GESCHIEDENIS VAN MARZAVAN.

De voedster van de prinses van China had een' zoon, Marzavan genaamd;

hij was de zoogbroeder van de prinses. Deze kinderen waren in hunne

jeugd meest altijd te zamen, en leefden met elkander als broeder

en zuster. Die genegenheid bleef hen bij, zelfs toen zij op meer

gevorderden leeftijd van elkander werden verwijderd.

Onder de vele wetenschappen, waarop Marzavan zich van zijne jeugd

af, met hart en ziel had toegelegd, behoorde ook de voorspellende

sterrekunde, de waarzeggerij en andere geheime kunsten. Hij werd daarin

zeer bekwaam. Niet tevreden met hetgeen hij van zijne onderwijzers

geleerd had, ging hij, zoodra hij meer onafhankelijk werd, groote reizen

maken. Hoorde hij van een' uitstekend man spreken, dan ontzag Marzavan

moeite noch kosten, om dien geleerde op te zoeken, en rustte niet,

voordat hij hem gevonden, en zoo veel mogelijk van zijne lessen partij

getrokken had.

Na eene afwezigheid van vele jaren kwam hij met een' schat van kennis

uitgerust, in zijne geboorteplaats, de hoofdstad van China, terug. Het

verwonderde hem ten hoogste, boven de poort, die hij binnenkwam, zoo

vele afgehouwen hoofden te zien, die daar ten toon gesteld waren. Zoodra

hij in zijne woning kwam, vroeg hij naar de oorzaak hiervan. Men deelde

hem in het kort de zaak mede, en Marzavan werd hierover zeer bedroefd,

daar hij zijne zoogzuster nog steeds hartelijk liefhad. Hij zond

terstond iemand naar zijne moeder, om haar van zijne terugkomst kennis

te geven.

Hoewel hare tegenwoordigheid bij de prinses slecht kon worden gemist,

wist echter de voedster zich voor een oogenblik te verwijderen, om haren

zoon te zien. Nadat zij hem omhelsd had, deelde zij hem met betraande

oogen mede, in welk een' beklagenswaardigen toestand de prinses zich

bevond. Zij verzweeg ook de oorzaak niet, die daartoe aanleiding had

gegeven. Marzavan hoorde haar met gespannen aandacht, en vroeg, of zij

hem niet in de gelegenheid zou kunnen stellen, om de prinses te zien

en te spreken, zonder dat de koning daarvan kennis droeg. De voedster

bedacht zich een oogenblik. „Mijn zoon,” zeide zij toen, „ik kan u dit

thans niet verzekeren; maar wacht tot morgen, dan zal ik u een bepaald

antwoord weten te geven.”

Daar behalve de voedster niemand bij de prinses mogt worden toegelaten,

dan met vergunning van het hoofd der gesnedenen, die door den koning als

wacht bij hare gevangenis geplaatst waren, bleef haar geen ander middel

over, dan deze in haar belang te winnen, zoo zij haren zoon toegang

tot de kamer der prinses wilde verschaffen. Zij wist echter, dat deze

gesnedene nog niet lang in 's konings dienst, en dus onbekend was, met

hetgeen vroeger aan het hof van China had plaats gevonden. Hierop

bouwende, zeide zij tot hem: „Het is u bekend, dat ik de prinses gevoed

en groot gebragt heb; maar wat gij misschien niet zult weten, is, dat

ik haar te gelijk met mijne dochter zoogde, die nu kortelings in het

huwelijk is getreden. De prinses, die haar altoos zeer lief had, zou

haar gaarne eens bij zich zien, zonder dat iemand buiten ons daarvan

echter kennis draagt.” „Wat gij mij daar zegt,” zeide de gesnedene, „is

mij genoeg. Het zal mij, als dit in mijne magt staat, altoos een groot

genoegen zijn, de prinses eenig vermaak te kunnen verschaffen, zij is

reeds ongelukkig genoeg. Gij kunt dus dezen nacht, nadat de koning zijne

dochter bezocht zal hebben, uw kind gaan halen of hier laten komen, de

deur zal voor haar openstaan.”

Zoodra de avond viel, ging de voedster haren zoon Marzavan opzoeken.

Zij verkleedde hem als eene vrouw, en nam hem dus vermomd met zich naar

het paleis. De gesnedene niet anders denkende, of het was hare dochter,

opende de deur en liet beiden binnengaan. In de kamer der prinses

gekomen, sprak de voedster haar dus aan: „Mevrouw,” zeide zij, „het

is geene vrouw, die gij bij mij ziet, maar mijn' zoon Marzavan, die

gisteren van zijne reis is terug gekomen, en ik ben geslaagd, hem onder

deze vermomming hier te brengen. Ik hoop, dat het u een genoegen zal

zijn, hem eens weder te zien.”

Op den naam van Marzavan liet de prinses eene groote vreugde blijken.

„Kom nader, mijn broeder,” zeide zij tot hem, „en ontbloot uw gelaat;

het is immers geoorloofd, dat een broeder en eene zuster gemeenzaam met

elkander omgaan?” Marzavan beantwoordde haren groet op de beleefdste

wijze, doch zonder hem den tijd tot spreken te laten, vervolgde de

prinses: „Ik ben verblijd, u na eene zoo lange afwezigheid in goede

gezondheid weder te zien, wat ik niet had durven hopen; daar gij al

dien tijd, zelfs aan uwe goede moeder, niets van u hebt laten hooren.”

„Prinses,” sprak Marzavan „ik stel uwe belangstelling in mij op hoogen

prijs. Ik had gehoopt u in gelukkiger toestand te zullen wederzien,

dan die, waarin men mij gezegd heeft, dat gij u bevindt, en waarvan ik

tot mijne groote droefheid thans getuige ben. Dit teedere en schoone

ligchaam aan een' keten gekluisterd! Mijne smart zou zonder grenzen

zijn, indien ik geen' troost vond in de hoop u te zullen genezen. Als

ik van mijne langdurige studiën en van al mijne reizen geene andere

vruchten mag plukken, dan alleen het geluk u aan de wereld en hare

genietingen te kunnen wedergeven, zoo zal ik mij reeds rijkelijk beloond

vinden.”

Bij het eindigen dezer woorden haalde Marzavan een boek en nog eenige

andere zaken te voorschijn, die hij bij zich had gestoken, naar

aanleiding van de omschrijving, welke zijne moeder hem van de ziekte der

prinses had gegeven. „Wat zal dit alles, mijn broeder!” riep de prinses,

al dien toestel ziende. „Ook gij behoort dus onder hen, die gelooven dat

ik krankzinnig ben? Laat dien dwazen waan varen, en luister naar mij.”

De prinses verhaalde nu aan Marzavan hare geheele geschiedenis tot in de

kleinste bijzonderheden, en liet hem den ring zien, welken zij op de

plaats van den haren gevonden had. „Zie daar,” vervolgde zij, „de zaak,

zooals deze zich werkelijk heeft toegedragen. Ik zie zeer goed, dat

hier iets achter schuilt, wat ik niet kan begrijpen, en dat aanleiding

gegeven heeft, dat men mij voor krankzinnig houdt; maar men let te veel

op het wonderlijke, zonder op het andere, dat duidelijk en zeker is,

acht te slaan.”

Marzavan, ten hoogste verbaasd over hetgeen hij uit den mond van de

prinses vernam, bleef eenige oogenblikken in gedachten verdiept en met

het hoofd voorover gebogen staan, zonder een enkel woord te antwoorden:

„Prinses,” sprak hij eindelijk, het hoofd oprigtende, „indien hetgeen

gij mij daar hebt medegedeeld overeenkomstig de waarheid is, waaraan

ik geenszins twijfel, zoo wanhoop ik niet uwe begeerte te bevredigen.

Ik verzoek u alleen, nog eenigen tijd geduld te hebben, totdat ik ook

die koningrijken zal hebben doorgereisd, welke ik nog niet bezocht

heb. Hoort gij van mijne terugkomst, dan kunt gij zeker zijn, dat het

voorwerp uwer liefde niet ver meer van u is.” Hierop nam hij afscheid

van Badoura, en reeds den volgenden dag begaf hij zich weder op reis.

Marzavan trok van stad tot stad, van provincie tot provincie, en

van het eene eiland naar het andere; overal waar hij kwam hoorde

hij van niets anders spreken dan van de prinses Badoura en van hare

geschiedenis. Na verloop van vier maanden kwam onze reiziger te Torf,

eene groote en volkrijke zeeplaats. Hier sprak men hem voor het eerst

niet meer van de prinses Badoura, maar wel van den prins Camaralzaman,

die men zeide, dat zeer ziek was, en wiens geschiedenis, zoo als men

die verhaalde, in vele opzigten overeenkwam met die van de prinses van

China. Marzavan was hierover zeer verblijd; hij liet zich onderrigten

in welk gedeelte der wereld die prins zich ophield. Men noemde hem de

eilanden der kinderen van Khaladan. Twee reisgelegenheden stonden voor

hem open, de eene over land, de andere over zee.

Marzavan koos de laatste als den kortsten weg, en ging met een

koopvaardijschip onder zeil. De reis was zeer voorspoedig, en reeds

had men de hoofdstad van den koning Schahzaman in het gezigt, toen

het vaartuig door de onkunde van den stuurman, op eene onder het water

verborgen klip stootte. De schok was zoo hevig, dat het schip dadelijk

uiteensloeg. Dit ongeluk had plaats in het gezigt van het kasteel,

waarin de prins Camaralzaman zijn verblijf hield. De koning Schahzaman

en zijn groot-vizier waren daar op dat tijdstip beiden tegenwoordig,

en de noodkreten der schipbreukelingen, die nog een' tijd lang met de

golven worstelden, drongen hen in de ooren, zonder dat er mogelijkheid

bestond, deze ongelukkigen spoedig genoeg hulp te bieden.

Marzavan was een uitmuntend zwemmer. Zoodra het schip vast geraakte,

sprong hij over boord, en al zwemmende bereikte hij den oever digt bij

het kasteel. Hier werd hem op last van den prins alle mogelijke hulp

verleend. Men haastte zich, hem van kleeding te doen verwisselen, bood

hem eenige ververschingen aan, en zoodra hij eenigzins van zijne

vermoeijenis bekomen was, stelde men hem aan den groot-vizier voor,

zooals deze gelast had.

Daar Marzavan een zeer gunstig voorkomen had, en op de vragen van den

groot-vizier met bescheidenheid en veel juistheid antwoordde, werd deze

staatsdienaar reeds terstond gunstig voor hem gestemd. Hij knoopte een

gesprek met hem aan, en het bleek hem spoedig, dat hij iemand voor had,

die op zijne reizen veel kennis had opgedaan. „Naar ik kan hooren,”

zeide de vizier, „zijt gij iemand, die met veel kennis en verstand

bedeeld is. Mogt het Allah behagen, dat gij op uwe reizen en bij uwe

natuurkundige studiën het geheim hadt leeren kennen, om een' zieke te

genezen, wiens ongesteldheid van buitengewonen aard is, en het geheele

hof in rouw dompelt.” „Indien ik met de geaardheid van die ongesteldheid

bekend ware,” gaf Marzavan ten antwoord, „zou ik er misschien een middel

tegen kunnen vinden.”

De groot-vizier deelde nu aan den schipbreukeling mede, in welken

toestand de prins Camaralzaman verkeerde, en verhaalde hem de zaak van

het begin tot het einde. Hij begon te spreken over zijne door den koning

Schahzaman zoo vurig begeerde geboorte, vervolgens verhaalde hij van

zijne opvoeding, van den wensch des konings, om hem vroegtijdig te doen

huwen, van den tegenzin, dien de prins in het huwelijk had, van zijne

ongehoorzaamheid aan zijns vaders verlangen, en eindelijk van zijne

opsluiting en zijne buitensporigheden in de gevangenis, die veroorzaakt

waren door eene hevige liefde, welke hij had opgevat voor eene onbekende

jonge schoone, die hij zeide, dat een' nacht bij hem had doorgebragt,

doch waarvan geene andere bewijzen waren dan een' ring, welken de prins

beweerde, haar van den vinger genomen te hebben, terwijl men maar niet

kon ontdekken, waar ter wereld die dame zich ophield.

Bij deze mededeeling van den groot-vizier was Marzavan zeer verheugd,

dat hij door de geleden schipbreuk juist daar was aangeland, waar zich

de persoon bevond, die hij met zoo veel ijver gezocht had. Hij twijfelde

niet, of de prins Camaralzaman zou de man zijn, voor wien de prinses

van China in liefde was ontstoken, en dat die prinses wederkeerig het

voorwerp van 's prinsen vurige wenschen was. Hij liet hiervan echter

niets aan den groot-vizier blijken; hij zeide hem alleen, dat hij beter

zou kunnen oordeelen, of de prins te helpen was, wanneer hij hem zag.

„Volg mij dan slechts,” sprak de vizier; „de koning is op dit oogenblik

bij hem, maar dat moet u niet ontstellen, want hij heeft mij reeds zijne

begeerte te kennen gegeven u te zien.”

Op het oogenblik dat Marzavan door den vizier in het vertrek van den

prins werd binnengeleid, lag Camaralzaman, bleek en met gesloten oogen,

op zijn rustbed uitgestrekt. De koning zat bij zijne sponde, en hield de

hand van zijn' zoon in de zijne. Marzavan vond zoo veel gelijkenis

tusschen de trekken van den prins en die van de prinses van China, dat

hij zich niet kon weêrhouden uit te roepen: „Nooit zag ik grooter

gelijkenis!”

Door dezen met eene hem onbekende stem gedanen uitroep, werd de

nieuwsgierigheid van Camaralzaman gaande gemaakt; hij opende de oogen,

en zag Marzavan aan. Deze laatste was verstandig genoeg zijne lompheid

te herstellen, door eene diepe buiging te maken, en door den prins in

vers-maat te begroeten. Hij koos daarbij woorden, waaruit Camaralzaman

moest besluiten, dat deze vreemdeling meer van zijne schoone onbekende

wist; want de geschiedenis der prinses van China, welke hij bezong,

moest noodwendig de aandacht van den verliefden jongeling trekken. Er

vertoonde zich dan ook werkelijk een glimp van hoop en vreugde op het

gelaat des kranken, en toen Marzavan ophield met spreken, gaf de prins

aan den koning zijn' vader een teeken met de hand, dat hij zich met dien

vreemdeling wenschte te onderhouden.

