Er was voor André niet veel keus. Hij moest het leven zijner zuster

redden--dit was en bleef de hoofdzaak. Dominee De Witt was zeer tevreden

en gelukkig, dat het met Letje zoo goed ging, te meer, daar zijn tweede

zoon, de rechtzinnige student te Utrecht, hem veel last veroorzaakte.

Deze beproefde namelijk door kracht van schriftelijke argumenten zijn

vader over te halen tot de waarachtige, hervormde leer der Dordtenaren

van 1619. De Leidsche predikant gaf zich de moeite al de schrifturen van

»meneer zijn zoon" te wederleggen, en hem te betoogen, dat de ware

hervormde leer te Leiden werd onderwezen.

Zoolang André uit Leiden geene andere klachten vernam dan omtrent

den pennestrijd tusschen vader en zoon, was hij tamelijk gerust. Hij

arbeidde ijverig voort aan het tijdschrift van professor Van Dam, en

werd door dezen op de eervolste wijze aangemoedigd. Hij las macht van

boeken en handschriften en bleef nooit in gebreke, wanneer het er op aan

kwam een nummer van het tijdschrift tegen den gewenschten termijn te

doen verschijnen. Reeds was het bepaald, dat met primo Januari van het

jaar 1855 André's naam naast dien van den hoogleeraar op het titelblad

zou gedrukt worden. Hij had niet kunnen vermoeden, dat zijne inspanning

de ontevredenheid van zijne chefs aan het ministerie zou ten gevolge

hebben. Zoolang Baron Van Berenvelt als secretaris-generaal optrad, ging

alles uitstekend, maar sedert in de laatste maanden de referendaris Van

Reelant zijn »functiën" waarnam, kwamen er groote veranderingen. André

merkte, dat hij met een hevige antipathie te strijden had, maar besloot

met niet minder vaste overtuiging, dat hij verplicht was vol te houden.

De woordenwisseling met Van Reelant had hem zoo onaangenaam getroffen,

dat hij bijna moedeloos in zijn stoel voor zijne schrijftafel

achteroverzakte. Van zijne zijde moest hij alles in het werk stellen, om

geen aanstoot meer te geven door te laat te komen. Vóór tien uren zou

hij zich aan 't werk begeven; in dat opzicht moest hij toestemmen, dat

eigen schuld in 't spel was. Maar in alles, wat zijn wetenschappelijk

of letterkundig werk buiten het ministerie mocht aangaan, zou niemand

de minste bekeering bij hem kunnen waarnemen--hij zou volharden op den

ingeslagen weg. De tusschenregeering van Van Reelant zou niet eeuwig

duren, en zoodra de heer Van Berenvelt op zijne plaats terugkeerde, zou

hij van alle hatelijke critiek ontslagen zijn. Doch weldra begon hij aan

lieflijker onderwerp te denken en stelde hij alle muizenissen uit het

hoofd.

Hij dacht aan Betsy....

Met groot verlangen haakte hij naar het uur, dat hij zonder aanstoot

het ministerie zou kunnen verlaten. Dien namiddag zou hij haar weerzien.

Dat was afgesproken. En toen eindelijk het gewenschte oogenblik aanbrak,

snelde hij ijlings naar de »Juffrouw-Ida-straat", om met zijn huisgenoot

en vriend Van Houweningen de kurkdroge karbonaden van juffrouw Barbara

Bont te genieten, en zich te vermeien in de prettige herinneringen aan

de zilveren bruiloft. Terstond werd besloten, dat ze hun sober maal voor

deze buitengewone gelegenheid eens zouden besproeien met eene enkele

flesch wijn, en nu sprak het uit den aard der zaak, dat ze aan 't eind

van hunne tafelpret hoe langer hoe vertrouwelijker werden, en dat André

in het allerdiepst geheim den vroolijk lachenden luitenant mededeelde,

hoe hij Betsy's liefde had gewonnen, en wat de secretaris-generaal

~ad-interim~ hem al voor duldelooze verwijtingen had doen hooren dien

morgen op het ministerie.

