André was zonder Betsy verschenen, omdat deze hare moeder, die hevig

geschokt was, niet alleen kon laten. Den volgenden dag, Zondag, zou

hij beiden zien te bewegen naar Leiden te komen. Hij had evenwel niet

willen ontbreken bij Letjes blijde terugkomst, zoo lang verbeid en met

groote blijdschap te gemoet gezien. Des avonds echter moest hij weer

in Den Haag terug zijn, om de dames Muller Belmonte met raad en daad

bij te staan. Gedurende deze overleggingen tusschen vader en zoon

had de vroolijke Christien het huis van hare opgeruimde liederen doen

weergalmen. Christien was in de wolken over Letje's thuiskomst. Zij

had in den laatsten tijd ieder verbaasd door de flinke manier, waarop

zij haars vaders kleine huishouding bestuurde, maar tevens en niet

in geringe mate door .... hare persoonlijkheid. Zij stond op het punt

zeventien jaar te worden, maar maakte den indruk eener geheel volwassen

jonge vrouw van in de twintig. En daarbij zag zij er allerliefst uit met

het korenblonde hair, dat weerbarstig kroezend uit den band sprong en om

slapen en hals dartelde.

Christien maakte van Letje's heugelijke terugkomst een waren feestdag.

In de eerste plaats had zij gezorgd voor den tuin. Nog nooit hadden de

stamrozen van het priëel zoo verrukkelijk mooi gebloeid, terwijl een

onuitputtelijke rijkdom van knoppen nog heerlijker toekomst beloofde.

Christien had daarenboven met zusterlijke liefde aan Letjes kamertje

op de eerste verdieping gedacht. Alles, wat zij bij elkaar had kunnen

brengen tot verfraaiing van dat kamertje, stond er met keurige netheid

te prijken. Kleine voorwerpen, die Letje lief waren geweest vóór het

vertrek; snuisterijen, waarmee zij ophad in vroegere dagen; maar vooral

het groote portret van hare overleden moeder spraken van de zorg eener

liefhebbende zuster.

In alle kamers had Christien dien morgen macht van ruikers geplaatst,

en overal hadden schoonmaakster en keukenmeid dagen van te voren zoo

duchtig huisgehouden, dat dominé De Witt soms glimlachend het hoofd had

geschud. Hij herkende zijne overleden gade in deze dochter, en achtte

het een gelukkig verschijnsel, dat zijne Letje eene zoo bedrijvige en

werkzame zuster zou terugvinden in het nog dartelende kind van voor twee

jaren geleden.

Het sprak van zelf, dat de dominé met André en Christien veel te vroeg

aan het station verscheen, en dat de trein bij toeval wat later aankwam.

Ons drietal was niet weinig ontroerd, toen ten slotte de locomotief in

de verte hare witte pluimen omhoogstak. Zij hadden geen oogenblik tot

nadenken, want de trein snorde hijgend op hen af, en hield binnen eenige

seconden stil. De reizigers stroomden hen voorbij, terwijl zij onthutst

in 't rond zagen, en geen spoor van Letje ontdekten. Eensklaps hoorden

zij een luiden uitroep, en zagen zij eene mooie, elegante, jonge dame,

op dominé De Witt toesnellen.

Die jonge dame, eerst voorbijgezien, was Letje.

Vader, broeder, zuster waren als verstomd van blijdschap en bewondering.

Was dat Letje? Zoo gezond, zoo bloeiend, zoo heerlijk! En daarbij zoo

vol smaak en toch zoo eenvoudig gekleed met iets vreemds in den snit

van haar reiskostuum, 't welk onmiddellijk door Christien al stil werd

waargenomen en bestudeerd. Aardig ware het geweest op te merken--schoon

niemand der belanghebbenden er om dacht--hoe Letje alleen het woord

voerde, en druk vertelde, terwijl de anderen nog niet bekomen van de

eerste aandoening glimlachend luisterden. Thuis was het oogenblik

der dankbare blijdschap gekomen. Dominé De Witt trad met de gewone

bedaardheid, die hem altijd onderscheidde, terwijl Letjes arm op den

zijne rustte, naar buiten in den tuin, terwijl allen hen volgden. Bij

het rozenpriëel bleven zij staan. Een kreet van opgetogenheid ontsnapte

Letje, zoodra zij haar lievelingsplek ontwaarde. Zij boog naar de

blozende stamrozen, en scheen ze te groeten als oude kennissen.