De goede koning, verrukt over de gunstige verandering, welke hij bij

zijnen zoon meende te bespeuren, stond dadelijk op, en Marzavan bij de

hand vattende, dwong hij hem, zijne plaats bij het bed van den prins in

te nemen. Vervolgens vroeg hij hem, wie hij was, en van waar hij kwam,

en toen Marzavan antwoordde, dat hij een' onderdaan was van den koning

van China, vervolgde Schahzaman: „Gave Allah, dat gij mijn' geliefden

zoon kondet genezen van zijne doodelijke zwaarmoedigheid; ik zou u

veel te danken hebben, en de bewijzen mijner erkentelijkheid zullen

grooter zijn, dan er ooit voor eenigen dienst betoond zijn.” Dit gezegd

hebbende, liet hij den prins geheel vrij met Marzavan spreken, terwijl

hij zich met zijn' vizier naar het andere einde der zaal begaf, zeer

verheugd over eene zoo gelukkige ontmoeting.

Marzavan bragt zijn' mond aan het oor van Camaralzaman, en fluisterde

hem toe: „Prins, het is thans geen' tijd meer, om treurig te zijn. De

dame, om welke gij zoo veel geleden hebt, is mij bekend; zij is de

prinses Badoura, dochter van Gaïour, koning van China. Ik kan u dit

met zekerheid zeggen, daar zij mij zelve heeft medegedeeld, wat haar

bejegend is. De prinses lijdt niet minder uit liefde voor u, dan gij

voor haar.” Hij deelde hem vervolgens alles mede, wat hij van het

gebeurde met de prinses wist, van af den noodlottigen nacht, waarin zij

elkander op eene zoo onverklaarbare wijze gezien hadden. Ook vergat hij

niet, melding te maken van de wijze, waarop de koning van China handelde

met hen, die beproefden de prinses van hare gewaande krankzinnigheid te

genezen, zonder hierin te slagen. „Gij prins,” ging hij voort, „zijt de

eenigste, die u daartoe zonder eenig gevaar aanbieden, en haar volkomen

genezen kunt. Maar alvorens eene zoo lange reis te ondernemen, moet gij

gezond en sterk zijn. Wees er dus van nu af aan alleen op bedacht uwe

gezondheid te herstellen.”

Deze mededeelingen van Marzavan hadden eene verbazende uitwerking. De

prins Camaralzaman gevoelde eene zoo groote verligting door de hoop, die

hem was ingeboezemd, dat hij zich sterk genoeg achtte, om op te staan.

Hij vroeg daarom zijnen vader verlof, om zich te mogen kleeden, en dit

met zulk een opgeruimd gelaat, dat de goede vorst er van opgetogen was.

Zonder te vragen welk middel Marzavan gebezigd had, om dit wonder te

bewerken, gaf hij zijne dankbaarheid te kennen, door hem herhaalde malen

te omhelzen. Daarna vertrok hij met zijn' vizier, om de wonderbare

genezing van den prins alom bekend te doen maken. Hij gaf bevel, dat er

door het geheele rijk feesten zouden plaats hebben; zijne hovelingen

ontvingen rijke geschenken, aan de armen deelde hij ruime aalmoezen uit,

en de gevangenen werden in vrijheid gesteld. In één woord, de hoofdstad

en het geheele land van den koning Schahzaman vierden feest.

Hoewel de prins Camaralzaman door slapeloosheid en onthouding van

voedsel zeer verzwakt was, kreeg hij echter spoedig zijne vorige

krachten terug. Toen hij nu geheel hersteld was en zich sterk genoeg

achtte, om de vermoeijenissen der reis te kunnen doorstaan, herinnerde

hij Marzavan aan zijne belofte. „Waarde Marzavan,” sprak hij, „het is

thans tijd, om te vertrekken. Mijn ongeduld, om de bekoorlijke prinses

te zien, en om een einde te maken aan de kwellingen, die zij uit liefde

tot mij moet lijden, is zou groot, dat ik, indien wij niet spoedig

op reis gaan, vrees, weder in denzelfden staat van moedeloosheid en

uitputting te vervallen, als waarin gij mij hebt aangetroffen. Eene

zaak echter verontrust mij, en doet mij voor vertraging beducht zijn,

namelijk de overdreven zorg, welke de koning, mijn vader, voor mij

heeft, zoodat hij nimmer zal kunnen besluiten, zijne toestemming tot

deze langdurige reis te geven. Gij ziet zelf, dat hij mij bijna niet

uit het oog verliest, en het grootste gedeelte van zijn' tijd bij mij

doorbrengt. Indien gij daarop geen middel weet te vinden, is mijn

toestand hopeloos.” Bij het uitspreken dezer woorden, kon de prins zijne

tranen niet weêrhouden.

„Prins,” antwoordde Marzavan, „de hinderpaal, waarvan gij mij spreekt,

heb ik voorzien, doch ik zal die weten uit den weg te ruimen. Het

hoofddoel van mijne reis is geweest, de prinses van China van hare

kwellingen te bevrijden. De genegenheid, welke wij van kindsbeen af

elkander hebben toegedragen, en die nimmer uit mijn hart zal worden

gewischt, dringt mij, daartoe al mijne krachten aan te wenden. Hoor nu,

wat ik bedacht heb, om ons het vereischte verlof van den koning, uw'

vader, te verschaffen. Gij zijt sedert uwe herstelling nog niet uit

geweest. Zeg hem, dat gij gaarne een paar dagen met mij op de jagt zoudt

gaan, ten einde u wat te verzetten. Het is niet waarschijnlijk, dat hij

u deze uitspanning zal weigeren. Staat hij het u toe, draag dan zorg,

dat wij ieder twee goede paarden hebben, om als het eene vermoeid is,

ons van het andere te kunnen bedienen, en laat het overige aan mij

over.”

Den volgenden morgen deed de prins Camaralzaman aan zijn' vader het

verzoek, dat Marzavan hem gezegd had te doen. „Ik heb er niets op

tegen,” zeide de koning, „dat gij u eens op de jagt vermaakt; maar

onder beding dat gij niet langer dan één' nacht afwezig blijft, te veel

vermoeijenis mogt u anders eens nadeelig wezen, en langer kan ik ook

niet buiten u zijn.” De koning gaf hierop last de beste paarden uit

zijn' stal te halen, en droeg zelf zorg, dat er niets ontbrak, om dit

jagtpartijtje tot eene genoegelijke uitspanning voor den prins te

maken. Toen alles gereed was, omhelsde hij zijn' zoon, en na Marzavan

aanbevolen te hebben, toch goede zorg voor hem te dragen, liet hij hen

vertrekken.

Zoodra zij buiten kwamen, verwijderden de prins Camaralzaman en

Marzavan, onder den schijn van te jagen, zich zoo ver mogelijk van de

hoofdstad, en met het vallen van den avond namen zij hun' intrek in

een karavanserai, waar zij een avondmaal en nachtverblijf bestelden.

Marzavan stond echter te middernacht op, wekte den prins, verzocht dezen

hem zijn kleed te geven, en zelf een ander aan te trekken. Terwijl

Camaralzaman zich kleedde, ging Marzavan naar den stal, en tuigde,

zonder de stalknechten wakker te maken, drie paarden op, die hij

voorbragt. Zij stegen nu dadelijk op, en het derde paard bij den teugel

leidende, reden zij in den beginne stapvoets voort, ten einde geen

gerucht te maken; doch zoodra zij buiten het gehoor hunner bedienden

waren, zetten zij hunne paarden in den draf.

Met het aanbreken van den dag bevonden zij zich in een groot bosch, waar

de weg een' viersprong maakte. Hier verzocht Marzavan den prins, hem een

oogenblik te willen wachten. Hij ging een eindweegs het bosch in, stak

het paard, dat hij van een der stalknechten had medegenomen, dood,

verscheurde het kleed, dat de prins hem gegeven had, en doopte dit in

het bloed van het gedoode paard. Na dit verrigt te hebben, voegde

Marzavan zich weder bij zijn' reisgezel, en wierp het bebloede kleed

midden op den reeds genoemden viersprong.

Camaralzaman vroeg hem, met welk oogmerk hij dit deed. „Prins,” gaf

Marzavan ten antwoord, „als gij dezen avond niet terug zijt, en de

koning, uw vader, van de stalknechten hoort, dat wij zonder hen, en

terwijl zij nog sliepen, zijn vertrokken, zal hij niet dralen, volk uit

te zenden, om ons op te sporen. Wanneer zij dan langs dezen weg komen,

en het bebloede kleed vinden, zullen zij denken, dat gij door een'

leeuw of tijger zijt verscheurd, en dat ik mij uit vrees voor zijne

gramschap uit de voeten heb gemaakt. De koning, door dit berigt in den

waan gebragt, dat gij niet meer in leven zijt, zal niet meer naar u doen

zoeken, en zoo kunnen wij, zonder vrees van vervolgd te worden, onze

reis ongestoord voortzetten. Het middel, ik wil het niet ontkennen,

is wreed, vooral ten opzigte van een' vader, die zijn' zoon zoo

hartstogtelijk lief heeft, maar moge hij door dit berigt van uwen dood

zwaar getroffen worden, te grooter zal later zijne blijdschap zijn, als

het hem ter ooren komt, dat gij nog leeft, en gelukkig zijt.” „Beste

Marzavan,” antwoordde de prins Camaralzaman, „ik kan niet anders, dan

uwe list bewonderen en goedkeuren; ik ben er u op nieuw dank voor

verschuldigd. Het smart mij wel, mijn' goeden vader dus te moeten

bedroeven, maar ik weet geen ander middel, en indien de prinses niet

de mijne wierd, zou mijn' vader toch spoedig op mijn graf weenen.”

De prins en Marzavan, ruim voorzien van goud en edelgesteenten, zoodat

zij niet karig in hunne uitgaven behoefden te zijn, zetten hunne reis te

land en te water voort, zonder andere hindernissen of moeijelijkheden te

ontmoeten, dan de langdurigheid der reis natuurlijk moest veroorzaken.

Eerst in de derde maand bereikten zij de hoofdstad van China. Marzavan

nam den prins niet mede naar zijn huis, maar bragt hem in eene herberg,

waar de vreemdelingen meestal hunnen intrek namen. Zij bleven hier

drie dagen, om van de vermoeijenissen der reis uit te rusten, en een

sterrekijkersgewaad voor den prins te doen gereed maken. Op den vierden

dag gingen zij te zamen naar het bad, waar Marzavan den prins verzocht,

het voor hem bestemde gewaad aan te trekken; tot welke vermomming hij

hem ijverig behulpzaam was. Uit het bad komende, begeleidde hij den

prins tot in de nabijheid van het paleis des konings van China, waar hij

van hem scheidde, om aan zijne moeder de tijding zijner terugkomst te

zenden, en haar op te dragen, dit ook aan de prinses Badoura mede te

deelen. Deze zou daardoor tevens weten, dat de man dien zij beminde,

niet ver verwijderd was; dit toch had hij haar hij het afscheid nemen,

beloofd.

VERVOLG DER GESCHIEDENIS VAN DEN PRINS CAMARALZAMAN EN VAN DE PRINSES

BADOURA.

De prins Camaralzaman, door Marzavan onderrigt omtrent hetgeen hij

te doen had, en in alles als een' sterrewigchelaar uitgerust, ging

regelregt naar het paleis van den koning van China, en voor de poort

blijvende stilstaan, riep hij ten aanhooren der wachten en portiers met

luider stem: „Ik ben een sterrekijker, en kom hier, om de hooggeschatte

prinses Badoura, dochter van den magtigen en wijdberoemden monarch

Gaïour, koning van China, van hare krankzinnigheid te genezen, op de

door zijne majesteit gestelde voorwaarden, dat zij, indien ik haar

genees, mijne vrouw zal worden, en dat ik, zoo ik daarin niet slaag,

mijn hoofd zal verbeuren.”

Nadat zoo vele geneesheeren, sterrewigchelaars en toovenaars, die zich

in den aanvang hadden opgedaan, om de prinses te genezen, dit met den

dood hadden moeten bekoopen, had zich in de laatste maanden niemand meer

vertoond, die het gevaarlijke proefstuk durfde ondernemen. Men dacht

algemeen, dat er op de geheele wereld niemand meer te vinden zou zijn,

dwaas genoeg, om na zoo vele afschrikkende voorbeelden, zijn leven, als

het ware moedwillig, ten offer te brengen, in eene zoo hopelooze poging.

Geen wonder dus, dat Camaralzaman zich spoedig door eene nieuwsgierige

volksmenigte omringd zag.

Alle omstanders hadden medelijden met den jeugdigen vermetele, wiens

edel en gunstig voorkomen, reeds op het eerste gezigt, velen voor hem

innam. „Waar denkt gij aan, goede Heer?” zeiden zij, die het digtst bij

hem stonden, „hoe kunt gij zoo dwaas zijn, uw jeugdig en veelbelovend

leven aldus aan een' zekeren dood prijs te geven? Toonen de afgeslagen

hoofden, die op de poorten der stad geplaatst zijn, u niet, welk lot ook

u te wachten staat? Bij Allah! laat uw plan varen, keer terug, nu het

daartoe nog tijd is.”

De prins Camaralzaman liet zich echter door deze welmeenende

waarschuwingen niet afschrikken, en daar er niemand opdaagde, om hem

voor den koning te brengen, herhaalde hij met nog luider stem zijn

geroep, in de zelfde bewoordingen als de eerste maal. Die vermetelheid

deed de omstanders huiveren; er ging een' algemeene kreet op: „Hij zoekt

den dood, en Allah ontferme zich over zijne jeugd en zijne arme ziel!”

Maar de prins hield zich alsof hij hen niet hoorde, en riep voor den

derden maal. Nu verscheen de groot-vizier in persoon, ten einde hem op

last van den koning Gaïour voor dien te brengen.