André, die met de pen in de hand de moeielijkste vraagstukken van

maatschappelijken aard durfde aanroeren, was in het dagelijksche

leven de eenvoudigste en somtijds zelfs de meest argelooze van alle

jongelieden. Luitenant Van Houweningen steunde hem in zijne plannen;

dronk een glaasje op de mooie Betsy Muller; vond, dat zij de knapste van

al de jongedames op de zilveren bruiloft geweest was, en oordeelde, dat

André heel verstandig had gehandeld--enz. enz. Zoo werd het bijna zeven

uren, en André naderde tot een zeer gewichtig oogenblik van dien dag.

Hij moest thee gaan drinken bij mevrouw Muller Belmonte op een bovenhuis

van den Lutherschen Burgwal, want Betsy zou hem aan hare moeder

voorstellen.

André zorgde er voor met gepaste deftigheid op te treden. Hij was

geheel in 't zwart, toen hij onder eene lichte hartklopping aanschelde,

en eenigszins gejaagd de trap opklom. Sedert Betsy dagelijks les gaf

en door hare vlijt ruimschoots voorzien kon in de behoeften van het

huiselijk leven, waren kalmer dagen voor mevrouw Muller Belmonte

aangebroken. Beide vrouwen leefden op zeer bescheiden voet, maar zonder

drukkende zorgen. Naarmate Betsy meer voor haar moeder deed, nam de

verbittering van deze tegen hare oudste dochter toe. De beide zusters

bleven evenwel in goede verstandhouding met elkander omgaan.

Toen André des avonds na de zilveren bruiloft van vader en moeder De

Milde bij de dames Muller Belmonte binnentrad, heerschte er hoegenaamd

geene pijnlijke stijfheid. Betsy had hare moeder op alles voorbereid,

zoodat André met groote welwillendheid ontvangen werd. Tegen zijn

persoon, zijne familie, zijne betrekking waren geene ernstige

aanmerkingen te maken. Mevrouw Muller Belmonte had al maanden vroeger

den naam van André vernomen. Hier en daar voorzichtig vragende, had zij

niets dan goede tijdingen ontvangen. Dat de jongelieden elkander lief

hadden, had ze mede reeds lang geweten. Betsy hield niets geheim voor

hare moeder, alles was voorbereid, alles hing van den indruk af, dien de

jonge man op zijn aanstaande schoonmoeder zou maken, en daarvoor zorgde

André.

Het was een allergenoeglijkste avond. De beide jongelieden waren

overgelukkig. André, van zijne vroegste jeugd aan een eenvoudig

huiselijk leven gewend, voelde zich dadelijk thuis op den Lutherschen

Burgwal. Natuurlijk leverde de zilveren bruiloft van den vorigen avond

stof tot gesprek. En daarna ving men aan plannen te maken. Mama had er

niets tegen, dat de verloving der jongelui »officiëel" bekend werd.

Betsy poogde met een enkel woord van Suze te reppen, maar mama hield

zich doof. Beter ging het André, die van zijne familie te Leiden

vertelde, die de belangstelling zijner hoorderessen voor Letje won, die,

zonder van eigen inspanning te spreken, uitvoerig beschreef, hoe de

donkere wolk langzaam afdreef, welke zijns vaders huis geruimen tijd

ernstig bedreigd had. De tijd vloog zoo snel om, dat André werkelijk

weg ~moest~, toen hij dacht, dat het gesprek nauwelijks begonnen was.

Maar zijn hart sloeg met blijden slag, en terwijl hij snel naar zijne

kamer terugijlde, was het of Betsy's blauwe oogen hem nog altijd

tegenstraalden--de zang in zijn hart klonk luider en welluidender.

Den volgenden Zondag maakte André met Betsy een uitstapje naar Leiden.

Ze waren nu, zooals het in beschaafd Nederlandsch luidt, »geëngageerd".