Toen sloeg de bewogen vader den rechterarm om hare leest en sprak:

»Kindlief! Ik heb geen woorden om te zeggen hoe gelukkig we zijn, nu

je weer bij ons bent! In duizend vreezen liet ik je gaan--het kon niet

anders! Angst en kommer, alles is voorbij! En Gods aanbiddelijke liefde,

die op dezen mooien zomerdag onzen tuin zoo kostelijk doet bloeien,

zorgt er voor, dat de rozen op de wangen van mijn Letje zich niet hebben

te schamen voor de rozen van haar priëel...."

Zonder een woord te uiten wierp Letje zich aan de borst van haar vader.

Aller oogen waren vochtig, allen stamelden een woord van dankbaarheid en

vreugde, hoewel de ontroering nog belette geregeld te spreken.

De dag was zoo snel om, dat André naar Den Haag terug moest, voordat

Letje nog begonnen was het beloofd relaas van hare wonderlijke

herstelling te geven. Toen kwam de beurt aan Christien. Letje, die

altijd zoo vurig naar huis verlangde, die met kinderlijke genegenheid

aan de ouderlijke woning te Leiden gedacht had, die onophoudelijk in

hare brieven liet doorschemeren, dat zij den dag van hare terugkomst

als een dag der verlossing beschouwde--Letje was diep getroffen, toen

zij hare eigen kamer weer binnentrad, en bij den eersten vluchtigen blik

zag welke verrassingen de liefde van hare zuster haar had bereid.

Intusschen leefde men te 's-Gravenhage in minder opgewekte stemming.

De geheele stad was vol van het gebeurde. Ieder wist alles haarfijn te

verhalen, maar niemand kende den juisten samenhang. De familie De Milde

was een oogenblik bijna even beroemd als de geniale hofleverancier

Emile van Pommeren, ~fils~. Ieder, die op de eene of andere wijze kon

uitrekenen, dat hij een familielid van het huisgezin der De Mildes

gesproken had, kwam belangstellend »informeeren" naar de gezondheid der

dames. Bij deze gelegenheid openbaarde zich het vriendschappelijk hart

der meisjes op de meest eervolle wijze. Zij beklaagden de arme mevrouw

De Huibert, en konden maar volstrekt niet begrijpen, hoe dat »horribel"

geval zich had toegedragen. Ze vonden het heel gelukkig voor die »lieve

juffrouw Muller", die toch de eigen zuster was van het »ongelukkige

mensch", dat deze laatste zoo »stapel" krankzinnig geworden was.

Deze wijsbegeerte der dames De Milde had veel voortreffelijks van

practisch standpunt. Het publiek maakte zich snel eene voorstelling

in haar geest. Jhr. Van Reelant had eene schitterende echtverbindtenis

willen sluiten, maar er was eene dame, eene weduwe naar men beweerde,

in het spel gekomen. Nog hoopte men veel van het rechterlijk verhoor

dier zonderlinge dame, maar de algemeene dorst naar nieuws werd niet

bevredigd, daar gemelde »zonderlinge dame" tot een zoodanigen staat van

razernij was vervallen, dat men aan geene ondervraging, zelfs aan geen

gesprek mocht denken. Dus ontstonden er verschillende legenden omtrent

Van Reelant's dood, waarvan de eene al zonderlinger dan de andere van

de waarheid afweek. Jarenlang werd in alle mogelijke Haagsche kringen

en sociëteiten van deze even zonderlinge als geheimzinnige zaak

gesproken, en zelfs zeer diepzinnig geredeneerd, totdat eindelijk de

belangstelling in Van Reelant's schitterende »carrière" uitdoofde, en

niemand meer aan hem dacht.

Te Leiden had men sedert de terugkomst van Letje gelukkige dagen

beleefd. Nadat alles over en weer verteld was, had men besloten de

bruidsdagen van André en Betsy zoo aangenaam mogelijk door te brengen.