Deze staatsdienaar geleidde Camaralzaman voor den koning, die hem, op

zijn' troon gezeten, ontving. De prins wierp zich voor hem neder, en

kuste den grond. De koning, die met onverschilligheid zoo velen had doen

sterven, welke in hunnen vermetelen waan hadden gemeend de prinses te

kunnen genezen, gevoelde een innig mededoogen met Camaralzaman. Had hij

de anderen naauwelijks aangezien, hem deed hij naast zich op zijn' troon

zitten, en sprak hem aldus aan: „Jongman, ik kan moeijelijk gelooven,

dat gij op zoo jeugdigen leeftijd, de kennis en de ervaring zult

bezitten, die vereischt worden om mijne dochter te genezen. Wel zou mij

dit eene groote vreugde zijn, want ik zou haar aan u met genoegen ten

huwelijk geven, hetgeen ik aan allen die voor u kwamen, slechts met

tegenzin zou hebben gedaan. Maar hoe zulks mij ook smart, ik moet u

verklaren, dat, indien gij niet slaagt in uwe onderneming, noch uwe

jeugd, noch uw edel voorkomen, mij zullen beletten u te doen onthoofden.

Bedenk u dus wel; nog laat ik u vrij, van deze gevaarlijke proef af te

zien.”

„Sire,” antwoordde de prins Camaralzaman, „ik ben uwer majesteit grooten

dank schuldig voor de eer, welke zij mij aandoet, en voor de goedheid,

die zij jegens mij, een' vreemdeling, aan den dag legt. Ik ben echter

niet uit een land, zoo ver van hier verwijderd, dat het misschien in

uwe staten zelfs bij name niet bekend is, gekomen, om onverrigter zake

weder van hier te gaan. Zou men mij niet met regt van ligtzinnigheid

beschuldigen, indien ik, na eene zoo lange reis ondernomen, en zoo vele

gevaren en ontberingen doorgestaan te hebben, thans mijn plan lafhartig

opgaf? Uwe majesteit zelve zou alle achting voor mij verliezen. Moet ik

sterven, sire, laat dit zijn, zonder mij uwe genegenheid onwaardig te

maken. Ik smeek u dus mijn ongeduld, om het bewijs mijner kunde te

leveren, op geene te lange proef te stellen. De uitkomst zal, hoop ik,

bewijzen, dat ik van mij zelven en van mijne ervaring geen te hoog

denkbeeld heb gekoesterd.”

De koning van China beval aan den gesnedene, die de prinses Badoura

bewaakte, doch thans daar tegenwoordig was, den prins Camaralzaman bij

de prinses, zijne dochter, te brengen. Alvorens hem te laten vertrekken,

liet hij het nogmaals aan zijne keus om van de onderneming af te zien.

Maar de prins gaf daaraan geen gehoor; hij volgde den gesnedene met

vastberadenheid, of liever met een' geestdrift, die verwondering baarde.

De gesnedene geleidde Camaralzaman; maar toen zij aan de galerij kwamen,

die naar het vertrek der prinses voerde, kon de prins zijn ongeduld niet

langer bedwingen, en versnelde zijn' gang, ten einde te spoediger bij

háár te zijn, om wie hij zoo vele tranen gestort, en zoo vele zuchten

geslaakt had, sedert den nacht, waarin zij zich aan zijne zijde bevonden

had.

De gesnedene liep nu ook met meer spoed, doch hij had moeite, den

prins weder in te halen. „Wat loopt gij toch zoo hard!” sprak hij op

spottenden toon, terwijl hij hem bij den arm vatte en terug hield,

„gij kunt immers zonder mij niet binnengaan? De lust tot sterven moet

bij u wel groot zijn, dat gij den dood zoo ijverig zoekt. Niet een der

sterrewigchelaars, die ik ter plaatse gebragt heb, waar gij maar al te

spoedig zijn zult, heeft zoo veel haast aan den dag gelegd.” „Goede

vriend,” antwoordde Camaralzaman, terwijl hij weder aan de zijde

van zijn' geleider voortging en hem aanzag, „dat komt omdat al die

sterrekijkers, waarvan gij spreekt, niet zeker van hunne zaak waren,

gelijk ik dit ben. Zij wisten in tegendeel, dat zij het leven zouden

verliezen, indien zij niet slaagden, en hiertoe bestond voor hen de kans

zelfs niet. Daarom beefden zij te regt, toen zij de plaats naderden,

waar wij thans heengaan, en waar ik zeker ben, mijn geluk te zullen

vinden.” Onder dit gesprek kwamen zij aan de deur, die toegang gaf tot

de vertrekken der prinses. De gesnedene ontsloot deze, en bragt den

prins in eene groote zaal, waardoor men in de kamer der prinses ging,

die slechts door een zijden voorhangsel daarvan was afgescheiden.

Alvorens hier binnen te treden, zeide hij op zachten toon tot den

gesnedene: „Ten einde u te overtuigen, dat ik mij niet te veel op mijne

bekwaamheid heb laten voorstaan, zoo laat ik het aan uwe keuze over, of

ik de prinses zal genezen in hare tegenwoordigheid, of van hier, zonder

een voet verder te gaan?”

De gesnedene, ten hoogste verwonderd over de zekerheid, waarmede de

prins sprak, hield op den spot met hem te drijven, en zeide: „Het komt

er niet op aan, of het hier geschiedt of daar. Indien gij de prinses

slechts geneest, op welke wijze het ook zij, zoo zult gij eenen

onsterfelijken roem inoogsten, niet alleen aan dit hof, maar door de

geheele wereld.” „Hoezeer ik ook verlang,” hernam de prins, „om eene

prinses van zoo hooge geboorte, en bestemd mijne vrouw te worden, te

aanschouwen, wil ik om u alle mogelijke voldoening te geven, mij wel

voor eenige oogenblikken van dat genoegen berooven.” Hij nam daarop

zijn' inktkoker en zijne pen, en schreef de volgende regelen aan de

prinses van China:

_De prins Camaralzaman aan de prinses van China._

„_Aanbiddelijke prinses! De verliefde prins Camaralzaman zal

u niet spreken van alles wat hij heeft geleden, sedert den

noodlottigen nacht waarin uwe bekoorlijkheden hem eene vrijheid

deden verliezen, die hij besloten had zijn gansche leven te

bewaren. Het is voldoende te zeggen, dat gij, bekoorlijk zelfs

tot in uwen slaap, hem toen zijn hart ontroofd hebt. O, die

nijdige slaap, welke hem belette, den glans te zien van uwe

schoone oogen, hoe groote moeite hij zich ook gaf, ze u te doen

openen. Hij verstoutte zich toen, u zijnen ring aan den vinger

te steken, als een bewijs zijner onveranderlijke liefde, en die

tegen den uwen te verwisselen, dien hij u hierbij toezendt.

Indien gij u verwaardigt hem dezen terug te zenden, als

wederkeerig bewijs uwer liefde, dan zal hij zich den gelukkigsten

van alle minnaars achten; zoo neen, uwe afwijzing zal hem niet

beletten, den doodelijken slag met berusting te ondergaan, daar

die hem zal treffen; omdat hij u bemint. Hij wacht uw antwoord in

uwe voorkamer._”

Toen de prins Camaralzaman met dit schrijven gereed was, voegde hij er

den ring van de prinses bij, en maakte er een pakje van, dat hij den

gesnedene ter hand stelde, met de woorden: „Goede vriend, breng dit aan

uwe meesteres. Indien zij niet geneest op het eigen oogenblik, dat zij

deze regelen gelezen heeft, en ziet wat ik haar daar bij toezend, zoo

geef ik u volkomen vrijheid, in het openbaar van mij te zeggen, dat ik

de onwaardigste en onbeschaamdste ben van alle sterrekijkers, die ooit

op aarde geleefd hebben, daar nog zijn, of na mij komen zullen.”

„Als dat geen pogcher is, dan is het een duizend-kunstenaar, wiens

gelijke nog moet geboren worden,” dacht de gesnedene, en door

nieuwsgierigheid gedreven, ging hij haastig in de kamer der prinses van

China. Haar het pakje, waarmede de prins Camaralzaman hem belast had,

aanbiedende, zeide hij: „Prinses, een sterrekijker, vermeteler dan de

anderen, die zich vóór hem hebben opgedaan, is hier aangekomen, en

beweert ten stelligste, dat gij deze regelen slechts behoeft te lezen,

en te zien wat hij daar heeft bijgevoegd, om volkomen genezen te zijn.”

De prinses nam het briefje, en opende het met blijkbare

onverschilligheid, maar zoodra zij haren ring zag en herkende, gaf zij

zich bijna den tijd niet, om het geschrevene te lezen. Zij stond met

overhaasting op, verbrak met een' geweldigen ruk de keten, waaraan zij

gekluisterd was, snelde naar de deur, en ligtte het voorhangsel op.

Badoura herkende in den prins-sterrekijker dadelijk haren zoo lang

betreurden en zoo vurig gewenschten geliefde. De prins zag in haar

zijne schoone bezoekster. Zij omhelsden elkander met hartstogtelijke

teederheid, en konden in hunne verrukking geene woorden vinden, om hunne

blijdschap en verwondering uit te drukken, elkander terug te zien, na

het raadselachtige en kortstondige te zamen zijn, waarvan zij ook nu nog

niets begrepen. De voedster, welke de prinses was gevolgd, deed haar

weder in hare kamer gaan, waar de prins haar echter ditmaal vergezelde.

Badoura gaf haren ring nu aan Camaralzaman terug, met de woorden:

„Herneem dit kleinood. Ik zou het niet kunnen behouden, zonder u het

uwe terug te geven, en dat wil ik behouden, zoo lang ik leef.”

Inmiddels had de gesnedene zich gehaast den koning van China het wonder

mede te deelen, waarvan hij ooggetuige was geweest. „Sire,” sprak hij

in verrukking over hetgeen hij gezien had: „Al de sterrekijkers en

geneesheeren, die zich tot nu toe aangeboden en ondernomen hebben, om

de prinses te genezen, zijn slechts weetnieten en botterikken geweest.

Hij, die nu gekomen is, heeft zich noch met een tooverboek, noch met

bezweringen van booze geesten, noch met het rook en van kruiden of iets

van dien aard opgehouden; hij heeft de prinses genezen, zelfs zonder

haar te zien.” Hij verhaalde vervolgens de wijze, waarop dit had plaats

gehad, en de koning, hierover ten hoogste verblijd, begaf zich dadelijk

naar de prinses. Hij omhelsde zijne dochter, omarmde den prins, en diens

hand nemende, legde hij deze in die van de prinses Badoura. „Gelukkige

vreemdeling,” zeide hij nu, „wie gij ook zijn moogt, ik houd mijne

belofte, en geef u mijne dochter tot echtgenoot. Maar als ik u aanzie,

kan ik bezwaarlijk gelooven; dat gij diegene zijt, voor wien gij u hebt

uitgegeven.”

De prins Camaralzaman bedankte den koning in de schoonste bewoordingen

voor de gunstige gedachten, die hij van hem koesterde, en voor de groote

weldaad, hem op dit oogenblik bewezen, door hem tot zijn' schoonzoon

aan te nemen. „Sire,” vervolgde hij, „het vermoeden van uwe majesteit,

dat ik geen sterrekijker ben, is gegrond. Ik heb daarvan alleen het

kleed aangenomen, om, zoo doende, naar de hooge verbindtenis met den

magtigsten monarch van het Heelal te kunnen dingen. Ik ben een prins, de

zoon eens konings en eener koningin; mijn naam is Camaralzaman; en mijn

vader noemt zich Schahzaman. Hij regeert over de genoeg bekende eilanden

der kinderen van Khaladan.” Daarna verhaalde hij hem zijne geschiedenis,

en deed hem opmerken, hoe wonderbaar de oorsprong van zijne liefde was,

even als van die der prinses voor hem, en dat, hoe onverklaarbaar ook

hunne nachtelijke bijeenkomst bleef, de wisseling der ringen toch het

bewijs opleverde, dat deze werkelijk had plaats gevonden.

Zoodra de prins Camaralzaman met spreken geëindigd had, riep de

koning in geestdrift uit: „Deze geschiedenis is zoo wonderbaar, dat zij

waardig is, voor het nageslacht bewaard te blijven. Ik zal die laten

beschrijven, en terwijl het oorspronkelijke in de archieven van mijn

koningrijk zal berusten, wil ik er afschriften van doen maken; opdat zij

ook in andere landen bekend moge worden.” De huwelijksplegtigheid had

nog dien zelfden dag plaats, en gedurende verscheidene weken werden

aan het hof feesten gegeven, en heerschte er vreugde in het geheele

Chineesche rijk. Ook Marzavan werd niet vergeten; de koning van China

gaf hem eene betrekking aan zijn hof, met belofte, hem later tot eene

aanzienlijke post te zullen verheffen.

De prins Camaralzaman en de prinses Badoura, thans hunne wenschen

vervuld ziende, smaakten gedurende verscheidene maanden het zoete des

huwelijks, zonder dat hun geluk door iets verstoord werd, en de koning

van China gevoelde zich gelukkig in zijne kinderen.

Zulk een onvermengd geluk is echter op deze aarde zelden van langen

duur. Op zekeren nacht droomde prins Camaralzaman, dat zijn vader, de

koning Schahzaman, op sterven lag, en dat deze op klagenden toon zeide.

„De zoon, dien de Hemel mij schonk, dien ik als mijn oogappel beminde,

heeft mij ondankbaar verlaten, en is de oorzaak van mijnen dood.” Hij

werd met schrik wakker, en loosde een' diepen zucht, waardoor ook zijne

gade ontwaakte. De prinses Badoura, vreezende dat hij ongesteld zou

zijn, vroeg hem, waarom hij zoo zuchtte, en wat hem deerde.

