zijne ziel.... Arme André! Hij moest dien morgen nog eens de ervaring
bevestigen, dat mannen, wier hart levendig klopt, wier verbeelding
spreekt, wier geestdrift snel ontvlamt, dikwijls verbazend onhandig
zijn, als het er op aan komt een antwoord te richten tot hunne
tegenpartij. Koele hoofden, die niets anders dan het feitelijk aanwezige
overwegen, die bij uitnemende scherpheid van oordeel zekere stekeligheid
voegen--soms voor vernuft versleten!--zullen in een woordenstrijd altijd
de zege behalen. Of Van Reelant reeds op de overwinning rekende--hij
wachtte althans niet naar het antwoord van André. Onmiddellijk ging hij
voort:
»Ik wenschte u te spreken over belangrijker zaak, meneer De Witt!"
En de secretaris-generaal ~ad-interim~ greep een pak kranten en
tijdschriften, naast hem op de schrijftafel bijeenverzameld. Hij sprak
zeer afgemeten:
»Het heeft mijne aandacht getrokken, dat er sedert een jaar
onderscheidene stukken en artikelen geteekend met uw naam voorkomen in
»de Gids", het »Tijdschrift voor Staatswetenschap" en het »Handelsblad"!
Het komt mij voor, dat een staatsambtenaar in dit opzicht kiescher kon
zijn. Hoe is het mogelijk, dat men, den staatsdienst met ijver
waarnemende, zooveel leegen tijd kan overhouden?"
André's blos is geweken. Met meer fierheid, dan strikt noodzakelijk was,
antwoordde hij nu schielijk:
»Ik heb elke taak, die de minister mij opdroeg, naar mijn beste weten
voltooid. Wat mijne artikelen in tijdschriften en dagbladen betreft,
daaromtrent meen ik niemand rekenschap schuldig te zijn!"
»Het is hier de vraag niet, wat u meent, meneer De Witt! Wij spreken
over de kieschheid van een ambtenaar bij een departement van algemeen
bestuur, en onderzoeken in hoever het gepast kan zijn der drukpers
dagelijks werk te geven, als men verplicht is zijn arbeid aan den staat
te wijden!"
André wordt voortdurend bleeker. Even fier herneemt hij:
»Ik ontken niet, dat een ambtenaar verplichtingen heeft, maar hij heeft
rechten ook!"
»Rechten? U meent, hij heeft één recht, het recht op zijne bezoldiging!
Voor het overige heeft hij niets dan plichten!"
En wederom worstelt André met zijne gewone onredzaamheid in het
antwoorden.
Van Reelant vervolgt kalm:
»Voor een oogenblik wil ik u toegeven, meneer De Witt! dat u aanspraak
zou kunnen maken op het recht in uwe vrije uren voor de pers te werken,
maar dan komt de vraag: hoe moet dat recht worden opgevat door een
ambtenaar van den staat? Toch niet in dien zin, dat hij de meest
gevaarlijke en oproerige leerstellingen verkondige in zijne
artikelen...."
»Ik vraag u om verschooning, meneer Van Reelant! maar met dergelijke
zaken heeft mijn werk niets gemeen!"
»Toch wel, meneer De Witt! Toch wel! Ik zal de moeite nemen het u te
bewijzen. Ik mag, hoop ik, op uw doorzicht vertrouwen, zoo ik u het
tegendeel staaf! Het is mij niet te doen u persoonlijk te grieven, mijn
plicht is te waken voor het belang van den staat in 't algemeen, en voor
dit departement in 't bijzonder!"
Hoewel deze woorden op hoogen toon werden uitgesproken, had Van
Reelant voor drie kwart zijne zienswijze volkomen eerlijk geopenbaard.
De rest kwam op rekening eener bijzonder sterke antipathie. Bij
deze gelegenheid, welke André in zijne tegenwoordigheid bracht,
had Van Reelant die antipathie krachtiger gevoeld--een ambtenaar
met de krullende hairen van een violist, de slobkousen van een
~commis-voyageur~ en de ideeën van een communist moest niet langer
aan Buitenlandsche Zaken geduld worden. En hij besloot in dien geest
werkzaam te zijn.