De dames Muller Belmonte hadden gedurende de laatste jaren zooveel

rampen doorleefd, dat men in de familie van den Leidschen predikant

alles beproefde haar door heusche voorkomenheid op te beuren. Zonder er

eene bepaalde afspraak van gemaakt te hebben meed ieder zelfs de minste

toespeling op de allertreurigste feiten, die haar geheel buiten alle

schuld en verantwoordelijkheid hadden getroffen.

Letje had den zonneschijn van het Zuiden mee naar huis genomen. De

vrienden van den algemeen beminden predikant kwamen hem om strijd

gelukwenschen, en zich persoonlijk overtuigen van het wonderbaar herstel

zijner oudste dochter. Het was eene drukke week. Mevrouw Muller Belmonte

en Betsy logeerden een paar dagen te Leiden voor de receptie en het

aanstaande huwelijk. Letje en Christien waren zeer ingenomen met hare

toekomstige schoonzuster, en beijverden zich om van den Zondag der

receptie een echt huiselijk feest te maken.

Dominé's voorkamer was dien Zondag, den twaalfden Juni, in een

bloeienden tuin herschapen. Letje had met Christien afgesproken, dat zij

meer bijzonder voor de bloemen en het »groenmaken" zou zorgen. Christien

wilde het huiselijk beheer volstrekt niet uit hare handen geven, en

beweerde, dat zij heel best alles alleen in orde kon brengen, en

uitsluitend het toezicht wilde houden op keuken en kelder. Daarenboven

Letje was pas weer hersteld, en mocht zich niet vermoeien. Om dit

laatste argument schaterde Letje het luide uit, maar liet hare zuster,

die zooveel ijver en beleid toonde, gaarne het opperbestuur.

Des morgens vergezelden bruid en bruidegom, mevrouw Muller Belmonte

en Letje, den predikant naar de kerk. De gemeente was vrij talrijk

opgekomen, als verwachtte men, dat de achtbare leeraar ditmaal iets

bijzonders zou mededeelen in verband met de huiselijke voorvallen der

laatste dagen. Dominé De Witt bezat evenwel veel te veel goeden smaak,

om ooit tot zijne gemeente van zich zelven te spreken. En toch deed hij

het zonder het te willen. Het thema zijner leerrede was uit den 148sten

psalm: »Hallelujah! Looft den Heer uit de Hemelen! Looft hem in de

hoogste plaatsen!"

Aandoenlijk was het te bespeuren, hoe het gemoed des sprekers

overvloeide van dankbaarheid, en hoe de vreugd van zijn hart hem

dwong den wierook zijner erkentelijkheid te offeren in eene eenvoudige

toespraak vol kinderlijke blijdschap. Alleen de vrienden van de familie

De Witt verstonden het geheim zijner welsprekendheid ten volle, en menig

oog dwaalde naar de bank, waar André naast Betsy zat, terwijl Letje aan

de zijde van mevrouw Muller Belmonte had plaats genomen. Zij vormden

eene zeer schilderachtige groep. André scheen ontroerd en overgelukkig

tevens. Zijne donkerbruine oogen schitterden van tevredenheid. Zacht

herhaalde hij bij zich zelven: »Looft den Heer uit de Hemelen! Looft hem

in de hoogste plaatsen!" En als soms hem het hart in den boezem zwol

bij het bedenken van het geluk, dat hem wachtte, wilde hij zich niet

kinderachtig toonen, maar streek snel de rechterhand door het lange,

krullende hair, om eene afleiding te vinden, die hem weer op zijn

verhaal bracht. Betsy, die naast hem zat, in haar grijs zijden kleedje,

dat haar zoo goed stond, de blauwe oogen wijdgeopend, luisterde in

diepen ernst. De laatste jaren hadden haar veel geleerd. Er was een

nieuw licht over haar leven opgegaan, en nu begreep zij beter dan ooit,

dat zij het »Looft den Heer!" met nadruk door den leeraar gezegd van

ganscher harte mocht beamen.

Aan hare zijde zat hare moeder. Zonder te weten wie zij was, zou reeds

ieder vreemdeling met belangstelling naar die oude dame hebben omgezien.