„Ach,” zeide de prins op treurigen toon, „welligt is de koning mijn

vader, terwijl ik met u spreek, reeds niet meer op deze aarde!” Hij

deelde haar daarop zijnen droom mede, en beleed, dat deze zeer droevige

gedachten bij hem had opgewekt, omdat hij werkelijk uit liefde tot

haar zich zeer aan zijnen vader had bezondigd, door hem in stilte te

verlaten, en aan zijnen dood te doen gelooven. De prinses Badoura, niets

liever wenschende dan haren man genoegen te geven, hoorde hem zwijgend

aan, maar zij had reeds haar besluit genomen. Zoodra de koning van China

haar dien morgen kwam bezoeken, zoo als geregeld zijne gewoonte was,

stond zij op, en hem de hand kussende, zeide zij: „Sire, ik heb van

uwe majesteit eene gunst te vragen, welke ik haar smeek, mij niet te

weigeren. Opdat gij echter niet zoudt denken, dat ik die vraag doe, op

verzoek van den prins, mijn' gemaal, zoo moet ik u hierbij zeggen, dat

hij daar niets van weet. Mijne bede dan is, dat het u behagen moge, mij

toe te staan, om met hem aan den koning Schahzaman, mijn' schoonvader,

een bezoek te brengen.”

„Dochter,” gaf de koning ten antwoord, „hoezeer ook uw afwezen mij

bedroeven zal, zoo kan ik echter uw besluit niet misprijzen; het

getuigt voor uw goed hart en voor uwen moed, om eene zoo lange reis te

ondernemen. Ga dan, ik sta het u toe, onder beding, dat gij aan het hof

van den koning Schahzaman niet langer dan een jaar zult vertoeven. Die

monarch zal, gelijk ik durf hopen, er niet tegen hebben, indien de zaak

zoo geschikt wordt, dat wij om het andere jaar, hij zijnen zoon en zijne

schoondochter, ik mijne dochter en mijn' schoonzoon, bij ons zullen

zien.”

Camaralzaman was zeer verrast, toen de prinses Badoura hem zeide, dat

zij aan den koning van China verzocht had, om haren schoonvader te gaan

bezoeken, en dat deze daarin had toegestemd. De prins bedankte haar

voor dit vernieuwde blijk harer liefde, en hij verheugde zich reeds bij

voorraad nu weldra in de gelegenheid te zullen komen, om de vergiffenis

van zijn' goeden vader, dien hij zoo diep bedroefd had, af te smeeken en

te verwerven.

Inmiddels liet de koning van China alles voor de reis in gereedheid

brengen. Hij vergezelde zijne kinderen verscheidene dagreizen ver, ten

einde nog zoo lang mogelijk hun bijzijn te genieten. Toen men eindelijk

zou scheiden, omhelsde de koning schreijende zijne dochter en den prins

Camaralzaman. „Mijn zoon,” sprak hij! „ik stel thans mijne geliefde

dochter geheel in uwe handen; laat daarom uwe liefde, haar het gemis

der mijne vergoeden, en houdt niet op haar te beminnen, gelijk zij dit

waardig is. En nu mijne kinderen,” vervolgde hij, „ik geef u mijnen

zegen mede, reis en leef gelukkig, totdat ik de vreugde zal smaken,

u weder te zien, en aan mijn hart te drukken, dat steeds voor u zal

blijven kloppen.” Na deze vaderlijke ontboezeming, liet hij hen

vertrekken, en keerde, om zich te verzetten, al jagende naar zijne

hoofdstad terug.

Toen de prins Camaralzaman en de prinses Badoura hunne tranen hadden

afgedroogd, welke de scheiding van den koning hen had doen storten,

begonnen zij er aan te denken, hoe verblijd de goede Schahzaman zou

wezen, indien hij zijnen reeds als dood betreurden zoon, in leven en

hoogst gelukkig zou wederzien. Hier over spraken zij thans dagelijks, en

niet alleen Camaralzaman, maar ook de prinses van China verblijdde zich

reeds bij voorraad in de vreugde, welke de oude vorst smaken zou.

Na verloop van eene maand kwamen zij in eene grasrijke vlakte,

waardoor een helder beekje kronkelde, en waarin eene menigte op zich

zelve staande zware boomen prijkten, die met hun digt gebladerte

eene verkoelende schaduw gaven. Het was dien dag brandend heet,

en Camaralzaman vond dit oord zoo schoon, dat hij aan de prinses

voorstelde, daar dien dag rust te houden en de tenten te laten opslaan.

Badoura wenschte niets liever, want de lange reis en de drukkende hitte

hadden haar zeer vermoeid. De prins liet dus halt maken, zij stegen af,

en terwijl men de tenten van de kameelen aflaadde, en bezig was die uit

te spannen, ging Badoura onder de schaduw van een' boom zitten. Daar

echter ook de muskieten in dit lommerrijke plaatsje behagen schepten, om

haar heen gonsden, en haar plaagden, was hare tent niet zoodra gereed,

of zij ging daar binnen. Vermoeid en warm, liet de prinses om luchtiger

te zijn, zich van haren gordel ontdoen, die hare bedienden bij haar

nederlegden, terwijl zij zich op haar rustbed uitstrekte en weldra

insliep. Ten einde hare meesteres niet te storen, verwijderden zich nu

de vrouwen en lieten haar alleen.

Zoodra de prins Camaralzaman op alles order gesteld had, kwam ook hij

de tent binnen, en ziende dat de prinses sliep, zette hij zich zonder

gerucht te maken bij haar neder. Zijne oogen vielen nu op den gordel,

die bij haar lag, en niets beter te doen hebbende, nam hij dien in zijne

handen, en vermaakte zich met het beschouwen der diamanten en robijnen,

waarmede hij versierd was. Zoo op de schitterende steenen turende,

bespeurde hij een klein zijden beursje, dat zeer behendig tegen de stof

aangenaaid en met een koordje gesloten was. Hij voelde dat dit iets

hards bevatte, en de nieuwsgierigheid deed het hem openen. Hij vond

daarin een' kornalijn, waarop eenige zinnebeelden en karakters waren

ingesneden, die hij niet kende. „Deze kornalijn”, sprak hij bij zich

zelven, „moet eene bijzondere eigenschap bezitten, daar mijne prinses

hem zoo zorgvuldig bewaart, om hem niet te verliezen.” Het was inderdaad

een talisman, welke de koningin van China aan de prinses hare dochter

ten geschenke had gegeven, en die, zooals zij gezegd had, het vermogen

bezat, haar tegen alle ongelukken te behoeden, zoo lang zij hem hij zich

droeg. De prins scheen hiervan eenig vermoeden te hebben, en om den

talisman, want in de tent was het hiertoe te donker, beter te kunnen

bezien, ging hij er mede naar buiten. Terwijl hij nu het gesteente op

het vlak van zijne hand had gelegd, en het met aandacht beschouwde,

schoot er plotseling een vogel uit de lucht neder, en ontnam hem het

kleinood. Camaralzaman was over dezen roof zoo ontsteld, dat hij eenige

oogenblikken als wezenloos staan bleef. Hij had door zijne ongepaste

nieuwsgierigheid, zijne geliefde prinses een kleinood doen verliezen,

waarop zij, zoo als hij teregt begreep, een' zeer hoogen prijs moest

stellen. De vogel scheen intusschen den spot met hem te drijven, want

hij zette zich niet ver van die plaats op den grond neder, den talisman

als een zegeteeken in den bek houdende.

De prins nu tot bezinning komende, liep naar den vogel toe,

verwachtende dat deze zou opvliegen, en van schrik zijnen roof laten

vallen. Maar zoodra hij naderde, vloog het dier een weinig verder,

zonder zijn buit los te laten, en zette zich weder neêr. De prins

ging voort het te vervolgen; doch nu vloog de vogel na den talisman te

hebben doorgeslikt, een geheel eind voort. Zijn vervolger, op zijne

behendigheid steunende, hield echter niet op den roover te vervolgen,

in de hoop hem door een' steenworp te zullen treffen en dooden.

Er had nu tusschen den prins en den vogel een' koddige wedloop plaats,

en het scheen, dat de laatste daaraan geen einde wilde maken, door in

eens voor goed weg te vliegen. In tegendeel zette hij zich herhaalde

malen dan eens op een tak, dan weder op den grond neder, als wilde hij

zijn vervolger inwachten. Dus getergd wordende, volgde de prins den

stouten roover over berg en dal, tot dat de avond inviel. Nu koos

het slimme dier, tot groote teleurstelling van Camaralzaman, zijn

nachtverblijf niet in het struikgewas, waar hij hem welligt in den slaap

zou hebben kunnen verrassen en vatten, maar boven in den dunnen top van

een' hemelhoogen dadelboom, waar hij volkomen veilig was.

De prins, bijna wanhopende het kleinood ooit terug te bekomen, stond een

oogenblik in beraad, om naar het kamp terug te keeren. „Maar,” zeide hij

bij zich zelven, „hoe zal ik terugkeeren? Hoe kan ik in het donkere van

den nacht den weg vinden, dien ik al in den blinden heb doorloopen? Zal

ik niet verdwalen? En eindelijk, hoe zou ik voor de prinses Badoura

durven verschijnen, zonder haar den talisman terug te brengen?” Bij al

deze afschrikkende overwegingen, kwam nog zijne vermoeidheid, zoodat hij

het besluit nam, den nacht door te brengen onder den boom, waarop zich

de vogel had neêrgezet, altoos in de zwakke hoop, den volgenden dag

gelukkiger te zullen zijn. Ofschoon door honger en dorst gekweld, deed

de vermoeijenis van den dag hem weldra inslapen.

De prins Camaralzaman ontwaakte, voordat nog de vogel den boom had

verlaten, en zoodra deze opvloog, deed hij zijn uiterste best hem

te volgen en niet uit het oog te verliezen. De vogel maakte hem dit

gemakkelijk, door zich weder nu en dan neder te zetten, en hem van tijd

tot tijd in te wachten. Maar ook steeds was hij, als de prins nabijkwam,

dien te vlug af, en weder zocht hij zijn nachtverblijf op eene voor

Camaralzaman onbereikbare plaats. De prins had zich dien dag met wilde

wortelen en vruchten gevoed, die hij op zijnen weg vond, en legde zich

nogmaals onder een' boom te slapen.

Elf dagen lang hield de ondeugende vogel onzen edelen prins aldus bezig,

zonder dat deze van zijnen kant de vermoeijende en bijna hopelooze jagt

wilde opgeven. „Ik zal u dooden, en den talisman terug nemen,” zwoer hij

in zijnen toorn „al zou ik u ook vervolgen tot aan het einde der aarde.”

Maar de prins had goed zweren, de vogel stak den draak met hem en met

zijnen eed. Zij kwamen aan eene groote stad, door zeer hooge wallen

en muren omgeven. De vogel vloog daarover heen, maar Camaralzaman kon

ongelukkig niet vliegen. Wilde hij in de stad komen, dan moest hij de

poort gaan op zoeken. Daar stond de arme prins nu allertreurigst te

kijken, de vogel was uit zijn gezigt verdwenen, en met deze zijne hoop,

om den talisman van de prinses Badoura immer terug te zullen zien.

De ongelukkige zou nu wel gaarne zonder talisman naar zijne geliefde

prinses hebben willen terugkeeren, en inderdaad hij had voor zijne

onbetamelijke nieuwsgierigheid zwaar genoeg geboet. Zij zou een hart

van ijzer en staal moeten hebben om het hem niet gaarne te vergeven,

maar hoe zou hij het kamp terugvinden, en was misschien zijne geliefde

gemalin hem niet elders gaan zoeken. Vragen die makkelijker te doen,

dan te beantwoorden waren! Er bleef hem dus voor eerst niet anders over,

dan de stad binnen te gaan, daar zou hij ten minste menschen vinden. Zoo

denkende ging hij de poort binnen.

De stad lag aan zee en had ruime straten. Daarin dwaalde hij rond,

zonder een mensch te ontmoeten, want het was nog zeer vroeg in den

morgen, en ook de stedelingen daar schenen van lang slapen, of althans

van laat opstaan te houden. Eindelijk kwam hij aan de haven, en van daar

wandelde hij het strand langs, totdat hij aan een' tuin kwam, waarvan de

deur openstond. Hier moesten dus menschen op zijn; hij meldde zich aan.

De tuinman, een goede grijsaard, was druk aan den arbeid, doch het

hoofd oprigtende, en een' vreemdeling ziende, die, zooals zijn tulband

aanduidde, een Muzelman moest zijn, noodigde hij hem uit, ten spoedigste

binnen te komen, en de deur achter zich te sluiten.

Camaralzaman trad binnen, deed de deur digt, en op den tuinman afgaande,

vroeg hij hem niet zonder eenige verwondering, waarom hij hem die

voorzorg had doen nemen. „Omdat ik wel kan zien,” gaf den grijsaard ten

antwoord, „dat gij een vreemdeling en bovendien een Muzelman zijt;

terwijl deze stad grootendeels wordt bewoond door afgodendienaars,

waarvan de weinige Muzelmannen, die hier zijn, genoeg te lijden hebben.

Gij weet dit zeker niet, en hebt aan het vroege uur te danken, dat gij

nog geene onaangename ontmoeting gehad hebt. De afgodische inwoners

dezer plaats zijn anders dadelijk bij de hand, om, als een vreemdeling

en Muzelman in de stad komt, die niet met hunne boosaardigheid bekend

is, hem lagen te leggen. De profeet zij geloofd, dat hij u bij mij, en

dus op eene veilige schuilplaats heeft doen aanlanden.”

Camaralzaman bedankte den goeden grijsaard voor zijne edelmoedigheid om

hem eene schuilplaats te verleenen, waardoor hij tegen elke beleediging

van de booze inwoners dier stad beveiligd zou zijn. „Gij hebt mij niet

te bedanken,” zeide de tuinman, „wij zijn geloofsbroeders, en als

zoodanig ben ik verpligt u alle bescherming te verleenen, welke in mijn

vermogen is. Laat dus die pligtplegingen varen, en beschouw u als mijn'

gast. Ik zie, dat gij vermoeid zijt; gij zult wel eetlust hebben, kom

met mij!” Hij bragt hem in zijne kleine woning, en nadat Camaralzaman

goed gegeten had van de eenvoudige spijzen, die zijn gastheer hem

gulhartig voorzette, verzocht deze nu te mogen vernemen, hoe, en met

welk doel hij in deze stad was gekomen.