Dominé De Witt vond geen enkele zwarigheid. Hij had een onbegrensd

vertrouwen in zijn oudsten jongen. Terwijl de Calvinistische ijver van

zijn tweeden zoon hem vrij wat hoofdbrekens kostte, vooral nadat deze

zijn vader met brief op brief lastig viel over het groote vraagstuk der

»Eeuwige verdoemenis", te Utrecht onder de rechtzinnige theologische

studenten in top van eere gesteld, herademde hij, als hij André

ontmoette. Voor Betsy was hij een en al vriendelijkheid. En de vroolijke

Christien--die, toen Letje naar Pau vertrok, boven alle mogelijke

verwachtingen zich huiselijk en kloek had getoond--was in de wolken

over André's »engagement". Christien had zich zoo dapper van hare

taak gekweten, dat zij al zeer spoedig de hulp van eene oude tante had

versmaad, ondanks al de bezwaren van den predikant. Tante ging voor goed

heen, en Christien, die bijna zestien jaren telde, hield vol, dat zij

heel goed voor papa alleen kon zorgen.

Daarna bracht André zijn »meisje" naar professor Van Dam. Ook hier waren

zij welkom, ook hier klonk een hartelijke gelukwensch. Maar bovenal

wilde André zijn vriend raadplegen over het voorgevallene met Van

Reelant. Hij verhaalde alles, wat er van beide zijden gesproken was:

de beschuldiging van communisme naar aanleiding van zijn artikel over

Malthus, de waarschuwing tegen verder werk in dien geest. Professor

Van Dam bleef eene poos nadenken. Hij herinnerde zich den student

Van Reelant uit vroegere jaren, maar met die herinnering ging niets

schitterends of uitstekends gepaard. Hij oordeelde daarom, dat de

vice-secretaris-generaal de handelingen zijner ambtenaren met

buitengewone strengheid »controleerde", en dat Van Reelant tegenover

André's wetenschappelijke studiën zich op een geheel verkeerd standpunt

stelde. De hoogleeraar beloofde beide jongelieden terstond een schrijven

te zullen richten aan Baron Van Berenvelt, opdat deze den ijver van zijn

plaatsvervanger wat zou mogen intoomen. Hij ried André zijne vrijheid

van spreken en schrijven op wetenschappelijk gebied te handhaven,

maar in alles, wat de binnenlandsche politiek mocht betreffen, zoo

voorzichtig mogelijk te zijn. Zoodra nogmaals botsingen aan het

ministerie voorkwamen, moest André niet verzuimen onmiddellijk zijn

advies te vragen. Professor Van Dam voegde er bij, dat hij alles

behoorde te doen, om zijn goede kansen aan het ministerie niet te

bederven, vooral nu hem het voorrecht was te beurt gevallen eene lieve

bruid te hebben veroverd. Hij waarschuwde hem tevens geen duimbreed

gronds af te staan van het hem toekomend terrein der wetenschappelijke

»discussie".--»Ga voort, zooals je tot nog toe gedaan heb, De

Witt!"--klonk het laatste woord van professor Van Dam.--»En wanneer de

nood aan den man komt, dan zullen we verder zien."

Volkomen gerust hervatte de adjunct-commies zijn arbeid. Nog vóór

tien uren was hij stipt aan het ministerie, tot groote verbazing

van den portier. Zijne vlijt liet niets te wenschen over, zoodat hij

aanvankelijk geene nieuwe vermaningen van den vice-secretaris-generaal

had te beantwoorden. Voor André was het een buitengewoon gelukkige tijd.

Dagelijks sleet hij eenige heerlijke oogenblikken aan Betsy's zijde, en

wanneer soms overvloed van werk hem aan zijne kamer bond, ontving hij

een geestig briefje van den Lutherschen Burgwal, 't welk hij zich

haastte met steeds stijgende geestdrift te beantwoorden. Eene kleine

onaangenaamheid trof hem nog in de eerste dagen zijner verloving met

Betsy. Mevrouw De Huibert verklaarde aan hare zuster, dat zij het

»engagement" afkeurde, dat zij van André als aanstaand schoonbroeder

niets wilde weten, omdat hij niet »soliede" was, en geen »avenir"

had aan het ministerie. Zij voegde er geen enkel woord bij, om hare

beschuldigingen te staven. Na dien tijd ontstond groote verkoeling

tusschen de beide zusters. Betsy had natuurlijk geene geheimen voor

André, zoodat beiden maar al te goed wisten, uit welken hoek deze

ongunstige moesson was opgestoken.

