ongelukken geworden waren. Vervolgens sprak hij van den toorn

zijns vaders, van de wonderbare wijze, hoe zij, door den koning ter

dood veroordeeld, in het leven gespaard waren gebleven, van hunne zoo

moeijelijke reis, hunne aankomst in de stad der toovenaars, in welker

nabijheid hij zijn' broeder Amgiad had moeten achterlaten, en eindelijk

van zijne langdurige en smartelijke gevangenschap, waaruit hij slechts

ontslagen werd, om geofferd te worden op den berg des vuurs.

Door dit verhaal werd de koningin Margiane meer dan ooit in

haat ontstoken tegen de vuuraanbidders. „Prins,” zeide zij,

„niettegenstaande mijnen afkeer van de vuuraanbidders, heb ik hen steeds

met menschelijkheid bejegend; maar na de barbaarsche behandeling, die

zij u hebben aangedaan, en hun verfoeijelijk voornemen, om u aan hunnen

vuur-afgod te offeren, verklaar ik hun eene onverzoenlijke vijandschap.

Ik verwensch en verfoei hen.” De koningin zou in hare opgewondenheid

willigt nog veel over dit onderwerp gezegd hebben, doch daar thans het

avondmaal werd opgedragen, zette zij zich met den prins aan tafel. Het

had haar behaagd, hem te zien en te hooren spreken, en haar hart gloeide

reeds van liefde voor hem, terwijl zij geene gelegenheid verzuimde, om

hem dit te laten blijken. „Prins,” zeide zij, „het is goed voor u, dat

gij, na eene zoo lange onthouding, en zoo vele schrale maaltijden,

waartoe de onmeedoogende vuuraanbidders u veroordeeld hebben, aan mijne

tafel vergoeding vindt. Na zoo veel lijden en zulke ontberingen, hebt

gij behoefte aan goed en krachtig voedsel.” En terwijl zij dus sprak,

bediende zij hem eigenhandig van het beste, dat op tafel was, en liet

hem van den fijnsten en krachtigsten wijn, den eenen beker na den

anderen inschenken. Zij bleven lang aan tafel; geen wonder, dat de wijn

onzen prins Assad, na eene zoo lange onthouding, opgewonden maakte,

en dat hij zich, toen de tafel afgenomen werd, voor eenige minuten

afzonderde, en daartoe een oogenblik waarnam, dat de koningin geene acht

op hem sloeg. Hij begaf zich op het binnenhof, en vervolgens in den

tuin. De frissche lucht verlokte hem een eindweegs op te wandelen, en

zoo kwam hij aan eene fontein, wier hoog opspringende waterstralen,

klaar als kristal, in eene groote kom van wit marmer werden opgevangen.

Verhit van den wijn, waschte de prins, om zich te verkoelen, gelaat en

handen. Daarna strekte hij zich op het de kom omzoomende malsche gras

uit, en sluimerde tegen zijn' wil, door den slaap overmand, weldra in.

Intusschen viel de nacht in, en Behram, geen' lust gevoelende, om

aan de koningin Margiane de gelegenheid te geven, hare bedreiging te

verwezenlijken, had reeds het anker laten opwinden. Hoewel het hem zeer

griefde, zijnen gevangene te moeten achterlaten, troostte hij zich

echter daarmede, dat de storm had opgehouden, en dat de landwind, die

thans opstak, zijn vertrek begunstigde. Zoodra hij met behulp van zijne

sloep, het schip uit de haven had gehaald, beval hij de matrozen nog

even aan wal te roeijen, om eenige watervaten te vullen uit de fontein

in den vorstelijken tuin, die hij bij zijne ontmoeting met de koningin

had opgemerkt.

De matrozen, ingelicht waar die te vinden was, roeiden naar wal, en

gingen ieder met een ledig watervat op den schouder aan land. Zoo

kwamen zij zonder veel moeite over den muur in den tuin en tot bij

de waterkom. „Daar ligt een man te slapen,” sprak de voorste van de

waterhalers, terwijl hij bij Assad staan bleef, en zijne makkers

toewenkte, dat zij, zonder gerucht te maken, zouden naderen. Zij vormden

een' kring om den slapende, en veronderstellende, dat het wel een

Muzelman zijn zou, beraadslaagden zij onder elkander, of zij hem niet

binden en mede nemen zouden, teneinde toch nog een offer voor hunne

godheid te hebben. Op dat oogenblik brak de maan door de wolken, en

bijna zou hun een' kreet van vreugde ontsnapt zijn, daar zij nu den door

hunnen kapitein achtergelaten gevangene herkenden. Zij beschouwden dit

niet als een bloot toeval, maar als het werk van hunnen God zelven,

welke zich zijn slagtoffer niet had willen laten ontnemen, en het daarom

zoo bestierde, dat hij hun weder in handen viel. Twee hunner bleven nu

achter de wacht houden, gereed om, mogt Assad ontwaken, hem dadelijk aan

te grijpen. Inmiddels vulden de anderen hunne vaten, en eerst toen zij

daarmede gereed waren, stopte men den ongelukkigen prins eene prop in

den mond, knevelde hem handen en voeten, waarna een der meest gespierde

matrozen, hem als een' meelzak op zijne schouders nam, en zoo over

den muur in de sloep bragt. De anderen met de watervaten volgden, en

zoodra alles was ingenomen, trachtte men met kracht van riemslagen, het

schip, dat op stroom wachtte, met den hen meesten spoed te bereiken.

De kapitein stond op het verdek. Zoodra zij hem zagen en het schip

nabijkwamen, hieven de matrozen in de sloep eenen jubelkreet aan.

