»De publieke opinie, meneer! zal zich aan het ontslag van een

ondergeschikt ambtenaar, als u is, bitter weinig laten gelegen liggen.

Het spijt mij, dat u zich aan dezen stroohalm vastklemt! In uw belang

raad ik u nogmaals aan, om ontslag te vragen. Het is mij onmogelijk u

eenige hoop te geven! Geloof niet, meneer De Witt! dat het mij te doen

is u iets onaangenaams te zeggen, mijne betrekking brengt mee, dat...."

Maar André liet zich niet door valsche uitvluchten van den weg brengen.

»Ik dank u voor uwe belangstelling, maar blijf bij mijn besluit. Ik

vertrouw op de wijsheid van den minister en op mijn goede zaak!"

»In dat geval, meneer! heb ik u niets meer te zeggen! Ons onderhoud is

afgeloopen!"

André boog met een kloppend hart, maar verborg zijn ontsteltenis.

Van Reelant zag op de pendule. Al kwart over elven. En er was nog

zooveel af te doen dien dag. Hij zou te twaalf uren het ministerie

verlaten, omdat hij op reis moest. Met groote haast gaat hij aan

't werk. Allereerst plaatst hij op zijn memorandum den naam van den

adjunct-commies De Witt. Zoodra hij den minister spreekt, zal hij een

voorstel tot ontslag van dezen onbruikbaren ambtenaar indienen.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Nemesis.

Toen de secretaris-generaal na voorspoedig volbrachte morgentaak klokke

twaalf uit het ministerie te voorschijn kwam, had hij de zaak van André

reeds volkomen vergeten. Hij had den minister tevergeefs gewacht. Doch

dit was maar uitstel van »executie". Zoo spoedig Van Reelant den Baron

Van Berenvelt in werkelijkheid was opgevolgd, besloot hij een ambtenaar

als De Witt van het ministerie te verwijderen. Een jongmensch met

zulk een uiterlijk en zulke denkbeelden was volkomen overbodig aan

Buitenlandsche Zaken--hij behoorde thuis bij de redactie van een

zoogenaamd »liberaal" dagblad, of kon misschien dienst doen als

secretaris van een reizend paardenspel. Bij de eerste gelegenheid zou

hij hem van de lijst der ambtenaren doen schrappen. Daar kwam bij,

dat André in vereeniging met dat fijne pianojuffertje aan Suze zijne

huwelijksplannen had ontdekt, 't geen hem onaangename oogenblikken

genoeg bezorgd had. Hij trachtte evenwel zich zelve diets te maken, dat

hij op dergelijk »motief" niet lette, en dat alleen het staatsbelang tot

richtsnoer zijner handelingen strekte.

Vrijdag, den 3den Juni 1855, zou een merkwaardige dag in het leven van

den nieuwen secretaris-generaal worden. Hij werd dien namiddag op

Claarberg, de villa van Baron Van Berenvelt, gelegen aan den schoonen

weg van Utrecht naar den Bilt, verwacht. Zijne verloving met freule

Adèle zou eindelijk plechtig worden bekend gemaakt aan de vrienden.

Tot nog toe hadden ernstige bezwaren dit verhinderd. Tijdens den herfst

en den winter van het vorige jaar had Adèle niets willen weten van

eene »officieele" verloving, mocht ze ook »officieus" Van Reelant de

heerlijkste vooruitzichten hebben geopend. Zoolang de heer Van Berenvelt

worstelde tegen de koortsachtige onrust, die hem na zijn ernstige ziekte

kwelde, mocht men alleen aan hem denken. Adèle verlangde uitdrukkelijk,

dat deze geheele zaak voor ieder, zelfs voor haar vader, een diep geheim

zou blijven. Eerst, wanneer alle gevaar geweken was, wanneer haar vader

volkomen gezond naar het ministerie zou teruggekeerd zijn, eerst dan

mocht Van Reelant zijn aanzoek herhalen.

