toegeschoven, werd weer geopend, en de piano begeleidde dit alles met
smeltend lyrische accoorden. Vijfmaal moest Paris naast Helena knielen,
en eerst toen verklaarde de kunstrijke Tchitchikoff, dat hij tevreden
was. Daarna kwam het geheele hof van Menelaos zich onder de gewone
stervelingen vertoonen. De heeren putten zich uit in loftuitingen,
en de vernuftige auteur van het eerste ~tableau~ oogstte de zoetste
voldoening. Van Reelant werd in staat gesteld van nabij te oordeelen
over de kostumen van Helena en Clytemnestra, maar ondanks zooveel
kunstgenot bleef hij zich het gewicht van zijne persoonlijkheid, van
zijn ambt, herinneren. Hij ontsnapte ditmaal aan verderen vriendelijken
aandrang, den indruk achterlatende, dat hij de oud-Hollandsche
deftigheid van tijd tot tijd wel een klein beetje overdreef.
Van den Boschkant tot aan de Hoogstraat is wel geene groote wandeling,
maar Van Reelant liep zeer bedaard, en rookte, als naar gewoonte,
met bijzonder genoegen zijne sigaar, nu hij een heelen avond onder
niet-rookers had doorgebracht. Des avonds te midden van zijne kennissen
een uur te slijten op de eene of andere sociëteit scheen hem volstrekt
overbodig. Men wist, dat hij des avonds niet uitging, behalve op
~soirées~; dat hij zeer stipt en tijdig ter ruste trok, om immer in den
vroeger morgen al het nieuws uit binnen- en buitenlandsche kranten te
kunnen lezen, en vóór tien uren naar het ministerie te vertrekken. Zijne
wandeling liep nu ook rechtstreeks naar de Hoogstraat, en terwijl hij
langzaam Voorhout en Vijverberg volgde, gebeurde andermaal, wat hem dien
morgen bij de Gevangenpoort deed stilstaan: de loop zijner gedachten
nagelde hem als vast aan den grond.
Hij dacht aan beide vrouwen, die eene rol in zijn leven speelden en
zouden spelen, aan Suze en Adèle.... De rol van de eerste liep ten
einde. Hij bekommerde er zich dikwijls over, hoe Suze zou handelen,
als zij ontdekte, dat er van een huwelijk met Adèle sprake was. Het
vraagstuk scheen hem zeer onaangenaam, en somtijds bekroop hem, den
schranderen Van Reelant, een gevoel van angst en zorg voor de toekomst.
Weldra evenwel had hij zich boven deze kinderachtige aandoening
verheven, en een ~plan-de-campagne~ gemaakt. Hij zou, indien de
omstandigheden hem dwongen, aan den heer Van Berenvelt en aan Adèle de
geschiedenis van mevrouw De Huibert verhalen--hij zou Suze voorkomen,
indien ze zich tusschen hem en Adèle mocht willen plaatsen. Voor het
overige zou hij zorgen, dat Suze van zijne plannen niets vermoedde tot
op het uiterste oogenblik, en dan zou ze zich in het ~fait-accompli~
moeten schikken. Na zijn huwelijk met Adèle vreesde hij niets meer van
haar, vóór dat tijdstip zou hij hare aandacht zoeken af te leiden. Hunne
»vriendschappelijke" verhouding, zoo sprak hij tot zichzelven, mocht
toch geen oorzaak worden, dat hij ten eeuwigen dage »bachelor" bleef.
Het was wel jammer, dat hij Suze een groot verdriet moest berokkenen,
maar dat was nu onvermijdelijk geworden door den loop der zaken....
Met deze korte becijfering sloot Van Reelant de rekening van het
verleden. Hoe het met Suze verder gaan zou, dat was eene vraag, tot
oplossing van welke hij nu geene roeping gevoelde. Later, als het
fortuin van Adèle hem daartoe in staat stelde, zou hij voor de dames
Muller Belmonte zorgen.... En terwijl hij dit met groote edelmoedigheid
bij zichzelven overlegde, stak hij zijn sleutel in het slot zijner
huisdeur. De groote klok sloeg buiten juist middernacht.
