Eene hevige, overweldigende smart maakt zich opnieuw van haar meester.

Zij buigt het hoofd! Zoover was het dan gekomen, dat zij naar een

wapen omziet tegen den man, dien ze ondanks alles met heel hare ziel

liefheeft! Dat is er dus geworden van die heilige beloften, hier in dit

eigen vertrek haar in de ooren gefluisterd, als hij haar aan zijn hart

sloot en zijn mond overvloeide van lof voor hare betooverende

schoonheid!

Neen, dat zal niet waar zijn! Zulk eene laaghartigheid is te snood! Hij

heeft niet gelogen--hij zal woord houden. Zij droomt, en zal dadelijk

ontwaken. Waarom hare drift niet betoomd? Maar zij kon niet anders. Haar

toorn was de noodkreet van hare teleurgestelde liefde .... zij kon niet

anders!

De deur der alkoof wordt geopend. Van Reelant treedt binnen. Hij is zeer

net in zwarten rok en witte das gekleed. Hij heeft zijn hoed in de hand,

en plaatst een licht reiskoffertje op een stoel. Hij ziet Suze kalm,

zonder verwondering aan, en zegt met meesterlijk nagebootste

bedaardheid:

»Nog hier?"

Suze slaat de vochtige oogen omlaag.

Zij komt een schrede nader. Overvloedig stroomen hare tranen. Zij strekt

de beide armen uit, en zinkt met een hartverscheurenden gil op de

knieën.

»Arnold!"--snikt ze.--»Luister nog één oogenblik! Ik ben zoo diep

ongelukkig! Stoot mij nu niet af! Kom, wees edelmoedig! Denk niet meer

aan die vreeselijke woorden van zooeven! Ik wist zelf niet wat ik deed!

O, ik was zoo zalig, zoo trotsch, zoo kinderachtig blij, omdat ik je

zeggen kon: »Arnold! ik ben vrij! Ik ben weduwe!" Ik hoopte, dat je even

gelukkig mij te gemoet zoudt komen! Waarom heb je mij afgestooten ....

ik weet het niet, maar ik wil het weten.... Zeg het mij! Want nu zou ik

mijn verstand verliezen, als ik je zag heengaan, zonder een woord van

troost, van bemoediging.... Arnold! Arnold! wees voorzichtig, speel niet

met mijn wanhoop!"

Suze wrong beide handen in de hoogste vertwijfeling. De fraaie donkere

lokken vielen over hare in tranen badende oogen, maar ondanks die tranen

was ze nog altijd mooi....

Van Reelant ziet snel op zijn horloge.

Eenige minuten na halftwee.

Hij kan nog een enkel woord tot haar zeggen.

Maar hij blijft bedaard en kalm:

»Suze! Sta als je blieft op, en maak zoo'n ~scène~ niet zonder reden. We

kunnen later spreken. Ik moet nu weg voor een diner...."

»Voor een diner! Mijn God! Mijn God! Ben ik zoo weinig waard, dat je me

op het allergewichtigst oogenblik van mijn leven afscheept voor .... een

diner!"

Suze klemde zich knielend aan een der groote fauteuils bij den

schoorsteen vast. Zij legde haar hoofd op de gevouwen handen, hare

lokken overstroomden het akelig bleeke gelaat. Als het levend beeld der

vertwijfeling lag zij aan zijne voeten--hare geheele gestalte scheen

eene hartroerende bede om ontferming, eene lange smartkreet om

medelijden....

Van Reelant meende, dat het nu lang genoeg was.

»Je begrijpt me verkeerd! Ik moet uit dineeren, stellig! Ik heb als

fatsoenlijk man mijn woord gegeven, en ik moet het houden, dat is

alles!"

De jonge vrouw heft nu het hoofd op. Zij werpt de door hare ontroering

verwarde weelderige haren in den nek, en zegt trillend van

verontwaardiging en weedom:

»Als fatsoenlijk man heb je je woord gegeven! En je moet het houden!

