ARABISCHE VERTELLINGEN.

GESCHIEDENIS VAN DE MINNARIJEN VAN CAMARALZAMAN, PRINS VAN HET EILAND

DER KINDEREN VAN KHALADAN, EN VAN BADOURA, PRINSES VAN CHINA.

Op omstreeks twintig dagen varens van de kust van Perzië ligt in de

ruime zee een eiland, genaamd het eiland der kinderen van Khaladan. Dit

eiland is verdeeld in groote provinciën, met vele bloeijende en zeer

bevolkte steden, die te zamen een magtig koningrijk uitmaken. Oudtijds

werd dit land geregeerd door koning Schahzaman, die vier wettige vrouwen

en zestig bijwijven had.

Schahzaman regeerde zijne staten met groote wijsheid. Hij was bemind

bij zijne onderdanen, en leefde in vrede met de naburige koningen.

In één woord, hij zou de gelukkigste monarch der aarde geweest zijn,

had hem niet één ding ontbroken. Hij was reeds op jaren, en had,

niettegenstaande zijne vele vrouwen, nog geene kinderen. Hij wist niet,

waaraan dit te moeten toeschrijven, en was daarover zeer ontstemd, hij

beschouwde het als het grootste ongeluk, dat hem kon overkomen, geen'

zoon te hebben, die hem in zijn rijk zou kunnen opvolgen. Langen tijd

ontveinsde hij zijne kwellende droefheid, welke hem te zwaarder drukte,

daar hij zich geweld aandeed, die te verbergen. Eindelijk verbrak

hij het stilzwijgen, en op zekeren dag met zijn' groot-vizier alleen

zijnde, klaagde hij dezen zijn' nood, met de vraag of hij daar geen

middel op wist te vinden.

„Indien hetgeen uwe majesteit mij vraagt,” antwoordde deze wijze

staatsman, „afhankelijk was van de gewone regelen der menschelijke

wijsheid, zij zou weldra de voldoening smaken, haren vurigsten wensch

vervuld te zien; maar ik moet bekennen, dat mijne ondervinding en

mijne kennis hier te kort schieten; het is bij God alleen, dat men

in dergelijke zaken zijne toevlugt moet nemen. Te midden van onzen

voorspoed, waarin wij hem maar al te ligt vergeten, behaagt het Hem

soms, ons op eene gevoelige plaats te treffen; opdat wij aan Hem mogen

denken, zijne Almagt erkennen, en van Hem vragen zouden, wat Hij alleen

ons geven kan. Gij hebt onder uwe onderdanen, die er zich bijzonder aan

toewijden, Hem te vereeren en te dienen, en die uit liefde tot Hem

een sober leven leiden. Mijn raad is dus, dat uwe majesteit aan deze

menschen aalmoezen geeft, en hen aanspoort hunne gebeden met de uwen

te vereenigen. Welligt, dat onder een zoo groot aantal zich iemand

zal bevinden, die rein en God welgevallig genoeg is, om van hem te

verkrijgen, wat gij zoo vurig verlangt.”

De koning Schahzaman vond dezen raad zeer goed, en bedankte er zijn'

groot-vizier voor. Hij liet rijke aalmoezen geven aan alle godsdienstige

inrigtingen, deed de bestuurders bij zich ontbieden, en na hen

feestelijk onthaald te hebben, maakte hij hen met zijne bedoeling

bekend, en verzocht hun daartoe te willen medewerken.

Schahzaman verkreeg van den hemel, wat hij zoo vurig begeerde;

eene zijner vrouwen werd zwanger en schonk hem een' zoon. Om

zijne dankbaarheid te toonen, gaf hij weder rijke aalmoezen aan

de Muzelmansche geestelijken. Men vierde de geboorte van den prins

gedurende acht dagen, en dat niet alleen in de hoofdstad, maar in zijn

geheele rijk, door allerlei openbare vermakelijkheden. Deze zoon was

zoo schoon, dat men hem den naam van Camaralzaman (_Maan der Eeuwen_)

gaf.

Camaralzaman werd met de meest mogelijke zorg opgevoed. Zoodra hij

daartoe de jaren bereikt had, gaf de sultan Schahzaman hem een' zeer

knappen gouverneur, en tevens een' zeer bekwamen onderwijzer, die in

zijnen vorstelijken leerling zulk eene groote vatbaarheid, en een zoo

zachtmoedig karakter opmerkten, dat het voor hen een vermaak was, hem te

mogen onderwijzen. Zij leerden hem den godsdienst op prijs stellen, de

deugd liefhebben, en rustten hem uit met al die kennis en wetenschappen,

waarmede de vermoedelijke opvolger en beheerscher van een magtig

koningrijk bekend behoort te zijn. Op meer gevorderden leeftijd

kreeg hij onderrigt in den wapenhandel, het paardrijden en andere

ligchaamsoefeningen, waarbij hij zeer veel handigheid en losse

bevalligheid aan den dag legde.

De sultan beminde zijn' zoon met meer dan vaderlijke teederheid, waarvan

hij hem dagelijks blijken gaf, en toen deze zijn vijftiende jaar bereikt

had, wilde hij daarvan een nog treffender bewijs geven, door ten behoeve

van zijn' zoon van den troon afstand te doen. Hij sprak hierover met

zijn' groot-vizier. „Ik vrees,” zeide hij, „dat mijn zoon, door zijne

jongelingsjaren in ledigheid door te brengen, verliezen zal, niet alleen

de schoone gaven en de deugden, waarmede de natuur hem zoo mild bedeeld

heeft, maar zelfs die, welke hij heeft verkregen door de zorgvuldige

opvoeding, welke ik hem heb laten geven. Daar ik nu op eenen ouderdom

ben, die mij aan een stil leven doet denken, zoo ben ik bijna besloten

hem de regering over te dragen, en het overige van mijn leven toe te

wijden aan het vermaak, mijn' zoon te zien regeren. Ik ben reeds zoo

vele jaren onvermoeid werkzaam geweest, dat ik behoefte aan rust heb.”

De groot-vizier vond niet raadzaam den Sultan de redenen voor te houden,

die hij tegen zijn plan zou hebben kunnen aanvoeren, en nam alzoo den

schijn aan zijn gevoelen te deelen. „Sire,” antwoordde hij, „de prins

is naar het mij voorkomt, nog wel wat jong, om hem een' zoo zwaren last

op de schouders te leggen, zulk een uitgestrekt rijk te regeren. Uwe

majesteit vreest, dat de ledigheid hem ten verderve zal voeren, en

dit met regt; maar zou zij, om dit gevaar te voorkomen, het niet beter

achten, hem eerst te laten trouwen? Het huwelijk heeft banden, die een'

jongen prins weêrhouden kunnen, zich in den maalstroom van een losbandig

leven te werpen. Daarbij zou uwe majesteit hem in den raad kunnen

toelaten, waar hij allengskens leeren zal, om het gewigt der regering

te dragen, en den glans op te houden uwer kroon, waarvan gij ten zijnen

gunste afstand kunt doen, zoodra gij hem daartoe bij eigen ondervinding

bekwaam zult achten.”

Schahzaman vond dezen raad van zijnen eersten staatsminister zeer

verstandig. Daarom liet hij, zoodra de vizier zich had verwijderd,

Camaralzaman ontbieden. Den prins, die gewoon was den sultan, zijn'

vader, op vastgestelde tijden te bezoeken, zonder dat men hem behoefde

te laten roepen, bevreemdde het eenigzins, thans bij zijn' vader te

moeten komen. In plaats van met de gewone vrijmoedigheid voor hem te

verschijnen, groette hij hem ditmaal zeer eerbiedig, en bleef met

neêrgeslagen oogen voor hem staan, even alsof hij iets kwaads gedaan,

en zijne teregtwijzing te vreezen had.

Deze gedwongen houding van den prins ontging den sultan niet. „Mijn

zoon,” zeide hij met een gelaat, dat hem gerust moest stellen, „weet

gij, met welk doel ik u hier heb doen komen?” „Sire,” antwoordde

Camaralzaman, „God alleen kent de gedachten der menschen; daarom zal het

mij aangenaam zijn, van uwe majesteit te mogen hooren, wat zij mij te

zeggen heeft.” „Ik heb u bij mij ontboden,” hernam de sultan, „om u te

zeggen, dat ik besloten heb u uit te huwelijken. Wat dunkt u daarvan?”

De prins Camaralzaman hoorde met grooten tegenzin zijn' vader aldus

spreken. De zweetdroppels stonden op zijn gelaat, en hij was verlegen,

wat te zullen antwoorden. Na eenig nadenken, zeide hij: „Sire, ik smeek

u mij te vergeven, dat ik terneêrgeslagen ben over de verklaring, welke

uwe majesteit mij doet. Op mijnen nog zoo jeugdigen leeftijd was ik

daarop geheel niet verdacht. Ik weet zelfs niet, of ik wel immer zal

kunnen besluiten, het huwelijksjuk op mijne schouders te nemen, niet

alleen om de onrust, welke de vrouwen ons baren, maar ook om hare

bedriegelijke listen, hare ondeugden en hare trouweloosheden, zooals ik

daarvan bij onze schrijvers veel vermeld gevonden heb. Het is mogelijk,

dat ik niet altoos bij deze meening zal blijven, maar toch gevoel ik,

dat ik tijd zal behoeven, alvorens te kunnen besluiten tot hetgeen uwe

majesteit van mij verlangt.”

Dit antwoord van den prins Camaralzaman bedroefde den sultan, zijn'

vader zeer. Het deed den monarch wezentlijk leed, dat zijn zoon een' zoo

grooten tegenzin in het huwelijk had. Hij wilde hem echter niet als een

ongehoorzaam kind behandelen, noch van zijn vaderlijk gezag gebruik

maken, en vergenoegde zich met te zeggen: „Ik wil u op dit punt niet

dwingen; ik geef u den tijd er over na te denken, en in aanmerking te

nemen, dat een prins als gij, wiens bestemming het is over een groot

rijk te heerschen, er vóór alles op bedacht moet zijn, zich eenen

opvolger te verschaffen. Hierdoor zult gij ook uwen vader verblijden,

die zeer verheugd zal zijn, zich te zien herleven in de kinderen, die u

geboren zullen worden.”