Toen hij op het portaal onder het schijnsel der roode lantaarn stond,
mompelde hij snel eenige onverstaanbare woorden. De deur zijner
studeerkamer, achter aan de gang, stond half open, een breede
lichtstraal viel naar buiten. Hij vermoedde het reeds--de geheimzinnige
bezoekster wachtte op hem. Langer dan een jaar hadden Suze en Van
Reelant elkander menig avond op het bovenkwartier van den vermaarden
Emile van Pommeren, ~fils~, aldus ontmoet. De elegante hofleverancier
mocht geacht worden niets in deze bezoeken te zien; de oude huishoudster
Anna was volkomen op de hoogte, maar deed om goede en klinkende redenen,
of zij er nooit iets van merkte. De koning der kleermakers had steeds
den hoogsten lof voor zijn allerfatsoenlijksten »locataire"; hij had
niet het minste recht zich te ergeren aan de bezoeken van meneers
»schoonzuster", al kwam die altijd wat laat. De heer Van Reelant was een
voorbeeldig man, hij mocht zich met diens familiegeheimen niet bemoeien.
De oude Anna had gezegd, dat de dame mevrouw De Huibert heette, maar Van
Pommeren had in Den Haag nog nooit van eene mevrouw De Huibert hooren
spreken, en, schoon hij haar eenmaal zeer duidelijk gezien had, toen
meneer haar voor een jaar van den trein haalde, had hij haar later nooit
meer kunnen ontdekken, zelfs niet zien voorbijkomen in de Hoogstraat.
Dit alles was misschien een beetje geheimzinnig, maar de fatsoenlijk
opgevoede Emile van Pommeren, ~fils~, had besloten een bewijs van zijn
fatsoen te geven, door niet verder in de zaken van zijn »locataire" door
te dringen.
Van Reelant had een oogenblik noodig, voor hij met een vroolijk gelaat
naar zijne studeer- en kleedkamer kon henen snellen. Hij wist niet
hoe het zich had toegedragen, maar Suze had zich langzamerhand van
zijne huisgoden meester gemaakt; zij begaf zich altijd naar zijne
studeerkamer, als zij hem niet thuis vond. Zij had een soort van bestuur
over de verschillende kamers op zich genomen; zij had gezorgd, dat Van
Reelant altijd een eenvoudig souper vond bij zijne thuiskomst, en de
oude huishoudster had zich langzamerhand aan dit zonderling gezag
onderworpen. De studeerkamer was een aangenaam vertrek, zonder pracht,
maar zeer geriefelijk ingericht. De wanden werden door boekenkasten
ingenomen; de beide vensters, die op den tuin van den hofleverancier
uitzagen, waren onder dikke groene overgordijnen zorgvuldig verborgen,
terwijl eene groene portière de deur beschermde. De tafel was met
boeken, papieren, portefeuilles en officiëele schrifturen overladen.
Om den open haard, waarin men des winters gezellige, groote vuren
kon doen ontvlammen, stonden breede, lederen leunstoelen. Boven den
schoorsteenmantel aan beide zijden van een sierlijken, ovalen spiegel
met vergulden rand had Van Reelant allerlei herinneringen uit zijn
studententijd, en van zijne reizen in de Pyrenaeën, Monaco en Nizza
opgehangen. Het merkwaardigst mocht eene verzameling floretten,
degens en dolken van allerlei gedaante en eigenaardigheid worden
genoemd--dolkmessen uit Toledo, blauwe stalen galadegens, en
tweesnijdende ponjaarts uit Biscaye. Behalve de gewone deur met de
groene portière, die naar de gang voerde, bracht nog eene kleine deur,
links van den schoorsteenmantel naar Van Reelant's slaapkamer. Toen de
heer des huizes dien avond door de geopende deur binnenkwam, vond hij
Suze in een leunstoel met een boekdeel vóór zich. Zij sloeg kwijnend de
oogen op; het licht der hanglamp verried, dat hare trekken bleek en hare
wimpers vochtig waren. Van Reelant liet zich in een fauteuil naast haar
vallen, en reikte haar zwijgend de hand.