„Kapitein,” klonk het hem in de ooren, „laat spelen uwe hoornblazers en

uwe trommelslagers; wij brengen uwen slaaf terug!”

Behram kon zich maar niet begrijpen, hoe zijn volk er toe geraakt was,

om Assad weder in handen te krijgen, daar de koningin hem onder hare

bescherming had genomen. De duisternis belette hem de personen, die

zich in de sloep bevonden, te onderscheiden, hij wist dus niet, wat

te moeten gelooven, en vertrouwde zijne eigen ooren niet, totdat de

matrozen Assad gebonden voor zijne voeten nederlegden. Groot was nu

zijne vreugde, en zonder zich den tijd te gunnen aan zijn volk te

vragen, door welk wonder zij Assad aan de magt van zijne magtige

beschermster ontrukt hadden, liet hij hem weder in ketenen slaan en

onder in het schip werpen. Nadat de sloep aan boord was gehaald, gaf hij

bevel alle zeilen bij te zetten, en den koers naar den berg des vuurs te

vervolgen.

Intusschen was het paleis van de koningin Margiane in rep en roer.

Toen zij den prins miste, meende de vorstin daarvan de reden te kunnen

gissen, en wachtte geduldig zijne terugkomst af, die zij dacht, dat niet

lang kon duren. Als er echter meer dan een half uur voorbijging zonder

dat Assad verscheen, begon zij ongeduldig te worden, en beval aan hare

vrouwen te onderzoeken, waar haar gast zich zoo lang ophield. Doch deze

zochten hem te vergeefs, en kwamen eindelijk terug met het berigt, dat

zij het paleis in alle rigtingen doorloopen hadden, zonder hem te kunnen

vinden. Margiane begon zich nu ongerust te maken, en daar het donker

werd, liet zij flambouwen ontsteken, en ging zelve met hare vrouwen om

hem te zoeken. Ofschoon men thans alle plaatsen doorzocht, waar hij

wezen en niet wezen kon, in het paleis vond men hem niet. De tuindeur

open ziende, liep zij den hof in, hopende hem daar te zullen aantreffen.

Zij zocht in alle lanen en boschjes en riep den prins bij zijnen naam,

maar slechts de echo kaatste hare stem terug. Eindelijk kwam zij tot bij

de fontein, en daar zag zij in het gras een kleedingstuk liggen, dat zij

zich herinnerde gelijk te zijn aan hetgeen Assad droeg, toen de kapitein

hem haar als zijnen scheepsschrijver voorstelde. Toen men nu verder

bespeurde, dat het gras om de waterkom plat getrapt en nat was, bragt

dit haar op de gedachte, dat Behram daar wel zijne watervaten kon

hebben doen vullen, en zijn' gewezen slaaf hier aantreffende, hem weder

had medegenomen. Zij zond dadelijk iemand naar de haven, die terugkwam

met het berigt, dat men werkelijk even vóór den donker eene sloep

bij den wal had gezien, welke zich daar eenigen tijd had opgehouden,

waarschijnlijk met het oogmerk om water in te nemen, dat in dezen omtrek

alleen hier was te vinden, en dat het schip, zoodra de sloep weder aan

boord kwam, de haven had verlaten.

Zij twijfelde nu niet langer, of haar vermoeden was overeenkomstig

de treurige waarheid. Dadelijk deed zij den kommandant van tien

oorlogschepen berigt geven, dat hij zorg moest dragen, om met het

aanbreken van den dag gereed te zijn, haar aan boord te ontvangen,

om daarna onmiddelijk met de vloot onder zeil te gaan.

De kommandant liet zijne kapiteins, officieren, matrozen en soldaten

bijeenkomen, en spoorde hen zoo zeer aan, dat op het door de koningin

bepaalde uur, de ankers reeds opgewonden waren, en de vloot op het

eerste sein de haven kon verlaten. Margiane kwam aan boord van het

vlaggeschip, en sprak tot den bevelhebber: „Het is mijne begeerte, dat

gij met alle middelen die u ten dienste staan, jagt zult maken op het

koopvaardijschip, dat gisteren avond deze haven heeft verlaten. Indien

gij het vaartuig inhaalt en neemt, zoo zij het u met zijne lading

geschonken; mist gij echter uw doel, zoo zult gij daarvoor met uw hoofd

moeten boeten.”

De tien schepen maakten gedurende twee etmalen jagt op het schip van den

kapitein Behram, zonder iets te ontdekken. Bij het aanbreken van den

derden dag, zagen zij eindelijk een zeil, dat door den kommandant voor

het bedoelde schip werd gehouden, en met den middag hadden zij dit

zoodanig ingesloten, dat het onmogelijk ontkomen kon.

Naauwelijks bespeurde de wreede Behram de tien schepen die jagt op hem

maakten, of hij twijfelde niet, dat het de koningin Margiane was, die

hem deze vloot had nagezonden. Hoewel hij het gevaar, dat hem bedreigde

zeer goed inzag, wederhield hem dit echter niet aan zijnen ongelukkigen

gevangene, zooals hij elken dag gedaan had van het tijdstip af dat zij

de stad der toovenaars verlaten hadden, stokslagen te geven, en daar hij

Assad aanmerkte als de oorzaak waarom hij vervolgd werd, mishandelde

hij hem ditmaal met dubbele wreedheid. Intusschen wendde hij al het

mogelijke aan, om zijne vervolgers te ontzeilen, en toen hem daartoe de

hoop benomen werd, begreep hij zich van Assad te moeten ontdoen; want

vond men dezen aan boord van zijn schip, dan was tevens zijne schuld

bewezen, en had hij van de verbitterde koningin geene genade te hopen.