De tegenspoed had het grauwe hair tot sneeuwwit doen verbleeken; tranen

hadden den gloed harer oogen uitgebluscht, en diepe groeven in de bleeke

wangen achtergelaten. Een in 't oog vallend contrast tusschen deze door

de stormen des levens geteisterde vrouw en dominé's oudste dochter Letje

maakte de groep nog belangwekkender. De geknakte bloem was door de milde

zon der Pyrenaeën volkomen genezen, en had zich in volle kracht en

schoonheid ontwikkeld. 't Was of er nog iets glinsterde van dat zonlicht

in de mooie oogen--misschien ook blonk er een nauwelijks weerhouden

traan, die de dankbaarheid van haar licht te ontroeren hart verried.

Toen de jongelieden thuis kwamen, was tot hunne uiterste verbazing

de koffie in de tuinkamer nog niet gereed. Letje zocht overal naar

Christien. Ze had in de gang eene sterke lucht van gebraden vleesch

waargenomen, en daalde eindelijk naar de keuken af. Daar vond ze hare

jongste zuster met gloeiende wangen en roode oogen. De meid had in een

oogenblik van onachtzaamheid eene prachtige kalfsborst doen aanbranden

en onder vele tranen vertelde Christien nu, hoe ze nog alles in 't

werk stelde, om de schade zooveel mogelijk te herstellen. Letje wilde

haar dadelijk met raad en daad bijstaan, maar opnieuw stroomde de

waterlanders nog rijkelijker. Christien verzocht haar snikkend voor de

koffie te zorgen, en te maken, dat papa niets merkte.

En ziehier de oorzaak, waarom mejuffrouw Christien de Witt op André's

receptiedag zich in de lappenmand bevond. Zware hoofdpijn kwelde haar,

de donkere blos week niet van hare ronde koonen, en telkens bracht zij

haar zakdoek aan de oogen. Letje, Betsy en mama Muller hadden in een

ommezien de koffie gereed, zoodat dominé niet veel plezier had van de

pijp, die hij naar zijne bestendige gewoonte altijd onmiddellijk na het

thuis komen uit de kerk opstak. Er werd nog een oogenblik naar Christien

gewacht, doch Letje verzocht uit haar naam, of men maar vast met de

koffie beginnen wilde, daar zij het nog zoo druk had in de keuken.

Even na het koffiedrinken ging Betsy met mama naar boven, om nog iets

aan haar receptie-toilet te veranderen, en wandelde dominé met André

door den tuin. Nadat zij eene pooze zeer opgeruimd en tevreden hadden

gekeuveld, zei de oude heer met een fijn glimlachje:

»En nu moet ik je nog wat nieuws vertellen, André! Ik heb van de week

een zeer aangenamen brief van Willem uit Utrecht gehad!"

Sinds langen tijd had men niet van Willem gehoord. Midden in de drukte

en de vreugde over Letje's thuiskomst en de voorbereiding tot André's

huwelijk was er niet opzettelijk van Willem gesproken. De Utrechtsche

theoloog hield niet van huiselijke feesten, en was bovendien te diep

gedompeld in zijn wetenschappelijk onderzoek naar de geschiedenis

van het leerstuk der »Eeuwige Verdoemenis". Na eene zeer drukke

briefwisseling had de dominé zijn zoon geraden, om het bedoelde dogma,

voor hij er zijn hart aan hing, eens zeer bedaard historisch te

onderzoeken, opdat hij de wording van dit denkbeeld volgens de oudste

oorkonden mocht leeren kennen. Te midden van dien arbeid--en dat was het

goede nieuws uit Utrecht--had de zwaarmoedige, jonge godgeleerde zoo

ontzettend veel onoplosbare moeilijkheden ontmoet, dat hij voorshands

van een nader onderzoek had afgezien.

Vader en zoon werden weldra uit den tuin geroepen.

Er was gescheld. De receptie begon. De dames waren in de voorkamer.