»Je komt laat!"--fluisterde ze.
»Ik ben opgehouden! Er was repetitie bij mevrouw De la Pezuela .... heb
je geschreid, Suze?"
»Och, dat boek, anders niet! Ik voelde mij zoo beklemd, zoo ter neer
gedrukt .... en nu las ik een oogenblik in Goethes Wilhelm Meister, en
zie .... daar maken mij nu deze verzen zoo bedroefd...."
»Wer nie sein Brod mit Thränen ass,
»Wer nie die kummervollen Nächte
»Auf seinem Bette weinend sass,
»Der kennt euch nicht, ihr himmlischen Mächte!
»Ihr führt in 's Leben uns hinein,
»Ihr lasst den Armen schuldig werden,
»Dann überlasst ihr ihn der Pein;
»Denn alle Schuld rächt sich auf Erden."
Zwijgend legt hij het boek weg, en zegt meesmuilend:
»Ik had niet gedacht, dat je zoo sentimenteel waart, Suze! En ook niet,
dat je zooveel geduld hadt om op me te wachten.... 't Is al laat."
Suze boog het hoofd. De donkere lokken vielen over hare bleeke wangen.
Zij stamelde haperend:
»Die regels zijn waar.... Ik had niet moeten blijven...."
Van Reelant zag verschrikt op. Dat groote verdriet kwam nu zeer
onwelkom. Hij begreep ook de aanleiding niet. Als man van de wereld en
practisch ambtenaar zou hij zich door geen duizend regels van Goethe,
noch van wien ook, een oogenblik uit zijn humeur hebben laten brengen.
Suze scheen door eene bijzondere oorzaak zoo ontsteld. En terwijl hij
haar heimelijk bespiedde, trof het hem, dat zij in haar smaakvol,
helderblauw zijden kleed er zooveel aantrekkelijker uitzag, dan al de
Helena's en de Clytemnestra's van Tchitchikoff's ~tableaux vivants~.
Plotseling sloeg hem het hart sneller in den boezem, plotseling vlamde
zijn oog, stormde hem het bloed onstuimig door de aderen, en nog eenmaal
vergat hij de kalme overleggingen en wijze plannen een oogenblik te
voren gemaakt. Hij schuift zijn stoel weg, knielt naast Suze op den
vloer, grijpt hare hand. Suze brengt snel haar kanten zakdoek aan de
oogen; zij weet, dat vrouwentranen zeer veel vermogen, maar toch nimmer
mooier maken. Van Reelant legt zijne linkerhand om hare leest, en zegt
zoo teeder mogelijk:
»Wat is er Suze? Kom, zeg het me .... wat scheelt er aan?"
Suze aarzelt eene seconde. Zij maakt hare hand vrij, eene trillende
zucht ontsnapt haar boezem. Daarna legt zij beide handen op zijn hoofd
en vraagt:
»Arnold! Je hebt toch geen plan, om me ellendig te maken voor heel mijn
leven? Je bedriegt me immers niet?"
Van Reelant stond den blik uit hare fonkelende oogen moedig
door--iemand, die voor tweeden régisseur dienst doet, moet iets van de
tooneelspeelkunst verstaan.
Tot antwoord omhelst hij haar vurig, en fluistert hij woorden van de
hartelijkste liefde aan haar oor. Maar Suze weert hem af. Volkomen zich
zelve meester, zegt ze gebiedend:
»Sta op, Arnold! Ik zal je alles zeggen, ik zal je uitleggen, waarom ik
zoo lang bleef wachten. Een paar woorden zijn voldoende...."
Eenigszins onthutst staat Van Reelant op. De toon van hare stem
ontveinst te vergeefs eene hevige aandoening. Hij loopt zijne
studeerkamer zwijgend op en neer. Heimelijk verwenscht hij Suze's
zonderlinge stemming. Maar plotseling blijft hij glimlachend bij haar
stoel staan, en vraagt:
»Wat is er dan eigenlijk?"