De prins, zeer ingenomen met zijnen gullen gastheer, verhaalde hem zijn

ongeluk, zonder iets te verzwijgen, en vroeg hem op zijne beurt, hoe

hij op de beste en spoedigste wijze naar de staten van zijn' vader zou

kunnen vertrekken. „Want,” vervolgde hij, „om na eene afwezigheid van

elf dagen, de prinses, van wie ik zoo ongelukkig verwijderd werd, te

willen opzoeken, zou eene dwaasheid zijn; waar zou ik haar vinden?

Misschien is zij wel van droefheid gestorven?” Bij deze treurige

gedachte kon hij zijne tranen niet bedwingen. De tuinman deelde hem

mede, dat men van de stad der toovenaars, waar hij zich thans bevond,

over land reizende een vol jaar noodig had om eene streek te bereiken,

waar een Muzelmansch vorst heerschte; doch dat hij over zee in veel

korter tijd naar het Ebbenhout eiland zou kunnen komen. „Van daar,”

sprak hij, „komt 's jaarlijks een schip hier om handel te drijven, en op

het Ebbenhout eiland zal het u niet aan scheepsgelegenheid ontbreken,

om naar de eilanden van de kinderen van Khaladan te vertrekken. Indien

gij,” voegde hij er bij, „eenige dagen vroeger waart gekomen, zoudt gij

met het schip van dit jaar hebben kunnen medegaan. Nu zult gij echter

moeten wachten tot eene volgende keer. Wilt gij het intusschen bij mij

voor lief nemen, zooals het is, dan staat mijne kleine woning, en wat

ik heb, om u voor te zetten, van ganscher harte tot uwen dienst.”

De prins Camaralzaman achtte zich gelukkig, eene veilige wijkplaats te

vinden in eene stad, waar hij niemand kende. Hij nam dus het aanbod met

dankbaarheid aan, en bleef bij den tuinman op het schip wachten, dat hem

naar het Ebbenhout eiland zou brengen. Des daags hield hij zich bezig

met in den tuin te werken, doch des nachts, wanneer niets hem afleiding

gaf, dacht hij veel aan zijne lieve prinses Badoura, en betreurde hun

ongelukkig noodlot. Wij zullen hem bij den tuinman laten, om terug te

komen op de prinses van China, welke wij slapende in hare tent

achterlieten.

Badoura sliep vrij lang, en toen zij eindelijk ontwaakte, was zij zeer

verwonderd, den prins Camaralzaman niet bij zich te vinden. Zij klapte

in de handen, en vroeg aan hare vrouwen, die dadelijk te voorschijn

kwamen, of zij den prins niet gezien hadden, en waar hij zich ophield.

De vrouwen verzekerden haar eenstemmig, dat zij den prins de tent hadden

zien binnengaan. Inmiddels nam de prinses haren gordel; maar dien om

willende doen, bemerkte zij, dat het kleine beursje open en de talisman

verdwenen was. Zij twijfelde niet, of Camaralzaman zou dien hebben

medegenomen om hem te bezien, en haar dan terug te brengen. Zoo wachtte

zij hem met groot ongeduld, tot dat de avond inviel. Zij kon niet

begrijpen, wat hem terug hield, en toen het geheel donker werd, maakte

zij zich ernstig ongerust. Driftig van inborst, kreeg nu de talisman

de schuld, zij verwenschte dat kleinood en de maker er van, en had

de eerbied haar niet teruggehouden, dan zou zij ook hare moeder, de

koningin, beschuldigd hebben, die haar dit zoo noodlottig geschenk had

gegeven. In hare wanhoop stelde zij als zeker, dat de talisman met het

verdwijnen van den prins in verband stond, maar op welke wijze, daarvan

kon zij zich geen begrip vormen. Hoe groot echter ook hare droefheid

was, zij verloor hare tegenwoordigheid van geest niet; maar nam een zoo

moedig besluit, als men naauwelijks van eene vrouw zou kunnen denken.

Behalve de prinses en hare vrouwen, wist niemand in het kamp iets van

de zonderlinge verdwijning van Camaralzaman; want allen hadden zich

reeds ter ruste begeven, en sliepen in hunne tenten. De prinses Badoura

vreesde, dat, werd zulks den volgenden dag bekend, zijn gevolg welligt

zou weigeren, haar te gehoorzamen en verder te trekken. Zij gebood dus

aan hare vrouwen, de zaak geheim te houden. Vervolgens legde zij hare

kleederen af, en trok een kleed aan van Camaralzaman, op wien zij zoo

zeer geleek, dat zijne bedienden, toen zij den volgende morgen aldus

vermomd te voorschijn kwam, haar zonder den minsten twijfel voor den

prins hielden. Zij gaf nu bevel de tenten op te breken, en de bagage op

de kameelen te laden. Toen alles gereed was, deed zij een harer vrouwen

in den draagzetel plaats nemen, die anders voor haar bestemd was, en

zelve te paard stijgende, zette zij de reis onmiddelijk voort.

De prinses Badoura wist haren rol zoo goed te spelen, dat haar geheim

door niemand vermoed, veel minder ontdekt werd. Na twee maanden reizens,

zoowel te land als te water, bereikte zij, zonder eenigen bijzonderen

tegenspoed, de hoofdstad van het Ebbenhout eiland. Zij liet eenigen der

bedienden aan wal gaan, om eene verblijfplaats voor haar te zoeken. Al

spoedig verbreidde zich de tijding, dat de prins Camaralzaman zich aan

boord van het schip bevond, dat zoo even de haven was binnengeloopen, en

dat hij hier eenige dagen van zijne langdurige reis dacht uit te rusten.

Dit gerucht drong ook weldra door tot in het paleis des konings.

De koning Armanos, die met Schahzaman sedert jaren in vrede en

vriendschap geleefd had, meende aan den zoon een blijk te moeten geven

van de achting, welke hij den vader toedroeg. Hij ging hem met vele

zijner hovelingen te gemoet, en kwam aan de haven, juist op het

oogenblik, dat de prinses aan wal stapte, om zich naar het verblijf te

begeven, dat voor haar bestemd was. De koning, die haar natuurlijk voor

den prins Camaralzaman hield, ontving haar met hartelijkheid, en nam

haar mede naar zijn paleis. Te vergeefs verzocht Badoura de vrijheid te

mogen hebben, om de door haar gehuurde woning te betrekken; de koning

stond er op, dat zij met haar gevolg in zijn paleis haar verblijf zou

houden, en de prinses kon dit niet afslaan, zonder hem te beleedigen.

De vorst deed den zoon van zijnen koninklijken vriend alle eer aan, en

onthaalde hem gedurende drie dagen met buitengewone pracht en luister.

Op den vierden dag gaf de gewaande prins Camaralzaman zijn voornemen

te kennen, om zich weder in te schepen, en de reis naar de eilanden van

de kinderen van Khaladan voort te zetten. De koning, getroffen door de

schoonheid en kunde van zijn' jeugdigen gast, kon echter moeijelijk

besluiten, hem te laten gaan. „Prins,” zeide hij, hem ter zeide nemende,

„op mijne hooge jaren bestaat er weinig hoop, dat ik nog lang zal leven.

Ik heb het verdriet geen' zoon te bezitten, aan wien ik mijne kroon kan

nalaten. De hemel heeft mij evenwel eene dochter geschonken van groote

schoonheid, en ik zou niet weten, aan wien ik haar beter zou kunnen

geven, dan aan een' prins, zoo volmaakt als gij zijt, die tevens met

haar in hooge geboorte gelijk staat. In plaats dus van aan uw vertrek te

denken, zoo ontvang haar van mijne hand met mijne kroon, waarvan ik ten

uwen gunste bereid ben afstand te doen; blijft bij ons. Het regeren valt

mij in mijnen ouderdom zwaar, en ik zal dit gaarne aan u overlaten, daar

ik weet, dat mijn volk in u een' waardigen opvolger zal vinden.”

Dit edelmoedige aanbod van den koning Armanos, om haar zijne eenige

dochter ten huwelijk te geven, verraste niet alleen de prinses Badoura,

maar bragt haar in groote verlegenheid, daar zij, zelve eene vrouw,

dit moeijelijk kon aannemen. Hem te zeggen, dat zij niet de prins

Camaralzaman maar zijne gade was, meende zij eene prinses onwaardig. Het

weigeren had ook veel tegen, want wie verzekerde haar, dat de koning,

zich daardoor gehoond achtende, zijne genegenheid niet in afkeer en haat

zou veranderen, te meer daar hij op dit huwelijk zeer gesteld scheen.

Daarenboven wist zij niet, of zij den prins Camaralzaman wel bij den

koning zijn' vader zou aantreffen.

Deze overweging, en die om aan den prins haren man, indien zij hem mogt

wedervinden, een nieuw koningrijk te geven, deden haar besluiten over

alle zwarigheden heen te stappen, en het aanbod van den koning Armanos

aan te nemen. „Sire,” sprak zij, terwijl een blos haar gelaat bedekte,

„ik ben uwer majesteit ten hoogste verpligt voor de goede meening,

welke zij omtrent mijn' persoon koestert, en voor de eer, welke zij mij

waardig keurt, die ik niet durf afwijzen, hoe weinig ik ze ook verdiend

heb. Maar Sire,” vervolgde zij, „ik kan eene zoo hooge verbindtenis,

waarbij de last der regering op mijne schouders drukken zal, niet

aannemen, dan onder voorwaarde, dat uwe majesteit mij met hare

raadgevingen ondersteunen, en ik niets doen zal, zonder daar op vooraf

hare goedkeuring verkregen te hebben.”

Het huwelijk, op deze wijze vastgesteld, zou, zoo verlangde het de

koning, reeds den volgenden dag voltrokken worden. De prinses Badoura

nam dezen tusschentijd te baat, om hare officieren, die haar steeds voor

den prins Camaralzaman hielden, van dit tweede huwelijk te onderrigten,

opdat zij zich daarover niet te veel zouden verwonderen. Zij sprak er

ook met hare vrouwen over, en beval haar nogmaals aan, haar geheim

vooral goed te bewaren.

De koning van het ebbenhout eiland, verblijd eenen schoonzoon te

krijgen, waarmede hij zoo zeer tevreden was, deed den volgenden morgen

zijnen raad bijeenkomen. Hij verscheen in die vergadering, vergezeld van

den prins Camaralzaman, en na zich op zijn' troon geplaatst te hebben,

verklaarde hij dezen prins tot zijn schoonzoon aan te nemen, en zijne

kroon aan hem af te staan; waarom hij alle raadsleden uitnoodigde om

hunnen nieuwen koning te erkennen en te huldigen. Vervolgens steeg hij

van den troon. Zoodra Badoura zich op den vorstelijken zetel geplaatst

had, ontving zij de gelukwenschen van alle daar tegenwoordig zijnde

rijksgrooten van het Ebbenhout eiland, die haar hulde kwamen bewijzen,

en den eed van getrouwheid aan hare voeten aflegden.

Toen de raad gesloten was, werd de huldiging van den nieuwen koning ook

in de stad op eene plegtige wijze afgekondigd, terwijl er naar alle

deelen des rijks koeriers werden gezonden, om de troonsbestijging van

den prins Camaralzaman overal bekend te maken. Bij deze gelegenheid

werden er in de hoofdstad en over het geheele eiland volksfeesten

aangerigt; er heerschte eene algemeene vreugde. Dien avond werd op het

paleis de bruiloft met veel pracht gevierd, en de prinses Haïatalnefous

(dus heette de dochter van den koning Armanos), meer dan vorstelijk

uitgedost, werd aan de prinses Badoura voorgesteld. Nadat de

huwelijksplegtigheden waren afgeloopen, liet men de jonggehuwden alleen.

Den volgenden dag ontving de prinses Badoura, onder den naam van

Camaralzaman en als koning van het Ebbenhout eiland, niet alleen de

hulde van het hof, maar zij hield eene wapenschouwing over de troepen,

en verrigtte nog vele andere zaken; alles met eene waardigheid en

bekwaamheid, waardoor zij de achting en goedkeuring van allen verwierf,

die er getuige van waren.

Zoo speelde Badoura gedurende eenige dagen haren zonderlingen rol.

Eindelijk echter verloor de prinses Haïatalnefous het geduld, en sprak

haar dus aan: „Ach!” zeide zij, „gij denkt dus voort te gaan en mij te

veronachtzamen! Zeg mij toch, ik smeek er u om, waarin ik u mishaag,

ik die u zoo zeer bemin, en mij zoo hoogst gelukkig acht, een' zoo

volmaakten prins tot gemaal te hebben. Eene andere vrouw, beleedigd, ja

verontwaardigd over zulk eene onverdiende en smadelijke behandeling, zou

eene schoone gelegenheid hebben, om zich te wreken, door u aan uw lot

over te laten; maar ik heb u zoo zeer lief, dat ik niet kan nalaten,

u te waarschuwen. De koning mijn vader is zeer verstoord over uwe

handelwijze, en wil slechts tot morgen wachten, om u, indien gij aldus

voortgaat, zijne rechtmatige gramschap te doen ondervinden. Bewijs mij

dus de gunst eene prinses niet tot wanhoop te brengen, die niet kan

ophouden u te beminnen.”

Deze aanspraak bragt de prinses Badoura in eene onbeschrijfelijke

verlegenheid. Zij kon aan de waarheid der mededeeling van Haïatalnefous

niet twijfelen; de koelheid waarvan de koning Armanos dien dag

jegens haar had doen blijken, overtuigde haar, dat hij werkelijk

hoogst ontevreden moest zijn. Het eenigste middel, om haar gedrag te

regtvaardigen, zou zijn, haar geheim aan Haïatalnefous te ontdekken.