Intusschen had hij een oogenblik in de tijdschriften gebladerd. Met een
nummer van het »Tijdschrift voor Staatswetenschap" in de hand, herneemt
Van Reelant:
»Hier heb ik mijn bewijs, meneer! In dit nummer van het »Tijdschrift
voor Staatswetenschap" lees ik een uitvoerig artikel, onder den titel:
»De dwaalleer van Malthus" met uw naam onderteekend. Ik zou u al
dadelijk willen vragen, wat u moed geeft, om een zoo beroemd econoom als
Malthus, die een halve eeuw lang door duizenden mannen van wetenschap
met eerbied genoemd is, een »dwaalleer" toe te schrijven?"
»Die moed dagteekent niet van vandaag of gisteren, meneer Van Reelant!
Toen ik vóór drie jaren student was te Leiden, heeft de Utrechtsche
faculteit der rechtsgeleerdheid mijn antwoord op een prijsvraag over de
Bevolkingsleer van Malthus met goud bekroond! En nu heb ik mijne
denkbeelden in het tijdschrift ruimer ontwikkeld!"
Van Reelant zoekt eene poos en spreekt met zonderlingen glimlach:
»Ik voor mij twijfel zeer of de Utrechtsche faculteit der
rechtsgeleerdheid deze bladzijde zou bekronen. Laat ik even mogen
voorlezen!--»De inrichting der moderne maatschappij laat dagelijks
meer te wenschen over. De schroomelijkste ongelijkheid heerscht alom.
Men behoeft het schrandere woord van den Engelschen dichter Milton:
»Amongst unequals no society" niet aan te halen, om het ziekelijk
bestaan onzer tegenwoordige samenleving te staven. Hoe is het inderdaad
gesteld met de beschaafde maatschappijen? Heeft ieder individu zijn
aandeel in de gezamenlijke natuurgoederen der menschheid, van zijn volk
althans? Wordt de een niet geboren, om eene kroon te erven, de tweede,
om millioenen, de derde, om groote uitgestrektheden gronds te bezitten?
Wederom een ander komt arm en behoeftig ter wereld; hij vindt geen
steen om zijn hoofd op neer te leggen. Hij kan zich geene plaats op
aarde verzekeren dan door heel zijn leven anderen te dienen met al
zijne krachten, lichamelijk en geestelijk! Zijn bestaan is eene lange
Tantalus-marteling--hij ziet anderen genieten, en mag de hand niet naar
de heerlijke spijzen uitstrekken. De tegenwoordige samenleving vereenigt
de schamelste armoe en de luisterrijkste weelde--de hoogste macht
en de treurigste onmacht--den zeldzaamsten overvloed en het uiterst
gebrek--gadelooze wetenschap en gadelooze onkunde--den vermoeiendsten
arbeid en de onbeschaamdste werkeloosheid. Iederen dag beleven wij
de vreeselijkste tragediën, uit zooveel wanverhoudingen geboren;
iederen dag, ieder uur kwijnen menschen weg, die het noodzakelijkste
levensonderhoud missen, en onmiddellijk naast dezen wonen de beter
bedeelden, die geen raad weten met hun onuitputtelijken overvloed.
Onderneemt men een tocht door onze landbouwende provinciën, door onze
fabrieks-kwartieren, of door onze groote steden, altijd zal men naast
de paleizen van rijkdom en weelde, de verblijven van ellende en honger
ontdekken, die de treurige keerzijde der medaille aanbieden. Langs
tafels, buigende onder het gewicht der keurigste schotels, dwaalt het
holle oog der ontbering, en als zij, die levenslang ontbeerd hebben,
eindelijk samenrotten, om volgens de »ultima ratio servorum" op wraak te
peinzen--als het proletariaat opnieuw in massa naar den Aventijnschen
berg trekt, welke macht ter wereld zal dan opgewassen zijn tegen het
dreigend gevaar?""
Van Reelant zweeg en legde het tijdschrift langzaam weg. Toen vroeg
hij, schijnbaar achteloos:
»U erkent immers dit alles geschreven te hebben?"
»Zeer zeker, meneer Van Reelant!"
»Dan heb ik er niet veel meer bij te voegen. Uit de voorgelezen regelen
spreekt het brutaalst communisme! Ik acht het een schande, dat een
adjunct-commies aan dit ministerie zoo iets met zijn vollen naam
onderteekent!"
Nog eens vloog het bloed André naar voorhoofd en wangen. Hij was
verstandig genoeg niet aan de eerste opwelling van drift toe te geven.
Uiterlijk bedaard antwoordde hij:
»Ieder beschuldigde heeft in den regel het recht zich te verdedigen. Ik
vertrouw dus, dat ook door u dit recht wordt erkend!"
Vrij stroef en onwillig mompelde Van Reelant:
»Natuurlijk!"