Deze had zich stipt naar het verlangen van Adèle gedragen. Tot nog

toe waren de geruchten van zijne verloving in de Haagsche kringen door

de feiten gelogenstraft. Men hield het er algemeen voor, dat de zaak

mislukt was, en toen met den eersten April 1855 de benoeming van Van

Reelant in de Staats-Courant verscheen, mompelde men van »une fiche de

consolation". De heer Van Berenvelt, die den jonkman geenszins tot zijn

schoonzoon wilde verheffen, had ten minste gezorgd hem tot zijn opvolger

te doen benoemen--en menigeen sprak met een diepzinnig gezicht over Van

Reelants schitterende »carrière".

Op deze wijze had de laatste zich buiten alle lastige bezwaren gehouden.

Suze, die met korte tusschenpoozen, geregeld verscheen, en nooit naliet

de grootste voorzichtigheid in acht te nemen, had hem nog van tijd tot

tijd met vlagen van jaloezie gekweld. Daar hij genoodzaakt was haar

zoo lang mogelijk om den tuin te leiden, nu hij door samenloop van

omstandigheden dit overblijfsel van zijn verleden uit Osterwolde niet

kwijt kon raken, had hij haar meer en meer opgedrongen, dat er van een

huwelijk met Adèle geen sprake kon zijn. Zijn plan bleef Suze plotseling

voor een voldongen feit te plaatsen, en, mocht zij dan tegenstribbelen,

mocht zij de familie Van Berenvelt met hare aanspraken lastig vallen

.... hij zou zorgen, dat men daar voldoende ingelicht werd. Hij kon om

harentwil zijne toekomst niet bederven. Soms dacht hij met zorg aan het

oogenblik, dat zij hem rekenschap van zijne beloften zou vragen, maar

hij besloot kalm en waardig den storm het hoofd te bieden.

In zijn voordeel bleef het, dat geen enkele Hagenaar het drama van

Lindenstein kende--zelfs in Osterwolde was men nog niet volkomen op de

hoogte. Voorts had men in Haagsche kringen weinig wetenschap van zijne

betrekking tot mevrouw De Huibert. Suze had zich altijd zeer bescheiden

naar den achtergrond teruggetrokken, en den meesten tijd met lezen en

handwerken op hare kamers in het Westeinde doorgebracht. Mocht iemand

door een toeval weten, dat Van Reelant soms des avonds bezoek had

ontvangen van eene welgekleede dame, dan hechtte men daar zoo bijster

veel gewicht niet aan. Men zou geene nadere inlichtingen hebben kunnen

verkrijgen, bij Emile van Pommeren, ~fils~. Deze was veel te goed

opgevoed, om op zulk eene vraag te willen antwoorden en de oude

huishoudster Anna hechtte meer aan Nederlandsche standaardpenningen dan

aan praatjes met nieuwsgierige kwaadsprekers.

Intusschen gingen herfst en winter voorbij, maar verbeterde de toestand

van den heer Van Berenvelt niet. Van Reelant bleef hem geregeld

bezoeken, en van raad dienen. Allerlei medische adviezen werden gehoord.

Ten slotte behield het gevoelen de overhand, dat de Baron de volstrekste

rust moest in acht nemen. Gehechtheid aan zijn ambt had den hoogst

achtenswaardigen man voortdurend doen vragen naar tal van zaken, die hem

het hoofd vervulden en bezorgd maakten. Zeer moeilijk ging het, hem te

overreden, dat hij op zijne hooge jaren en met zijne zwakke gezondheid

niet meer in staat zou zijn het ambt van secretaris-generaal te

vervullen. In de gure Februari-maand van 1855 kwam een lichte herhaling

der oude kwaal den Baron nadrukkelijk waarschuwen. Toen nam hij een

besluit. Hij vroeg zijn ontslag, en beval met volle overtuiging Van

Reelant tot zijn opvolger aan. Van het voornemen der jongelieden had

hij alleen een duister vermoeden ten gevolge eener zeer bescheiden

toespeling door Van Reelant eens in het voorbijgaan gemaakt, maar later

had hij er niet meer aan gedacht.