Hij deed Assad van zijne ketting losmaken, en toen men hem uit het hol

van het schip naar het dek sleepte, en voor hem bragt, greep Behram den

prins verwoed in de borst. „Ha, verwenschte Muzelman!” riep hij, „gij

zijt het, die mij in het ongeluk brengt; maar moet ik sterven, gij zult

mij voorgaan in den dood.” Dit zeggende nam hij hem met beide handen op,

en slingerde hem over boord.

Assad verdween in de diepte der zee, doch hij verloor zijne

tegenwoordigheid van geest niet, en hield den adem in, zoodat hij weldra

bovenkwam. Als een goed zwemmer spande hij nu alle krachten in om het

land te bereiken, waarvan hij zich op eene mijl afstands bevond. Wind en

golven waren hem daarbij gunstig, hij had weinig meer te doen dan zich

boven water te houden, en op den rug van eene groote golf gedragen, werd

hij eindelijk aan strand geworpen. Toen Assad zich op het drooge bevond,

was zijn eerste werk als een goed Muzelman Allah te danken, dat hij hem

aan een zoo groot gevaar had laten ontkomen, en nu tweemalen uit de

handen der vuuraanbidders gered had. Na het gebed ontdeed hij zich

van zijne kleederen, wrong die uit, en spreidde ze op de rots om ze

in de zon te laten droogen, terwijl hij voor zich zelven naar eene

schaduwrijke plaats uitzag, waar hij zich kon nederzetten, om van zijne

vermoeijenis uit te rusten.

De slaap overviel hem weldra, en toen hij ontwaakte, waren zijne

kleederen geheel droog, zoodat hij die weder kon aantrekken. Hoewel

nu aan den dood ontkomen, was zijn toestand echter verre van

geruststellend; want hij bevond zich op eene hem geheel onbekende

kust, en wist niet, of hij al dan niet mogt wenschen de bewoners te

ontmoeten, want het ongeluk, dat hem in de stad der toovenaars door den

verraderlijken grijsaard was overkomen, deed hem vreezen, in plaats van

geloofsgenooten, weder afgodendienaars en vijanden te zullen aantreffen.

En toch kon hij op deze woeste plaats niet blijven! Na dus de

bescherming van Allah te hebben ingeroepen, ging hij langs het

zeestrand, totdat hij in de rotsen een' begaanbaren weg ontdekte, die

naar het binnenland liep; dezen sloeg hij in. Langer dan tien dagen ging

hij door eene woeste en onbewoonde landstreek, waar hij zich met wilde

vruchten en eenige wortelgewassen en waterplanten, die aan de oevers der

beken groeiden, moest voeden. Eindelijk op den elfden dag kwam hij in de

nabijheid van eene stad, die hij weldra tot zijne verwondering en schrik

erkende voor die der toovenaars, waar hij vroeger zoo zeer mishandeld

was geworden. Had Assad geweten, dat zijn broeder Amgiad daar als

groot-vizier regeerde, hij zou zich verheugd hebben, en niet verlegen

zijn geweest tot wien zich te wenden. Nu zag hij er tegen op, zich

andermaal in die gevaarlijke stad te wagen, en, door ondervinding

voorzichtig gemaakt, nam hij zich stellig voor, niet weder op een'

vuuraanbidder te vertrouwen, maar eene wijkplaats te zoeken bij een'

zijner geloofsgenooten, van wie hij bij zijne eerste komst enkelen

gezien had. Daar het echter reeds laat was, en hij vermoedde dat de

meeste winkels gesloten zouden zijn, oordeelde Assad het beter, om tot

den volgenden dag te wachten, en dezen nacht op het kerkhof door te

brengen, in welks nabijheid hij zich bevond. Naar het aldaar bij de

aanzienlijken en rijken heerschende gebruik, waren boven verscheidene

graven koepels of tempels opgerigt; in een dezer overdekte praalgraven,

waarvan hij de deur open zag, besloot de prins den nacht door te

brengen. Hij vreesde te regt de levenden meer dan de dooden.

Doch keeren wij thans terug tot het schip van Behram. Niet lang nadat

hij zich van Assad had ontslagen, door hem in zee te werpen, zag

hij zich van alle kanten door de schepen van de koningin Margiane

ingesloten. Het schip, waarop de koningin zich bevond, kwam hem het

eerst op zij, en inziende, dat het te vergeefs zou zijn aan eene zoo

groote overmagt wederstand te bieden, deed hij de zeilen innemen en de

vlag strijken, ten teeken, dat hij zich overgaf.

De koningin Margiane ging zelve aan boord van het schip over, en vroeg

aan Behram, waar de schrijver was, dien hij de vermetelheid had genomen,

uit haar paleis te ontvoeren. „Grootmagtige koningin,” sprak Behram, die

nu wel beleefd kon zijn, „ik zweer uwe majesteit, dat hij zich niet aan

boord van mijn schip bevindt; en behaagt het u naar de waarheid hiervan

te onderzoeken, zulks zal mij aangenaam zijn; want daardoor zal mijne

onschuld aan den dag komen.”