Zelfs Christien met hare roode kleur en vochtige oogen stond in een

hoekje, terwijl Letje alles in het werk stelde, om haar vroolijker te

stemmen. Betsy zag er allerliefst uit, al had ze haar grijs zijden

kleedje van dien morgen niet afgelegd. Rondom in het groen en de

bloeiende heesters kwam haar donkerblond hoofd geestig uit. André

had in een ommezien zijn bruigomspak, zijn zwarten rok en witte das,

aangeschoten. Een stroom van Leidsche vrienden trok door de voorkamer

van dominé De Witt.

Men zag niets dan blijde en lachende gezichtjes.

Letje's oude vriendinnen maakten van de gelegenheid gebruik, om op hare

heuglijke thuiskomst een droppeltje witten portwijn te drinken. Al de

goeden kennissen uit André's studententijd waren toegesneld, om bruid

en bruidegom de hand te drukken. De kamer weergalmde van de vroolijke

stemmen. Dominé De Witt was zeer gelukkig en zeer spraakzaam. Hij mocht

het in stilte betreuren, dat bij dergelijke plechtigheden geene Goudsche

pijpen mochten gerookt worden, maar hij verried het met geen enkel

woord. Betsy boog voor een groot aantal deftige dames, die allen hare

belangstelling toonden, en die onder het huiswaarts gaan vrij wat hadden

te praten over die akelige geschiedenis in Den Haag en dat de bruid

de zuster was van dat »ongelukkige mensch". Velen hadden het beter

gevonden, dat de jongelui maar geen receptie gegeven hadden. Nu zij

aangeteekend waren, begreep men, moest het huwelijk doorgaan, maar het

ware passender geweest daarbij alle mogelijk opspraak te mijden. Enkele

der deftigste dames verklaarden dit vreemde feit door te wijzen op de

burgerlijke manieren der familie De Witt, die geen het minst begrip van

»~convenances~" had; zij voegden er bij, dat de bruigom bekend was als

een man van overdreven democratische »principes", die met alle vormen

den spot dreef.

Niemand bekommerde zich over deze critiek ten huize van den predikant.

Zoo men er over iets bezorgd mocht zijn, dan was het, dat de goede,

ijverige Christien steeds door zware hoofdpijn gekweld bleef. Gelukkig

moest Christien zich aan het huiselijk beleid der zaken van dien dag

wijden, en kreeg zij daardoor eene heilzame afleiding. André en Betsy

beleefden een oogenblik van onvermengd genoegen, toen de hooge gestalte

van professor Van Dam zich onder de gasten vertoonde. De hoogleeraar,

door den bruigom min of meer op de hoogte gesteld, vond het volstrekt

niet onvoegzaam, dat er receptie was bij dominé De Witt, integendeel

hij verheugde zich van ganscher harte in André's geluk. Daarenboven hij

rekende op André, als een zijner beste leerlingen. Hij geloofde aan de

toekomst van zijn jongen vriend en zijne hartelijke woorden getuigden er

van.

André raadpleegde zijn hooggeschatten leermeester nog even over de

vraag, of hij zich in het vervolg zou hebben te onthouden van eenig

oordeel over buitenlandsche politiek. Van Reelant had den laatsten

morgen van zijn plotseling afgesneden leven hem met ontslag gedreigd

naar aanleiding van een artikel over het tweede keizerrijk. Later

had André niets meer van de zaak gehoord. Het verlof van acht dagen,

hem tegen den zestienden Juni toegestaan, bewees, dat de minister

niet ontevreden was. Professor Van Dam ried hem aan te volharden bij

het stelsel, om zijne opstellen altijd met zijn naam te teekenen,

doch tevens voorzichtigheid bij het onbewimpeld uitspreken zijner

overtuiging. De benoeming van den nieuwen secretaris-generaal liet

nog op zich wachten. Professor Van Dam beloofde André den aanstaanden

titularis te zullen schrijven, en nam afscheid met de woorden: volhouden

en arbeiden!