Maar ofschoon zij wel voorzien had, dat het vroeger of later tot eene

dergelijke vertrouwelijke verklaring zou moeten komen, zag zij daar toch

zeer tegen op, en de onzekerheid, of de prinses zulks goed of kwalijk

zou opnemen, deed haar huiveren. Daarbij intusschen bedenkende, dat,

bevond de prins Camaralzaman zich nog in leven, hij, om naar de staten

van den koning Schahzaman terug te keeren, noodwendig het Ebbenhout

eiland moest aandoen, en zij zich voor hem moest sparen, besloot zij

eindelijk het waagstuk te ondernemen; liever dan zich aan den zekeren

toorn, en welligt aan de wraakzucht van koning Armanos bloot te stellen.

Haïatalnefous ziende dat de prinses Badoura geheel ontsteld was, en

dat zij te vergeefs op antwoord wachtte, werd eindelijk ongeduldig.

Juist wilde zij het woord weder opnemen, toen Badoura haar voorkwam.

„Beminnelijke en maar al te bekoorlijke prinses,” zeide zij, „ik heb

ongelijk, en ik veroordeel mij zelve. Echter durf ik op uwe vergiffenis

hopen, wanneer ik u een geheim ter mijner regtvaardiging mededeel.” Te

gelijker tijd ontblootte de prinses Badoura haren boezem. „Oordeel nu,

Haïatalnefous,” vervolgde zij, „of eene prinses aanspraak heeft op uw

medelijden. Ja, ik ben overtuigd, dat gij mij van ganscher harte zult

vergeven, indien ik u mijne geschiedenis zal hebben verhaald, en gij

bekend zult zijn met de droevige omstandigheden, waardoor ik gedwongen

werd, mij voor den prins Camaralzaman uit te geven.”

Toen de prinses Badoura haren geheelen levensloop aan de prinses van het

Ebbenhout eiland had verhaald, smeekte zij haar dringend, dit geheim

te bewaren, en zich te houden alsof zij werkelijk met haren man zeer

ingenomen was, tot tijd en wijle, dat de ware Camaralzaman zou komen.

„Prinses,” antwoordde Haïatalnefous, „het zou treurig zijn, indien

een huwelijk zoo gelukkig als het uwe, en voorafgegaan door eene zoo

zonderlinge liefdesgeschiedenis, van zoo korten duur ware! Ik wensch

dus met u, dat de Hemel u weldra weder zal te zamen brengen. Intusschen

kunt gij er gerust op zijn, dat ik het mij toevertrouwde geheim heilig

zal bewaren. Ik zal het groote genot smaken, de eenige te zijn in ons

gansche koningrijk, welke u kent voor degene, die gij zijt; terwijl

gij voort zult gaan met waardigheid te regeren. Ik vroeg u om liefde,

doch ik verklaar u thans hoogst gelukkig te zullen zijn, indien gij

mij uwe vriendschap wilt schenken.” Bij deze woorden omhelsden de

beide prinsessen elkander, en na vele betuigingen van wederkeerige

vriendschap, begaven zij zich ter ruste.

De koning Armanos was den volgenden morgen zeer verblijd van zijne

dochter te vernemen, dat de onverschilligheid van haren gewaanden man in

eene vurige liefde veranderd was, en de prinses Badoura ging ongestoord

voort den koninklijken scepter te voeren, tot groote tevredenheid van

den ouden vorst en van het geheele koningrijk.

Terwijl dit alles op het Ebbenhout eiland plaats vond, was Camaralzaman

nog steeds in de stad der afgodendienaars. Op een' vroegen morgen, dat

de prins als gewoonlijk aan den arbeid dacht te gaan, werd hij daarin

door den tuinman verhinderd. „De afgodendienaars,” zeide deze tot hem,

„hebben heden een groot feest; en daar zij zich dan van allen arbeid

onthouden, teneinde den dag met vermakelijkheden door te brengen, willen

zij ook niet, dat de Muzelmannen dan zullen werken. Wij zijn hier in

klein getal, en om den vrede te bewaren, wonen wij in den regel hunne

spelen als toeschouwers bij, die bovendien wel waardig zijn, om gezien

te worden. Gij kunt dus heden rustdag houden. Ik laat u hier, en ga

eenige van mijne vrienden bezoeken; ik doe dit hoofdzakelijk in uw

belang; want daar de tijd nadert, dat het schip, waarvan ik u gesproken

heb, de reis naar het Ebbenhout eiland moet doen, wil ik bij hen

berigten inwinnen, wanneer het onder zeil zal gaan, en tevens zal ik dan

zien eene schikking omtrent uwen overtogt te maken.” De tuinman trok

daarop zijn beste kleed aan, en ging uit.

De eenzaamheid en de werkeloosheid, waartoe de prins Camaralzaman dien

dag veroordeeld was, bragten hem de treurige herinneringen aan zijne

geliefde prinses met verdubbelde kracht voor den geest. Geheel in zich

zelven verdiept, ging hij in den tuin wandelen, en deed niets dan

steunen en zuchten, toen hij plotseling in zijne overdenkingen werd

gestoord, door het geschreeuw van twee vogels, die op een' der boomen in

den hof een geweldigen strijd voerden. Camaralzaman zag met bevreemding,

hoe deze vogels elkander met ongehoorde woede beten en met de vleugels

sloegen, totdat de eene dood aan den voet van den boom neder viel. De

overwinnaar hernam vervolgens zijne vlugt en verdween in het luchtruim.

Dadelijk daarop streken twee groote vogels, die het gevecht van verre

hadden aangezien, op de strijdplaats neder. De eene ging aan het hoofd,

de andere aan de pooten van den dooden vogel staan. Zij beschouwden hem

eenigen tijd, schudden met den kop ten teeken van droefheid, en maakten

toen met hunne klauwen een' kuil, waarin zij den doode begroeven. Zoodra

de beide vogels den kuil weder met aarde gevuld hadden, vlogen zij weg,

doch kwamen kort daarna terug, den moordenaar in den bek houdende,

de eene bij een' vleugel, de andere bij een' poot. Zij sleepten hem,

niettegenstaande zijn' tegenweer en zijn geschreeuw, op het graf van den

verslagene. Hier vielen beide vogels op den beangsten moordenaar aan, en

beten hem zoolang met hunne snavels, tot er geen teeken van leven meer

in te bespeuren was. Ten laatste scheurden zij hem den buik open, rukten

er de ingewanden uit, en lieten hem zoo op de plaats liggen.

Gedurende dit alles bleef Camaralzaman buiten zich zelven van

verwondering staan, zonder de minste beweging te maken, teneinde de

vogels in hunne wonderbare regtspleging niet te storen. Eerst toen zij

zich verwijderd hadden, naderde hij den boom, waar dit zonderlinge

voorval had plaats gegrepen, en de oogen latende vallen op de hier en

daar op den grond verspreide ingewanden van den teregtgestelden vogel,

zag hij uit de maag iets roods steken. Hij nam die op en het roode

voorwerp uithalende, herkende hij dit als de talisman van de prinses

Badoura, die aan den prins, sedert de vogel ze hem ontroofde, reeds zoo

vele moeiten, zuchten en tranen gekost had. „Ha, booze vogel!” riep hij,

een' blik op den verscheurden roover werpende, „gij leefdet om kwaad

te doen; dat was uw lust en uw leven. Maar zoo veel kwaad als gij mij

berokkend hebt, zoo veel goeds wensch ik hun toe, die, door den dood

van hun' makker te wreken, ook mij aan u gewroken hebben!”

Het is niet mogelijk de blijdschap van den prins naar waarheid te

schetsen. „Geliefde prinses,” juichte hij, „dit gelukkige oogenblik,

dat mij terugschenkt hetgeen u zoo dierbaar was, is zonder twijfel het

voorteeken, dat ik ook u terug zal vinden, en welligt spoediger, dan

ik durf denken! De Hemel zij geloofd, die mij dit geluk toezendt, en

daardoor de hoop, u terug te zien, in mijn hart doet herleven.” Na het

uitspreken dezer woorden kuste Camaralzaman den talisman, en bond hem

zorgvuldig om zijnen arm. Den volgenden morgen, met het aanbreken van

den dag, stond hij na een' gerusten slaap, zooals hij in langen tijd

niet genoten had, vrolijk op, en trok zijn werkpak aan, om op verzoek

van den tuinman een' ouden boom, die geene vruchten meer voortbragt, te

gaan uitroeijen.

Camaralzaman begaf zich met spade en bijl dadelijk aan het werk. Eerst

groef hij de aarde van de wortels af, en toen de bijl ter hand nemende,

begon hij die met ijver af te kappen. Door een' der wortels heen

hakkende, raakte hij met zijne bijl op iets hards, dat een' hollen klank

gaf, en toen de aarde wegruimende ontdekte hij eene groote bronzen

plaat, waaronder zich, dien opligtende, een trap bevond van tien treden.

Hij klom dadelijk naar beneden, en kwam in een' kelder van twee of drie

vierkante roeden, waarin hij langs de muren op rijen geschaard vijftig

bronzen vazen telde. Hij nam er de deksels af, en bespeurde nu, dat

allen tot aan den rand met stofgoud gevuld waren. Verblijd over de

ontdekking van zulk een' grooten schat, klom hij weder naar boven,

legde de plaat op de opening van den trap, en ging voort den boom uit

te graven, in afwachting, dat de tuinman te huis zou komen. Deze had

namelijk den vorigen dag vernomen, dat het schip naar het Ebbenhout

eiland binnen weinige dagen zou uitzeilen, maar den juisten dag wist

men hem niet te zeggen; daarom was hij thans naar den kapitein van het

schip gegaan. Hij kwam terug met een gelaat, waarop de vreugde te lezen

stond. „Mijn zoon,” zeide hij, „verheug u, en maak u gereed, om over

drie dagen de reis te aanvaarden; het schip zal dan uitzeilen, en ik

ben het met den kapitein omtrent uw verblijf aan boord en omtrent uwen

overtogt eens geworden.” „Gij zoudt mij,” antwoordde Camaralzaman, „in

mijnen toestand geene aangenamer tijding kunnen brengen. Maar ook ik heb

u een nieuws mede te deelen, dat u verblijden zal. Ga even met mij, en

gij zult zien, hoe gunstig de Hemel over u beschikt heeft.”

Camaralzaman bragt den tuinman naar de plaats, waar hij den ouden boom

had uitgeroeid, deed hem in den kelder afdalen, liet hem de met stofgoud

gevulde vazen zien, en betuigde zijne blijdschap, dat het Allah behaagd

had, hem voor zijn deugdzaam en werkzaam leven in zijnen ouderdom met

dezen schat te beloonen. „Wat meent gij daarmede?” vroeg de tuinman.

„Gelooft gij dan, dat ik mij dezen schat zou willen toeëigenen, dan

bedriegt gij u; ik maak daar niet de minste aanspraak op, hij behoort

geheel aan u. Het is nu tachtig jaren geleden, dat mijn vader gestorven

is; sinds dien tijd heb ik dagelijks in dezen tuin gegraven, zonder

dezen rijkdom te ontdekken, een bewijs dat hij niet voor mij maar voor u

bestemd is, daar Allah hem u heeft doen vinden. Zoo iets voegt ook beter

aan een' prins gelijk gij, dan aan mij ouden man, die reeds aan den rand

van het graf staat, en aan niets behoefte heeft. Allah zendt u dien toe

op het tijdstip, dat gij op het punt zijt, om naar uwe staten terug te

keeren, waar gij van dit geld een goed gebruik zult kunnen maken.”

De prins Camaralzaman wilde echter voor den tuinman in edelmoedigheid

niet onder doen. Er werd in dien zin lang getwist, totdat hij ten

laatste betuigde, niets van den schat te willen hebben, indien zijn

weldoener niet de helft voor zich behield. De tuinman gaf eindelijk

toe, en ieder nam nu vijf en twintig vazen voor zijn aandeel. Na deze

verdeeling zeide de tuinman tot Camaralzaman: „Mijn zoon, het zal nu

eene zaak van overleg zijn, deze rijkdommen aan boord van het schip te

brengen, zonder dat iemand daar kennis van draagt, anders loopt gij

groot gevaar ze te verliezen. Hoor dus, wat ik bedacht heb. Op het

Ebbenhout eiland groeijen geene olijven, en die daar van hier worden

aangevoerd, vinden er een' grooten aftrek. Zooals gij weet, heb ik in

mijn' tuin van die vruchten een' goeden voorraad; nu moet gij vijftig

potten nemen, en die van onder met stofgoud, en verder met olijven

vullen; dan kunnen wij ze bij uw vertrek aan boord laten brengen, zonder

dat iemand eenig vermoeden zal hebben van den rijkdom, welke daarin

verborgen is.”

Camaralzaman volgde dezen verstandigen raad, en bragt het overige van

den dag door, met de potten op de bedoelde wijze in gereedheid te

brengen. Vreezende, dat hij den talisman van de prinses Badoura, dien

hij om zijn' arm droeg, soms mogt verliezen, gebruikte hij de voorzorg

dien in een der potten te leggen, aan welke hij een herkenningsteeken

maakte. Toen de avond viel, rangschikte hij de potten neven elkander,

en verhaalde zijn' vriend het vogelgevecht, waarvan hij getuige was

geweest, en hoe hij bij die gelegenheid den talisman van zijne gemalin

had terug gekregen. De tuinman zag hierin eene beschikking des Hemels,

en nam hartelijk deel in de blijdschap van den prins.

Intusschen bragt de oude man, hetzij dat hij zich dien dag wat veel

vermoeid had, of als een gevolg zijner hooge jaren, een' slechten nacht

door; en des morgens gevoelde hij zich zoo ongesteld, dat hij het bed

moest houden. Welke middelen Camaralzaman ook aanwendde, zijn vriend

werd steeds zieker, en toen op den derden dag de kapitein, met wien de

prins zou vertrekken, aan de tuindeur klopte, was hij zeer bedenkelijk.

Camaralzaman maakte zich aan den kapitein bekend, als de koopman, die

zich op zijn schip wilde inschepen, en terwijl nu de matrozen, welke de

kapitein had medegebragt, zich bezig hielden, de potten en goederen van

den gewaanden koopman aan boord te brengen, spoorde de kapitein hem aan,

zich met den meesten spoed naar het schip te begeven, daar de wind

gunstig was, en men ieder oogenblik onder zeil kon gaan.