»Misschien is er niets! Je zult me uit den droom helpen! Gisteren vierde
de familie De Milde zilveren bruiloft.... Ik heb er je al meer van
gesproken. Onder de jongelui was daar ook een meneer André de Witt...."
»Die pedante vlegel!"
»Hij maakt een beetje het hof aan mijne zuster Betsy...."
»Laat ze oppassen! Hij raakt binnenkort zijn baantje aan het ministerie
kwijt."
»De beide jongelui hebben toevallig over jou gesproken, Arnold! Betsy
heeft me alles vertrouwd. Men zegt, dat je in- en uitloopt bij den Baron
Van Berenvelt, en de heeren aan het ministerie weten te vertellen, dat
je bijzonder veel werk maakt van de oudste freule. Dat had Betsy me al
meer gezegd. Betsy heeft je dikwijls aan huis van de Van Berenvelts
ontmoet. Je hebt haar nog nooit toegesproken--dat was zoo bepaald
tusschen ons. Maar hare élève, de jongste freule Albertine, babbelt over
alles met haar. En nu komt iedere bijzonderheid, die Betsy hoort, juist
overeen met de loopende praatjes .... die ik niet wil gelooven, die ik
ver wegwerp, maar...."
Van Reelant streed met de schielijke opwelling Suze te tarten, en
haar zonder aarzeling de volle waarheid te zeggen. Maar dit ontried de
voorzichtigheid, en dan .... hij kon haar niet aanzien zonder eene zeer
gemengde aandoening van vrees, van medelijden en eindelijk van vurigen
hartstocht.... Tegenover verzen van Goethe kon hij met het grootste
plezier onverschillig blijven, maar tegenover Suze, die het geheim
verstond altijd iets nieuws en aantrekkelijks bij hare verschijning ten
toon te spreiden, tegenover Suze viel het hem moeielijk volkomen
onverschillig te blijven.
»Is dat alles?"--was zijne kalme vraag.
»Alles en meer dan genoeg!"
»Mag ik je één raad geven? Laat de menschen praten, en schrei niet om
een paar huilerige regels van Goethe!"
»Dus is er niets van aan!"
»Neen!"
»Je komt dag aan dag bij de Van Berenvelts?"
»Zeer zeker. De Baron is ernstig ziek geweest, en moet mij voor zaken
spreken!"
»En zijne dochter?"
»Raadpleegt mij vaak over haar vader!"
»Als vriend?"
»Als vriend!"
Suze springt van haar leunstoel, en blijft in het volle schijnsel van
de hanglamp vóór Van Reelant staan. Hare donkerbruine oogen richten zich
met angstige spanning naar zijn gelaat. Zij strekt beide handen naar hem
uit, de wijde mouwen van hare blauwe zijden japon vallen naar beneden
en verraden hare prachtig gevormde armen. Van Reelant vangt haar op, en
trekt haar aan zijne zijde. Maar Suze blijft hem met wijd geopende oogen
aanstaren. Kalm zegt ze:
»Ik ben jaloersch, Arnold! Heb medelijden met mij! Ik vraag je maar één
woord.... Zeg me, dat er niets tusschen ons veranderd is, dat je me niet
opzettelijk bedroog, toen je zei: mijn vooruitzichten en mijn toekomst
behooren jou...."
Van Reelant ademde weder in den toovercirkel van Suze's bekoorlijkheid.
Eigenbelang en zelfzucht werden ter zijde gedrongen door machtiger
passie--hij staat alles toe, wat Suze van hem eischt, hij zou ieder
woord met dure eeden hebben bezworen, als zij het had gevorderd....
* * * * *
Volkomen tevreden zag de jonge vrouw hem aan. Ze zaten nu op eene sofa
ter zijde van de tafel. Hij had op haar verzoek zich de vrijheid gegund
te rooken.