Maar houd dan eerst je woord, dat je aan mij gegeven hebt, Arnold! Nu

is het nog tijd! Kom, zeg het me gauw, dat ik me vergis .... dat je

woord houdt .... dat mijn dwaze drift te ver ging! Ik wil niet langer

twijfelen aan den eenigen man, dien ik ooit heb liefgehad! Ik wil hem

des noods verdedigen tegen zich zelven!"

Suze springt op. De crisis van hare tragische smart was gekomen. Zij

waant zich nu zeker van haar triumf. Onverwijld had ze zich, zonder eene

seconde te verliezen, aan Van Reelant vastgeklemd.

Vleiend, glimlachend als vroeger, klinkt haar stem nog zoeter dan ooit

te voren:

»Arnold! Mijn Arnold! Zeg me nu, wanneer ik je vrouw zal worden! Bedenk

eens wat we saam zoo dikwijls hebben afgesproken! Denk eens aan dien

winteravond, toen mijne ouders mij dwongen De Huibert te nemen, daar

er aan een huwelijk tusschen ons beiden toch nooit kon gedacht worden!

Wie heeft je toen moed ingesproken, wie je getroost met de belofte van

onveranderlijke trouw? Wie fluisterde je toen iets monsterachtigs

in de ooren, dat je dronken maakte van vreugde? Ben ik voor iets

teruggedeinsd, om je te bewijzen, dat de meest hartstochtelijke liefde

me voor eeuwig aan je vastsnoerde? Wat heb ik al niet geschonden,

om jou te believen? Hoe moedwillig besloot ik den armen De Huibert te

bedriegen, nog voor mijn huwelijksdag! Maar dat deed ik met vreugd, want

het was voor jou, mijn Arnold! Had ik meer kunnen doen, dan ik werkelijk

deed, ik zou het gedaan hebben, om je daardoor nog meer offers van mijn

liefde te brengen! Zoolang ik leef, zal ik je even vurig aan mijn hart

drukken, als in dit oogenblik! Ik zal nooit verkoelen of verminderen in

mijn liefde .... je moogt mijn hart in twee stukken snijden, het draagt

aan beide kanten alleen jou naam...."

Onmogelijk is het te zeggen met welk eene jubelende teederheid, met

welk eene wegsleepende warmte deze woorden werden uitgesproken.

Suze opende daarbij hare groote, fluweelzachte, donkerbruine oogen, en

trachtte haar vonnis op zijn gelaat te lezen.

Er was niets op dat gelaat te ontdekken. Het bleef beweegloos, plechtig,

als de witte das, die onder de breed neergeslagen boorden uitkwam.

Van Reelant ziet weder op zijn uurwerk.

Tien minuten na halftwee....

Suze's stem had nog een oogenblik geklonken in zijn hart, een flauwe

echo, als van vroegere gelukkige dagen, drong tot zijn oor....

Maar--neen, het mocht niet, hij wilde zich niet van zijn stuk doen

brengen.

»Dat is alles goed en wel"--zegt hij luchtig--»maar nu moet ik naar den

trein! We zullen over de zaak spreken, maar later, later...."

Schielijk grijpt hij Suzes handen, drukt ze snel, en loopt naar zijn

reiskoffertje.

Suze's hart bonst onstuimig. Zij kan nauwelijks een geluid geven. Toch

vermant ze zich. Hare wangen zijn vaal, perkamentkleurig bleek geworden;

hare oogen alleen openen zich wijder, en vlammen.

Zij treedt hem in den weg.

»Ga dan naar den trein, maar eerst zeggen, waar je heen gaat!"

»Naar Rotterdam .... houd me niet langer op!"

»Naar Rotterdam .... en dan?"

»Naar Utrecht, om te dineeren...."

»Bij?"

»Bij Van Berenvelt, dat spreekt van zelf!"

Suze klemt de tanden op elkaar; haar boezem golft onstuimig. Zij zwijgt,

alleen hare oogen spreken.

»Uit den weg Suze! Ik heb geen minuut meer te verliezen!"

Van Reelant had zijn hoed snel op het hoofd gezet, hij dringt zonder

eenig compliment Suze voorbij, en grijpt den knop van de deur.

Maar de deur is gesloten--de sleutel weggenomen.

Driftig keert hij zich om. Hij zoekt een oogenblik.