Alles werd naar zijn wensch geschikt. In de laatste week van Maart

vertrok hij voor goed naar Claarberg, zijn heerlijk buitenverblijf

aan den Bildtschen weg bij Utrecht, en onmiddellijk daarop volgde zijn

eervol ontslag in de vleiendste en waardigste termen. De Koning schonk

hem daarbij het commandeurskruis van den Nederlandschen leeuw, en

ieder, die hem aan het ministerie of in de Haagsche kringen gekend had,

betreurde het vertrek van een der braafste en invloedrijkste mannen uit

de residentie.

Tusschen Van Reelant en Adèle was bepaald, dat er van hunne plannen

niets bekend mocht worden, voordat de heer Van Berenvelt in duurzame

beterschap toenam. En dit was nu ook door een wonderwerk, naar het

scheen, zoo geworden. Vrij van alle beslommeringen, herademend door de

volledige vrijheid en rust, was de Baron al in Mei zóó welvarend, dat

hij bij wijlen zich voorstelde zijn ontslag te vroeg genomen te hebben.

Daar de oude kracht en vlugheid van geest evenwel niet terugkwamen,

verblijdde hij zich ten minste in zijne goede gezondheid. En nu begon

Van Reelant zeer langzaam Adèle bij zijne beleefde visites op Claarberg

aan haar woord te herinneren. Doch alles liep boven verwachting af. De

heer Van Berenvelt had wel voor goed het plan opgegeven, om ooit weer

practisch werkzaam te zijn, maar gaarne zou hij nog van tijd tot tijd

zijn oud terrein eens terugzien. Dat zijne Adèle de echtgenoote zou

worden van den hoogstbekwamen vriend, die hem opvolgde, was hem een

aangename gedachte. Zoo zou hij voortdurend nog midden in den strijd

leven, nog deelnemen aan alles, wat hem eenmaal het hoogste belang

inboezemde. Hij zou bij aanhoudende beterschap den winter in Den Haag

kunnen doorbrengen. En daarbij kwam, dat Adèle geen oogenblik aarzelde,

toen hij haar vroeg, of zij van ganscher harte den man harer keuze

liefhad.

Onder zoodanige omstandigheden was tot vreugde van alle in deze zaak

betrokken partijen vastgesteld, dat de verloving tusschen den nieuwen

secretaris-generaal en jonkvrouw Adèle van Berenvelt gedurende een

feestelijken maaltijd aan een uitgelezen kring van familieleden en

vrienden zou worden bekend gemaakt.

Van Reelant had lust luid te zingen, toen hij den weg naar huis

insloeg. Maar dit zou kwalijk passen voor zulk een achtbaar man, als

de secretaris-generaal van Buitenlandsche Zaken. Niet minder hoog

sloeg zijn hart daarom van jubel. Weldra zou hij een der vermogendste

ingezetenen uit de residentie worden; hij zag zich elken weg geopend,

hij droomde zich elke hoogte bereikbaar, elken lauwer verkrijgbaar, elke

overwinning behaalbaar, elke kroon beschikbaar. Eer- en zelfzucht zongen

een triumflied in zijn liefdeloos, dor gemoed--hij had gewild en had

gewonnen. Wat hij aan uiterlijke omstandigheden verplicht was, liet

hij buiten rekening, ter zijde schuivend, dat de toevallige vriendschap

tusschen zijn vader en den minister van Buitenlandsche Zaken den grond

gelegd had voor zijn onverwacht en schielijk fortuin.

Hij gaf zich zelven liever de eer. Hij had met inspanning gearbeid,

alleen zijn doel in 't oog gehouden, hij was geen voetbreed ter linker-

of rechterzijde geweken; dus had hij de zege aan eigen kracht te danken.

Zoo was de voorstelling van zaken naar Van Reelants opvatting. Van tijd

tot tijd sloeg hij een trotschen blik om zich heen. Het trof hem, dat

de Juni-zon zoo feestelijk op de boomen aan den Vijverberg fonkelde, en

dat er een mantel van goud over den gevel van het huis der familie Van

Berenvelt scheen uitgespreid. Boven zijn hoofd was de lucht zoo blauw,

dat het een lust was om te zien. En bijna alle voorbijgangers, die hij

ontmoette op zijn korten tocht naar de Hoogstraat, namen hunne hoeden

af--de secretaris-generaal van Buitenlandsche Zaken was algemeen gezien

en geëerbiedigd.