Tot aan vier uren des namiddags duurde het buigen en handen geven in

dominé's voorkamer. Eindelijk waren de laatsten verdwenen. Met een zucht

van verademing legde André Betsy's arm in den zijne, en troonde haar

mede naar den tuin. Na al de eentonige gelukwenschen had hij behoefte

eene poos alleen met zijne bruid te spreken. Al de dames hadden het druk

met huishoudelijke zaken, daar zij Christien zooveel mogelijk wilden

troosten in haar leed; de dominé zonderde zich met zijn Gouwenaar af in

zijne studeerkamer. André bleef dus met Betsy alleen in den tuin. Na een

oogenblik rondgewandeld te hebben traden zij in de gastvrije schaduw van

het rozenpriëel.

»Wat heeft Christien toch?"--vroeg André.--»Zij wilde mij niets zeggen!"

»'t Is een groot geheim, maar aan jou zal ik het verraden!"--antwoordde

Betsy lachend.-- »De meid heeft een mooie kalfsborst doen aanbranden, en

nu is Christien bang, dat papa ontevreden zal zijn!"

»Is het anders niet! Ik zou het heel onredelijk vinden, als papa om

zoo'n kleine zaak uit zijn humeur was!"

»Pas maar op, André! Als we eenmaal getrouwd zijn, zul je misschien nog

wel eens anders spreken!"

»Nooit, mijn engel! Het huiselijk geluk om zoo'n bagatel te bederven

.... nooit van mijn leven! Ik zweer je plechtig, dat ik als je man geen

dag zal doorbrengen zonder aan dezen eed te denken!"

»En ik zweer je, André!"--herneemt Betsy ernstig--»dat ik als je vrouw

geen dag zal doorbrengen, zonder voor het geluk van mijn lieven man te

zorgen!"

André ziet zijne bruid met dankbare verrukking aan.

»Je hoeft het mij niet te zeggen!"--antwoordde hij bewogen.--»Misschien

komen er in volgende jaren moeielijke oogenblikken voor ons. Maar ik ga

de toekomst onbevreesd te gemoet, want ik heb den grootsten schat, dien

ik ooit winnen kon .... ik heb jou, Betsy! En als het er op aankomt vol

te houden en te arbeiden, als professor Van Dam mij toeriep, reken dan

op mij, lieve, reken dan op mij!"

André legt den arm om hare leest, en prangt haar aan zijne borst. Zijne

lippen zoeken haren rooden mond....

De rozen van het priëel--nieuwsgierige Aagjes als zij zijn!--hebben het

mij toegefluisterd, en ik zou er gaarne nog wat meer van vertellen, maar

de goddelijke Eroos legt een vinger op zijne lippen, en ik buig mijn

hoofd eerbiedig voor zijn machtigen wil.

In de #VIJFTIG-CENTS-EDITIE# zijn verschenen:

No.

1. #Mr. J. Van Lennep#, De Pleegzoon.

2. -- Ferdinand Huyck.

3. -- De Roos van Dekama.

4. -- Elizabeth Musch.

5. -- Novellen en Vertellingen.

6-8. -- Onze Voorouders.

9-11. -- De lotgevallen van Klaasje Zevenster.

12. #J. J. Cremer#, Dokter Helmond en zijn Vrouw.

13. -- Daniëls Sils.

14. -- Tooneelspelers.

15. -- Hanna de Freule.

16-17. -- Anna Rooze.

18. -- Overbetuwsche Novellen.

19-20. -- Novellen en Vertellingen.

21. -- Betuwsche Novellen en een Reisgezelschap.

22. -- De Lelie van 's-Gravenhage.

23. -- Emma Berthold.--Boer en Edelman.

24. #J. J. L. Ten Kate#, Stichtelijk Huisboek.

42* #J. Van den Vondel#, 1605-1616. Het Pascha.--Den Gulden

Winckel.--De Vaderen.

43* -- 1617. Vorstelycke Warande der Dieren.

44* -- 1618-1620. Hierusalem verwoest.--De Heerlyckheyd van

Salomon.--Helden Godes.

45* -- 1621-1625. De Amsteldamsche Hecuba--Palamedes.

46* -- 1626-1629. Hippolytus.

47* -- 1630-1636. Sofompaneas.

48* -- 1637-1639. Gysbr. v. Aemstel.--Elektra.--Maeghden.

49* #J. Van den Vondel#, 1639-1640. Gebroeders.--Joseph in

Dothan.--Joseph in Egypten.