Daarna zegt hij met toornige stem:

»Kom aan! Geen gekheid, Suze! Geef me den sleutel!"

De jonge vrouw glimlacht koel. Zij schudt het hoofd.

»Ik verbied je te gaan, Van Reelant! Dat spreekt van zelf! Alles is

gedaan tusschen ons! Je hebt duidelijk genoeg gesproken, al heb je niets

gezegd. Je werpt het masker af. Je laat mij eenvoudig aan mijn lot over!

Een poos ben ik je speelgoed geweest, en vond je het niet kwaad van tijd

tot tijd je hart aan dat speelgoed op te halen! Maar nu--nu krijg ik

mijn afscheid! Er is nu eene andere dame van naam en vermogen, Adèle van

Berenvelt! Groote God! Dat schelmstuk zal niet gelukken! Ik zweer het!"

Als de bleeke Nemesis zelve hief ze hare rechterhand omhoog, en toonde

verachtelijk den sleutel.

Van Reelant balde in woedende drift de vuist. Hij wierp zijn reiskoffer

met een slag op den vloer, en vliegt naar het schellekoord aan den wand.

Maar hij blijft plotseling onbeweeglijk staan. Als hij de menschen, die

beneden hem wonen, waarschuwt, zal hij belachelijk worden. Opgesloten

door eene bijna onbekende dame, zal er een groot tumult ontstaan. Hij

zal den kleermaker van beneden zien verschijnen, men zal de deur met

geweld openbreken. Men zal de bittere verwijten van Suze hooren--daaraan

kan hij zich onmogelijk blootstellen.

Belachelijk te worden voor den heer Emile van Pommeren, ~fils~,

~fournisseur de la Cour~, en misschien bij overlevering voor al de

schitterendste winkeliers der Hoogstraat, dat was te veel. Hij moest

oogenblikkelijk weg en zonder gerucht. Daar was maar een enkel

middel--Suze noodzaken hem den sleutel terstond terug te geven.

Nog altijd stond ze daar dreigend, met de armen gekruist, den sleutel in

de gesloten vuist, de oogen schitterend van verontwaardiging, het hart

brekend van ellende en weedom....

Van Reelant stormt op haar af.

»Kom Suze! Laat die dwaasheid uit zijn! Geef mij den sleutel!"

»Nooit!"

»Ik waarschuw je! Neem je in acht!"

Suze lacht even, en meet hem met uitdagenden blik.

Snel als de straal van het weerlicht valt hij, een schorren kreet

slakend, op Suze aan. Zijn hoed rolt op den grond.

De linkerhand grijpt onverwacht haar blanken hals, en drukt haar met ruw

geweld achterover. De rechter zoekt zich meester te maken van den

sleutel. Suze wankelt, maar herstelt zich. De wreede hand, die eenmaal

zoo teeder de hare drukte, wringt zich als een strop om den hals, de

rechter poogt hare vuist open te breken. De adem begeeft haar. Zij

duizelt, en stort plotseling met een luiden slag achterover tegen den

haard. Haar rechterslaap wordt gekwetst. Het bloed druppelt over haar

wang. Een haardstel met stalen asschop, tang en pook valt luid ratelend

naast haar omver.

Zij klemt de vuist met den sleutel steeds vaster, maar gevoelt, dat Van

Reelant wanhopige pogingen doet hare vingers van een te rukken. Op het

oogenblik, dat de wond van haar rechterslaap haar een lichten zucht van

pijn uitlokt, heeft hij haar den sleutel bijna ontweldigd. Zij kan hem

niet langer vastklemmen. Van Reelant overwint. Als een furie rijst zij

van den grond. Zij grijpt den zwaren stalen pook. Van Reelant stort

vooruit naar de deur.

Eer hij den sleutel kan omdraaien, is Suze hem op de hielen. Een hevige

slag met den pook daalt op zijn achterhoofd....

Er klonk een rauw geluid door het vertrek--iets dat naar eene vloek

zweemde.

Daarna schaterde er een wilde lach--en toen was alles stil.