Intusschen verliep de winter van 1854 op 1855. De beide jongelieden

maakten steeds nieuwe plannen. Mevrouw Muller Belmonte billijkte André's

wensch, om de verloving niet langer te doen duren dan volstrekt

noodzakelijk was. Het eind van hun »engagement" werd voorloopig

vastgesteld na Letje's komst uit Pau, en daar men voortdurend de beste

berichten ontving, hoopten allen, dat deze volledig en voor goed

hersteld omstreeks Juni zou terugkeeren. Dan had men de financiëele

belangen te overwegen. André's inkomen als adjunct-commies was niet

voldoende, daarom stelde Betsy voor met de muzieklessen door te gaan--ze

hadden immers ook voor mama te zorgen, die men niet alleen kon laten na

al hare rampen, en die ook niet van de vijfhonderd gulden uit Amsterdam

kon leven.

Aardig was het de strijd tusschen de jongelui bij te wonen. André wilde

niets weten van Betsy's voorstel. Wanneer ze getrouwd waren, zou Betsy

geen enkele les meer geven. Hij zou werken, als er gewerkt moest worden.

Tot nog toe was het hem gelukt buitengewone dingen te doen voor Letje's

herstel, waarom zou hij hetzelfde niet kunnen doen, nu hij voor Betsy's

geluk moest zorgen. Zijne vrouw, de goede genius van zijn huis, onder

den lichaam- en geestdoodenden arbeid van pianolessen te doen zuchten,

terwijl zij zijn naam droeg, scheen hem een gruwel. En ten slotte werd

in dien geest besloten. André's inkomen als adjunct-commies, zijne

bijzondere verdiensten door wetenschappelijken en letterkundigen arbeid,

de bijdrage van mama Muller--dit alles zou het bedrijfskapitaal uitmaken

voor de aanstaande huishouding.

Gedurende het voorjaar van 1855 klommen André's verwachtingen steeds

hooger. Zijn naam stond nu naast dien van professor Van Dam op den

omslag van het »Tijdschrift voor Staatswetenschap". Alles ging voor

den wind. Hij had alle mogelijke aanleiding tot botsingen met zijne

chefs vermeden. Misschien had ook de brief van professor Van Dam

geholpen. Daarbij kwam, dat André op zijn hoede was, wanneer hij over de

binnenlandsche politiek van den dag iets te zeggen had. De zonderlinge

datum van 1 April bracht eene kleine verandering, die niet veel goeds

voorspelde. De »Staats-Courant" meldde, 1o. het allereervolst ontslag

van Baron Van Berenvelt als secretaris-generaal bij het ministerie van

Buitenlandsche Zaken; en 2o. de benoeming van een opvolger, die niemand

anders bleek te zijn dan Jhr. Mr. Arnold van Reelant.

Het geheele personeel aan het ministerie had dien slag verwacht. De

ongesteldheid van den heer Van Berenvelt was niet geweken. Men vernam,

dat hij alleen van volstrekte rust op zijn vorstelijk buitengoed in de

provincie Utrecht herstel hoopte. André ondervond geene andere gevolgen,

dan dat men altijd meer inspanning van hem vorderde. Persoonlijk

scheen Van Reelant zich nu niet veel meer om hem te bekommeren. De

dienst bracht André thans in aanraking met den referendaris, die den

secretaris-generaal ~ad-interim~ opvolgde in diens vroegere betrekking.

Zoo naderde de tijd, die de gelukkigste zou kunnen worden van zijn

geheele leven. De familiën te Leiden en Den Haag vonden geen bezwaar

in het huwelijk van André en Betsy. De laatste brieven van Letje waren

overvloeiende van geluk en levensvreugd. Zij zou in de eerste dagen van

Juni terugkeeren, om tegenwoordig te zijn bij de »receptie" van André.