50* -- 1641-1642. Peter en Pauwels.--Heldinnebrieven.

51* -- 1642-1645. Brieven der Heilige Maeghden.--Grotius'

Testament.

52* -- 1645. Altaergeheimenissen.

53-54* -- 1646. Publius Virgilius Maroos Wercken.

55* -- 1646-1647.--Maria Stuart.--De Leeuwendalers.

56* -- 1648-1651. Salomon.

57* -- 1652-1653. Horatius' Lierzangen.

58* -- 1654-1655. Lucifer.--Inwydinge van 't Stadthuis t'

Amsterdam.

59* -- 1656-1657. Salmoneus.--Koning Davids Harpzangen.

60* -- 1657. Koning Davids Harpzangen.

61* -- 1657-1660. Koning Davids Harpzangen.--Jeptha.

62-63* -- 1660. Publius Virgilius Maroos Wercken in Nederduitsch

dicht vertaelt.

64* -- 1660. Koning Edipus.--Koning David in Ballingschap.--Koning

David Herstelt.

65* -- 1660-1662. Samson. Adonias.--Bespiegelingen.

66* -- 1662. Bespiegelingen II.--Joannes de Boetgezant.

67* -- 1663. Batavische Gebroeders.--De Heerlyckheid der

Kercke.--Faëton.

68* -- 1664-1667. Adam in Ballingschap.--Ifigenie.--Zungchin.

69* -- 1667-1671. Noah.--Feniciaensche.--Herkules in

Trachin.--Ovidius' Herscheppinge I.

70* -- Ovidius' Herscheppinge II.

71* -- 1671. Ovidius III.

72-75. #Nicolaas Beets'# Dichtwerken.

76-77. #Bernard Ter Haar#, Dichtwerken.

78. #Mr. J. Van Lennep#, Vertellingen van vroeger en later tijd.

79. -- Het huis ter Leede.--Adegild.--Jacoba en Bertha.

80. -- De strijd met Vlaanderen.--Eduard van Gelre.

81. -- Marino Faliëro, Doge van Venetië.--Fiësko, of de

Samenzwering te Genua.--De Staatsman bij toeval, enz.

82. #Mr. J. Van Lennep#, Een Amsterdamsche Winteravond in 1632,

enz.

83. -- Een droom van Californië, enz.

84. -- Een Amsterdamsche Jongen of het buskruit-verraad in

1622.--Lastige Lieden, enz.

85. -- Academische Idyllen.--Vuuraanbidders, enz.

86. -- Het recht van bruiloftsavondkout, enz.

87* -- Nederland vóór den Tachtigjarigen Oorlog.

88* -- De Tachtigjarige Oorlog.

89* -- De Hoogmogende Republiek.

90* -- Ondergang der Republiek.--Het Koninkrijk der Nederlanden.

91-93. #A. Loosjes Pz.#, Het leven van Maurits Lijnslager.

94. #J. J. L. Ten Kate#, Verhalen en vertellingen.

95. -- Zangen des tijds.

96. -- Gewijde Poëzy.

97. -- Bijbel-Poëzy.

98. -- Dramatische Poëzy.

99. -- Voor Hart, Huis en Leven.

100. -- Mengel-Poëzy.

101. -- Uit den vreemde. Vertaalde Poëzy.

102. -- Faust.--Maria Stuart.

103. -- De Planeten.--De Jobeïde.

104. -- Milton's Verloren Paradijs.

105. -- Dante's Hel.

106* #Mr. J. Van Lennep#, De vermakelijke Spraakkunst, opgehelderd

door een aantal Ill. van Alfr. Ronner.

107* -- De vermakelijke Latijnsche Spraakkunst, opgehelderd door

een aantal Illustratiën van Alfred Ronner.

108-110. #Da Costa's# Complete Dichtwerken.

111* #A. G. L. Westenberg#, Nationaal Kookboek, samengesteld door

Nederlandsche Vrouwen.

112-113. #Dr. Jan Ten Brink#, De Schoonzoon van Mevrouw de Roggeveen.

Eene schitterende "carrière" · 第 16 / 17 段