* * * * *

Vrijdag, den 3den Juni 1855, was het vol in de Hoogstraat. Het mooie

zomerweer lokte een menigte van wandelaars. Deftige mama's met aardige

dochters in fraai zomerkostuum drentelden langs de winkels, en

beoordeelden de zijden en kanten stoffen--achter de winkelruiten

lokkende tot koopen. Rijtuigen met lakeien voor en achter stonden in

alle deftigheid te wachten op de mevrouwen, die »commissiën" deden.

De Mercuriussen met goud galon om den hoed zouden op den bok zijn

ingedommeld onder den invloed der zomerwarmte, had niet een passend

bewustzijn van eigenwaarde hen uit den dut gehouden, vooral tegenover

de Haagsche straatbengels, die zich aan de grootheden dezer wereld zoo

weinig, o zoo weinig! kreunen.

Onder de wachtende rijtuigen bevond zich juist kwart voor tweeën een

gewone vigilante. De voerman van dat vehikel hield stil voor het fraaie

winkelhuis van den heer Emile van Pommeren, ~fils~, ~marchand-tailleur

et fournisseur de la Cour~. Met een loggen sprong plofte hij van den

bok, en schelde hij aan bij den afzonderlijken opgang van Van Reelant's

bovenkwartier. Oogenblikkelijk daarop heesch hij zich weer naar boven,

en legde zich met de hand onder het hoofd te slapen. Weldra ontfermde

zich de goddelijke Morpheus over dezen negentiende-eeuwschen Automedon.

Voor Van Pommerens winkelglazen was een splinternieuwe ministersrok

uitgestald, en lagen de zomerstoffen, waarvan de residentiepronkers

hunne vesten lieten maken. De bezitter van al deze schatten hield zich

in een zijvertrek bezig met de studie van zijn Grootboek en berekende

het totaalbedrag der sommen, welke zijne hooggeschatte »clientèle" hem

schuldig was, en te avond of te morgen hem zou kunnen betalen. Hij

verkneukelde zich over het hoog »montant" der gelden in quaestie, en zou

zich nog levendiger verblijd hebben, als hij op eens over al deze posten

tegelijk had kunnen beschikken. Hij had veel geld noodig in zijne zaken,

maar achtte zich een veel te fatsoenlijk man, om aan andere fatsoenlijke

lieden, die hem geld schuldig waren, een vermaning te zenden.

Intusschen moest hij bij zich zelven eens overleggen, hoe hij een

zekere som kasgeld zou bijeenbrengen. Hij ving daartoe eene wandeling

aan naar en in zijn winkel. Bewonderend stond hij tweemaal stil voor den

ministersrok en glimlachte vriendelijk tegen het blinkend borduursel.

Broek, vest, steek, degen, alles lag gereed voor den eersten, den besten

gelukkige, die bij eene toekomende »crisis", zijn toevlucht tot Van

Pommeren, fils, zou believen te nemen. De smaakvolle ~marchand-tailleur~

dacht een oogenblik aan zijn gedistingeerden »locataire", den heer Van

Reelant, en hoe goed die rok voor meneers »taille" zou passen. Daarna

zette hij zijne »financieele speculatie" eene pooze voort, en vermaakte

hij zich met de voorbijgangers in de Hoogstraat.

Zoo geviel het, dat zijn oog zich richtte naar den slapenden Automedon

op den bok der vigilante. Dat voertuig wachtte op meneer boven, en

misschien had die »stommeling" van een koetsier vergeten aan te

schellen. IJlings snelt hij naar buiten, en port den sluimerenden

wagenmenner:

»Zeg er eens, hoe laat moest jij voorkomen?"

De man zette eerst een gezicht, of hij geen tien kon tellen, en

antwoordde eindelijk:

»Kwart voor tweeën!"

»Dat ziet er mooi uit, en 't is al halfdrie!"

»'k Ben er op mijn tijd geweest!"

Van Pommeren, ~fils~, schudde driftig het hoofd, en verdween

oogenblikkelijk in zijn huis. Met sierlijke haast snelde hij naar zijne

keuken, en riep Anna toe:

»De vigilante voor meneer Van Reelant staat nog te wachten!"