Men verwachtte haar Zaterdag 4 Juni te Leiden, en daarom teekenden

de jongelui Donderdag 2 Juni aan. Het was na dezen heuglijken dag,

Vrijdagsmorgens, dat André zich wederom stipt te tien uren in zijne

kamer aan het ministerie bevond. Hij was in zeer vergenoegde stemming.

Hij regelde zijne papieren en boeken. Het eerst dacht hij aan een

verzoek, dat hem dien dag te doen stond. Hij wilde tegen Donderdag

15 Juni voor acht dagen verlof aanvragen, ter gelegenheid van zijn

huwelijk. Hij nam zich voor er dien morgen met den referendaris over te

spreken. Terwijl hij eenige papieren in zijne brieventasch bergt, valt

zijn oog op den laatsten brief van Letje.

Hij kan der verzoeking geen weerstand bieden hem nog eens te herlezen.

»Pau, 29 Mei 1855.

»Beste André!

»Het is dus vast afgesproken, dat ik Zaterdag den 4den Juni thuis

kom.

»Mijn hart klopt van ongeduld, als ik aan Leiden en aan u allen

denk. Sterk en gezond keer ik terug, er is een mirakel met mij

geschied!

»O, André! ik ben zoo dankbaar, zoo innig dankbaar--vooreerst aan

den algoeden Bestuurder van mijn lot; dan aan deze verrukkelijke

natuur, die ik nooit vergeten zal; dan aan u, mijn braven, lieven,

allerliefsten broer!

»Ik neem afscheid van Pau en van alle mooie plekjes hier in den

omtrek!

»Hoe heerlijk is dit schoone land, hoe weldadig de altijd heldere

zonneschijn, hoe versterkend de frissche luchtstroomen in de schoone

vallei van Ossau!

»Wat zal ik je er veel van vertellen! Mijn heel volgend leven zal ik

er van kunnen spreken....

»Buiten de oude stad met het hooge kasteel van Jeanne d'Albret en

Henri de Béarn, dat ik dikwijls heb doorwandeld,--buiten de stad ken

ik alle wegen, alle heuvelklingen, alle ravijnen. Wij zijn hier in

den vollen zomer. De goudblonde maïsoogst staat al te rijpen in het

dal.

»Hoe dikwijls heb ik groote wandelingen gemaakt langs den stoffigen,

witten weg, die zich slingert als een lint van zilver naar de altijd

hooger rijzende bergtoppen. Mij beschermde de schaduw der oude

krachtige olmen met macht van takken--takken, die soms reeds bij

den wortel beginnen op te schieten, en waarvan het weelderig groen

zich immer dichter ineenstrengelt ondanks lagen van wit stof.

»Hoe verschillend ook van de Hollandsche natuur, geeft dit

landschap mij toch dikwijls aan Holland te denken. De blauwe klokjes

en de witte windekelken, die hier in het hooge gras aan den weg

bloeien, zelfs de vergulde wespen, die in de kelken dommelen,

herinneren mij den weg van Leiden naar Leiderdorp.

»Maar de schrille platanen met hunne glimmende bladeren brengen mij

weer terug naar de Pyrenaeën. De heuvelklingen golven hooger en

hooger, de hemelsblauwe tint gaat langzaam over in een zacht violet.

Eindelijk zie ik met een nauwelijks te bespeuren omtrek »~le Pic du

Ger~"...."

André wordt gestoord in zijne lezing.

De bode verschijnt, en zegt op de gewone, eentonige wijze:

»De secretaris-generaal vraagt naar u, meneer!"

Verward ziet de jonkman op. Hij knikt, en traag schuift hij zijn stoel

weg. Dat was in lang niet gebeurd, maar daarom niet versaagd--hij is

gereed.