Hierbij liet Schahzaman de zaak berusten, en sprak er den prins niet

meer van. Hij gaf hem zitting in den raad, en Camaralzaman had ook in

andere opzigten reden, om over zijne vaderlijke goedheid tevreden te

zijn. Eerst na verloop van een jaar nam hij hem weder alleen. „Welnu

mijn zoon,” zeide hij, „gij hebt thans den tijd gehad, om de zaak

rijpelijk te overwegen; wat dunkt u van het huwelijksvoorstel, dat ik

u in het voorgaande jaar deed? Zult gij nog weigerachtig zijn, mij de

vreugde te schenken, welke ik van uwe gehoorzaamheid verwacht, en wilt

gij mij laten sterven zonder die voldoening te geven?”

De prins was thans minder ontsteld dan de vorige keer, en hij draalde

niet lang op onbevangen toon te antwoorden: „Sire, ik heb niet verzuimd

ernstig over de zaak na te denken; maar dit heeft mij slechts gesterkt

in mijn besluit, van vrij man te blijven. Het vele kwaad van de oudste

tijden af door de vrouwen in de wereld gebragt, zooals de geschiedenis

ons daarvan honderden voorbeelden mededeelt, en zooals ik nog dagelijks

hoor en zie, heeft mij gesterkt in mijn voornemen, om nimmer te huwen;

uwe majesteit gelieve mij dus te verontschuldigen, indien ik rondborstig

verklaar, dat het geheel nutteloos is, mij verder over een huwelijk

te spreken.” Hier hield de prins op, en verwijderde zich driftig, zonder

zijnen vader den tijd tot antwoorden te laten. Ieder ander monarch

dan Schahzaman zou in hevigen toorn zijn ontstoken over de stoute

taal, welke de prins, zijn zoon, zich veroorloofde; maar de sultan

had Camaralzaman hartelijk lief, en hij wilde alle zachtmoedigheid

gebruiken, alvorens zijn vaderlijk gezag te doen gelden, en hem tot

gehoorzaamheid te dwingen. Hij kon echter voor zijn' groot-vizier de

nieuwe oorzaak tot droefheid, welke Camaralzaman hem had gegeven, niet

verbergen. „Ik heb uwen raad opgevolgd,” zeide hij, „maar Camaralzaman

heeft nog minder plan om te huwen, dan toen ik er hem de eerste maal

over heb gesproken; en daarbij heeft hij zoo stout geantwoord, dat ik

al mijne zelfbeheersching noodig had, om niet in toorn te ontsteken.

De vaders, die even vurig naar kinderen verlangen, als ik dezen zoon

begeerd heb, zijn slechts waanzinnigen, die zich eigenwillig eene

groote onrust op den hals halen, terwijl zij stil en rustig hadden

kunnen leven. Zeg mij nu, verzoek ik u, welke middelen moet ik

aanwenden, dat deze weêrspannige zoon zich naar mijn' wil voege?”

„Sire,” antwoordde de groot-vizier, „door geduld kan men dikwijls

de moeijelijkste zaken tot een goed einde brengen; ik durf niet met

zekerheid zeggen, dat dit ook hier het geval zal zijn. De zaak is van

een' bijzonderen aard; maar uwe majesteit zal zich niet te verwijten

hebben, te voortvarend te zijn geweest, indien zij goed kan vinden aan

den prins nogmaals een jaar toe te staan, om zich te bedenken. Indien

hij binnen dat tijdsverloop tot zijnen pligt komt, zoo zal dit voor uwe

majesteit eene des te grootere voldoening zijn, daar zij niets dan de

vaderlijke goedheid zal hebben aangewend, om hem daartoe te brengen.

Mogt het tegendeel plaats hebben, en hij na verloop van een jaar in

zijne weêrspannigheid blijven volharden, zoo komt het mij voor, dat uwe

majesteit wel zal doen, hem in den vollen raad te verklaren, dat het

heil van den staat gebiedend vordert, hij een huwelijk aangaat. Het is

wel niet te gelooven, dat hij aan den u verschuldigden eerbied zal

durven te kort doen, ten overstaan van dit geëerde staatsligchaam.”

De sultan verlangde met zoo veel drift den prins gehuwd te zien, dat een

uitstel van een jaar hem eene eeuwigheid toescheen, en hij slechts met

moeite kon besluiten zoo lang te wachten. De redenen, door zijn' vizier

aangevoerd, waren echter zoo grondig, dat hij na een' langen zelfstrijd

besloot, er zich naar te voegen. Hij begaf zich naar de vertrekken der

moeder van den prins Camaralzaman, aan welke hij reeds sedert lang zijne

denkwijze omtrent het huwelijk van hun' zoon had te kennen gegeven.

Geheel neerslagtig deelde hij haar mede, wat er tusschen hem en

Camaralzaman had plaats gevonden, en de langmoedigheid, welke hij ook

dit maal op raad van zijn' vizier op hem wilde toepassen. „Mevrouw,”

ging hij verder voort, „ik weet dat Camaralzaman vertrouwelijker met u

spreekt, dan met mij. Ik verzoek u dus, hem over deze zaak ernstig te

bestraffen, en hem voor te houden, dat, blijft hij zich tegen mijnen

vaderlijken wil verzetten, hij mij alsdan zal dwingen tot uitersten te

komen, die mij leed zouden zijn, en die ook hem berouw zouden doen

hebben over zijne ongehoorzaamheid.”

Fatime (zoo heette de moeder van Camaralzaman) verzuimde niet, de eerste

maal dat zij haren zoon zag, hem te zeggen hoe verstoord de sultan over

zijne nieuwe weigering was. „Mevrouw,” antwoordde Camaralzaman, „ik

smeek u, mijne droefheid niet te vermeerderen, door over deze voor mij

onaangename zaak te spreken; ik vrees, dat mij in de spijtige stemming,

waarin ik mij bevind, misschien uitdrukkingen mogen ontvallen, strijdig

met den aan u verschuldigden eerbied.” Fatime begreep uit dit antwoord,

dat de wond nog te versch was, en sprak voor dit maal over dit onderwerp

niet verder. Eenige weken daarna meende zij echter het gunstige

oogenblik gevonden te hebben, om met eenigen kans van een' goeden

uitslag, de bewuste huwelijkszaak weder op het tapijt te kunnen brengen.

„Mijn zoon,” zeide zij, „gij moet u niet driftig maken, maar ik smeek u,

mij te willen zeggen, wat dan toch wel de redenen zijn, welke u een' zoo

grooten tegenzin voor het huwelijk inboezemen. Indien gij geene anderen

hebt dan de arglistigheid en de boosheid der vrouwen, zoo zijn die al

zeer zwak en onredelijk. Ik wil de verdediging der slechte vrouwen

niet op mij nemen, en ik erken dat er zulke zijn; maar het is eene

onregtvaardigheid, aan allen die ondeugden ten laste te leggen. Gij

beroept er u op, dat eenige vrouwen, waarvan uwe boeken melding maken,

veel onrust en vele rampen in de wereld gebragt hebben, ik zal daar

niets op afdingen. Maar waarom let gij niet op de vele monarchen,

koningen en vorsten, wier dwingelandij en barbaarschheden in die zelfde

boeken slechts met afschuw kunnen gelezen worden. Tegen ééne vrouw, zult

gij duizend van die mannelijke tyrannen en barbaren vinden. En zouden de

brave en deugdzame vrouwen, mijn zoon, die met die woedende monsters

gehuwd waren, wel zeer gelukkig geweest zijn?”

„Mevrouw,” hernam Camaralzaman, „ik twijfel niet, of er zijn vele

vrouwen, die braaf, deugdzaam, goed en zachtmoedig zijn. Mogt het den

Hemel behagen, dat zij allen aan u gelijk waren! Maar wat mij het meest

tegenstaat is de twijfelachtige keus, welke een man heeft, als hij zal

trouwen; of beter dat men hem de vrijheid niet laat, eene keus te doen

naar zijn' wil en zijne genegenheid. Veronderstel, mevrouw, dat ik

besluiten kon mij in het huwelijk te begeven, zooals de sultan mijn

vader dit met zoo veel ongeduld van mij verlangt; welke vrouw zal hij

mij geven? Waarschijnlijk eene prinses, welke hij bij een' zijner

koninklijke naburen voor mij ten huwelijk zal laten vragen, en die het

zich tot eene eer zal rekenen, hem zijne dochter toe te zenden. Schoon

of leelijk, ik zal haar moeten nemen. Maar aangenomen zelfs, dat geene

andere prinses haar in schoonheid evenaart. Wie kan er voor instaan,

dat zij ook eene schoone ziel heeft, dat zij toegevend, voorkomend en

aanminnig is; dat zij een degelijk gesprek weet te voeren, en niet

altijd redeneert over kleeding, opschik en duizend andere nietigheden,

zaken welke een man met eenig gezond verstand slechts met medelijden

kan aanhooren; in één woord, dat zij niet trotsch, hoogmoedig, lastig,

kwaadsprekend is, en het geheele land niet zal uitputten door dwaze

verkwistingen aan kleeding, edelgesteenten en andere kostbaarheden, die

slechts eene ingebeelde waarde bezitten. Ziedaar, mevrouw, eene menigte

zaken, die mij het huwelijk geheel en al tegen maken. Maar al mogt ook

die prinses zoo volmaakt mogelijk zijn, en vrij van al de door mij

opgesomde gebreken, zoo heb ik nog andere en gewigtiger redenen, om

niet van mijn gevoelens af te gaan, of van besluit te veranderen.”

