Dl. IV, pag. 37.]

De eerste, die zich opdeed, was een' sterrekijker en geestenbezweerder,

welken de koning door een' gesnedene naar de gevangenis van de

prinses liet brengen. De sterrekijker nam uit een' zak, dien hij onder

den arm droeg, eene kleine hemelglobe, een komfoor, verscheidene soorten

van droogerijen, geschikt om mede te berooken, eene koperen vaas, met

nog vele andere zaken. Na dit alles uitgepakt te hebben, vroeg hij om

eene kool vuur. De prinses van China vroeg aan den gesnedene, wat al

dien toestel toch te beduiden had. „Prinses,” antwoordde deze, „dat is

om den boozen geest, die in u is, te bezweren, hem in die koperen vaas

op te sluiten en vervolgens in de diepte der zee te werpen.”

„Verwenschte sterrekijker,” riep de prinses, „gij schijnt wel gek en

bezeten te zijn, ik heb mijn verstand zeer goed, en gij kunt die prullen

wel weêr inpakken. Zijt gij echter zoo knap, als gij u voordoet, breng

mij dan slechts den man hier, dien ik bemin; dat is de beste dienst,

dien gij mij kunt bewijzen.” „Prinses,” antwoordde de sterrekijker, „is

de zaak zoo gesteld, dan moet gij dien man niet van mij, maar alleen

van den koning uw' vader vragen en verwachten.” Hij pakte nu alles

weder in zijn' zak, in het geheel niet op zijn gemak, dat hij zich zoo

ligtvaardig verbonden had, eene krankzinnige te genezen, die zoo goed

bij haar verstand was.

Toen de gesnedene den sterrekijker voor den koning van China bragt,

wachtte die niet, tot de slaaf aan den monarch verslag deed van zijne

mislukte proefneming; maar onmiddelijk den koning aansprekende, voegde

hij hem stoutmoedig deze woorden toe: „Sire, zooals uwe majesteit heeft

laten bekend maken, en ook aan mij bevestigd heeft, moest ik gelooven

dat de prinses krankzinnig was, en ik hield mij verzekerd, haar te

zullen genezen door de geheimen, waarmede ik bekend ben. Weldra echter

kwam ik tot de overtuiging, dat uwe dochter geene andere ongesteldheid

heeft, dan die van te beminnen, en om liefdekwalen te genezen, zoo ver

strekt zich mijne kunst niet uit. Uwe majesteit zal daarin echter beter

kunnen voorzien, dan iemand anders, indien zij haar slechts den man

geeft, dien zij wenscht.” De koning, verbitterd over deze rondborstige

taal, liet den sterrekijker onmiddelijk onthoofden.

Na hem deden zich nog honderd-vijftig sterrekijkers en geneesheeren

op, doch allen ondergingen hetzelfde lot, en hunne hoofden werden op de

poorten der stad ten toon gesteld.

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel · 第 5 / 12 题