»Lieve hemel, meneer! Wat zegt u? Ik schrik mijn hart uit mijn lijf!

Meneer moest kwart voor tweeën weg!"

»Heb je de vigilante dan niet hooren bellen?"

»Neen, meneer! Ik moest even op de Plaats wezen bij Verstraten om een

velletje postpapier. Maar dat doet er niemendal toe! Als meneer Van

Reelant uit de stad gaat, let hij altijd zelf op de vigilante!"

Van Pommeren, ~fils~, bleef het hoofd schudden. Bevelend klinkt het:

»Gauw naar boven! Meneer waarschuwen!"

Een oogenblik later komt ze doodsbleek terug. De deur is boven

gesloten. Zij kan geen gehoor krijgen. Van Pommeren, ~fils~, schudt

opnieuw het hoofd. Wat beteekende dat? Anna verzekert plechtig, dat

meneer nog nooit, zoolang hij boven woonde, over dag de deur van zijn

studeervertrek gesloten had. Dit alles is zeer zonderling. De smaakvolle

Van Pommeren, ~fils~, had altijd uitgeblonken door zekeren dichterlijken

aanleg, zoodat ook nu zijne verbeelding vleugelen aanschoot, en hem den

heer Van Reelant voorstelde onder het gewicht der staatszorgen in diepen

slaap gevallen.

Gelukkig, dat een man als Van Pommeren, ~fils~, zijn huis op de

volmaakste wijze had ingericht; dat hij dus van al de deuren der

vertrekken boven en beneden een duplicaat-sleutel bezat. Onmiddellijk

zocht hij den sleutel van de boven-achterkamer, en snelde hij heen, om

te zien welk toeval zijn aanzienlijken »locataire" verhinderd had op

reis te gaan. De huishoudster sukkelde achter haar meester aan, schoon

ze er niet toe was uitgenoodigd.

Toen ze boven waren bij de bewuste deur, klopte de beleefde

hofleverancier krachtig, en zoo luid mogelijk, gissende dat meneer

sliep. Geen antwoord. Na herhaaldelijk geklopt te hebben, hief Van

Pommeren, ~fils~, zijne welluidende baritonstem op--die welluidende

stem, waardoor hij bij zijne vrienden van de liedertafel zooveel lof

inoogstte--en riep hij door het sleutelgat om meneer te wekken. Geen

antwoord. Alles vergeefs. Het kan nu niet »indiscreet" geacht worden,

zoo hij de deur van de buitenzijde opent.

Alzoo geschiedt het. De deur wordt voorzichtig geopend. Maar terstond

schijnt iets in den weg te komen. De deur weigert toegang te geven--zij

schijnt versperd. Nu dringt de huisheer in zijne ontsteltenis tegen de

deur aan, en opent haar met geweld.

Wat zij zagen, wat zij in doodsangst uitriepen, ze hebben het in latere

dagen nooit geregeld kunnen mededeelen.

De hofleverancier, die door de ontzettende gebeurtenis een paar

maanden de befaamdste man der residentie werd, deed wel een fraai en

zenuwschokkend verhaal aan ieder, die het hooren wilde, maar zijne

waarheidsliefde ging hierbij schuil in zijne rijke fantasie.

De oude huishoudster Anna werd ongesteld van den schrik, maar gaf zeer

eenvoudig en zeer kort hare indrukken terug.

Toen de deur openging, had zij terstond gezien, dat Van Reelant met

akelig verwrongen trekken, badende in bloed, op den vloer bij de deur

lag. Tegelijk ontdekte ze mevrouw De Huibert, meneers schoonzuster,

die achterovergevallen met het hoofd tegen een stoel leunde. Over haar

rechteroog en hare rechterwang had eene dunne bloedstraal zich een

weg gebaand tot in haar hals. Anna had zich dadelijk met haar bezig

gehouden, en bemerkt, dat ze in eene diepe bezwijming lag. Terwijl ze in

hare eerste ontsteltenis haar zakdoek aan het gewonde voorhoofd bracht,

sloeg mevrouw De Huibert de oogen op.