„Hoe, mijn zoon,” hernam Fatime, „gij hebt nog andere redenen, behalve

die, welke gij mij hebt opgenoemd? Hoe die ook zijn mogen, ik ben zeker

ze allen te wederleggen, en u met een enkel woord den mond te sluiten.”

„Laat niets u daartoe weêrhouden, mevrouw,” hernam de prins, „ik ben

geheel gehoor.” „Ik moet u dan zeggen, mijn zoon,” antwoordde Fatime,

„dat, mogt u het ongeluk te beurt vallen, eene prinses te huwen, zooals

gij daar hebt afgeschilderd, het dan voor een' prins als gij, eene ligte

zaak zal zijn haar te verlaten, en er zorg voor te dragen, dat zij het

land niet arm maakt.” „Maar, mevrouw,” hernam de prins Camaralzaman,

„gevoelt gij dan niet, hoe hard en beschamend het voor een' vorst is,

gedwongen te zijn, om tot zulk een uiterste over te gaan? Is het dan

niet veel beter voor zijne eer en voor zijne rust, dat hij er zich niet

aan blootstelt?” „Maar, mijn zoon,” wederlegde nog eens Fatime, „zoo als

gij de zaak opneemt, moet ik besluiten, dat gij de laatste koning wilt

zijn uit het vorstelijk geslacht, dat met zoo veel roem geregeerd heeft

over het eiland van de kinderen van Khaladan.” „Mevrouw,” antwoordde de

prins, „ik wensch den koning, mijn' vader, niet te overleven. Het zou

niets vreemds zijn, indien ik vóór hem kwam te sterven; de voorbeelden,

dat kinderen vóór hunne ouders in het graf dalen, zijn veelvuldig. Maar

het is bovendien voor een koninklijk geslacht altoos roemrijk, indien de

laatste telg uit dat vorstelijk bloed blijken heeft gegeven aan zijne

doorluchtige voorgangers niet onwaardig te zijn, en daarnaar zal ik

trachten.”

Hiermede nam het gesprek een einde; maar Fatime kwam er van tijd tot

tijd nog gedurig op terug, en zij liet geen middel onbeproefd, om des

prinsen afkeer van het huwelijk te overwinnen. Camaralzaman wist echter

alle door haar aangevoerde redenen te wederleggen, en bleef in dit

opzigt onbewegelijk.

Een jaar verliep, en tot groote smart van sultan Schahzaman gaf de prins

Camaralzaman niet het geringste blijk, dat hij van gevoelens veranderd

was. Op zekeren dag nu, dat de raad was vergaderd, en deze op last van

den koning door den groot-vizier, al de viziers, de staf-officieren en

de generaals van het leger werd bijgewoond, nam de vorst, op zijn' troon

gezeten, het woord, en zeide tot den prins: „Mijn zoon, reeds lang zijt

gij bekend met mijn' liefsten wensch, om u in het huwelijk te begeven,

en ik had van u verwacht, dat gij voor een' vader, die nooit iets

onredelijks van u heeft verlangd, meer inschikkelijkheid zoudt hebben

getoond. Door een' zoo langen tegenstand van uwen kant is mijn geduld

uitgeput; ik doe u nu nog eens het zelfde voorstel in tegenwoordigheid

van mijn' raad. Het is thans niet alleen de wensch van een' vader, maar

ook deze achtbare vergadering voegt voor het heil van den staat haar

verzoek bij het mijne. Verklaar u dus, opdat ik de maatregelen kan

nemen, die ik in het belang van mijn eer en van mijn rijk noodig zal

achten.”

De prins Camaralzaman antwoordde hierop met zoo weinig terughouding, of

liever met zoo veel oploopendheid, dat de sultan, met regt vertoornd

over de beleediging, die zijn zoon hem in den vollen raad deed

ondergaan, in gramschap uitriep: „Wat! onnatuurlijke zoon, gij vermeet

u aldus te spreken tegen uwen vader en uwen sultan!” Te gelijk deed

hij hem door zijne wacht vatten, en in een' ouden toren opsluiten. Doch

zelfs ook nu verloochende zich de vaderlijke genegenheid van Schahzaman

jegens zijn' weêrspannigen zoon niet, want hij liet hem in zijne

gevangenis een bed, eenig huisraad en zijne boeken geven, benevens een'

slaaf, om hem te bedienen.

Camaralzaman, tevreden zich met zijne boeken te kunnen bezighouden,

bekreunde zich weinig om zijne gevangenschap. Hij deed dien avond naar

gewoonte zijn gebed, las eenige hoofdstukken in den koran met de zelfde

gerustheid, alsof hij zich in zijne eigen vertrekken bevond, en begaf

zich vervolgens ter ruste.

In dien toren was een put, welke gedurende den dag tot woonplaats

verstrekte aan eene toovergodin, genaamd Maimoune, dochter van

Damriat, koning en opperste van een legioen geesten. Het was omstreeks

middernacht, toen Maimoune zich, zoo ligt als een vogel, uit de put

ophief, om naar gewoonte hare reis door de wereld te doen. Zij was zeer

verwonderd licht te zien in de kamer, waar de prins Camaralzaman sliep;

want de toren was reeds sinds jaren onbewoond. Zij trad binnen en zonder

zich met den slaaf op te houden, die voor de deur lag te slapen, ging

zij naar het ledikant, dat door deszelfs pracht hare aandacht trok. Hare

verwondering klom nog hooger, toen zij daar iemand in zag liggen.

Het gelaat van den prins Camaralzaman was halverwege onder het dekbed

verborgen. Maimoune ligtte de sprei een weinig op, en aanschouwde nu den

schoonsten jongeling, dien zij nog ooit gezien had. „Welk een' glans,”

zeide zij in zich zelve, „en welken gloed moet er uit die nu door

sierlijke wenkbraauwbogen gesloten oogen stralen, indien zij zich

openen! Waarom wordt deze wonderschoone jongeling, op eene met zijn'

hoogen stand dus onwaardige wijze behandeld?” Maimoune kon zich niet

verzadigen, den prins Camaralzaman te aanschouwen. Eindelijk, na hem op

beide wangen en op het voorhoofd gekust te hebben, zonder dat hij

ontwaakte, liet zij het dek zachtjes weder vallen, en verhief zich in de

lucht.

Toen zij zich tot eene aanzienlijke hoogte boven de aarde had verheven,

trof een sterk vleugelgeklap haar gehoor, hetgeen haar drong, naar dien

zelfden kant heen te vliegen. Al naderende bemerkte zij, dat dit geluid

werd veroorzaakt door een' dier geesten, welke aan God weêrspannig zijn.

Maimoune behoorde tot degenen, die door Salomo tot onderworpenheid

gedwongen werden.

De geest, die zich Danhasch noemde, en die een zoon was van Schamhouras,

herkende ingelijks Maimoune, maar met grooten schrik. Hij wist, dat zij

door hare onderwerping aan den schepper, eene groote meerderheid op hem

had. Hij zou deze ontmoeting wel hebben willen ontwijken, maar bevond

zich reeds zoo digt in hare nabijheid, dat hij niet ontvlugten kon, en

hem niets anders overbleef dan met haar te strijden, of de minste te

zijn en voor hare magt onder te doen.

Danhasch voorkwam Maimoune. „Gevreesde Maimoune!” sprak hij op

smeekenden toon, „zweer mij bij Gods grooten naam, dat gij mij geen

kwaad zult doen, en ik beloof u van mijnen kant, u geen leed te zullen

toebrengen.” „Vervloekte geest,” antwoordde Maimoune, „wat leed zoudt

gij mij kunnen doen? Ik ben niet bevreesd voor u, maar wil u echter de

gevraagde gunst wel toestaan en den eed doen, dien gij van mij verlangt.

Zeg mij eerst echter, van waar gij komt, en wat gij dezen nacht gezien

en verrigt hebt.”

„Schoone dame,” hernam de geest op hoffelijken toon, „gij ontmoet mij

juist van pas, om iets vreemds van mij te hooren, dat uwe aandacht

verdient. Ik kom van de uiterste grenzen van China, waar men het gezigt

heeft op het meest Oostelijke eiland van dat magtige rijk... Maar

bekoorlijke Maimoune,” vervolgde Danhasch, die in tegenwoordigheid van

deze toovergodin van vrees bijna niet kon spreken en over zijn geheele

ligchaam beefde, „indien ik aan uw verlangen voldoe, belooft gij mij

immers, dat gij mij ongedeerd en in vrijheid van u zult laten gaan?”

„Wat draalt gij? Vervolg booze geest!” riep Maimoune, „en vrees niets.