Margiane liet het vaartuig naauwkeurig doorzoeken, maar wat men er ook

vond, niet den man, wien zij zoo vurig wenschte terug te vinden, zoowel

omdat zij hem beminde, als uit den aard van haar edelmoedig hart. Hare

smart was zoo groot, dat zij op het punt stond den kapitein met eigen

hand te doorsteken, en reeds de hand aan de greep van haren dolk

geslagen had, toen zij tot een zachtmoediger gevoel gestemd werd, bij

het nu in haar opkomende denkbeeld, dat, mogt zij Behram ook voor den

dader houden, zijne schuld toch niet bewezen was. Zij vergenoegde zich

derhalve met schip en lading prijs te verklaren ten voordeele van den

kommandant, die zich zoo uitmuntend in haren dienst gekweten had. Aan

Behram gaf zij vrijheid zich met zijn scheepsvolk aan land te begeven,

waartoe zij hem de groote sloep afstond. Voorzeker meer dan deze

booswicht had durven verwachten, en oneindig veel meer, dan hij

verdiende.

Het toeval wilde, dat Behram, na met vele gevaren geworsteld te hebben,

met zijne sloep in de nabijheid van de stad der toovenaars landde, in

den zelfden nacht, dat Assad des avonds daar was aangekomen. Daar de

stadspoorten gesloten waren, zag ook hij zich gedwongen op het kerkhof

eene rustplaats te zoeken, totdat de poort geopend zou worden. Tot groot

ongeluk van Assad ging Behram, naar een geschikt verblijf omziende,

voorbij de tombe, waarin de prins zich bevond. Hij trad daar binnen, en

was bijna over Assad gestruikeld, die in zijn kleed gewikkeld, in een'

vasten slaap gedompeld lag. Behram stiet een ruwen vloek uit, en maakte

zoo veel beweging, dat Assad daardoor ontwaakte, en vroeg, wie daar was

en hem stoorde.

Behram herkende den prins terstond aan zijne stem. „Aha, kameraad,”

sprak hij, „tref ik u hier aan, dat kon nooit beter. Zijt gij ditmaal

vrij gekomen, een volgend jaar zult gij mij niet ontsnappen en geofferd

worden, of mijn naam zal geen Behram zijn. Gij zijt het, aan wien ik

mijn ongeluk te danken heb; maar gij zult er u niet over verheugen.” Dit

zeggende, wierp hij zich als een wild dier op den prins, stopte hem, om

hem het schreeuwen te beletten, een' doek in den mond, en liet hem door

zijne matrozen binden, zoodat hij hand noch vinger verroeren kon.

Zoodra de dag aanbrak en de poort open was, deed Behram zijnen gevangene

naar de woning van den zelfden boosaardigen grijsaard overbrengen, die

hem de eerste maal door list ten zijnent had gelokt. Niets verhinderde

hem hierin, omdat de meeste inwoners nog sliepen, en hij bovendien den

prins, met een kleed overdekt, op eene draagbaar liet plaatsen, even

alsof hij een zieke matroos was. Hij zou deze voorzorg zelfs niet

genomen hebben, indien hij niet had gevreesd, dat de groot-vizier

Amgiad, die vroeger zijn' broeder reeds aan boord van zijn schip gezocht

had, nu bij het minste vermoeden ook bij den grijsaard huiszoeking mogt

doen, en dit deed hem voorzichtig zijn. Men bereikte het huis van den

grijsaard zonder eenig opzien te baren, en zoodra men daar binnen was,

bragt Behram den ongelukkigen prins naar het zelfde onderaardsche hol,

waaruit hij hem voor eenigen tijd te voorschijn gehaald had. Na hem

ketenen te hebben aangelegd, ging de kapitein den grijsaard opzoeken,

om hem de oorzaak zijner terugkomst en den ongelukkigen uitslag zijner

reis mede te deelen. Dit verslag deed den ellendigen grijsaard in nog

feller haat ontbranden; hij liet terstond zijne dochters roepen, en

beval haar den gevangene zoo mogelijk nog strenger te behandelen en nog

harder te geeselen dan vroeger.

Assad was bijna wanhopig, zich weder in het zelfde hol te bevinden

waar hij reeds zoo veel had moeten lijden, en dat met het treurige

vooruitzicht van de zelfde wreedaardige mishandeling te moeten verduren,

waarvan hij gedacht had voor altoos bevrijd te zullen blijven. Zoo

weende hij bittere tranen, om zijn droevig noodlot, toen Bastane met

een' stok, een brood en eene kruik water in de hand de gevangenis

binnentrad. Het gezigt van dit wreede meisje, en de gedachte aan het

lijden van een geheel jaar, dat niet zou eindigen, dan met een' niet

minder ijsselijken dood, dit alles te zamen deed den prins schrikken en

beven.