Het was voor Camaralzaman een harde strijd zijn' ouden vriend en

weldoener ziek te moeten verlaten, maar de onmogelijkheid, om het schip

nog eenige dagen te doen wachten, dwong hem van den tuinman afscheid te

nemen en hem dank te zeggen voor al het goede, dat hij hem had bewezen.

Het vertrek binnentredende, vond hij zijn' vriend stervende, die weinige

oogenblikken later in zijne armen den geest gaf.

In de noodzakelijkheid, waarin de prins verkeerde, om naar boord te

gaan, haastte hij zich zoo veel mogelijk, aan den overledene de laatste

eer te bewijzen. Hij wiesch het ligchaam, wond het in een laken, en

bestelde zijn' vriend geheel alleen ter aarde. Vervolgens spoedde hij

zich heen, en nam den sleutel van de tuindeur mede, om dien aan den

eigenaar te overhandigen, of door een' drager te laten bezorgen. Maar

aan de haven komende, vernam hij, dat de kapitein, reeds lang geleden

was uitgezeild, na meer dan drie uur op hem gewacht te hebben.

Er was van het schip niets meer te zien, en men kan ligt denken, hoe

de prins daarbij te moede was. Hij zou nu weder een geheel jaar in een

land moeten blijven, waar hij geen' enkelen vriend had, vóór dat de

gelegenheid, die hij nu verzuimd had, zich weder zou voordoen. En wat

hem niet minder griefde, was, dat hij den talisman der prinses Badoura

kwijt was, dien hij nu geheel voor verloren hield. Er bleef hem echter

niet anders over, dan naar den tuin terug te keeren, en dien van den

eigenaar weder voor een jaar in te huren. Zoo deed hij, doch daar hij

het werk alleen niet af kon, nam hij een' jongen in zijn dienst, die

hem behulpzaam was, en die de vruchten ter markt bracht. Wel was hij

door den dood van den tuinman, die geene betrekkingen achterliet, de

natuurlijke erfgenaam van de nog achtergebleven vijf en twintig vazen

met stofgoud, maar hij vond het niet raadzaam in deze afgodische stad

van zijn' rijkdom te doen blijken. Integendeel handelde hij hiermede als

vroeger, en deed het stofgoud in vijftig potten, die hij van tijd tot

tijd met olijven aanvulde, teneinde een volgend jaar gereed te zijn.

Terwijl de prins Camaralzaman een nieuw tijdvak van zorg en ongeduld

inging, vervolgde het schip de reis met een' gunstigen wind, en kwam

behouden voor de hoofdstad van het Ebbenhout eiland. Daar het paleis

van den nieuwen koning, of liever van de prinses Badoura op eene

landtong aan het zeestrand was gelegen, liet zij dadelijk, als naar

gewoonte, inlichtingen omtrent hetzelve inwinnen. Men berigtte haar,

dat dit vaartuig jaarlijks om dezen tijd daar kwam uit de stad der

afgodendienaars, en in den regel eene rijke lading koopmansgoederen

medebragt.

De prinses was bij al den glans, die haar omgaf, steeds aan haren

geliefden prins gedachtig. Onder voorwendsel in persoon te willen

nagaan, welke goederen zich aan boord van het pas aangekomen schip

bevonden, maar met het eigentlijke doel, om te zien, of Camaralzaman

zich ook daarop bevond, liet zij een paard voorbrengen. Vergezeld door

een groot gevolg begaf zij zich naar de haven, en kwam daar juist op het

oogenblik, dat de kapitein zich met de sloep aan wal liet zetten. Zij

deed hem bij zich komen, en verlangde van hem te weten, van waar hij

kwam, wanneer hij was uitgezeild, of hij op zijne reis bijzondere

ontmoetingen had gehad, of er niet een vreemdeling van hoogen rang

aan boord was, en vooral met welke goederen zijn schip was geladen.

De kapitein beantwoordde al hare vragen. Wat de passagiers aanging, zoo

verzekerde hij niemand aan boord te hebben dan de kooplieden, die elk

jaar de reis met hem deden, en die zeer rijke stoffen uit verschillende

landen bij zich hadden, onder anderen ook veel muskus, kamfer, amber,

fijne specerijen, geneeskundige kruiden en olijven.

De prinses Badoura was eene groote liefhebster van olijven. Zoodra

hij daarvan sprak, zeide zij tot den kapitein: „Wat gij daarvan aan

boord hebt, neem ik; laat ze dadelijk aan wal brengen, opdat wij den

prijs kunnen vaststellen. Zeg verder aan de kooplieden, dat zij mij

hunne schoonste en kostbaarste goederen moeten brengen, alvorens die

aan iemand te laten zien.” „Sire,” antwoordde de kapitein, die haar

natuurlijk voor den koning van het Ebbenhout eiland aanzag, „van de

olijven heb ik vijftig groote potten aan boord, maar zij behooren aan

een' koopman, die achtergebleven is. Ik zelf heb hem gewaarschuwd, en

lang op hem gewacht. Doch daar hij niet kwam opdagen, en de wind gunstig

was, verloor ik het geduld, en ging zonder hem onder zeil.” „Daarom kunt

gij de olijven wel ontschepen,” zeide de prinses, „want hetgeen gij mij

daar zegt, moet u niet terughouden, die te verkoopen.”

De kapitein zond nu dadelijk zijne sloep naar het schip, en deze kwam

weldra terug, beladen met de vijftig potten vol olijven. De prinses

vroeg hem, wat deze op het Ebbenhout eiland konden gelden. „Sire,”

antwoordde de kapitein, „de koopman is zeer arm, en uwe majesteit zal

hem geene te groote gunst bewijzen, met daarvoor duizend stukken zilver

te geven.” „Opdat hij tevreden zij,” hernam de prinses, „en zijne

armoede, waarop gij u beroept, in aanmerking nemende, zal men u duizend

stukken goud uittellen, die gij zorgen moet, dat hem ter hand komen.”

Zij gaf vervolgens last tot de uitbetaling, en liet de potten in hare

tegenwoordigheid naar het paleis overbrengen. Daar het reeds avond

werd, begaf Badoura zich onmiddelijk naar de vertrekken van de prinses

Haïatalnefous, waar zij ook de potten met olijven brengen liet. Zij

maakte eene derzelve open, om hare vriendin van de olijven te laten

proeven, en daar ook zelve gebruik van te maken. Doch hoe groot was hare

verwondering, toen zij zag, dat deze vruchten met stofgoud vermengd,

en daaronder als bedolven waren. Zij deed nu ook de andere potten door

de vrouwen van Haïatalnefous uitschudden, en hare verbazing steeg ten

top, toen het bleek, dat deze allen, gelijk de eerste, voor een groot

deel met stofgoud gevuld waren. Maar toen men de pot ledigde, waarin

Camaralzaman den talisman gelegd had, en zij dien herkende, was hare

verrassing zoo groot, dat zij bewusteloos nederzeeg.

Door de bemoeijingen van de prinses Haïatalnefous en van hare vrouwen na

eenigen tijd weder tot zich zelve gekomen, bragt Badoura den talisman

aan hare lippen, en kuste dien bij herhaling met geestdrift. Zoodra

de vrouwen van de prinses zich verwijderd hadden, deelde zij aan

Haïatalnefous mede, dat de teruggevonden talisman de hare was, en dat

zij nu ook de hoop koesterde, haren geliefden echtgenoot spoedig te

zullen terugzien.

De volgende morgen was naauwelijks aangebroken, of de prinses Badoura

liet den scheepskapitein bij zich ontbieden. Zoodra hij voor haar

verscheen, zeide zij: „Ik zou nog wel iets meer van u willen weten

omtrent den koopman, aan wien de olijven behoorden, die ik gisteren van

u gekocht heb. Gij hebt, als ik mij wel herinner, gezegd, dat gij hem in

de stad der afgodendienaars achtergelaten hebt. Kunt gij mij ook zeggen,

wat hij daar uitrigtte?”

„Sire,” antwoordde de kapitein, „ik zal uwe majesteit zeggen, wat ik

daarvan met zekerheid weet. Ik had omtrent zijne inscheping eene

overeenkomst getroffen met een' hoogbejaarden tuinman, die mij zeide,

dat hij bij hem werkzaam was. Daaruit besloot ik tot zijne armoede,

gelijk ik ook de vrijheid nam aan uwe majesteit te kennen te geven.

Ik ben in persoon naar den tuin gegaan, om hem te zeggen, dat de tijd

daar was, om aan boord te komen, en heb met hem zelven gesproken. Hij

antwoordde mij, dat de tuinman ziek was, dat hij afscheid van hem wilde

nemen, en dat ik zijne goederen maar aan boord moest brengen, daar hij

mij dadelijk zou volgen. Eerst na meer dan drie uren te vergeefs op hem

te hebben gewacht, ben ik onder zeil gegaan.”

„Als dit alles zoo is,” hernam de prinses Badoura, „dan moet gij

heden nog naar de stad der afgodendienaars terug keeren, en mij dien

tuinmansjongen, die mijn schuldenaar is, hier brengen; zoo niet, dan

zal ik al uwe goederen, benevens die van de kooplieden, welke bij u aan

boord zijn, in beslag doen nemen, en hebt gij zelfs voor uw leven te

vreezen. Reeds dadelijk zal ik de magazijnen, waarin die goederen zijn

opgeslagen, laten verzegelen, en dat zegel zal niet worden opgeheven,

vóór dat gij mij den man, dien ik van u eisch, zult hebben uitgeleverd.

Ziedaar, wat ik u te zeggen had; ga nu, en doe zooals u bevolen is.”

De kapitein had op dit strenge bevel, waarvan de niet nakoming de

noodlottigste gevolgen kon hebben, niets te antwoorden. De kooplieden

zagen dat evenzeer in, en zij beijverden zich, hem van levensmiddelen en

water te voorzien, waaraan hij voor deze gedwongen en geheel onverwachte

heen- en terugreis behoefte had. Met een en ander werd zoo veel spoed

gemaakt, dat hij werkelijk nog dien zelfden dag kon uitzeilen.

Het schip maakte eene gelukkige reis, en de kapitein had zijne

maatregelen zoo genomen, dat hij in den nacht voor de stad der

afgodendienaars aankwam. Hij liet het anker niet vallen; maar terwijl

het schip op de zelfde hoogte bleef kruisen, ging de kapitein met de

sloep, niet ver van de haven, aan land, en begaf zich van daar met zes

sterke matrozen naar den tuin van Camaralzaman. De prins-tuinman lag op

dat oogenblik wakende te bed. Het bedroefde hem zoo zeer voortdurend

van zijne geliefde gade gescheiden te moeten zijn, dat hij geen

oog kon sluiten. Hij verwenschte het oogenblik, dat hij zich door

nieuwsgierigheid had laten verleiden, den gordel van zijne vrouw in

handen te nemen en te bezigtigen. Ook het tweede verlies van haren

talisman kon hij zich zelven niet vergeven. „Had ik hem maar aan den

arm gehouden, of op mijn hart bewaard!” zuchtte hij, en was aldus in

treurige overdenkingen verdiept, toen er op de tuindeur geklopt werd.

Camaralzaman sprong verschrikt het bed uit, en liep half gekleed naar

voren, om te vernemen, wat er te doen mogt zijn. Doch naauwelijks had

hij de deur geopend, of de kapitein en de matrozen grepen hem aan, en

bragten hem, zonder een woord te zeggen, met geweld in de sloep, en

vervolgens op het schip, dat onmiddelijk de terugreis naar het Ebbenhout

eiland aannam.

Camaralzaman, die tot dus verre het stilzwijgen bewaard had, vroeg thans

aan den kapitein, dien hij herkende, wat de reden mogt zijn, om hem zoo

gewelddadig uit zijne woning te halen en aan boord te brengen. „Zijt gij

niet een schuldenaar van den koning van het Ebbenhout eiland?” vroeg

de kapitein op zijne beurt. „Ik de schuldenaar van den koning van het

Ebbenhout eiland!” riep Camaralzaman in de hoogste verbazing. „Ik ken

hem niet; nooit heb ik iets met dien koning te doen gehad, en dit maal

zal de eerste keer zijn, dat ik in zijn rijk kom.” „Dat zijn zaken, die

u beter bekend moeten zijn, dan mij,” hernam de kapitein, „gij zult hem

zelven zien en spreken, en moet dan maar weten, hoe u te verantwoorden.

Wees zoo lang geduldig, en schik u in uw lot, dat is de beste raad, dien

ik u geven kan.”

De overtogt was ook thans weder zeer voorspoedig. Hoewel het reeds laat

op den avond was, toen het schip de haven van de hoofdstad van het

Ebbenhout eiland binnenliep, ging de kapitein echter dadelijk aan wal

met den prins Camaralzaman, en naar het paleis, waar hij zich bij den

koning liet aandienen.

De prinses Badoura had zich op dien tijd reeds in het binnenste van haar

paleis teruggetrokken, maar zoodra zij vernam, dat de kapitein met den

tuinmansknecht terug was, ging zij naar buiten, om hem te ontvangen.

Dadelijk vestigde zij haren blik op Camaralzaman, in wien zij met den

eersten oogopslag, niettegenstaande zijne vreemde kleeding, haren

geliefden echtgenoot herkende. Wat den prins betrof, beangst om voor

een' koning te verschijnen, aan wien hij zich wegens eene ingebeelde

schuld zou hebben te verantwoorden, dacht hij er zelfs niet aan, dat

deze vorst zijne geliefde prinses zou kunnen zijn. Indien Badoura aan

de inspraak van haar hart gehoor had gegeven, zij zou zich dadelijk

bekend gemaakt en Camaralzaman omhelsd hebben; maar zij bedwong zich,

geloovende dat het in hun beider belang noodig was, nog eenigen tijd

haren rol van koning te blijven spelen, alvorens zich bekend te maken.