Nog nooit had de oude vrouw zulk een wilden oogopslag gezien, zulk een

woesten schreeuw gehoord. Mevrouw de Huibert was opgesprongen, en zonder

verder een woord te spreken naar de deur gevlogen. In enkele seconden

was zij de trappen afgestormd. Anna volgde haar, en zag duidelijk, dat

zij iets zeide tot den koetsier der vigilante, die nog altijd stond te

wachten, zij sprong in het rijtuig, dat de Hoogstraat afreed, en toen

uit het gezicht verdween.

Nog eene getuigenis was in deze tragische zaak van het hoogste

belang. Zij werd afgelegd door den Hoofdcommissaris van Politie in de

residentie. Deze verklaarde, dat Vrijdag den 3den Juni 1855, des middags

tusschen halfdrie en drie uren eene dame aan het Bureel van Politie

gekomen was; dat deze dame hem onmiddellijk wenschte te spreken, en

dat hij niet weinig verbaasd was voor zich te zien een jonge vrouw,

zonder hoed, met gehavend toilet en loshangende lange krullen, het

gelaat met bloed bevlekt en eene wond aan den rechterslaap; dat deze

dame op een stoel was neergevallen, en zeer onsamenhangend gesproken

had; dat zij aanvankelijk niets anders zeide, dan dat zij, »zoo akelig"

was, dat zij een glas water moest drinken; dat zij eindelijk met groote

kalmte getuigde, dat zij iemand vermoord had; dat zij een adres in de

Hoogstraat had opgegeven; dat de Hoofdcommissaris daarop gezonden had

naar een bekenden arts voor zielsziekten, en tevens naar het adres in de

Hoogstraat; dat de dame eene onbegrijpelijke geschiedenis verteld had,

waarin de naam van den heer Van Reelant bij herhaling voorkwam; en hoe

eindelijk tot zijne groote ontsteltenis gebleken was, dat de zonderlinge

dame volkomen de waarheid gesproken had, dat de heer secretaris-generaal

Van Reelant in zijne »appartementen" op geheimzinnige wijze was

omgebracht, en dat de dame, zich noemende mevrouw De Huibert, volgens de

verklaringen van den geneesheer, door een plotseling toeval totaal

krankzinnig was geworden.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Point-d'orgue.

Jongejuffrouw Christien de Witt was uit haar humeur, iets dat haar

zeldzaam gebeurde, en nu nog te vreemder scheen, daar het heele huis van

den Leidschen predikant jubelde. Vroolijker dag had men er in jaren niet

beleefd. Zondag, den twaalfden Juni 1855, was de datum, waarop dominé's

oudste zoon, de bruigom van mejuffrouw Betsy Muller Belmonte, de

gelukwenschingen van vrienden en kennissen, zou afwachten. Eigenlijk

was dit plan niet in volkomen overeenstemming met den Nederlandschen

~adat~, die eischt, dat eene »receptie" ten huize der bruid plaats

grijpt. Doch dit was de oorzaak niet van Christien's misnoegdheid.

Om deze te ontdekken zou men de gebeurtenissen, die sedert de laatste

veertien dagen in de familie De Witt waren voorgevallen, wat meer van

nabij hebben moeten kennen.

Er was nogal het een en ander geschied in dat anders zoo stille huis te

Leiden.

Letje, de arme patiënte van twee jaren geleden, was volkomen hersteld

uit Pau teruggekomen. Dominé De Witt zou dien dag nooit vergeten. Het

was Zaterdag den vierden Juni. Aanvankelijk had de predikant plannen

gemaakt, om Letje te gemoet te reizen, maar Letje zelve had geschreven,

dat eene vriendelijke familie uit Brussel, welke zij te Pau had leeren

kennen, naar België terugkeerde, en dat zij van de gelegenheid zou

gebruik maken, om met die voorkomende en zorgvolle vrienden tot aan

Brussel mee te reizen. Zij meldde daarbij, dat zij door haar bijna

tweejarig verblijf in Pau zeer dapper geworden was, dat zij heel best

alleen van Brussel naar Leiden kon komen. Zij zou met hare heusche

kennissen nog eerst een paar dagen te Parijs blijven, en dan zorgen, dat

zij Zaterdag, den vierden Juni, stipt te drie uren, vijftien minuten, te

Leiden aankwam.