Bedaard loopt hij langs gangen, en daalt hij trappen af, die hem naar de

kamer van den secretaris-generaal zullen brengen. Hij opent de dubbele

deur, en vindt Van Reelant statiger en hooghartiger dan ooit te voren

bij de schrijftafel. Zoodra hij binnentreedt, keert Van Reelant zich om,

en klinkt het afgemeten:

»Wees zoo beleefd plaats te nemen, meneer De Witt!"

André gaat zitten op dezelfde plek, waar hij eenmaal zulke pijnlijke

oogenblikken sleet.

Hij zwijgt. De secretaris-generaal zoekt een oogenblik, en grijpt

eindelijk eene krant, die hij wijd openslaat.

»Meneer De Witt! Tot mijn bijzonder leedwezen zie ik mij verplicht u na

al het gebeurde al weder bij mij te ontbieden. Ik las gisteren in het

Handelsblad een hoofdartikel met uw naam geteekend, onder den titel:

»De Krimoorlog en de Triple-Alliantie"--het artikel is immers van u?"

»Zeer zeker, meneer Van Reelant!"

»Ik wenschte, dat het niet zoo was. Ik ben nu genoodzaakt u te zeggen,

dat u ditmaal alle voorzichtigheid uit het oog heeft verloren. Dit

artikel gaat veel te ver! Met uw verlof! Het is mijn voornemen niet,

na al hetgeen wij vroeger bespraken, thans opnieuw in een uitvoerige

discussie te treden. Het zal voldoende zijn u een paar zinnen uit uw

artikel aan te wijzen...."

André was te veel overrompeld, om snel te kunnen antwoorden. Al langer

dan een jaar gaf hij van tijd tot tijd een artikel over de geschiedenis

van den dag in het Handelsblad, immer met zijn naam onderteekend. Tot

nog toe scheen hieruit geen aanstoot te zijn genomen. En nu eensklaps

had hij zich opnieuw te verantwoorden....

Van Reelant zocht eene pooze, en zei toen haastig:

»Zie hier, meneer De Witt! Daar lees ik in de eerste plaats: »Hoe

heuglijk ook de Triple-Alliantie (Engeland, Sardinië, Frankrijk) voor

het belang der menschheid moge geacht worden, het is een treurig drama,

dat in de Krim nu weldra zijne ontknooping gaat vinden. De edelmoedige

Fransche natie gehoorzaamt niet aan de inspraak harer eigen ridderlijke

natuur, maar zendt, gekromd onder den schepter van een politiek

avonturier als Napoleon III, hare dapperste zonen uit, om, aangevoerd

door een schelm als Saint-Arnaud, een samenzweerder als Canrobert, en

een wreedaard als Pélissier, hare beste krachten te verspillen....""

Van Reelant hield even op, en zag André aan.

»Deze halve volzin is al meer dan voldoende, meneer De Witt! Het is niet

mogelijk dwazer, kinderachtiger en ongepaster te spreken!"

»Maar het is waarheid!"--viel André in.

»Er wordt hier niet gevraagd, wat u waarheid blieft te noemen. Wij

behandelen hier eene andere quaestie. Mag een ambtenaar aan dit

departement op deze wijze van bevriende souvereinen spreken? Bevat onze

strafwetgeving geene termen om aan dergelijke dwaasheden voor goed een

eind te maken?"

Van Reelants stembuiging klonk dreigend, hij zag den adjunct-commies

met een vernietigenden blik aan. André werd doodsbleek. Hij antwoordde:

»Mij zijn dergelijke termen niet bekend!"

»Dat is mij onverschillig! In elk geval bestaan er termen, om uwe

verdere loopbaan als ambtenaar van den staat te schorsen, meneer De

Witt!"

André liet zich gelukkig weinig door deze bedreiging van de wijs

brengen, en hernam snel:

»Als de staat van zijne ambtenaren vordert, dat men uit beleefdheid voor

vreemde souvereinen de historische waarheid met voeten trede, dan is het

voor mij wenschelijk niet langer zijn ambtenaar te blijven!"