Zij vergenoegde zich daarom aan een' harer daar tegenwoordig zijnde

officieren last te geven, Camaralzaman mede naar zijne woning te nemen,

en tot den volgenden morgen goede zorg voor hem te dragen. Vervolgens

gaf zij bevel, om de pakhuizen der kooplieden te doen ontzegelen,

terwijl de kapitein een' diamant van hooge waarde ten geschenke ontving,

waardoor hem zijne moeite en de kosten van de reis tiendubbel vergoed

werden. Ook zeide zij hem, dat hij de duizend goudstukken, die zij voor

de olijven had betaald, kon behouden, daar zij dit bij den koopman

wel verantwoorden zou. Dus rijk beloond en zeer tevreden over deze

vorstelijke milddadigheid, vertrok de kapitein van daar.

Badoura keerde nu naar het vertrek van de prinses Haïatalnefous terug,

aan wie zij hare blijdschap mededeelde, met verzoek haar geheim

voorloopig nog te willen bewaren, daar zij het niet verstandig

oordeelde, hare vermomming reeds dadelijk af te leggen. „Het verschil

toch,” sprak zij, „tusschen een' tuinmansknecht en een' magtigen prins,

zooals mijn gemaal met regt kan genoemd worden, is te groot, om geloof

te vinden, en het zou gevaarlijk zijn, Camaralzaman op éénmaal uit dien

lagen stand op den troon te willen verheffen.” De prinses van het

Ebbenhout eiland was het geheel met hare vriendin eens, en toonde zich

gaarne bereid haar de behulpzame hand te bieden.

Den volgenden morgen deed de prinses van China den prins Camaralzaman in

het bad brengen, en hem een kleed geven, zooals door de emirs gedragen

werd. Vervolgens liet zij hem naar de raadzaal geleiden, waar al de

tegenwoordig zijnde rijksgrooten door zijn edel en vorstelijk voorkomen

getroffen werden. Badoura zelve was opgetogen haren geliefden prins nog

even beminnelijk voor zich te zien verschijnen, als op het oogenblik,

toen zij van elkander gescheiden waren geworden, en dit spoorde haar

aan, in den vollen raad eene lofrede op hem te houden. „Mijne heeren,”

sprak zij, zich tot de overige emirs rigtende, „deze prins, dien ik

u heden tot ambtgenoot geef, is niet onwaardig zitting onder u te

nemen. Ik ken hem genoegzaam, om voor hem in te staan, en ik geef

u de verzekering, dat hij zich ook bij u gunstig zal doen kennen,

zooveel door zijne dapperheid en andere edele hoedanigheden, als door

zijn uitstekend verstand.” Camaralzaman was niet weinig verwonderd,

dergelijke woorden te hooren uit den mond van den koning van het

Ebbenhout eiland, in wien hij geenszins eene vrouw, en nog veel minder

zijne aangebeden prinses vermoedde. „Van waar kent mij die koning?”

dacht hij; „ik herinner mij niet, hem ooit ontmoet te hebben, noch hier,

noch op mijne reizen. En wat beweegt hem, mijn' lof dus hoog uit te

meten?” Daarna wierp hij zich voor den troon des konings neder, en sprak

hem aldus aan: „Sire, ik kan geene woorden vinden, om uwe majesteit

mijnen dank te betuigen voor de goedheid, welke zij voor mij heeft, en

voor de eer, die zij mij aandoet. Ik zal echter alles aanwenden, om mij

de gunstige gezindheid uwer majesteit waardig te maken.”

Zoodra de raadsvergadering gesloten was, werd de nieuwe emir door den

officier, bij wien hij den nacht had doorgebragt, naar een prachtig

paleis geleid, dat de prinses Badoura voor hem in gereedheid had doen

brengen. Hij vond daar ook de officieren en bedienden, tot den dienst

van zijn huis bestemd, in één woord alles, wat bij zijn' stand als emir

voegde.

Na verloop van twee of drie dagen was Badoura er op bedacht, den prins

Camaralzaman meer de gelegenheid te geven, om met haar in aanraking te

komen, en benoemde hem daarom tot groot-schatbewaarder, welk ambt juist

open was gekomen. Hij kweet zich van zijn' post met zoo veel ijver en

schranderheid, en wist tevens een ieder zoodanig te verpligten, dat hij

zich niet alleen de vriendschap verwierf van het hof, maar tevens door

zijne regtvaardigheid en milddadigheid de liefde won van het geheele

volk. Niemand vond reden, om zich over den nieuwen schatmeester te

beklagen, en er ging eene algemene stem tot zijn' lof op.

De prins Camaralzaman zou zich in dien toestand als de gelukkigste van

alle stervelingen hebben beschouwd, indien hij zijne geliefde prinses

had mogen bezitten. Maar te midden van zijn geluk, hield hij niet op

zich te bedroeven, dat hij niet het minste van haar of van haar lot kon

te weten komen, en dit in een land, waar zij zich waarschijnlijk, sedert

hunne treurige scheiding, gedurende korteren of langeren tijd moest

hebben opgehouden, althans indien zij, zooals hij vermoedde, de reis

naar de staten van zijn' vader had voortgezet. Hij zou welligt iets van

de waarheid vernomen hebben, indien de prinses Badoura den naam van

Camaralzaman, dien zij te gelijk met zijne kleeding had aangenomen, was

blijven voeren; maar zij had zich sedert hare troonsbestijging Armanos

laten noemen, teneinde daardoor aan den ouden koning genoegen te geven.

En mogten er nog eenige hovelingen zijn, bij wien haar andere naam in

herinnering was gebleven, in het algemeen kende men haar niet anders

meer, dan onder dien van Armanos den jonge.

Daar Badoura toch beducht was, dat haar vorige naam, bij toeval ter

ooren van den prins mogt komen, en dit tot eene ontdekking zou kunnen

leiden, terwijl zij zich de eer en het vermaak der verrassing niet wilde

laten ontnemen, zoo besloot zij, in overleg met Haïatalnefous, een einde

te maken aan hare eigene kwellingen, en aan het verdriet, dat zij bij

den prins, wegens haar gemis, had opgemerkt. „Camaralzaman,” zeide zij,

„ik heb u over eene zaak te spreken, waaromtrent ik uwen raad wenschte

in te winnen. Bij dag ontbreekt mij daartoe den tijd, zorg dus met den

avond hier te zijn, en zeg uwe bedienden, dat zij u niet behoeven te

wachten; ik zal zorg dragen, dat er een bed voor u gereed is.”

De prins bleef niet in gebreke, zich op het door de prinses Badoura

bepaalde tijdstip aan de vorstelijke woning te vervoegen. Zij nam

hem met zich naar de binnenste vertrekken van het paleis, en bragt

den schatmeester in eene andere kamer, dan die, waar de prinses

Haïatalnefous zich bevond, en waar zij anders gewoon was te slapen.

Nadat zij de deur gesloten had, haalde de prinses Badoura haren talisman

te voorschijn, en dezen aan den prins toonende, zeide zij tot hem:

„Camaralzaman, voor geruimen tijd gaf een sterrekijker mij dezen

talisman ten geschenke, en daar gij in duizenderlei zaken ervaren zijt,

zult gij mij welligt weten te zeggen, waarin zijne kracht bestaat, en

welk gebruik ik daarvan kan maken.” Camaralzaman nam den talisman, en

hield dien tegen het licht van eene der waskaarsen, om hem naauwkeurig

te bezien. Zoodra hij dien echter herkende, riep hij: „Sire, uwe

majesteit vraagt mij, welke eigenschap deze talisman bezit? Helaas! hij

heeft die, om mij van verdriet te doen sterven, indien ik niet spoedig

de bekoorlijkste en beminnelijkste prinses, die ooit door de zon

beschenen werd, terugvind. Hij behoort haar, en de omstandigheden,

waardoor ik dezelve verloor, zijn zoo zonderling, dat indien ik ze uwer

majesteit mag verhalen, zij met mededoogen zal nederzien op een' man,

zoo ongelukkig als ik ben.”

„Gij kunt mij dat op eenen anderen tijd mededeelen,” hernam de prinses,

„want ik weet daar reeds het een en ander van. Ik ben dadelijk terug,

wacht mij hier een oogenblik!”

Dit zeggende ging zij in een aangrenzend kabinet, legde hier den

koninklijken tulband af, trok in haast vrouwenkleêren aan, en trad

zoo de kamer weêr binnen. Camaralzaman herkende thans zijne geliefde

prinses onmiddelijk, liep naar haar toe, omhelsde haar met teederheid,

en riep uit: „O! hoezeer ben ik den koning dankbaar voor deze zoo hoogst

aangename verrassing!” „Reken er niet op,” zeide de prinses, hem op hare

beurt omarmende, „den koning immer terug te zullen zien; mij ziende,

ziet gij tevens den koning. Laat ons plaats nemen, opdat ik u dit

raadsel oplos.”

Zij zetten zich neder, en de prinses Badoura verhaalde nu haren

geliefden echtgenoot, hoe zij, toen hij uit het kamp vermist was, en zij

te vergeefs op zijne terugkomst gewacht had, het besluit had genomen,

zich voor hem te doen doorgaan, en zoo de reis voort te zetten naar de

eilanden van de kinderen van Khaladan. Hoe zij verder het Ebbenhout

eiland aandoende, daar door den koning Armanos teruggehouden, en in de

verpligting gebragt werd, om met de prinses Haïatalnefous te huwen, en

als koning het rijk te besturen. Zij schilderde hem daarbij al de goede

hoedanigheden van de prinses Haïatalnefous met levendige kleuren af, en

deed haar edelmoedig gedrag uitkomen, toen zij zich genoodzaakt zag, die

prinses met haar geheim bekend te maken. Zij deelde hem ook mede, hoe

ontroerd zij was geweest, toen zij in eene der potten met stofgoud en

olijven, haren talisman terugvond, en hoe deze aanleiding had gegeven,

dat zij met des prinsen verblijf in de stad der afgodendienaars bekend

werd, waarop zij den kapitein gelast had, hem zonder verwijl van daar te

gaan halen en bij haar te brengen. Hier eindigde de prinses Badoura haar

verslag, en verlangde nu op hare beurt van den prins te vernemen, door

welk toeval de talisman aanleiding had kunnen geven tot hunne scheiding.

Hij voldeed aan hare begeerte, waarna zij, daar het reeds laat was, zich

ter ruste begaven.

Prinses Badoura en prins Camaralzaman stonden den volgenden morgen

vroegtijdig op. De prinses trok thans een vrouwengewaad aan, en zond,

zoodra zij gekleed was, den opperste der gesnedenen tot den ouden koning

Armanos, haren schoonvader, om hem te verzoeken, haar met een bezoek te

vereeren. Koning Armanos verscheen reeds spoedig, maar was ten hoogste

verwonderd, niet den jongen koning, maar eene hem onbekende dame, en den

groot-schatmeester aan te treffen, te meer daar het aan niemand, zelfs

niet aan de eerste staatsdienaars geoorloofd was, in het binnenste van

het paleis te komen. Plaats nemende, vroeg hij dan ook, waar de koning

zich bevond.

„Sire,” antwoordde de prinses, „gisteren was ik koning, en heden ben

ik niets meer dan de prinses van China, de gemalin van den waren prins

Camaralzaman, zoon van den koning Schahzaman. Indien uwe majesteit zich

het geduld wil geven, onzer beider geschiedenis aan te hooren, zoo

durf ik hopen, dat zij mij niet zal veroordeelen over de onschuldige

misleiding, waartoe ik genoopt werd.” Koning Armanos verleende haar

gehoor, en van het begin tot het einde luisterde hij met aandacht toe.

„Sire,” ging de prinses voort, toen haar verhaal ten einde was, „hoewel

de vrouwen in mijn geboorteland over het algemeen geen groot behagen

scheppen in de vrijheid, die de mannen hebben, om vele vrouwen te nemen,

zoo zag ik toch gaarne, dat uwe majesteit toestemde, om uwe dochter

Haïatalnefous, aan den prins Camaralzaman ten huwelijk te geven. Ik sta

haar den eersten rang als koningin af, omdat die haar uit geboorteregt

toekomt, en ik zal mij met den tweeden rang vergenoegen. Ja, al kwam die

voorrang haar niet als de in dit rijk geboren prinses toe, ik zou haar

dien toch bereidwillig overlaten, uit erkentelijkheid, dat zij mijn

geheim met zooveel edelmoedigheid bewaard heeft, terwijl ik uwer

majesteit kan verzekeren, dat zij zelve met dit huwelijk zeer tevreden

zal zijn.”

De koning Armanos hoorde de prinses Badoura met bewondering aan, en

vervolgens het woord rigtende tot den prins Camaralzaman, zeide hij:

„Mijn zoon, daar de prinses van China, uwe gemalin, welke ik tot heden

als mijn' schoonzoon aanmerkte, mij verklaart er niet op tegen te

hebben, dat gij ook mijne dochter huwt, zoo blijft mij slechts over,

van u te vernemen, of gij genegen zijt tot dit huwelijk, om dan tevens

den koninklijken troon te bestijgen.” „Sire,” antwoordde de prins

Camaralzaman, „hoe sterk ook mijn verlangen is, om den koning mijn'

vader weder te zien, zoo zijn echter de verpligtingen, welke ik aan uwe

majesteit en aan de prinses Haïatalnefous heb, van dien aard, dat het

mij onmogelijk zou zijn, haar iets te weigeren, al ware ook dat voorstel

minder aangenaam en vereerend voor mij geweest.” Camaralzaman werd nu

tot koning uitgeroepen, en vierde op den zelfden dag zijn huwelijk met

de dochter van Armanos, dat met vorstelijken luister werd voltrokken.

De beide koninginnen bleven te zamen in volmaakte eendragt leven. Hare

vriendschap nam steeds toe, en beide waren zij zeer tevreden over koning

Camaralzaman, die zijne liefde gelijkelijk verdeelde, zonder de eene

boven de andere te trekken. Na verloop van één jaar schonken zij hem

bijna op den zelfden tijd een' zoon, en de geboorte dezer prinsen werd

door het geheele rijk met groote vreugdebedrijven gevierd. Camaralzaman

gaf aan zijnen eerstgeborene, waarvan de prinses Badoura was bevallen,

den naam van Amgiad. De zoon van Haïatalnefous noemde hij Assad.

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel · 第 6 / 12 题