Bastane mishandelde den ongelukkigen gevangene inderdaad met gelijke

wreedheid, als zij dit gedurende zijne vorige gevangenschap dagelijks

gedaan had. Zijn klagen en kermen, en de met tranen gevulde, om

ontferming smeekende oogen van den rampzaligen prins, schenen echter

ditmaal haar steenen hart te treffen. Terwijl zij hem het kleed weder

over den bebloeden rug en de schouders sloeg, gevoelde zij zich door

diep mededoogen bewogen; ook zij kon hare tranen niet weêrhouden en

weende met hem. „Prins!” riep zij op éénmaal, en wierp den stok, het

werktuig harer wreedheid, van zich, „ik vraag u duizendmaal om vergeving

voor de barbaarschheid, waarmede ik u vroeger en ook nu weder mishandeld

heb. Mijn gevoel verzette er zich steeds tegen, maar ik durfde niet

ongehoorzaam zijn aan het uitdrukkelijk bevel van mijn' vader, die u

zonder reden haat, en uwen ondergang zoekt; ik wil echter niet langer

het werktuig zijner boosheid zijn, die ik verfoei. Troost u, uw lijden

zal spoedig een einde nemen, en ik wil mijn misdrijf, waarvan ik thans

al het afschuwelijke inzie, door eene betere behandeling zoo veel

mogelijk trachten goed te maken. Gij hebt mij tot heden gehouden voor

eene ongeloovige, die het vuur aanbad; ken mij thans als een dienares

van den alleen waren God. Ik heb van eene Muzelmansche slavin reeds

eenig onderrigt genoten, en vlei mij, dat gij wel zult willen

voortzetten en voleindigen, hetgeen zij mij met goeden uitleg heeft

aangevangen. Om u van mijne opregtheid en mijne goede voornemens te

overtuigen, prins, vraag ik hier in uwe tegenwoordigheid aan den alleen

waren God vergiffenis voor de mishandelingen, die ik u heb aangedaan en

waardoor ik ook Hem heb beleedigd. Ik smeek Hem, dat Hij mij het middel

zal doen vinden, om u niet alleen voor verdere mishandelingen te

vrijwaren en uw lot te verzachten, maar om u ook uwe vrijheid weder te

geven.”

Deze zoo onverwachte en verrassende toespraak was den armen Assad

eene groote troost, en hij verzuimde niets, om Bastane in hare goede

voornemens te versterken. Na haar zijnen dank over hare welwillendheid

betuigd te hebben, deed hij haar een verhaal van zijne lotgevallen,

en van al de wederwaardigheden, waarmede hij den laatsten tijd te

kampen had gehad. Bastane werd daardoor tot tranen toe geroerd, en

herhaalde hare verzekering, dat hij voortaan niets dan goeds van haar

te verwachten had. „Maar uwe zuster Cavame dan?” vroeg de prins, „zal

zij niet voortgaan, mij om den anderen dag te mishandelen? Hoe zult gij

het aanleggen, om ook haar in eene zachtmoediger stemming jegens mij te

brengen?” „Bekommer u daar niet over,” antwoordde Bastane, „ik zal wel

zorg dragen, dat mijne zuster u niet meer komt plagen.” En inderdaad

wist zij het zoo aan te leggen, dat Cavame aan haar de taak overliet,

om den gevangene te kastijden. Zij kwam den prins nu niet alleen op den

gewonen tijd, maar dagelijks meermalen bezoeken, en in plaats van water

en brood bragt zij hem thans wijn, vleesch en allerlei uitgezochte

spijzen, welke zij door hare slavinnen in stilte liet toebereiden.

Somtijds als hare zuster afwezig was, gebruikte zij zelve het middagmaal

met hem; in één woord, zij wendde alles aan wat in haar vermogen was, om

zijn lot dragelijk te maken, totdat zij gelegenheid zou vinden, hem in

vrijheid te stellen.

Op zekeren dag bevond Bastane zich op de stoep harer woning, toen een

omroeper op den hoek van de straat iets bekend maakte, dat zij echter

door den te grooten afstand niet goed verstaan kon. Zij zag tevens, dat

hij de straat inging, en dus haar huis voorbij moest komen; maar daar

hij door een' ruiterstoet werd gevolgd, wilde Bastane zich niet laten

zien. Zij ging naar binnen, en liet de deur op een' kier staan, zoodat

zij alles wat buiten plaats vond, zonder opgemerkt te worden, kon afzien

en aanhooren. Zij bemerkte al spoedig den groot-vizier Amgiad, die,

op een schoon wit paard gezeten, in het midden reed. De omroeper ging

voor hem uit, en herhaalde juist voor hare woning nogmaals met luider

stemme: „Onze groot-vizier, uitblinkende door zijne regtvaardigheid, en

door den koning met het hoogste gezag na hem bekleed, hier in persoon

tegenwoordig, zoekt zijn' geliefden broeder Assad, die vóór ruim één

jaar in deze stad is verdwenen. Hij wie dien prins in zijn huis

heeft, of weet waar hij zich bevindt, brenge hem hier, of geve er den

groot-vizier kennis van, en hij zal eene rijke belooning ontvangen. Doch

degene, die hem gevangen houdt, zal, zoo dit ontdekt wordt, met den dood

gestraft worden; hij, met zijne vrouw, kinderen en bloedverwanten, zij

zullen allen moeten sterven; zijne goederen zullen verbeurd verklaard,

en zijn huis omver gehaald worden.”

Naauwelijks had Bastane deze afkondiging aangehoord, of zij wierp snel

de deur digt, en ijlde naar het onderaardsche hol. „Prins,” zeide zij

met groote blijdschap, „gij zijt aan het einde van uwe rampen; kom en

volg mij haastig.” Assad, reeds sedert lang van zijne ketenen bevrijd,

draalde niet te doen, wat zij hem zeide, en zoodra zij uit het huis en

op de straat waren, riep Bastane met luider stem: „Hier is degene, dien

gij zoekt; hier is hij!”

Bij dezen uitroep zag de groot-vizier, die zich nog niet ver van daar

bevond, om, en Assad, zijn' broeder Amgiad herkennende, liep, een'

vreugdekreet slakende, op hem toe. Amgiad steeg van zijn paard, en zij

omhelsden elkander, ten aanzien van honderden toeschouwers. Daarna deed

de groot-vizier een' zijner officieren afzitten, en het paard aan zijnen

broeder geven, met wien hij als in zegepraal naar het paleis reed, om

hem aan den koning voor te stellen. Deze verheugde zich zeer in het

geluk van zijnen eersten staats-minister, en maakte ook Assad tot een'

zijner viziers.

Bastane waagde het natuurlijk niet, bij haren vader terug te keeren,

wiens huis nog dien zelfden dag omver gehaald werd. Zij volgde den prins

Assad tot aan het paleis, zonder hem uit het oog te verliezen, en Amgiad

haar herkennende als degene, welke zijnen broeder tot hem had gebragt,

gaf er den koning kennis van, die haar naar het vertrek van de koningin

deed geleiden.