Meent gij, dat ik een trouwelooze ben gelijk gij, en dat ik in staat zou

zijn, te kort te doen aan den duren eed, dien ik u gezworen heb. Neem u

echter wel in acht, mij niets dan waarheid te zeggen; anders zal ik u

de vleugels korten, en met u handelen, zooals gij verdient.” Danhasch,

door deze woorden van Maimoune een weinig gerustgesteld, zeide nu:

„Mijne waarde dame, ik zal u niets zeggen, dan hetgeen waarheid is; heb

slechts de goedheid naar mij te luisteren. China, van waar ik kom, is

een der grootste en magtigste koningrijken van de geheele aarde. De

tegenwoordige koning noemt zich Gaïour, en deze koning heeft eene eenige

dochter, de schoonste maagd, welke men ooit gezien heeft. Noch gij, noch

ik, noch de geesten van uwe en mijne partij en geheel het menschdom te

zamen, zouden woorden of uitdrukkingen kunnen vinden, die sterk genoeg

zijn, ja, de hoogste welsprekendheid zou te kort schieten, om een flaauw

beeld te schetsen van deze schoonste der schoonen. Zij heeft donkerbruin

haar, zoo zacht als zijde en zoo lang, dat het tot op de voeten afhangt,

daarbij in zulk een' weelderigen overvloed, dat het, in tressen

gestrengeld en op haar hoofd te zamen geschikt, gelijkt aan een' dier

schoone druiventrossen, wier druiven van uitstekenden glans en grootte

zijn. Onder dit glansrijke haar vertoont zich een fraai gevormd

voorhoofd, zoo wit als elpenbeen; hare gitzwarte oogen zijn gelijk

aan fonkelende diamanten in het zonlicht; haar mond is klein en rood

als bloedkoraal; hare tanden zijn gelijk twee rijen paarlen, maar

overtreffen deze in schoonheid en witheid; en als zij hare lippen

beweegt, om te spreken, hoort men toonen zoo zacht, zoo aangenaam en zoo

welluidend, dat een ieder er door betooverd wordt, hare woorden zijn vol

geest en leven. Het schoonste albast moet in glans en witheid bij haren

hals en boezem achterstaan, zoodat gij gemakkelijk kunt opmaken, er

ter wereld geene volmaaktere schoonheid is. Wie den koning haar vader

niet goed kent, zou uit de vaderlijke teederheid, die hij de prinses

toedraagt, kunnen denken, dat hij verliefd op haar is. Nooit heeft een

minnaar voor zijne geliefde minnares gedaan, wat deze vader voor zijne

dochter doet. Hij waakt voor haar met de zorg van een jaloerschen

echtgenoot, en houdt haar in de strengste afzondering. Doch, opdat zij

zich in die eenzaamheid niet zou vervelen, liet hij zeven paleizen voor

haar bouwen, wier gelijken men op de gansche wereld te vergeefs zoude

zoeken. Het eerste paleis is van bergkristal, het tweede van brons,

het derde van fijn staal, het vierde van marmer, het vijfde van koper,

het zesde van zilver en het zevende van zuiver goud. Elk paleis is op

eene eigenaardige wijze met ongehoorde pracht gemeubeld. De daarbij

behoorende tuinen zijn mede op onderscheidene wijze met smaak aangelegd;

het ontbreekt er niet aan fraaije gras- en bloemperken, watervallen,

fonteinen en schaduwrijke boschjes, door welker loover de stralen der

zon niet zouden kunnen dringen, en waar zelfs op het heetste van den dag

eene aangename koelte heerscht. In één woord, de koning Gaïour doet

zien, dat vaderliefde alleen genoegzaam is, om ongehoorde schatten te

verspillen.

Op het gerucht van de onvergelijkelijke schoonheid der prinses van

China, zonden vele der magtigste naburige koningen hunne gezanten, om

haar ten huwelijk te vragen. De koning van China ontving de gezanten

met de grootste hoffelijkheid; maar daar hij zijne dochter niet wilde

uithuwelijken dan met hare toestemming, en de prinses al deze partijen

van de hand sloeg, moesten zij met eene beleefde weigering weder naar

huis gaan, beter voldaan over de eer hun aangedaan, dan over den uitslag

van hunne zending.

„Sire,” zeide de prinses bij dergelijke voorstellen tot den koning,

haren vader, „gij wilt mij uithuwelijken, en gelooft mij daarmede een

groot genoegen te doen, maar waar elders dan bij uwe majesteit zal ik

zulke prachtige paleizen en heerlijke tuinen vinden? Ik voeg hierbij,

dat ik volgens uw koninklijk welbehagen tot niets gedwongen ben, wat mij

minder aangenaam zou kunnen zijn, en dat men mij de zelfde eerbewijzen

betoont als aan uw' persoon. Dit zijn voordeelen, die ik nergens elders

in de gansche wereld zal terugvinden, aan welken echtgenoot ik mij ook

verbinde. De mannen willen altoos de meesters zijn, en mijn hoofd staat

er niet naar, om mij te laten bevelen.”

Ten laatste kwam er een gezantschap van een' koning, rijker en magtiger

dan allen, die zich tot dus verre hadden opgedaan. De koning van China

sprak hierover met zijne dochter, en hield haar voor, hoe voordeelig het

voor haar zijn zou, dezen vorst tot echtgenoot te nemen. De prinses

smeekte hem, haar daarvan te willen verschoonen, en bragt voor hare

weigering de zelfde redenen van vroeger bij. Haar vader drong dit maal

bijzonder sterk aan; in plaats echter van toe te geven, verloor de

prinses allen eerbied uit het oog, welke zij aan haren koning en vader

verschuldigd was. „Sire,” zeide zij toornig, „spreek mij niet meer over

dat huwelijk, noch over eenig ander, of ik stoot mij een' dolk in het

hart, om mij van den last te ontslaan, dien gij mij aandoet.”

De koning van China, ten hoogste verbitterd over dit onbetamelijk gedrag

van de prinses, gaf daarop ten antwoord: „Dochter, gij hebt uw verstand

verloren, en ik zal met u als met eene krankzinnige handelen.” Die

bedreiging bleek niet ijdel te zijn; hij liet de prinses in eene der

vertrekken van zijn paleis opsluiten, en gaf haar slechts tien oude

vrouwen tot gezelschap, om haar te dienen, waaronder hare voedster was.

Tevens zond hij boden aan de koningen, die zijne dochter ten huwelijk

hadden laten vragen, om hun kennis te geven, dat de prinses een'

onverwinnelijken afkeer voor elk huwelijk aan den dag legde, en dat hij

vreesde, zij niet wel bij hare zinnen was. Hij liet ook aan al die hoven

door zijne gezanten bekend maken, dat indien zich daar een geneesheer

bevond, die zich bekwaam achtte, om zijne dochter te genezen, deze

slechts had over te komen, en hij hem dan als belooning de prinses tot

vrouw zou geven.

Schoone Maimoune,” vervolgde de geest, „zoo is het thans aan het hof van

China gesteld. Ik verzuim niet de onvergelijkelijke schoonheid dagelijks

te aanschouwen, want niettegenstaande mijn boos karakter, zou het mij

spijten, haar het minste leed te doen. Ik bid u, kom haar zien, gij zult

u niet teleurgesteld vinden, en mij dankbaar zijn, dat ik u eene prinses

heb laten zien, die haars gelijken in schoonheid niet heeft. Gij hebt

mij slechts te bevelen, ik ben bereid u tot gids te dienen.”

In plaats van hierop te antwoorden barstte Maimoune in een schaterend

lagchen uit, zoodat Danhasch, niet wetende, waaraan hij dat uitbundig

lagchen van de toovernimf moest toeschrijven, haar met de uiterste

bevreemding aanstaarde. Toen die lachbuijen zich verscheidene malen

herhaald hadden, zonder dat zij tot bedaren scheen te kunnen komen, riep

zij eindelijk uit: „Dat is om iemand dood te doen lagchen! Ik meende,

dat gij mij iets zeer bijzonders zoudt hebben te vertellen, zooals gij

ook gezegd hebt, en nu spreekt gij mij van eene schoone krankzinnige:

wel foei, wel foei! Wat zoudt gij dan wel zeggen, indien gij gelijk ik

den schoonen prins gezien hadt, dien ik zoo straks aanschouwd heb, en

dien ik lief heb gelijk hij dit waardig is? Op mijn woord, dat is nog

heel wat anders dan uwe prinses, waarvan gij zoo veel ophef maakt.”

„Vriendelijke Maimoune,” hernam Danhasch, „mag ik mij verstouten u te

vragen, wie die prins is, van wien gij mij spreekt?” „Hij is,” zeide

Maimoune, „de jonge prins Camaralzaman, de eenige zoon van den koning

van het eiland der kinderen van Khaladan. Hem is bijna het zelfde

bejegend, als aan de prinses waarvan gij mij gesproken hebt. Zijn vader

wilde hem met alle geweld doen trouwen, en nadat deze hem lang daarmede

gekweld had, verklaarde de prins rond weg, dat hij niet wilde. Dit is de

oorzaak, waarom hij thans gevangen zit in den ouden toren, waar ik mijn

verblijf heb, en waar ik het geluk genoot, hem te aanschouwen en te

bewonderen.”

„Ik wil u volstrekt niet tegenspreken,” hernam Danhasch, „maar gij

zult mij toch wel veroorloven, schoone dame, te gelooven, dat geene

sterveling mijne prinses in schoonheid kan evenaren, zoolang ik uwen

prins niet gezien heb.” „Zwijg, booze geest,” viel Maimoune uit, „ik

zeg u nogmaals, dat dit niet waar kan zijn!” „Ik wil tegen u niet

stijfhoofdig zijn,” ging Danhasch voort, „gij kunt u overtuigen, of ik u

te veel gezegd heb, door mijne prinses te gaan zien, en mij vervolgens

uwen prins te toonen.”

„Het is niet noodig dat ik mij die moeite geef,” hernam Maimoune, „er

bestaat een ander middel, om ons beiden daartoe in de gelegenheid te

stellen. Ga uwe prinses halen en wij zullen haar aan de zijde van

mijnen prins leggen; op die wijze zal het ons gemakkelijk vallen,

eene vergelijking te maken, en onzen twist te beslechten.”

Danhasch bewilligde in het verlangen der toovernimf, en spreidde zijne

vleugelen uit, met het doel, om dadelijk naar China terug te vliegen.

Maimoune hield hem echter tegen. „Wacht nog,” zeide zij, „dat ik u eerst

den toren zal hebben aangewezen, waar gij de prinses moet brengen.”

Beiden vlogen nu naar den toren. „Ga nu uwe prinses halen,” sprak zij,

„en spoed u; ik zal u hier afwachten.”

De geest scheidde daarop van de toovernimf, vloog naar China en kwam

met ongeloofelijken spoed terug, beladen met de schoone en slapende

prinses. Maimoune ontving haar, en bragt haar in de kamer van den prins

Camaralzaman, waar zij haar aan zijne zijde op het rustbed nederlegde.