»In dat geval heb ik u het volgende te antwoorden. De voorgelezen
volzinnen zijn midden uit het verband weggenomen, en kunnen zoo niet
worden beoordeeld. Daar u een beroep deed op mijn doorzicht, ben ik zoo
vrij op het uwe te rekenen. Mijn artikel levert niet anders dan een
critiek op Malthus, het communisme heeft er niets mee te maken. Malthus
heeft gezegd, dat de mensch, die in eene beschaafde en dichtbevolkte
maatschappij arm of behoeftig geboren wordt, en aan die maatschappij
geene diensten bewijzen kan, ook geen recht heeft op eenig voedsel; ~dat
hij te veel is~, en aan het banket des levens geen zetel zal vinden. De
natuur straft hem voor zijne armoede, de natuur veroordeelt zulk een
mensch ter dood, en zorgt voor de uitvoering van het vonnis. Recht en
billijkheid eischen, dat men de pretentie der armen, om ondersteund te
worden, niet erkenne. Het is tegen deze monsterachtige leer van Malthus,
dat ik in mijn artikel het een en ander op wetenschappelijke gronden
aanvoer...."
Van Reelant strekt de hand uit, en valt André in de rede:
»Met uw verlof, meneer De Witt! Malthus' leer is zoo monsterachtig
niet, als ze u schijnt. In hoofdtrekken is ze volkomen juist. Ten allen
tijde zijn er rijken en armen, sterken en zwakken geweest. Zonder die
ongelijkheid zou de maatschappij niet kunnen bestaan. De ongelijkheid
geeft strijd. In dien strijd om het leven zullen de sterksten en
bekwaamsten overwinnen, de zwakken ondergaan. Gelijkheid is een utopie
voor socialisten, ongelijkheid is natuurwet. Beklaag u niet, wanneer ge
overwonnen wordt in den strijd des levens; het bewijst, dat uwe krachten
te kort schoten. Niemand heeft het recht zich te beklagen, ieder heeft
het lot, dat hem toekomt. Succes is criterium van verdienste. In onze
maatschappij heerscht wel is waar het recht van de sterkste spieren niet
meer, maar daarvoor komt in de plaats het recht van de sterkste hersenen
op politiek, sociaal of wetenschappelijk gebied. De maatschappij is
voortreffelijk ingericht. Dreigt ons overbevolking, geen nood--de
zwakken worden weggeruimd door een strenge natuurwet--~dura lex, sed
lex!~"
Het was nu de beurt aan André om even te glimlachen. Met meer
vrijmoedigheid antwoordde hij:
»Gesteld, dat er feitelijk zulk een strenge natuurwet bestond, zou
die daarom eene ~eeuwige~ wet moeten blijven? Zijn natuurwetten en
maatschappelijke wetten niet voor wijziging vatbaar, als er nieuwe
feiten in het spel komen? Vermag ~de wil van den mensch~ niets? Indien
we ons werkelijk aan uwe strenge natuurwet hadden te onderwerpen, dan
zouden we elkaar nog vandaag verslinden, zooals de kannibalen! De wil
van den mensch heeft zich tegen de oppermacht der natuur verzet, hij
heeft maatschappijen en staten gesticht, de wonderen der beschaving in
't leven geroepen, die volgende geslachten zullen erven. Wij menschen
verslinden elkaar niet meer, de slavernij is afgeschaft; zoo zal ook
eenmaal de exploitatie van den arbeid door het kapitaal ophouden; zoo
zal er eenmaal geen oorlog meer zijn!"
De secretaris-generaal ~ad-interim~ meende, dat de beurt van lachen ten
tweeden male aan hem gekomen was.
»In dat geval"--klonk het afdalender dan ooit--»verwondert het mij
toch, dat u onze samenleving zoo slecht vindt. Mij dunkt bij al dat
schoons moest de maatschappij meer profiteeren...."
»De maatschappij is een vrucht der beschaving, zoo goed als de
spoorwegen en de telegrafen, maar daarom is de maatschappij niet
onmiddellijk volmaakt. De strijd om het leven, door den mensch in zijn
natuurstaat te strijden, is op kunstmatige wijze overgebracht naar de
moderne samenleving. Men heeft voorrechten, privilegiën, kasten en
standen uitgedacht--men heeft eene sociale praedestinatie voor weelde of
ellende gepredikt!"