Nog dien zelfden dag werden de grijsaard en Behram, met hunne

betrekkingen, gevat en voor den koning gebragt, die over allen het

doodvonnis uitsprak. Zij wierpen zich aan zijne voeten, en smeekten om

genade. „Ik schenk u geene genade,” sprak de koning op vastbesloten

toon, „tenzij gij den vuurdienst afzweert, en u bekeert tot het

Muzelmansche geloof.” Om hun leven te redden, onderwierpen zij zich

aan de door den koning gestelde voorwaarde; ook Cavame deed dit.

Amgiad, verheugd zijnen geliefden broeder terug te hebben, zag van

alle wraak af, en verhief in tegendeel Behram, nadat deze aan den

Koran trouw gezworen had, tot eene eervolle betrekking. Zoo vergold

hij hem het kwaad, dat hij zijn' broeder Assad had aangedaan. Deze

onverdiende edelmoedigheid beschaamde en trof Behram, en toen hij na

eenig tijdsverloop met de geschiedenis der beide broeders bekend werd,

bood hij aan, indien zij een schip wilden uitrusten, hen naar het

Ebbenhout eiland bij Camaralzaman, hunnen vader, terug te brengen.

„Waarschijnlijk,” zeide hij, „zal de koning reeds met uwe onschuld

bekend zijn, of het zal althans niet moeijelijk vallen, hem daarvan te

overtuigen. Tot zoolang kunt gij aan boord vertoeven; en blijft uw vader

volharden in zijne onregtvaardige verdenking jegens u, dan kunnen wij

naar hier terugkeeren, en gij zult slechts eene vergeefsche reis hebben

gedaan.”

Amgiad en Assad schepten groot behagen in dit voorstel. Zij spraken er

met den koning over, die zulks ook goedkeurde, en bevel gaf, dat er een

schip voor hen zou worden uitgerust. Behram met het toezigt daarover

belast, kweet zich, door dankbaarheid aangespoord, met den meesten ijver

van zijne taak; en toen het schip reisvaardig was, gingen de prinsen

naar den koning, om hem voor al zijne weldaden te bedanken en afscheid

te nemen. Zij waren nog bij den vorst, toen eensklaps de geheele

bevolking der hoofdstad in beweging scheen te komen, en bijna op het

zelfde oogenblik kwam een officier met het berigt, dat een groot leger

in aantogt was, zonder dat iemand gissen kon, van waar dit kwam.

De koning ontstelde zeer over dit hem geenszins aangename nieuws, en

Amgiad zulks bemerkende, nam terstond het woord, en zeide: „Sire,

zoo even heb ik mijne waardigheid als groot-vizier in handen van uwe

majesteit nedergelegd, doch nu er welligt onheil dreigt, beschouw ik het

als mijn' eersten pligt, mijne diensten aan te bieden, om het gevaar zoo

mogelijk af te wenden. Ik verzoek uwe majesteit, mij te vergunnen, te

gaan zien, welke vijand, zonder voorafgaande oorlogsverklaring, op deze

stad aanrukt.” De koning stond hem toe dit te doen, en zonder toeven

trok nu de gewezen groot-vizier, met slechts een klein gevolg, het

naderende leger tegemoet.

Prins Amgiad had slechts den tijd om de legerbenden, die met versnelden

pas voortrukten, vlugtig op te nemen, toen hij reeds door eene

ruiterbende, die de voorhoede uitmaakte, werd ontmoet en staande

gehouden. Hij maakte den bevelhebber bekend met zijn' rang en zijne

bedoeling, en werd door dezen voor zijne vorstin gebragt. Na haar de aan

haren rang verschuldigde eer bewezen te hebben, vroeg de groot-vizier,

of zij met een vriendschappelijk of vijandelijk doel kwam, en mogt dit

laatste het geval zijn, welke redenen tot ontevredenheid de koning, zijn

meester, haar gegeven had.

„Ik kom met vredelievende bedoelingen,” antwoordde de vorstin, „en heb

geene vijandelijke oogmerken jegens den koning der toovenaars. Ik ben

alleen hier gekomen, om een' slaaf, Assad genaamd, terug te eischen, die

door een' inwoner dezer stad, den scheepskapitein Behram, gewelddadig

uit den tuin van mijn paleis ontvoerd is geworden. Die Behram is de

onbeschaamdste mensch ter wereld, en ik vertrouw, dat uw koning niet

zal aarzelen, mij regt te doen wedervaren, indien gij hem zegt, dat het

de koningin Margiane is, die dit verlangt.”

„Grootmagtige koningin,” gaf prins Amgiad ten antwoord, „die slaaf, om

wien gij u zoo veel moeite geeft, is mijn broeder. Ik zelf zal hem u

uitleveren, in de overtuiging, dat hij zich hoogst gelukkig zal rekenen,

voor altoos uw slaaf te mogen zijn. Het behage inmiddels uwe majesteit,

den koning, mijn' meester, met een bezoek te vereeren, het zal hem

genoegen doen u te zien.”

Margiane gaf nu last de legertenten op te slaan, en terwijl men daarmede

bezig was, begaf zij zich met een klein gevolg, onder geleide van

Amgiad, naar de stad der toovenaars. Hij stelde de vorstin aan den

koning voor, en deze ontving haar met al de achting, die zij verdiende.