Toen nu de prins en de prinses beide slapende, en dus zonder daarvan

bewust te zijn, neven elkander lagen, had er een lange tweestrijd plaats

tusschen den geest en de toovernimf, aan wie van deze twee wonderen

van menschelijke schoonheid den appel van Paris regtmatig toekwam. Zij

bragten een' geruimen tijd door in zwijgend aanschouwen, bewonderen en

vergelijken. Danhasch brak het eerst deze stilte af. „Gij ziet het nu,”

zeide hij tot Maimoune, „en ik heb het u ook wel gezegd, dat mijne

prinses schooner is dan uw prins. Kunt gij er thans nog aan twijfelen?”

„Hoe, of ik er aan twijfel!” riep Maimoune, „wel zeer zeker doe ik dat.

Gij moet met blindheid geslagen zijn, om niet te kunnen zien, dat mijn

prins het in schoonheid van uwe prinses verreweg wint. Ik ontken daarom

niet, dat ook uwe prinses schoon is; maar vergelijk naauwkeurig en

zonder vooringenomenheid, den een' tegen de andere, dan zult gij de zaak

bevinden zooals ik u zeg.”

„Al nam ik er ook een jaar toe,” hernam Danhasch, „om hen te aanschouwen

en te vergelijken, ik zou er niet anders over denken, dan ik thans doe.

Wat ik met den eersten oogopslag reeds gezien heb, zal ik niet anders

vinden, al keek ik er mij blind op. Dit belet echter niet, bekoorlijke

Maimoune, dat ik, indien gij zulks wenscht, het u gaarne gewonnen

wil geven.” „Neen! neen!” riep Maimoune, „het zal niet gezegd kunnen

worden, dat ik van een' boozen geest, gelijk gij zijt, eene gunst heb

aangenomen. Ik stel de zaak in handen van een' scheidsman, en indien gij

daar niet in toestemt, zoo zal ik uwe weigering beschouwen, als eene

bekentenis, dat ik het gewonnen heb.”

Danhasch, gereed alles toe te geven, wat Maimoune van hem mogt

verlangen, gaf ook nu bereidwillig zijne toestemming. Maimoune

trapte daarop met den voet op den grond. Deze spleet van een, en een

afzigtelijke geest kwam te voorschijn. Hij was gebogcheld, éénoogig en

kreupel, had zes horens op zijn' dikken kop, zijne handen en voeten

waren zoo krom als haken, en de nagels aan teenen en vingers als

vogelklaauwen. De aarde sloot zich vervolgens weder digt. Zoodra hij

Maimoune zag, wierp hij zich aan hare voeten; en de eene knie buigende,

vroeg hij haar, wat zij van haren zeer nederigen dienaar begeerde.

„Sta op, Casch-Casch,” zeide zij, „ik heb u hier doen komen, om

scheidsman te zijn in een geschil, dat ik met dezen ondeugenden Danhasch

heb. Sla uw oogen op dat rustbed, en zeg ons onpartijdig, wie u

toeschijnt de schoonste te zijn, die jongeling of deze jonge dame.”

Casch-Casch staarde op den prins en de prinses met alle teekenen van

verrassing en bewondering. Na hen naauwkeurig te hebben beschouwd,

zonder tot een besluit te kunnen komen, zeide hij tot Maimoune:

„Mevrouw, ik zou u moeten misleiden en tegen mijn gemoed spreken, indien

ik zeide, dat ik den eenen schooner vond dan de andere. Hoe langer ik

hen bezie, des te meer komt het mij voor, dat zij beiden eene volmaakte

schoonheid bezitten, en ik kan zelfs niet het minste gebrek ontdekken,

waardoor men zou kunnen zeggen, dat de een volmaakter is dan de andere.

Om hieromtrent tot eene beslissing te geraken, weet ik u geen' anderen

raad te geven, dan de eene na den anderen wakker te maken, en dat gij te

zamen overeenkomt, dat diegene welke de meeste drift en hartstogt zal

doen blijken, de minst reine van hart, en alzoo in zekeren zin de minst

volmaakte is.”

De raad van Casch-Casch behaagde zoowel aan zijne meesteres als aan

Danhasch. Maimoune veranderde zich in eene vloo en sprong op den hals

van Camaralzaman. Zij prikte hem zoo hevig, dat hij ontwaakte en de hand

aan die plaats bragt, maar zonder haar te vatten. Maimoune had zich door

een' snellen sprong uit den weg gemaakt, en nam nu hare gewone gestalte

weder aan, om te zien wat de prins doen zou. Zij had zich echter, even

als de beide andere geesten, onzigtbaar gemaakt.

Toen de prins zijne hand terugtrok, liet hij deze vallen, en wel juist

op die van de prinses van China. Hij opende nu de oogen, en keek zeer

verwonderd op, eene vrouw aan zijne zijde te vinden, en wel zulk een

schoone vrouw! Hij ligtte het hoofd op, om haar beter te kunnen opnemen.

De jeugd van de prinses en hare onvergelijkelijke schoonheid ontstaken

op dit oogenblik een vuur in zijne borst, zooals hij nog nimmer ontwaard

had. De liefde had hem op éénmaal van zijn' afkeer van de vrouwen

genezen; hij kon zijne oogen niet afhouden van zijne schoone gezellin,

en zich niet bedwingen uit te roepen: „Hoe schoon, hoe bekoorlijk is

zij! Mijne eenige geliefde! mijne ziel! mijn alles! kom aan mijne borst

en in mijne armen?” Dit zeggende, kuste hij haar op het voorhoofd, op

beide wangen en voor den mond, en wel met zoo weinig voorzorg, dat de

prinses zou ontwaakt zijn, indien niet Danhasch haren slaap door

betoovering verzwaard had.

„Hoe! mijne schoone dame,” sprak de prins, „ontwaakt gij niet bij deze

liefdeblijken van den prins Camaralzaman? Wie gij ook zijn moogt, hij is

uwe wedermin niet onwaardig.” Hij wilde haar nu voor goed wakker maken,

maar eensklaps bezon hij zich. „Zij is zeker,” zeide hij in zich zelven,

„degene, welke de sultan, mijn vader, mij ten huwelijk wil geven. Hij

heeft niet goed gehandeld, mij haar niet eerder te laten zien. Ik zou

hem dan niet beleedigd hebben door mijne ongehoorzaamheid, en hij zou

zich zelven de beleediging bespaard hebben, die ik hem door mijne

weigering in den raad toevoegde.” De prins Camaralzaman had nu berouw

over zijne vroegere dwaasheid, zooals hij het thans noemde, en andermaal

stond hij op het punt, de prinses van China te wekken, toen hem eene

nieuwe gedachte voor den geest kwam. „Wie weet,” zeide hij, „of de

sultan, mijn vader, mij niet tracht te verstrikken? Ongetwijfeld heeft

hij deze jonge dame gezonden, om mij te beproeven, of ik werkelijk zoo

afkeerig van het huwelijk ben, als ik heb voorgegeven. Wie weet of hij

haar niet zelf heeft hier gebragt, en zich hier of daar verborgen houdt,

om zich ter zijner tijd te vertoonen, en mij te beschamen wegens mijne

veinzerij? Deze tweede fout zou nog veel grooter zijn dan de eerste. Om

zeker te gaan, zal ik mij dus vergenoegen met dezen ring, dien ik als

eene gedachtenis wil behouden.” Het was een zeer kostbare ring, welke

de prinses van China aan den vinger had. De prins trok hem daar met

handigheid af, en stelde den zijne in de plaats. Dadelijk daarop legde

hij zich weder neder, en sliep door de tooverkracht der geesten weldra

even vast als vroeger.

Zoodra de prins Camaralzaman in een' vasten slaap lag, veranderde

Danhasch op zijne beurt zich in eene vloo, en beet de prinses in de

onderlip. Zij sprong met schrik op, ging overeind zitten, wreef zich de

oogen, en was zeer verbaasd zich aan de zijde van een' jongeling te

bevinden. Van die bevreemding ging zij tot bewondering over, en tot eene

ontboezeming harer blijdschap, toen zij zag, dat het zulk een welgemaakt

en beminnelijk jongman was.

„Wat!” riep zij, „zijt gij het, dien de koning, mijn vader mij tot

echtgenoot had bestemd? Het is wel ongelukkig, dat ik dit niet geweten

heb; ik zou mij dan niet verzet hebben, noch zoo lang verstoken zijn

geweest van een' echtgenoot, dien ik niet kan nalaten met geheel mijn

hart te beminnen. Ontwaak dus! ontwaak mijn geliefde!”

Dit zeggende, nam de prinses den prins Camaralzaman bij de armen, en

schudde hem zoo hevig, dat hij had moeten ontwaken, indien niet Maimoune

hare tooverkracht op hem verdubbeld had. De prinses liet intusschen niet

af, hem bij herhaling te schudden en aan te stooten, en ziende, dat hij

maar niet wakker was te krijgen, zeide zij: „Hoe nu! wat is er met u

gebeurd? Heeft een medeminnaar, jaloersch over uw geluk en het mijne,

zijne toevlugt tot de tooverkunst genomen, en heeft hij u in een'

onverstoorbaren slaap gedompeld?” Zij vatte zijne hand, en die met

teederheid aan hare lippen brengende en kussende, bespeurde zij den ring

dien hij aan den vinger had. Zij vond dezen zoo zeer gelijk aan den

hare, dat zij onwillekeurig naar haren vinger zag, en nu bemerkte, dat

men de ringen verwisseld had. Vermoeid van de vergeefsche pogingen, die

zij aanwendde, om den prins te wekken, en in de vaste meening, dat dit

alles de beschikking van haar' vader was, zeide zij: „Daar gij zoo vast

slaapt, wil ik niet langer trachten uwen slaap te storen; tot morgen

dus!” En na hem bij deze laatste woorden nog een kus' op de wang te

hebben gedrukt, legde zij zich weder neder, en sliep spoedig in.