Met zich zelven en de wereld op den besten voet klom Van Reelant eenige

minuten over twaalf de trap op van zijne bovenwoning. Even dejeuneeren,

snel wat toilet maken, en dan tegen twee uren met de vigilante naar

het station van den Hollandschen spoor, dat zou uitmuntend gaan. Over

Rotterdam naar Utrecht, zou hij omstreeks halfvijf aankomen; het

rijtuig van den Baron zou aan het station staan. Hij had nog tijd

genoeg. Hij behoefde zich niet te haasten.

Er liggen geene brieven of papieren op hem te wachten in de voorkamer.

Hij gaat naar zijne studeer- en kleedkamer, hij belt. Langs de

binnentrap nadert langzaam de oude huishoudster, altijd geheel in 't

zwart.

De groene portière beweegt zich. Anna treedt buigend binnen.

»Heb je mijn ~déjeuner~ klaar, Anna?"

»Ja meneer, onmiddellijk!"

»Goed!.... wacht even, Anna!"

»Ja, meneer!"

»Ik ben voor niemand thuis, als er gebeld wordt. En laat kwart voor twee

een vigilant komen!"

»Ja, meneer!"

Een oogenblik later staat een klein tafeltje aan 't raam voor

het ontbijt gereed. Anna zorgt er voor, dat aan haar heer

niets ontbreekt--fijn tafellaken en servet, een malsche

karbonade--voortreffelijk gebraden--versch brood en eene karaf met

Saint-Emilion heeft ze bijeengebracht. Van Reelant neuriet nu een

wijsje, dat hij op straat niet buiten de omheining zijner tanden

durfde te doen gaan. Hij ziet met onuitsprekelijk plezier naar den

tuin van zijn huisheer, den welopgevoeden Emile van Pommeren, ~fils~,

~fournisseur de la Cour~. De zon werpt stroomen van goud over de dichte

kruinen van een paar stokoude pereboomen en een aantal perken met rozen,

geraniums en goudsbloemen. De tuin is niet groot, maar zonnelicht

heerscht er in de blakende almacht, en zwermen van witte vlinders

drijven er op de gulden stralen langs de geurige kelken der bloemen.

Het gezicht in den tuin stemde zoo allervroolijkst, dat Van Reelant

met buitengewoon plezier zijne karbonade aansneed, en zijn eerste glas

wijn dronk. Met het vooruitzicht dien namiddag nog een zijner liefste

wenschen vervuld te zien, wreef hij zich plotseling van louter

blijdschap de handen. Hij zou een luiden kreet van jubel hebben willen

uitschreeuwen, maar het gevoel zijner waardigheid, dat hem nooit in den

steek liet, en daarenboven de deftige huishoudster, die beschuitjes,

kaas en gember bracht, weerhielden hem.

»Anna! De vigilant kwart voor twee, niet waar?"

»Ja, meneer!"

»Laat niemand me storen! Ik heb nog wat te doen!"

»Ja, meneer! Heeft meneer nog iets noodig?"

»Dank je!"

»Nu, dan zal ik meneer maar goeie reis en veel plezier wenschen!"

»Dank je, Anna!"

Deftig als altijd ging de zwarte gedaante heen.

Van Reelant toeft nog een oogenblik aan het déjeuner. Haastig drinkt hij

zijn laatste glas. Hij wil de noodige zorg wijden aan zijne kleeding,

want het is heden een zeer gewichtige dag. Hij verdwijnt in zijn

slaapvertrek.

Deze kamer was minder royaal en ruim, dan de overige vertrekken,

eigenlijk niet veel meer dan eene vrij donkere alkoof, met eene enkele

deur uitkomende in de studeerkamer. Van Reelant hing er jas en vest aan

een kapstok en opende zijne linnenkast, om een fraai gestreken overhemd

en eene witte das te kiezen. Weldra klaar, keert hij naar zijne

studeerkamer terug.

