De eerste, die zich opdeed, was een' sterrekijker en geestenbezweerder,
welken de koning door een' gesnedene naar de gevangenis van de
prinses liet brengen. De sterrekijker nam uit een' zak, dien hij onder
den arm droeg, eene kleine hemelglobe, een komfoor, verscheidene soorten
van droogerijen, geschikt om mede te berooken, eene koperen vaas, met
nog vele andere zaken. Na dit alles uitgepakt te hebben, vroeg hij om
eene kool vuur. De prinses van China vroeg aan den gesnedene, wat al
dien toestel toch te beduiden had. „Prinses,” antwoordde deze, „dat is
om den boozen geest, die in u is, te bezweren, hem in die koperen vaas
op te sluiten en vervolgens in de diepte der zee te werpen.”
„Verwenschte sterrekijker,” riep de prinses, „gij schijnt wel gek en
bezeten te zijn, ik heb mijn verstand zeer goed, en gij kunt die prullen
wel weêr inpakken. Zijt gij echter zoo knap, als gij u voordoet, breng
mij dan slechts den man hier, dien ik bemin; dat is de beste dienst,
dien gij mij kunt bewijzen.” „Prinses,” antwoordde de sterrekijker, „is
de zaak zoo gesteld, dan moet gij dien man niet van mij, maar alleen
van den koning uw' vader vragen en verwachten.” Hij pakte nu alles
weder in zijn' zak, in het geheel niet op zijn gemak, dat hij zich zoo
ligtvaardig verbonden had, eene krankzinnige te genezen, die zoo goed
bij haar verstand was.
Toen de gesnedene den sterrekijker voor den koning van China bragt,
wachtte die niet, tot de slaaf aan den monarch verslag deed van zijne
mislukte proefneming; maar onmiddelijk den koning aansprekende, voegde
hij hem stoutmoedig deze woorden toe: „Sire, zooals uwe majesteit heeft
laten bekend maken, en ook aan mij bevestigd heeft, moest ik gelooven
dat de prinses krankzinnig was, en ik hield mij verzekerd, haar te
zullen genezen door de geheimen, waarmede ik bekend ben. Weldra echter
kwam ik tot de overtuiging, dat uwe dochter geene andere ongesteldheid
heeft, dan die van te beminnen, en om liefdekwalen te genezen, zoo ver
strekt zich mijne kunst niet uit. Uwe majesteit zal daarin echter beter
kunnen voorzien, dan iemand anders, indien zij haar slechts den man
geeft, dien zij wenscht.” De koning, verbitterd over deze rondborstige
taal, liet den sterrekijker onmiddelijk onthoofden.
Na hem deden zich nog honderd-vijftig sterrekijkers en geneesheeren
op, doch allen ondergingen hetzelfde lot, en hunne hoofden werden op de
poorten der stad ten toon gesteld.