Toen Maimoune bemerkte, dat zij kon praten zonder te vreezen, dat de

prinses van China daardoor zou ontwaken, zeide zij tot Danhasch: „Welnu

Danhasch, hebt gij het gezien? En zijt gij nu eindelijk overtuigd,

dat uwe prinses minder schoon is, dan mijn prins? Ga; ik wil u de

weddingschap, welke gij mij schuldig zijt, wel schenken; maar wanneer ik

u op een anderen tijd iets verzeker, geloof mij dan.” Hierop wendde zij

zich tot Casch-Casch. „Wat u aangaat,” sprak zij, „ik bedank u. Neem met

Danhasch de prinses op, en breng haar te zamen in haar eigen verblijf

terug.” Beiden volbragten het bevel van Maimoune met spoed. Zij bleef

alleen achter, en begaf zich weder in haren put.

Zoodra de prins Camaralzaman den volgenden morgen ontwaakte, keek hij of

de dame, welke hij dien nacht bij zich had gevonden, nog aan zijne zijde

was. Toen hij bemerkte, dat zij verdwenen was, zeide hij in zich zelven:

„Ik heb wel gedacht dat het een strik was, dien mijn vader mij wilde

spannen, en ik heb het aan mijne voorzigtigheid te danken, dat ik er

aan ontkomen ben. Wat zou hij mij hebben uitgelagchen!”—Hij riep

vervolgens zijn' slaaf, liet zich aankleeden, en een waschbekken met

water te brengen. Na zich gewasschen te hebben, nam hij een boek en

ging als gewoonlijk zitten lezen, zonder met een enkel woord over het

voorgevallene in dien nacht te spreken. Eerst na afloop van zijne gewone

morgenbezigheden riep hij den slaaf. „Kom bij mij,” zeide hij, „en lieg

niet. Hoe is de jonge dame, die dezen nacht in mijne kamer is geweest,

hier gekomen, en wie heeft haar hier gebragt?” „Prins,” antwoordde de

slaaf met de grootste verbazing, „van welke dame spreekt gij?” „Van

haar,” hernam de prins, „welke dezen nacht hier was en hier geslapen

heeft.” „Prins,” zeide de slaaf, „ik zweer u, dat ik er niets van weet

noch begrijp. Hoe zou die dame hier hebben kunnen binnen komen, daar ik,

zoo als gij weet, vóór de deur slaap.”

„Schelm, gij liegt!” riep de prins, opstuivende, „gij hebt u laten

omkoopen, om mij te kwellen en razend te maken.” Te gelijk gaf hij

den slaaf een' oorvijg, dat hij op den grond viel. Vervolgens bond hij

hem het puttouw onder de armen vast, liet hem in den put afzakken,

en dompelde hem herhaalde malen onder water. „Ik zal u verdrinken!”

schreeuwde de prins, bij de toediening van dit bad, „indien gij mij niet

dadelijk zegt, wie die dame is, en wie haar hier heeft gebragt.”

De slaaf ter halver lijve in het water hangende, en aan de gramschap van

zijn' meester overgeleverd, zeide tot zich zelven: „De prins is zeker

krankzinnig geworden, uit spijt dat hij hier is opgesloten; hij is in

staat zijne bedreiging uit te voeren, en niets dan een leugen kan mij

redden.” „Prins,” riep hij nu op smeekenden toon, „ik bid u, schenk mij

slechts het leven, en ik zal alles bekennen, wat ik weet.” De prins trok

hem nu uit den put op, en drong er op aan, dat hij met zijne bekentenis

onmiddelijk voor den dag zou komen. „Prins,” sprak de slaaf, die op

zijne beenen stond te beven, „zie in welken toestand ik mij bevind, en

geef mij zoo veel tijd, dat ik van kleed verwissele.” „Ik wil u dat

toestaan,” antwoordde Camaralzaman, „maar maak voort, en neem u wel

in acht, iets voor mij te verbergen.” De slaaf verliet de kamer, maar

grendelde de deur achter zich digt, en liep onmiddelijk naar het paleis.

Juist was de koning met zijnen groot-vizier in gesprek, en beklaagde

zich bij hem, dat hij eenen zeer slechten nacht had doorgebragt, ter

oorzake van de ongehoorzaamheid en strafbare opvliegendheid van den

prins, zijn' zoon, dien hij tot zijn groot leedwezen met hardheid moest

behandelen. De vizier zocht hem te troosten, en te doen inzien, dat de

prins zelf de oorzaak was van die vaderlijke gestrengheid. „Sire,” zeide

hij, „uwe majesteit moet geen berouw gevoelen, hem te hebben doen

opsluiten. Indien zij slechts het geduld heeft hem eenigen tijd in de

gevangenis te laten blijven, zoo mag zij zich overtuigd houden, dat de

jeugdige drift en stijfhoofdigheid van den prins wel zullen bedaren, en

hij zich eindelijk zal onderwerpen, aan alles wat uwe majesteit van hem

zal verlangen.”

Terwijl de groot-vizier dus sprak, kwam de slaaf zich aan den koning

Schahzaman vertoonen. „Sire,” zeide hij, „het is mij zeer leed aan

uwe majesteit iets te moeten mededeelen, dat zij niet zonder groote

droefheid zal kunnen aanhooren. Hetgeen de prins zegt van eene dame,

welke dezen nacht in zijne kamer zou geweest zijn, en den toestand

waarin hij, gelijk uwe majesteit kan zien, mij gebragt heeft, zijn maar

al te zeer blijken, dat hij niet meer bij zijn volle verstand is.” De

slaaf gaf vervolgens een breedvoerig verslag van alles, wat de prins

Camaralzaman gezegd had, en van de slechte behandeling hem aangedaan.

De koning werd door deze mededeeling zeer getroffen. „Dat is,” zeide

hij tot zijn' groot-vizier, „een zeer treurig voorval, zeer verschillend

van de goede hoop, welke gij mij zoo aanstonds gaaft. Ga, verlies geen

oogenblik; zie zelf wat er van de zaak is, en kom het mij dan zeggen.”

De groot-vizier gehoorzaamde oogenblikkelijk. De kamer van den prins

binnentredende, vond hij hem zeer bedaard met een boek in de hand zitten

lezen. Hij groette hem, zette zich naast hem neder, en zeide; „Wee uw'

slaaf, die door zijne mededeeling uwen vader een' doodelijken schrik

heeft aangejaagd.” „En welk berigt,” vroeg de prins, „heeft mijn' vader

zoo zeer doen schrikken? Ik heb groote reden, om mij over mijnen slaaf

te beklagen.” „Prins,” hernam de vizier, „Allah zij geloofd, dat hetgeen

die slaaf ons berigt heeft, onwaarheid is! De kalme toestand, waarin ik

u aantref, en waarin God u moge bewaren, doet mij zien dat hij gelogen

heeft.” „Misschien,” zeide de prins, „zal hij zich niet goed hebben

uitgedrukt. Ik ben dus zeer blijde u hier te zien; gij toch, die zoo

veel invloed bij den koning, mijn' vader, hebt, moet iets van de zaak

weten. Daarom zeg mij, waar is de dame, die dezen nacht in mijne kamer

geweest is.”

De vizier wist niet, wat hij hoorde. „Prins,” antwoordde hij, „wees

niet verwonderd, dat uwe vraag mij verstomd doet staan. Bestaat er

mogelijkheid, dat eenig man, nog veel minder eene dame, in den nacht

tot hier kan doordringen, daar men deze kamer slechts kan binnentreden

door de deur, en over het ligchaam van uwen slaaf? Hetgeen gij u als

werkelijkheid voorstelt, zal slechts een droom geweest zijn, die een'

zeer diepen indruk bij u heeft achtergelaten.” „Ik heb met uwe praatjes

niet noodig,” hernam de prins op hoogen toon, „en wil volstrekt weten,

wat er van die dame geworden is; wij zijn hier op eene plaats, waar ik

in staat ben mij te doen gehoorzamen.”

Deze kortaf gesproken woorden bragten den groot-vizier in eene groote

verlegenheid en angst. Hij zon op een middel, om uit dezen moeijelijken

toestand te geraken, en vroeg daarom den prins op zeer onderworpen en

beleefden toon, of hij zelf die dame gezien had „Ja, ja!” hernam de

prins, „ik heb haar gezien, en ben overtuigd, dat gij haar hebt hier

gebragt, om mij op de proef te stellen. Zij heeft de rol, die gij haar

geleerd hebt, zeer goed afgespeeld, en door geen woord tot mij te

spreken zich slapende gehouden, en zich uit de voeten gemaakt, zoodra

ik weder was ingesluimerd. Doch ik behoef u dit niet te vertellen, zij

zal u alles wel hebben medegedeeld.” „Prins,” hernam de groot-vizier,

„ik zweer u, dat noch de koning uw vader, noch ik, u die dame hebben

toegezonden; wij hebben daar zelfs niet aan gedacht. Veroorloof mij

dus u nogmaals opmerkzaam te maken, dat gij dit meisje slechts in een'

droom zult hebben gezien” „Gij zijt dus ook hier gekomen, om mij te

bespotten,” hernam de prins toornig, „en mij in het aangezigt te zeggen,

dat hetgeen ik met mijne oogen gezien en met mijne handen betast heb,

geene wezentlijkheid, maar een droom is?” Dit zeggende greep hij den

vizier bij den baard, en mishandelde hem met vuistslagen.

De arme groot-vizier verdroeg dezen zoo onstuimigen toorn van den prins

Camaralzaman met ongeloofelijk geduld. „Zoo ben ik dan,” zeide hij

in zich zelven, „in het zelfde geval als de slaaf; en ik mag nog van

geluk spreken, indien ik het er zoo goed afbreng als hij.” Daar de

prins inmiddels er steeds duchtig op toesloeg, besloot de mishandelde

staatsdienaar de list van den slaaf na te volgen. „Ik smeek u, houdt op

prins,” riep hij, „en verleen mij een oogenblik gehoor!” „Spreek,” zeide

de prins zelf het slaan moede, „wat hebt gij mij te zeggen?”