Met een rauwen schreeuw, plotseling hem ontsnapt, blijft hij staan....

Vlak tegenover hem .... verschijnt Suze.

Hare oogen schitterden van eene buitengewone aandoening. Haar gelaat

straalt als van hemelsche vreugde. Zijn kreet vernemend, valt er een

lichte schaduw over haar gelaat, en terwijl ze nader treedt, zegt ze met

eene zachte, bedeesde stem:

»Heb ik je doen schrikken, Arnold?"

Van Reelant kampt tegen eene dier opwellingen van razende drift, die

ook den verstandigsten man zouden kunnen bewegen, om een met eindeloos

geduld opgetrokken gebouw van »speculatiën" door een enkelen slag te

vernietigen. Maar hij herstelt zich in eene seconde. Hij glimlacht

flauw, en, daar hij oogenblikkelijk geen enkel woord kan uiten, wijst

hij op het overhemd en de das, die hij in handen heeft, alsof hij zeggen

wilde: laat mij dit eerst wegleggen.... Suze schijnt te herleven. De

eerste uitdrukking van naamloos geluk keert terug. Zij vestigt een blik

vol innige liefde op Van Reelant, terwijl deze met half gefronste

wenkbrauwen naar de tafel loopt, en langzaam het overhemd ter zijde

legt.

Suze kan haar verlangen, om te spreken, niet bedwingen. Zij nadert, en

zegt zoo zacht en teeder mogelijk:

»Ik stoor je, Arnold! O, wees niet boos! Iets geheel buitengewoons, iets

geheel onverwachts noodzaakte mij op dit uur te komen. Arnold!.... De

Huibert is dood! Ik ben weduwe!"

Van Reelant bleef sprakeloos stilstaan. Oogenblikkelijk maakte zich een

gevoel van hem meester, of hij eene Jobstijding vernomen had. Hij bewoog

zich niet. Hij wilde kalm blijven. Er was geen tijd te verliezen.

Suze nadert hem vastbesloten. Zij legt haar linkerarm op zijn schouder

en vervolgt:

»Zooeven kwam een brief uit Osterwolde. Onze oude meid, Kaatje

Verschuur, die met onzen koetsier is getrouwd, heeft mij uit vriendschap

en dankbaarheid altijd op de hoogte gehouden van wat er in Osterwolde

voorvalt. De Huibert, die dagelijks door velden en bosschen trekt op

zijne landgoederen in Hannover, heeft een val gedaan. Hij is van zijn

paard gestort, is doodelijk gewond naar zijn huis vervoerd, heeft geen

woord meer gesproken en is eergistermorgen overleden en .... nu ben ik

weduwe .... weduwe, Arnold!"

Geen aasje smart over den dood van den edelen man, wiens leven zij zoo

wreed had verstoord, teekende zich op hare trekken. Zij juichte in den

overmoed van haren hartstocht. Zij was volkomen gelukkig.

Van Reelant heeft snel den toestand overzien. Hij moet haar terstond

zien te verwijderen, de tijd dringt. Gedwongen antwoordt hij:

»Dat is een gewichtig nieuws!"

»Niet waar! Ik wilde er niet mee wachten, en daarom kom ik voor het

eerst op dit uur. Maar nu hoef ik mij ook niet meer te verbergen voor

het oog der menschen, niet waar? Nu wordt ik over een paar weken je

vrouw, mijn beste Arnold!"

Van Reelant onttrekt zich zacht aan hare omhelzing.

Strak glimlachend zegt hij:

»Om je de waarheid te zeggen, ik heb niet heel veel tijd tot praten. Ik

moet om twee uren naar Rotterdam!"

»Ga dan een trein later! Eerst moeten we overleggen, wat ons na dit

groote feit te doen staat!"

»Onmogelijk! Dringende zaken...."

»Er kunnen geen dringender zaken zijn, dan die wij nu te behandelen

hebben!"

Suze spreekt op vasten, beslissenden toon. Er valt weer eene schaduw

over haar gelaat.

Van Reelant wordt onrustig.

»En waar wil je dan eigenlijk over spreken?"