Welk een dag van verrassing was die Zaterdag!

Even over twaalf stond André op de stoep. Hij bracht de tijding der

gruwzame gebeurtenis, die in de residentie de grootste ontsteltenis

veroorzaakte--de dood van den secretaris-generaal Van Reelant. De ware

toedracht der zaak was nog niet algemeen bekend, en zou het ook wel

nimmer worden. André had evenwel des Vrijdags avonds alles begrepen. Met

Betsy en zijne aanstaande schoonmoeder had hij zeer ernstig overlegd,

wat hun thans te doen stond. De uitkomst was, dat zij, zoodra men bij

hen om inlichtingen mocht komen, alles naar hun beste weten zouden

meedeelen. Het eigenaardige van dit noodlottige geval was, dat men er

nimmer de juiste toedracht van zou kunnen ontdekken, daar getuigen

ontbraken. Alles zou in nevelen gehuld blijven, behalve de groote

feiten, de gewelddadige dood van Van Reelant en de schuld der rampzalige

waanzinnige, die zich zelve had aangeklaagd.

Voor het overige had André gemeend, dat deze volkomen onverwachte

gebeurtenis geen noodlottigen invloed op Betsy's toekomst behoorde te

oefenen. De loop der zaken had meegebracht, dat vele familiën in Den

Haag Betsy kenden, en met de meeste ingenomenheid spraken van »juffrouw

Muller". Bijna niemand kende, noch wist iets van de raadselachtige

mevrouw De Huibert. Wat ook het onderzoek der justitie zou aan het

licht brengen, niemand mocht aan Betsy, noch aan hare moeder, noch

aan hem, daarover het minst verwijt doen hooren. Derhalve bleef hij

hun huwelijksplan onveranderd handhaven. Bruid en bruidegom hadden part

nog deel aan het drama van de Hoogstraat. Dat zij sedert langen tijd op

gespannen voet leefden met de ongelukkige, wier hartstocht tot moord en

waanzin had geleid, stemde hen allen des te ernstiger. Zij besloten dus

in alle stilte het voorgenomen huwelijk te voltrekken, en de

gebruikelijke receptie in Leiden te houden.

Dominé De Witt was vrij ontsteld door het onverwachte bericht. Zeer

gaarne gaf hij zijne toestemming, om de receptie en later het huwelijk

te Leiden te doen voltrekken, maar hij meende, dat het vreeselijk

voorval eene donkere schaduw over het geluk van bruid en bruidegom zou

werpen. André liet zich evenwel niet van zijn stuk brengen, en stelde

zijn vader volkomen gerust. Over Van Reelants dood zou wel altijd een

sluier blijven hangen. Wat er voorgevallen was zou niemand nauwkeurig

kunnen zeggen. Door Betsy kende hij het drama van Osterwolde, dat in

de Hoogstraat zulk eene tragische ontknooping had gevonden. Maar van

dat alles droeg men in Den Haag weinig kennis. De hevige waanzin der

rampzalige vrouw maakte elke rechterlijke vervolging onmogelijk; Suze's

leven was voor altijd bedorven, haar naam en persoon gingen voor goed

schuil achter de sombere muren van een krankzinnigengesticht.

Zijne Betsy, zijne lieve bruid, mocht in het minst niet lijden door de

misdaad van hare zuster, hield André vol. Er was bovendien voor hen

beiden nog ééne gunstige zijde aan het geval. André zou nu in zijne

betrekking wel niet verder bemoeilijkt worden; zijne vooruitzichten aan

het ministerie waren aanmerkelijk verbeterd. Dominé De Witt nam dit

alles gaarne aan, maar beval André dringend zoo weinig mogelijk van

de zaak te spreken, om de vreugde over de terugkomst van Letje niet

te vergallen. In later dagen zou men binnen den huiselijken kring de

toedracht van het feit uitvoerig kunnen bespreken, thans was het zaak

dit treurige onderwerp zoo weinig mogelijk aan te roeren.

Eene schitterende "carrière" · 第 15 / 17 段