„Ik moet u dan bekennen prins,” zeide nu de groot-vizier veinzende, „dat

er van hetgeen gij mij gezegd hebt, wel iets waar kan zijn. Maar gij

kent de pligten, welke een staatsdienaar jegens den koning, zijn' heer

en meester, te vervullen heeft. Deel mij dus mede, wat ik uwen vader uit

uwen naam moet zeggen. Ik zal uwe woorden getrouw overbrengen.” „Welnu,”

sprak de prins, „ga, en zeg aan den koning, mijn' vader, dat ik wil

trouwen met de dame, welke hij dezen nacht hier heen gezonden heeft. Doe

dit spoedig, en breng mij zijn antwoord.” De groot-vizier maakte eene

diepe buiging, en vertrok ten spoedigste. Hij achtte zich niet veilig,

vóórdat hij den toren verlaten, en de deur achter zich had digt

gegrendeld.

In groote verwarring en zeer neêrslagtig verscheen hij voor den koning

Schahzaman, zoodat deze vorst reeds een voorgevoel had van de droevige

tijding, die hij van hem vernemen zou. „Welnu,” vroeg de monarch met

huivering, „in welken toestand hebt gij mijn' zoon aangetroffen?” De

vizier deed hem een getrouw verslag van het onderhoud, dat hij met

den prins gehad had, van diens oploopendheid, toen hij hem van de

onmogelijkheid sprak, dat er eene dame bij hem kon geweest zijn, van de

slechte behandeling, die hij van hem had ondervonden, en eindelijk van

de list waarvan hij zich bediend had, om uit de handen van dien razende

te ontkomen.

Schahzaman werd door dit berigt diep bedroefd, te meer daar hij zijn'

zoon, niettegenstaande diens onbetamelijk gedrag, nog steeds eene

teedere genegenheid toedroeg.—„Ik wil zelf zien, hoe het met hem

gesteld is,” zeide hij met een' zwaren zucht; en vergezeld door zijnen

vizier, begaf hij zich naar den toren.

De prins Camaralzaman ontving zijn' vader in zijne gevangenis met den

meesten eerbied. De koning zette zich neder, en nadat hij den prins aan

zijne zijde had doen plaats nemen, deed hij hem onderscheidene vragen,

die door Camaralzaman allen met gezond verstand beantwoord werden. De

monarch zag nu den groot-vizier aan, alsof hij zeggen wilde: „Ik kan

niet zien, dat de prins mijn zoon krankzinnig is, zooals gij mij hebt

verzekerd.” Daar hij werkelijk aan den prins niet het geringste teeken

van krankzinnigheid kon bespeuren, aarzelde de koning niet langer, op de

zaak zelve neder te komen. „Zeg mij toch mijn zoon,” zeide hij, „wat u

met eene dame gebeurd is, welke, zooals men mij gezegd heeft, dezen

nacht hier zou geweest zijn.”

„Sire,” antwoordde Camaralzaman, „ik smeek uwe majesteit het verdriet

niet te vergrooten, dat men mij door deze zaak reeds veroorzaakt heeft.

Bewijs mij liever de gunst mij dit meisje ten huwelijk te geven. Hoe

grooten afkeer ik u ook betuigde van de vrouwen te hebben, deze jonge

schoone is mij zoo bevallen, dat ik geene zwarigheid maak u mijne liefde

te belijden. Ik ben gereed haar van uwe hand te ontvangen, en zal er u

zeer dankbaar voor zijn.”

Dit antwoord van den prins bragt Schahzaman op nieuw in groote

verslagenheid. Het verzoek van zijn' zoon kwam hem zoo dwaas voor, dat

hij werkelijk aan zijn verstand begon te twijfelen. „Mijn zoon,” zeide

hij, „gij voert daar een gesprek tot mij, waarvan ik geene hoogte kan

krijgen. Ik zweer u bij mijne kroon, die éénmaal op uw hoofd moet

overgaan, dat ik van die dame, waarover gij mij spreekt, volstrekt niets

weet. En hoe zou zij zonder mijne toestemming, in dezen toren hebben

kunnen doordringen? Want, hetgeen mijn groot-vizier u heeft gezegd, deed

hij slechts, om aan uwe woede te ontkomen. Het zal dus zeker een' droom

geweest zijn, die u in het hoofd maalt.”

„Sire,” gaf de prins ten antwoord, „ik zou mij de goedheid van uwe

majesteit voor altoos onwaardig maken, indien ik geen geloof hechtte aan

de verzekering, welke zij mij geeft. Maar ik smeek u, mij geduldig aan

te hooren, en dan zelf te beoordeelen, of hetgeen ik u ga zeggen, een'

droom geweest is.”

De prins Camaralzaman verhaalde nu zijnen vader op welke wijze hij

ontwaakt was; hij schetste hem met levendige kleuren de schoonheid en de

bekoorlijkheden van de dame, die hij aan zijne zijde had gevonden, de

liefde die hij voor haar had opgevat, en de vergeefsche moeite welke hij

had aangewend, om haar wakker te maken. Hij verborg zelfs voor hem de

reden niet, die hem bewogen had, af te zien van verdere pogingen, om

haar te doen ontwaken. Verder hoe hij zich weder te slapen legde, nadat

hij zijn' ring met die van de schoone jonge vrouw had verwisseld. Bij

deze laatste woorden trok Camaralzaman den ring van zijn' vinger, en

bood dien zijnen vader aan. „Sire,” vervolgde hij nu, „de mijne is u

niet onbekend, want gij hebt dien dikwijls gezien; oordeel zelf of dat

alles een droom kan geweest zijn, en of ik, zooals men uwer majesteit

heeft willen doen gelooven, krankzinnig ben.”

De koning zag duidelijk in, dat hetgeen de prins zijn zoon hem

verhaald had, eene werkelijkheid moest zijn, waar hij niets tegen wist

in te brengen. Zijne verwondering over deze inderdaad onverklaarbare

gebeurtenis was echter zoo groot, dat hij eenen geruimen tijd in

gedachten verdiept geraakte. De prins maakte van die gelegenheid

gebruik. „Sire,” zeide hij, „de liefde welke dit bekoorlijke meisje,

wier beeldtenis in mijn hart staat gegrift, mij heeft ingeboezemd, is

reeds zoo hevig, dat ik de kracht niet heb, daaraan weêrstand te kunnen

bieden. Ik smeek alzoo uwe majesteit, mededoogen met mij te hebben, en

mij door haar bezit gelukkig te maken.”

„Na al hetgeen ik gehoord heb, en nu ik dezen ring gezien heb, mijn

zoon,” antwoordde de koning Schahzaman, „kan ik er niet aan twijfelen,

dat de dame, die deze liefde in uw hart heeft ontstoken, dezen nacht bij

u is geweest. Gave Allah, dat ik haar kende, uw wensch zou nog heden

vervuld worden, en ik zou de gelukkigste vader zijn! Maar waar haar te

zoeken? Hoe, en op welke wijze is zij hier binnen gekomen, zonder dat

ik er iets van vernomen heb. Waarom is zij slechts gekomen, om u terwijl

zij sliep hare schoonheid te laten zien, eene onuitbluschbare liefdevlam

in uw hart te ontsteken, en u weder te verlaten, nadat gij waart

ingeslapen? Ik begrijp niets van deze wonderbare zaak, en indien de

Hemel ons niet gunstig is, zoo zal zij de oorzaak van ons beider dood

zijn.” Bij het eindigen dezer woorden vatte hij den prins bij de hand.

„Kom mijn zoon,” vervolgde hij, „laat ons te zamen treuren, gij, door

zonder hoop te beminnen, en ik, door u in droefheid te zien en niet te

kunnen helpen.”

Camaralzaman vergezelde zijn' vader naar het paleis, waar hij zich,

wanhopig eene hem geheel onbekende dame te beminnen, terstond te bed

begaf. De koning sloot zich met hem op, en bragt verscheidene dagen

bij zijn' zoon door, zonder zich in het minst met zijne staatszaken te

bemoeijen. De groot-vizier was de eenigste, die vrijen toegang tot den

monarch had. Na eenigen tijd bragt deze hem met nadruk onder het oog,

dat niet alleen het hof ontevreden was over zijne afwezigheid, maar dat

ook het volk luide begon te morren. „Sire,” vervolgde hij, „het strekt

zeker den prins tot troost uw gezelschap te genieten, en het doet uw

vaderhart goed, hem dit genoegen te kunnen verschaffen, maar indien

uwe majesteit geen gehoor geeft aan den algemeenen wensch van al hare

onderdanen, en niet als naar gewoonte audientie verleent en regt spreekt

zoo zie ik groote gevaren te gemoet. Ik acht mij verpligt aan uwe

majesteit in bedenking te geven, om den prins naar het kasteel op het

kleine eiland, dat voor de haven ligt, te laten overbrengen. De gezonde

lucht, die men daar inademt, zal hem goed doen, en het schoone gezigt

dat hij daar heeft, zal hem den tijd van uwer majesteits afwezen zonder

verveling doen doorbrengen.”

De koning Schahzaman keurde dezen raad van zijn' vizier goed, en nadat

het kasteel op het kleine eiland, van het noodige huisraad voorzien

was, begaf hij zich met den prins derwaarts, en verliet hem niet, dan

om tweemaal in de week audientie te verleenen, en regt te spreken. Den

overigen tijd bragt deze liefdevolle vader aan het bed van zijn kind

door, en trachtte het zoo veel mogelijk te troosten.

Terwijl dit in de hoofdstad van het eiland der kinderen van Khaladan

voorviel, hadden de beide geesten Danhasch en Casch-Casch de prinses

van China naar haar paleis gevoerd, en haar weder te bed gelegd. Den

volgenden morgen zocht deze bij haar ontwaken links en regts naar den

schoonen jongeling, welken zij dien nacht aan hare zijde had gezien. Hem

niet meer vindende, riep zij kermende hare vrouwen, die allen ijlings

kwamen toeschieten. Zij omringden haar bed, en vroegen, wat zij

begeerde.