»Ik wil spreken over het onverwacht geluk, dat met één slag plotseling

voor ons aanbreekt, Arnold! Nu behoeven we niet meer te veinzen, te

huichelen, te intrigeeren. Nu kan ik openlijk zeggen: dat is ~mijn~ man!

O, ik wist wel, dat mijn trouwe, innig trouwe liefde eindelijk zou

beloond worden!"

En zich plotseling aan zijn borst werpend, lispt zij vleiend met bijna

onhoorbare stem:

»Lieve man! Wanneer wordt ik nu voor de wereld je vrouw?"

»Daar spreken we later over! Ik moet me nu gaan kleeden, om tegen twee

uren klaar te zijn .... later .... later...."

Van Reelant maakt zich met een haastig gebaar los, en loopt naar zijne

tafel, waar hij een volkomen overbodig onderzoek naar zijn overhemd in

het werk stelt.

Suze ziet hem zwijgend aan, terwijl al hare trekken hoogen ernst

uitdrukken. Langzaam begint haar oog te fonkelen.

»Moet ik tot later wachten, Arnold?"

»Ja, dat kan nu niet anders!"

»Zijn je zaken zóó gewichtig, dat je niet meer naar me hooren kunt?"

»Zoo gewichtig .... ja zeker!"

»Dus zou het je plezier doen, als ik maar zoo gauw mogelijk heenging?"

»Ik moet vóór twee uren naar den trein!"

»En dit is alles, wat je me te zeggen hebt?"

Van Reelant maakte eene ongeduldige beweging met de rechterhand, maar

zweeg.

Suzes oogen stralen met dreigenden gloed. Haar boezem zwoegt. Haar

gelaat spiegelt den hevigen strijd af, die in haar binnenste woedt.

Plotseling strekt ze hare hand uit. De mooie zijden parasol valt voor

hare voeten.

»Neen, Arnold! dan weet ik het beter!"

Haar vinger wijst driftig naar Van Reelant.

»Ik breng je de blijde tijding"--gaat ze voort--»dat we van De Huibert

verlost zijn! Je blijft er volmaakt onverschillig onder! Je spreekt geen

woord van ons huwelijk, mij duizendmaal voorgespiegeld en met dure eeden

beloofd! Je wilt me graag kwijt zijn! Je moet naar den trein...."

Hare stem stijgt altijd hooger, hare oogen blaken van klimmenden toorn.

Zij nadert Van Reelant met uitgestrekten arm.

»En weet je, wat dat alles beduidt?"--vervolgt ze, hevig adem

halend.--»Dat beteekent .... dat meneer Van Reelant een ellendeling is,

een leugenaar, ja, een lafaard!"

De stem begeeft haar. Zij klemt zich aan de tafel vast. De woedende

gramschap doet haar duizelen.

Van Reelants gezicht was doodsbleek geworden.

Hij zag naar den tuin, want de ramen waren opgeschoven. Als men beneden

de stem dier razende vrouw eens vernam? De zonneschijn voor eenige

oogenblikken zoo luisterrijk, zoo triomfeerend hem toelonkend, was hem

nu eene ergernis....

Hij heeft geene minuut te verliezen. Hij ziet niet naar Suze om, hij

antwoordt niet, hij snelt plotseling naar zijne slaapkamer, en sluit de

deur achter zich.

In de eerste plaats moet hij zich kleeden. Langer uitstel is onmogelijk.

Suze zal tot nadenken komen en heengaan. Gelukkig heeft ze zich driftig

gemaakt. Gelukkig heeft ze nu door een paar woorden zich op onmetelijken

afstand van hem geplaatst. Hij kan haar nu kalm en bedaard ter zijde

schuiven. Zij heeft het zelve gewild. De strijd moest toch eenmaal

komen, het is beter, dat dit alles nu maar onverwijld worde afgedaan.