»Arnold! Ik had je al lang iets willen vertellen, maar er is niets van
gekomen.... Ik heb bericht van De Huibert..."
Van Reelant bukt zich. Zijne brandende sigaar is op het tapijt
gevallen.
»Het nieuws komt niet van De Huibert zelf, stel je gerust, Arnold! Ik
heb op mijn manier mijne gezanten in Osterwolde en omstreken. Dat zal
ik je later wel eens uitleggen. De Huibert heeft Lindenstein verkocht.
Hij woont nu in Hannover ergens op een buiten, waar hij groote bosschen
bezit, en bijna niets doet dan jagen en visschen. De lui in Osterwolde
weten volmaakt goed, dat wij gescheiden zijn, en sommigen komen er
langzaam achter, waarom wij gescheiden zijn.... Ze vertellen er bij,
dat ik later met een Amsterdamsch heer naar België gevlucht ben!"
Van Reelant staart zwijgend naar het tapijt. Zijn gelaat is doodsbleek.
Zijn verleden begint plotseling weer te leven. Als men de geheele
geschiedenis van Lindenstein eens in de Haagsche kringen rondfluisterde
..., als men hem eens belachelijk ging vinden? Noemde men zijn naam?
Werd er in Osterwolde over hem gesproken?
Suze geeft hem nadere inlichting. De beide heeren De Huibert hadden zich
nimmer over hem uitgelaten. In den beginne was er veel gesproken, maar
nu werd de zaak niet meer aangeroerd. Zij had dit alles niet verteld om
hem te beangstigen. In Den Haag kende nog niemand, vermoedde nog
niemand, dat....
Van Reelant richt het hoofd op. Kort en bijna scherp vraagt hij:
»Suze! Waarom zeg je me dit alles?"
Suze glimlacht eenigszins vreemd. Zij werpt den schat van glinsterende
krullen met een forschen zwaai in den nek. Zij antwoordt:
»Omdat ik een woord wil spreken over onze toekomst. Ik geloof, Arnold!
aan je heilige beloften, mij zoo even herhaald. Ik geloof, omdat ik
je innig liefheb .... omdat je een man van eer bent .... omdat we door
alles, wat er gebeurd is, vast verbonden zijn in lief en leed. Je weet,
dat ik nooit een schaduw wil werpen op den weg, die je zal brengen tot
eer en grootheid. Je weet, dat ik niemand ooit lief heb gehad dan jou
alleen. Mijn vader koppelde mij aan De Huibert--een huwelijk tusschen
ons beiden was onmogelijk. Ondanks dat alles heb ik mijne liefde nooit
verloochend, heb ik plichten en eeden geschonden, en zou ik het nog
doen, zoo het mogelijk ware! Er is dus geen macht ter wereld, die ons
scheiden kan. Dit geeft mij kracht in deze donkere dagen, nu ik mij
verbergen moet, en niemand weten mag, wat wij voor elkander zijn. Maar
geef mij nu ook een klein bewijs, dat ik niet tevergeefs op je heb
gerekend! De Huibert is niet jong meer--ik heb besloten geduldig
te wachten tot den dag van zijn dood.... Beloof mij daarom in alle
oprechtheid en eerlijkheid, dat ik op dien dag fier en vrij aan de
wereld mag zeggen: in stilte heb ik hem lief gehad, in 't openbaar heeft
hij het mij vergolden!"
Half bedwelmd luisterde hij naar dezen woordenstroom. Hij voelde een
paar zachte handen op zijn schouder, een paar brandende lippen drukken
zich op zijn mond. Hij wil nog worstelen, maar hij kan niet. Fluweelen
koorden omstrikken hem--hij stelt den beslissenden strijd tot later uit.
ELFDE HOOFDSTUK.
Lief en leed uit de loopbaan van een adjunct-commies.
De zilveren bruiloft bij de familie De Milde had aan aller verwachting
voldaan.