»Het verheugt mij u zoo verstandig te hooren spreken, meneer! Maar

ik zal mij nog de moeite geven u op een tweeden volzin te wijzen, die

alle verdere tegenstribbeling onmogelijk maakt. Zie hier: »De dynastie

der Napoleons is reeds op zich zelve voor Frankrijk eene nationale

ramp, maar een vorst als Napoleon III is meer. De eerste keizer met

den pulverdamp van Austerlitz, Wagram, Jena--met zijne eenvoudige

grijze overjas, met zijn kleinen, wereldberoemden steek, met zijn

schitterenden stoet van generaals--de eerste keizer, op het bergvlak

van Sint-Helena den kijker richtend naar den kant van Frankrijk--de

eerste keizer, spelend met de kinderen van den Engelschen pachter op

Old-Longwood-House, de kinderen van Sir Hudson Lowe's ondercipier--de

eerste keizer blijft met al zijn goed en al zijn kwaad een heros, eene

epische figuur in de wereldhistorie.

»De tweede keizer met een stuk vleesch op den hoed te

Straatsburg--wegzinkend in het slijk van Boulogne met zijn vriend

Fialin--wegsluipend uit het fort Ham in het metselaarspak van

Badinguet--op den tweeden December 1851 de vrijheid onder de voeten

tredend, de Bank van Frankrijk met linietroepen omsingelend, de

uitmuntendste burgers in ballingschap zendend, zijn eed brekend--de

tweede keizer met zijn vijf en een half millioen stemmen, met zijne

gedeputeerden en zijne senatoren, met zijn corpulenten vriend Plon-Plon,

die in de Krim ziek wordt en zich schielijk uit de voeten maakt--de

tweede keizer, met zijn geheimzinnigen broeder de Morny en zijn lomp

werktuig de Persigny, levert, al mocht ook Pélissier den Malakoff

veroveren, niet meer dan eene droevige caricatuur van zijn grooten

voorganger, ten hoogste de stof schenkend tot eene woedende satire!""

»Volkomen juist!"--barst André uit.

Van Reelant zwijgt geruime pooze, alsof verontwaardiging hem het spreken

moeilijk maakte. Eindelijk zegt hij, zonder op André's uitroep te

letten:

»Zoo iets te schrijven en met zijn naam te bezegelen zou voor ieder

Nederlander, wie ook, hoogst onhebbelijk zijn. Maar voor een ambtenaar

aan dit ministerie is het brutaal en ploertig--houd mij het woord ten

goede! Ik voeg er dus een ernstigen raad bij. Meneer De Witt! wees zoo

goed binnen tweemaal vier en twintig uren uw verzoek om eervol ontslag

aan den minister toe te zenden!"

»Het spijt me zeer, meneer Van Reelant!"--antwoordde André uiterst

bedaard.--»Ik kan uw raad niet volgen! Zoo er termen voor zijn, mag de

minister mij ontslaan, eervol of niet!"

Van Reelant stond op. Een lichte blos van toorn kleurde zijne wangen.

»Meneer De Witt! Er zijn nu woorden genoeg verspild! Van het begin af

heb ik u gehouden voor een zeer onbeduidend ambtenaar. Misschien heeft u

aanspraak op wetenschappelijke verdiensten! Dat schijnt zoo. Ik wil het

niet betwisten. Maar als ambtenaar, meneer! is u totaal ongeschikt. Komt

uw verzoek om ontslag niet binnen den door mij gestelden termijn in, dan

zal ik maatregelen nemen. De onaangename gevolgen zijn voor uwe

rekening!"

André stond onverschrokken voor den secretaris-generaal. Hij antwoordde

kalm en beleefd:

»Ik wacht uwe maatregelen met volkomen gerustheid af. Van plichtverzuim

kan men mij niet beschuldigen! Behaagt het den minister mij uit mijne

betrekking ontslag te geven, dan zal hij mij zeker de motieven

meedeelen, en de publieke opinie zal beslissen!"

Van Reelant glimlachte schamper.

Eene schitterende "carrière" · 第 13 / 17 段