Haastig zoekt hij zijn galakostuum. Zijne vingeren beven. Het is wat

duister in de slaapkamer, als de deur van het studeervertrek gesloten

is. Een venster van matglas laat een flauw licht doorschemeren, waaraan

men zich eerst moet gewennen. Toch aarzelt hij geen oogenblik. Hij moet

weg. Het zou te laat worden. Hij kan het bericht van De Huiberts dood

niet in twijfel trekken. Ongelegen is het gekomen, maar, nu het kwam,

moet hij het hoofd bieden aan het gevaar. Hij mag zich niet laten

overrompelen. Hij kan zijne toekomst niet bederven. Misschien is het

oogenblik nabij, dat hij nog hooger stijgen zal .... het ministerie

begint te wankelen, en verliest zijn steun in de Tweede Kamer. De

reactie steekt het hoofd op .... er zal een buitengewoon behoudend,

misschien een anti-revolutionnair ministerie aan 't roer komen, en waar

kan men iemand vinden met schooner »antecedenten" dan de zijne om eene

portefeuille in zulk een kabinet te beheeren.... Aan Suze's doodelijke

teleurstelling denkt hij niet--aan al de liefde en aanhankelijkheid hem

betoond--aan de schoone illusie, jaren achtereen door haar met blind

vertrouwen vastgehouden, nu plotseling den bodem ingeslagen .... denkt

hij niet--hij ziet de bittere tranen niet, die thans, wijl de gramschap

afneemt, hare doodsbleeke wangen overstroomen.

Toen Van Reelant de deur van zijne alkoof sloot, was zij met een luiden

kreet ineengezonken op de vloer bij de tafel. Door het hevige snikken

waren de keellinten van haar hoed losgestrikt. Zij merkte niet, dat

de hoed de parasol volgde. Zij zat met de handen voor het gelaat. De

tranenstroom vloeit door hare vingeren. Hevige sidderingen schokken hare

geheele gestalte. Eene aandoening van onmetelijke ellende maakt zich van

haar meester. De plotselinge tijding van De Huibert's dood had haar op

het alleronverwachtst met de hoogste zaligheid vervuld. Binnen korten

tijd zou zij nu Van Reelants gelukkige vrouw zijn, zou zij aan zijn arm,

als het ware, haar zegepralenden intocht binnen Den Haag doen. Het doel

van haar leven was bereikt. Niet aan een onwaardige had zij zich met

lijf en ziel overgegeven. Van Reelant zou haar straks luid juichend in

zijne armen sluiten, hun geheim verbond zou met eer openbaar worden....

En nu--hij verneemt de groote tijding met de beleedigendste

onverschilligheid.

Hij heeft zaken, gewichtige zaken.

Kunnen er gewichtiger zaken voor hem zijn, gewichtiger belang, dan hun

reeds jaren te voren ontworpen huwelijk, onmiddellijk na den dood van De

Huibert, wanneer die ook mocht voorvallen?

Zij wordt bedrogen, schandelijk bedrogen!

Hij moet op reis, aanstonds .... naar Rotterdam! Maar van Rotterdam gaat

hij dan naar Utrecht....

Een pijnlijk geluid ontsnapt haar!

Woedend springt ze op! Hij heeft haar een strik gespannen, haar om den

tuin geleid .... als een schelm!

Een plotselinge lichtstraal dringt in hare ontstelde zinnen....

Die belangrijke zaak is .... Adèle van Berenfelt!

Nu klinkt een luider kreet. Zij vliegt plotseling naar de deur met de

groene portière. Hijgend, de oogen vlammend, sluit zij de deur met den

sleutel, die aan de binnenzijde in het sleutelgat steekt en verbergt

daarop dien sleutel in haar zak.

Zij zal hem des noods met geweld beletten te gaan. Zij zal strijden tot

haar laatsten ademtocht. Het zal niet gezegd worden, dat zij het doel

van haar leven miste uit gebrek aan moed. Zij wil al hare schoone

illusiën niet als eene zeepbel zien uiteenspatten, zonder hare laatste

krachten te hebben ingespannen....

Maar hij zal geweld met geweld beantwoorden! Hare lippen trillen! Zij

slaat een blik naar den schoorsteenmantel, en ziet de verzameling van

dolken en wapenen....

Eene schitterende "carrière" · 第 14 / 17 段