„Zeg mij,” sprak de prinses van China, „waar is de jongeling gebleven,

die dezen nacht bij mij is geweest, en dien ik met geheel mijn hart

bemin?” „Prinses,” antwoordde hare voedster, „wij begrijpen u niet,

indien gij u niet duidelijker verklaart.” „Zoo weet dan,” hernam de

prinses, „dat ik dezen nacht een' jongeling aan mijne zijde zag, zoo

welgemaakt en beminnelijk, als men zich slechts kan voorstellen. Ik heb

hem langen tijd geliefkoosd, en alles gedaan, om hem wakker te maken,

zonder daarin te slagen. Nu vraag ik, waar hij is gebleven?”

„Prinses,” antwoordde de voedster, „gij wilt ongetwijfeld eene grap

met ons hebben! Behaagt het u, om op te staan?” „Ik spreek in vollen

ernst,” hernam de prinses Badoura, „en ik wil weten, waar hij is.”

„Maar prinses,” bragt de voedster in „toen wij u gisteren avond te bed

bragten, waart gij alleen, en voor zoo ver uwe vrouwen en ik weten, is

er sedert niemand hier binnengekomen.”

De prinses van China verloor het geduld; zij nam de voedster bij de

haren, sleepte haar voort, en sloeg haar onder de woorden: „Gij zult

het mij zeggen, oude tooverkol, of ik vermoord u?” De voedster deed

haar uiterste best, om uit de handen der prinses te geraken. Eindelijk

gelukte haar dit, echter niet zonder eene haarlok achter te laten, die

Badoura als overwinningsteeken in de hand hield. Zich los geworsteld

hebbende, liep de voedster vol angst naar de koningin, de moeder van de

prinses van China. „Mevrouw,” sprak zij, „zie, hoe de prinses mij heeft

behandeld. Zij zou mij vermoord hebben, indien ik niet uit hare handen

had weten te ontkomen. Zij wil volstrekt van ons weten, welke jonge man

dezen nacht in hare kamer is geweest, en het is ons niet mogelijk, aan

haar vreemd verlangen te voldoen.”

De koningin begaf zich vergezeld door de voedster, onverwijld naar het

vertrek, waarin de prinses was opgesloten, en zich naast hare dochter op

de sofa plaatsende, vroeg zij eerst met belangstelling naar den toestand

harer gezondheid. Daaromtrent een geruststellend antwoord bekomen

hebbende, vervolgde zij: „Zeg mij nu ook, wat uwe voedster misdreven

heeft, dat gij haar zoo hebt mishandeld. Eene prinses van uwen rang moet

nimmer, zelfs in haren toorn, zoo ver gaan.” „Mevrouw,” antwoordde de

prinses, „ik merk, dat ook gij met mij den spot wilt drijven; maar ik

verklaar u, niet te zullen rusten, vóórdat ik den beminnelijken ridder,

die dezen nacht bij mij heeft doorgebragt, tot echtgenoot zal hebben.

Gij zult wel weten, waar hij zich op dit oogenblik bevindt, en ik smeek

u, hem hier te doen komen.”

„Dochter,” hernam de koningin, „uw spreken verbaast mij ten hoogste, en

ik betuig u, dat ik daar niets van begrijp.” De prinses verloor hierop

den kinderlijken eerbied uit het oog. „Mevrouw,” zeide zij, „de koning

mijn vader en gij hebt mij gekweld en vervolgd, ten einde mij tot een

huwelijk te dwingen, toen ik daar geen' lust in had; die lust is

thans in mij opgekomen, en ik wil volstrekt den ridder, van wien ik u

gesproken heb, tot man hebben; zoo niet, dan breng ik mij zelve om het

leven.”

De koningin trachtte de prinses door zachtmoedigheid tot bedaren te

brengen. „Lieve dochter,” sprak zij, „gij weet immers zelve wel, dat gij

hier geheel alleen zijt, en geen man bij u kan komen.” Maar in plaats

van te luisteren, viel de prinses haar in de rede, en stelde zij zich

zoo waanzinnig aan, dat de koningin beducht werd, dat zij zich ook aan

haar zou vergrijpen, en met droefheid in het hart van daar ging, om er

den koning berigt van te geven.

De koning van China wilde zich met eigen oogen van deze zaak overtuigen.

Hij begaf zich naar het vertrek van zijne dochter, en vroeg haar, of het

waar was, wat hij van haar had moeten hooren. „Sire,” antwoordde de

prinses, „laat ons daar niet verder over spreken; bewijs mij slechts

eene gunst, door mij hem tot echtgenoot te geven, die dezen nacht hier

is geweest.” „Hoe, mijne dochter,” hernam de koning, „is er dezen nacht

iemand hij u geweest?” „Sire,” viel de prinses haren vader in de rede,

zonder hem te laten uitspreken, „hoe kunt gij dat vragen? Zulks is uwe

majesteit niet onbekend. Het is de schoonste en welgemaaktste ridder ter

wereld. Ik vraag hem aan u terug, en smeek u, mij dit niet te weigeren.

Om uwe majesteit echter te overtuigen, dat die ridder werkelijk hier is

geweest, en ik hem bewonderd en geliefkoosd heb, hoewel mijne pogingen

om hem te wekken vruchteloos waren, zoo heb slechts de goedheid dezen

ring te bezigtigen.” Bij deze woorden stak zij de hand uit. De koning

van China wist nu niet meer, wat hij van de zaak denken moest, noch wat

hij daarop zou antwoorden, want de ring, dien zij aan den vinger had en

hem zien liet, was van een' man. Zich echter geen begrip kunnende vormen

van alles, wat zij hem zeide, en haar reeds als krankzinnig beschouwende

en opgesloten hebbende, dacht hij niet anders, dan dat zij geheel en al

van het verstand beroofd was. Zonder haar dus verder tegen te spreken,

deed hij haar in ketens sluiten, uit vrees dat zij zich in een' aanval

van dolheid aan hem, of aan anderen die haar naderden, zou vergrijpen.

Hij gaf de prinses alleen hare voedster, om haar te bedienen, en

plaatste eene wacht bij de deur van haar vertrek.

De koning van China bijna ontroostbaar, dat de prinses, zooals hij

meende, geheel zinneloos was, dacht nu alleen op middelen, die tot hare

genezing zouden kunnen bijdragen. Hij deed den raad vergaderen, en legde

den toestand bloot, waarin zijne dochter verkeerde, er bijvoegende,

dat indien zich onder hen, of ergens in zijn geheele rijk, iemand

bevond, die zich bekwaam achtte de prinses te kunnen genezen, en

daarin werkelijk slaagde, deze haar tot gemalin zou hebben, en na

zijn overlijden zijn rijk en zijne kroon beërven.

De begeerte, eene zoo schoone prinses te bezitten, en welligt éénmaal

te zullen heerschen over een zoo magtig rijk als dat van China, maakte

diepen indruk op eenen reeds bejaarden emir, die in de raadsvergadering

tegenwoordig was, zoodat hij dadelijk van zijne plaats opstond, en

aanbood de genezing der prinses te willen beproeven. „Ik sta het u toe,”

zeide de koning, „maar indien gij niet slaagt, laat ik u het hoofd

afslaan; want het zou niet billijk zijn, naar eene zoo groote belooning

te dingen, zonder daarbij eenig gevaar te loopen. Hetgeen ik u zeg,

geldt tevens voor alle anderen, die zich na u mogten aanbieden. Weet dus

wel, wat gij doet.”

De emir, zich op zijne kennis in de tooverkunst verlatende, nam het

voorstel zonder aarzeling aan, en de koning bragt hem in eigen persoon

bij zijne dochter. Zoodra de prinses den emir zag, liet zij haren

sluijer vallen. „Sire,” zeide zij tegen haren vader, „het bevreemdt mij,

dat uwe majesteit een vreemden man bij mij brengt, aan wien ik mij

volgens onzen godsdienst niet mag laten zien.” „Dochter,” hernam de

koning, „laat u door zijne tegenwoordigheid niet verontrusten; hij is

een van mijne emirs, die u ten huwelijk vraagt.” „Sire,” sprak de

prinses, „hij is de man niet, dien gij mij reeds gegeven hebt, en die

mij dezen ring aan den vinger gestoken heeft.”

De emir had verwacht, dat de prinses zou spreken en handelen als iemand,

die van het verstand beroofd is. Hij was dus zeer verwonderd, haar zoo

rustig te zien, en eene taal te hooren voeren, zooals men geenszins

van eene krankzinnige zou verwachten. Hij begreep nu dadelijk, dat

hare kwaal niets anders was, dan eene hevige liefde, die op goede

gronden berusten moest, hetgeen hij echter niet aan den koning durfde

mededeelen; want hij dacht, dat de vorst niet zou kunnen dulden, dat

zijne dochter aan een' ander haar hart had geschonken, dan aan dengene,

welken hij voor haar bestemd had. Hij wierp zich aan de voeten van

koning van China. „Sire,” zeide hij, „na al hetgeen ik gezien en gehoord

heb, zou ik te vergeefs beproeven de prinses te genezen; voor hare kwaal

heb ik geene middelen, en ik stel dus mijn leven ter beschikking van uwe

majesteit.” De koning, vergramd over de onbekwaamheid van den emir, en

de vergeefsche moeite, die hij hem had laten nemen, liet hem onthoofden.

Ten einde verder niets te verzuimen, wat tot herstelling der prinses zou

kunnen strekken, liet de koning eenige dagen na deze vergeefsche proef

in zijne hoofdstad omroepen, dat indien er een geneesheer, sterrekijker

of toovenaar was, ervaren genoeg om aan de prinses het verstand terug te

geven, deze zich slechts te vertoonen had, om na de herstelling zijner

dochter haar tot belooning te ontvangen; maar wanneer hij haar niet

genas, hij zijn hoofd hierbij zou inschieten. Het zelfde liet hij door

zijn geheele rijk en aan de naburige hoven bekendmaken.

[Illustratie: Camaralzaman en Badoura.

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel · 第 4 / 12 题