Het jubileerend echtpaar was dankbaar tot over de huizen voor alles wat
er gebeurde. De geheele bende der visitemakende kennissen--lieden die
vijf of zesmaal 's jaars in ons huis komen, die we op straat de hand
geven, en ons bezighouden met een meteorologisch gesprek--was onder de
wapenen verschenen, en had de geestdrift der familie doen stijgen door
talrijke kleine geschenken in zilver.
De meisjes De Milde waren bijzonder tevreden over den afloop van het
feest. Het mythologisch drama: ~Venus contra Mars~ was buitengewoon
in den smaak gevallen, en uitbundig toegejuicht. Allen hadden hun best
gedaan, en de kostumen waren schitterend geweest--zelfs Kee had er als
Venus heel aardig uitgezien in hare witte gazen tuniek met slingers van
donkerroode rozen overdekt. En het meest van alles waren ze tevreden
over het prettige danspartijtje aan 't slot van 't feest, schoon
Willemien het niet vergeten kon, dat André haar maar eene enkele maal
gevraagd had.
André was opgetogen over dien avond, niet om de pret, noch om den
bijval aan zijn gelegenheidsstuk ten deel gevallen, maar omdat hij
Betsy ontmoet had, daar Betsy de harten van alle gasten gewonnen had
door uitnemend fraai te spelen, en het zijne had doen trillen van
grenzeloozen jubel, zoo dikwijls zij de mooie, blauwe oogen naar hem
opsloeg. Te midden van de gasten zag hij alleen hare ranke figuur, hare
golvende krullen, haar vluggen gang.... Telkens betrapte hij zich op het
feit, dat hij haar volgde, en aan hare zijde stond. Aangenaam was hem
dan de ontdekking, dat hij het jonge meisje niet scheen te vervelen, als
hij haar vroolijk over het een of ander sprak, want zij antwoordde hem
vriendelijk en plooide haar rooden mond tot den beminnelijksten lach.
Aan een bijzonder oogenblik van den feestavond dacht André met
onbeschrijflijken trots. Sinds dat oogenblik was er een gezang in zijn
hart. Midden onder de feestgenooten had hij zich in de tuinkamer aan
Betsy's zijde geschaard, toen het jonge meisje, toevallig alleen, met
belangstelling naar het geschilderd behang stond te staren.
»Ik heb altijd plezier in dit behang!"--had ze gezegd.--»'t Is lang niet
slecht geschilderd, en geen enkel persoon komt tweemaal voor. De villa's
verschillen allen! De ruiters berijden geen enkel paard van dezelfde
kleur, en de voetgangers hebben ten minste allen een anderen rotting in
de hand. Al de dames en heeren zijn wit gepoeierd, dat kon niet anders!
't Schijnt, dat in dien tijd een soort van roode overjassen voor heeren
in de mode was...."
»En zwarte zijden ~mitaines~ voor dames!"--had André er bijgevoegd.
»Ze schijnen zich goed te amuseeren"--had Betsy vervolgd--»want ze
lachen meest tegen mekaar!"
»Behalve aan dezen kant, hier!"--had hij tegengeworpen, en tegelijk
Betsy meegetroond naar een hoek der kamer, waar zij bijna alleen waren.
Daar had hij haar gewezen op een afzonderlijke episode in de
behang-schildering. Onder een zwaren boom stond eene groene tuinbank en
daar zat een paartje in de schaduw te vrijen. De wit gepoeierde jonge
dame zag zeer ernstig naar den grond, terwijl hare rechterhand achteloos
langs de lila statiejapon afhing. De cavalier, in eene licht-oranje
»houppelande" bekeek haar met een smeekenden blik, en poogde den pink
van hare linkerhand aan te roeren.
»'n Landelijke idylle!"--had Betsy gezegd.--»Ik had er nog niet op
gelet! Zoo zien de jongelui er uit in de romans van Wolff en Deken!"
»Juist! Sara Burgerhart luistert naar de confessie van Henderik
Edeling!"
»En zou het goed afloopen?" had Betsy gevraagd.
»Dat is bekend. Het loopt heel goed af, maar de arme Edeling moest lang
wachten!"