Assad, bij deze voorstelling tegenwoordig, herkende de koningin

dadelijk, en haastte zich haar te begroeten. Margiane ontveinsde de

vreugde niet, welke het haar gaf, hem weder te zien, en juist was zij

met hem in een druk gesprek gewikkeld, toen een adjudant den koning

berigtte, dat een tweede, nog magtiger heirleger dan het eerste, in het

gezigt was, en van eene andere zijde de stad naderde.

De koning der toovenaars klom op het dak van zijn paleis, en de

stofwolken, die ten hemel stegen, overtuigden hem weldra, dat het

ontvangen berigt volkomen waarheid bevatte. „Amgiad,” riep hij,

blijkbaar ontsteld, „wat staat ons nu te wachten? Ziedaar een nog

grooter leger, dat op mijne hoofdstad aanrukt, en die met ondergang

bedreigt!” Amgiad begreep de bedoeling des konings. Hij steeg te paard

en reed in vollen draf het leger te gemoet. Al spoedig naderde hij

eenige voorloopers, die hij verzocht, hem bij hunnen vorst te brengen.

Zoodra Amgiad voor den koning verscheen, wierp hij zich met het

aangezigt ter aarde, en vroeg, wat zijne majesteit van zijn' meester

mogt verlangen.

„Zie in mij,” luidde het antwoord, „Gaïour, koning van China; wat mij

hier heenvoert, is het verlangen, om eenig berigt in te winnen omtrent

mijne dochter Badoura, welke ik vóór vele jaren ten huwelijk heb gegeven

aan den prins Camaralzaman, zoon van Schahzaman, koning van de eilanden

der kinderen van Khaladan. Ik had aan dien prins toegestaan, zijn' vader

te bezoeken, en zijne gemalin mede te nemen, onder beding, dat zij na

één jaar zouden terugkeeren; maar er zijn nu eene reeks van jaren

verloopen, zonder dat zij iets van zich hebben laten hooren. Dit heeft

mij mijne staten doen verlaten, en ik reis de wereld door, om hen te

zoeken, zonder dat ik weet, of mijne dochter nog leeft, of reeds in het

graf ligt. Mogt uw koning daaromtrent iets vernomen hebben, zoo zou hij,

door mij zulks mede te deelen, een' bedroefden vader ten hoogste aan

zich verpligten.”

Amgiad kon uit deze omschrijving zonder moeite zijn' grootvader

herkennen, en hem met vervoering en kinderlijke teederheid de handen

kussende, zeide hij: „Sire, uwe majesteit zal mij deze vrijheid

vergeven, indien ik haar zeg, dat ik mij die alleen veroorloof, om

daardoor van de liefde en eerbied blijken te geven, die ik voor een'

grootvader gevoel. Zie in mij sire, den zoon van Camaralzaman, thans

koning van het Ebbenhout-Eiland, en van de koningin Badoura. Ik weet

niet beter, of beiden zijn nog in leven en welvarende.”

Deze geheel onverwachte en verrassende ontmoeting van een' kleinzoon,

van wiens bestaan hij niets geweten had, verblijdde den koning van China

zeer. Hij omhelsde den prins met de teederheid eens vaders; zij weenden

in elkanders armen. Nadat zij dus aan hun gevoel lucht hadden gegeven,

vroeg de koning van China aan zijn kleinzoon, door welk toeval hij

zich hier aan het hof van den koning der toovenaars bevond. Amgiad

beantwoordde deze vraag, met het verhaal van zijne lotgevallen en die

van zijn' broeder Assad. „Wees getroost mijn zoon,” zeide nu de koning

van China, „het is onbillijk dat prinsen, zoo onschuldig als gij en uw

broeder, langer als bannelingen uit het ouderlijke huis in den vreemde

zouden omzwerven. Ik zal u bij uwen vader terug brengen en uwe onschuld

blootleggen. Keer thans terug, en geef ook uwen broeder kennis van mijne

komst.”

Terwijl nu de koning van China zijne tenten liet opslaan, begaf Amgiad

zich naar den koning der toovenaars, die zijne terugkomst met ongeduld

verbeidde. Amgiad deelde hem zijne ontmoeting mede, waarop de koning

zijne verwondering aan den dag legde, dat een zoo magtig en hoogbejaard

vorst als de koning van China, eene zoo lange en vermoeijende reis had

ondernomen, om zijne dochter door de geheele wereld te zoeken, en zelfs

tot zijn ver afgelegen rijk was doorgedrongen. Hij liet dadelijk alles

in gereedheid brengen, om dien vorst met den meest mogelijken luister te

kunnen ontvangen, en hij besloot hem, als hooger in rang, het eerst een

bezoek te brengen.

De toebereidselen hiertoe werden gemaakt, toen zich eene nieuwe stofwolk

aan den horizont vertoonde, en weldra het berigt kwam, dat een derde

leger met versnelden marsch de stad naderde. Hierdoor werd des vorsten

plan verijdeld, en Amgiad reed weder uit, om te vernemen, wat men

mogt begeeren. Assad vergezelde ditmaal zijn' broeder, en tot hunne

onuitsprekelijke vreugde zagen zij, dat dit het leger was van hunnen

vader Camaralzaman, die hen tot hier kwam zoeken.

De koning Camaralzaman had eene zoo groote droefheid aan den dag gelegd,

dat hij in zijne drift zoo wreed jegens zijne onschuldige zonen had

gehandeld, dat de emir Giondar, bewogen door de smart zijns meesters,

hem eindelijk beleed, op welke wijze hij het leven der prinsen had

gespaard. De koning erkende daarin de hand der Voorzienigheid, welke hem

op deze wijze bewaard had, de beul te worden van zijn eigen kroost;

hij verhief den emir tot zijn' groot-vizier, en liet rijke aalmoezen

uitdeelen. Daar hij intusschen vreesde, dat de prinsen den moed niet

zouden hebben, om ooit tot hem terug te keeren, besloot hij hen door de

geheele wereld te gaan zoeken.

Geen wonder, dat deze bedroefde vader, toen hij zijne zonen plotseling

voor zich zag, vreugdetranen stortte en niet ophield, hen te omhelzen.

Nadat de eerste blijdschap des wederziens voorbij was, deelden de

prinsen hunnen vader mede, dat hun grootvader, de koning van China, mede

dien zelfden dag met een groot leger was aangekomen, en zijne tenten aan

de andere zijde der stad had opgeslagen. Zoodra Camaralzaman dit vernam,

besloot hij onmiddelijk bij zijnen schoonvader een bezoek af te leggen,

en slechts door een klein gevolg, en door Amgiad en Assad vergezeld,

begaf hij zich op weg naar het legerkamp van den koning van China. Zij

hadden nog geen duizend schreden afgelegd, toen zich een vierde leger

vertoonde, dat in goede orde aanrukte en van den kant van Perzië kwam.

Camaralzaman staakte nu zijnen togt, en gelastte zijne zonen vooruit

te rijden, om op te nemen, welk leger dit zijn mogt, terwijl hij daar

ter plaatse hunne terugkomst zou afwachten. De prinsen vertrokken

oogenblikkelijk, en werden voor den koning gebragt, die zich aan het

hoofd van dit nieuwe heer bevond. Na hem hunnen eerbied bewezen te

hebben, vroegen zij naar de oorzaak, die hem bewogen had, om tegen de

stad van den koning der toovenaars op te trekken.

De groot-vizier, die daarbij tegenwoordig was, nam nu aldus het woord

op. „De vorst, tot wien gij deze vraag rigt, is Schahzaman, koning van

de eilanden der kinderen van Khaladan, die zich reeds sedert geruimen

tijd op reis bevindt, om zijnen zoon, den prins Camaralzaman, te zoeken,

welke vóór vele jaren in stilte de staten zijns vaders heeft verlaten,

zonder iets van zich te doen hooren. Indien die prins nog in leven is,

en gij iets van hem mogt weten, zoudt gij den koning, mijnen meester,

door de mededeeling daarvan zeer aan u verpligten.”

De prinsen betuigden, dat zij niets liever wenschten, dan aan eenen

zoo achtenswaardigen monarch eenig genoegen te geven, en dat zij niet

zonder hoop waren, hem binnen korten tijd meer daaromtrent te kunnen

mededeelen, dewijl zij nu geene vrijheid hadden iets te zeggen. Daarop

groetten zij den koning en den groot-vizier, en reden in vollen galop

naar hunnen vader Camaralzaman, om hem te berigten, dat het in aantogt

zijnde leger geen ander was, dan dat van zijnen vader Schahzaman, en dat

de grijze vorst het in persoon aanvoerde.

Verrassing en vreugde, gemengd met een gevoel van smart en berouw, dat

hij den goeden koning, zijn' vader, had verlaten, zonder eens afscheid

van hem te nemen, tastten Camaralzaman bij het onverwachte berigt, dat

hij zich zoo digt nabij hem bevond, zoo sterk aan, dat hij in onmagt

viel. Doch zoodra Camaralzaman, door de zorg van de prinsen Amgiad en

Assad, weder tot zich zelven kwam, en zijne krachten zulks gedoogden,

spoedde hij zich naar het leger van Schahzaman, om zich aan de voeten te

werpen van dien liefderijken vader, dien hij zoo zeer bedroefd had, en

zijne vergiffenis af te smeeken.

Men kon zich niets treffender voorstellen dan deze ontmoeting tusschen

vader en zoon. Schahzaman beklaagde zich, op eene liefdevolle wijze,

over de ongevoeligheid van Camaralzaman. Hoe toch had hij het over zich

kunnen verkrijgen, eenen vader, die hem zoo lief had, op eene zoo wreede

wijze te bedroeven. Camaralzaman toonde een opregt berouw, over de

onverschoonlijke daad, waartoe de liefde hem gebragt had. Schahzaman

stelde zich hiermede tevreden, ontving zijn' zoon in zijne armen, en

alle omstanders weenden bij dit roerende tooneel, waarin de kracht der

vaderliefde zich in al hare grootheid vertoonde.

De drie koningen en de koningin Margiane bleven gedurende drie dagen

aan het hof van den koning der toovenaars, waar een zoo zonderling

toeval hen bijeen had gebragt. Zij werden voortreffelijk onthaald, maar

vooral waren deze dagen merkwaardig door het huwelijk van den prins

Assad met de koningin Margiane, en van den prins Amgiad met Bastane,

uit dankbaarheid voor den dienst, welken zij aan zijn' broeder Assad had

bewezen. Op den vierden dag namen de drie koningen en de koningin

Margiane met prins Assad, allen de terugreis naar hunne staten aan. Wat

Amgiad aangaat, de koning der toovenaars, kon niet besluiten, hem te

laten vertrekken. Hij was reeds hoog bejaard, en had den prins zoo lief

gekregen, of het zijn eigen zoon ware. Daarom besloot hij afstand

van den troon te doen, en daarop Amgiad in zijne plaats te stellen.

De nieuwe koning stelde van den aanvang zijner regering af aan, al

het mogelijke in het werk, om zijne onderdanen van de afgoderij en

vuurdienst af te brengen en het Muzelmansche geloof in zijne staten in

te voeren, en hierin slaagde hij naar wensch.

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel · 第 8 / 12 题