En plotseling had hij zich tot haar gewend:
»Zou je mij ook zoo lang laten wachten, Betsy?"
Betsy had gebloosd, Betsy had geglimlacht, en toen had hij haar arm in
den zijne gelegd en, daar er een wals op de piano werd getikt, had hij
zich met haar bij de dansende paren aangesloten, en midden in den dans
had hij aan haar oor gefluisterd:
»Ik heb je zoo innig lief, ik heb je zoo innig lief...."
En Betsy had de oogen even naar hem opgeheven, en hare hand had de zijne
gezocht....
Zoo was het gekomen, dat er sinds de zilveren bruiloft der De Mildes een
lied in zijn hart ruischte.
Nog dien eigen avond of nacht hadden zij te zamen plannen voor de
toekomst beraamd. André wilde zijne Betsy zoo gaarne met zijn goeden
vader te Leiden bekend maken. Betsy sprak André van hare moeder. Het
was zeer laat geworden. Betsy bleef bij hare zuster Suze logeeren, André
had nog een kort gesprek met mevrouw De Huibert, en poogde deze in eene
vriendschappelijke en welwillende stemming te brengen. Hij vertelde haar
van zijne vooruitzichten als ambtenaar aan Buitenlandsche Zaken, en het
was bij die gelegenheid, dat Suze hem poogde uit te hooren over Van
Reelant.
De familie De Milde putte zich uit in gastvrij onthaal. De oude heer
was niet tevreden, voordat men zijn kelder had leeg gedronken. De
jongelieden dansten en stelden feestdronken in, en luid werd er gezongen
na iederen toost. Reeds was het over zessen des morgens, eer men
scheidde. André stond dien dag zeer laat op, kwam zeer laat aan het
ministerie, en werd er door den secretaris-generaal ~ad-interim~
ontvangen, als gebleken is.
Diep geschokt had hij zich in zijne kamer weer aan 't werk willen
begeven, maar hij kon niet. Men had hem dus verboden in tijdschriften en
dagbladen zijne meening te zeggen. Het even ongehoorde als ongelooflijke
feit bleek nu waarheid. Omdat hij ambtenaar was, moest hij verzwijgen,
wat hij meende. En daarop begon hij te overwegen of misschien zijn
betoog iets zeer gevaarlijks voor de rust van het koninkrijk der
Nederlanden mocht bevatten. Zijn artikel was geplaatst in het
Tijdschrift voor Staatswetenschap zonder dat zijn hoogvereerde
leermeester, professor Van Dam, er de minste aanmerking op had gemaakt.
Langer dan een jaar had André met onverdroten ijver aan het redactiewerk
van het tijdschrift gearbeid. Hij had zich de meeste avonden op zijne
kamer afgezonderd, om aan zijne nieuwe verplichting te voldoen.
Daartoe bestond een heilige noodzakelijkheid--zijne arme zuster
Letje. De geduldige en beminnelijke patiënte had al één winter te Pau
doorgebracht. Misschien zou ze volkomen herstellen, maar dan moest ze
er nog een winter blijven. André had door groote vlijt met zijne pen de
vrij aanzienlijke som bijeengebracht, die voor Letje's verblijf in het
Zuiden van Frankrijk noodig was. Hij had zich niets te verwijten dan
alleen, dat hij te veel ijver aan den dag legde. Hij had meer opstellen
voltooid, dan er anders in gewone omstandigheden uit zijne pen zouden
gevloeid zijn. En om de geheele waarheid te zeggen, ook dit verwijt
telde André zeer weinig. Hij had doorzicht genoeg, om te begrijpen,
dat stugge gemoederen, die voor niets willen buigen dan voor de Muze
der Volmaaktheid in persoon, hem dit kwalijk zouden nemen; maar hij
kende de praktijk des levens tevens al te goed, om niet te weten,
dat fatsoenlijke armoede, die strijden moet om te bestaan, en
zelfwaardeering, die al te hooge eischen stelt, geen acht dagen op
goeden voet met elkaar blijven verkeeren.