»Zoo blijkt het dus, dat ik volkomen gelijk had, toen ik zeide:
ongelijkheid is natuurwet! In den strijd des levens zullen de sterksten
en bekwaamsten overwinnen, de zwakken ondergaan!"
»Pardon! Dat zou waar zijn, indien men aannemen mocht, dat de
sterksten en bekwaamsten, die in onze moderne maatschappij triomfeeren,
inderdaad de sterksten en bekwaamsten zijn. Door fortuin en opvoeding
geprivilegiëerd is er een klasse van machtigen opgetreden, welke haar
overwicht alleen aan kunstmatige omstandigheden dankt. Als er een
wedloop ontstaat tusschen de voetgangers en de menschen, die in
rijtuigen zitten, dan zullen de laatsten natuurlijk overwinnen, maar
wie bewijst ons, dat zij inderdaad de sterksten zijn?"
Van Reelant wilde de hand gebiedend uitstrekken, maar hij bedacht zich,
en vroeg met een medelijdend schouderophalen:
»En hoe zou de maatschappij dan volgens uwe ideeën moeten worden
gereorganiseerd, meneer De Witt?"
André hief het hoofd hoog op, en antwoordde luider dan te voren:
»De maatschappij moest berusten op het denkbeeld van onderlinge hulp,
zooals bij haar oorsprong. De machtigen moesten de zwakken helpen. Geen
~strijd~ om te leven, maar ~hulp~ om te leven! Strijd alleen tegen den
strijd om te leven! Ieder mensch, ook de machtigste van allen, heeft
hulp noodig. Ieder individu is afhankelijk van al de anderen; al de
anderen van ieder individu. Tegenover Malthus moet de stelling luiden:
Er is plaats voor iederen nieuwen wereldburger aan het groote banket
des levens. Zoo lang er nog gebrek geleden wordt, is er nog een stap
tot ontwikkeling en vooruitgang te doen. De gouden eeuw ligt niet
in het verleden, maar in de toekomst der menschheid, wanneer niet
alleen burgerlijke en staatkundige gelijkheid, maar ook volkomen
maatschappelijke gelijkheid zal verkregen zijn!"
Van Reelant stond op, André volgde zijn voorbeeld.
De eerste poogt eene kleine hoeveelheid welwillendheid in zijne stem te
leggen, terwijl hij zegt:
»Ik heb u laten uitspreken, meneer De Witt! Het was mij te doen u een
volledig recht van antwoord te gunnen. Ik weet nu, hoe u ongeveer over
de zaken denkt. En ik zal u een goeden raad geven, als u ten minste een
goeden raad van mij wil aannemen. Uwe denkbeelden zijn misschien heel
mooi, maar voor een ondergeschikt ambtenaar aan dit ministerie hebben
ze tot mijn spijt te veel inconveniënten. In uw geval is het dus hoogst
raadzaam ze niet te snel aan de drukpers toe te vertrouwen! Ik hoop, dat
u mijne bedoeling niet miskent! Dit is mijne laatste waarschuwing!"
De secretaris-generaal ~ad-interim~ keerde André haastig den rug toe, en
belde luid.
TIENDE HOOFDSTUK.
#Fluweelen koorden.#
De Spaansche gezant, markies De la Pezuela, had een buitengewoon zwak
voor de »~comédie de société~", onder bestuur van den talentvollen graaf
Tchitchikoff. De groote repetitie op 13 October 1854 zou ten huize
van den markies plaats grijpen. De markiezin De la Pezuela, eene der
schitterendste dames uit het ~corps diplomatique~ in de residentie,
dweepte met de »~comédie~", maar tevens met eene andere uitvinding
van Tchitchikoff: de »~tableaux vivants~". De dames hadden daarbij
gelegenheid de meest in 't oog vallende kostumen te dragen, en hare
bekoorlijkheden op edelmoedige wijze ten toon te spreiden.
De Russische ~attaché~ bezat eene onuitputtelijke verbeeldingskracht
in het »arrangeeren" van allegorische of mythologische »~tableaux
vivants~", aan welke laatsten meer bijval ten deel viel dan aan
kopiën naar levende meesters. De Spaansche gezant bewoonde aan den
Boschkant--officiëel Koninginnegracht--een zeer ruim huis, waar plaats
in overvloed was voor de aanzienlijke dilettanten, dames en heeren. Zij
konden de statig gemeubelde vertrekken naar hartelust voor tooneel en
publiek inrichten. De markiezin was overgelukkig, dat de repetitiën ten
harent mochten plaats hebben. Zij droomde den geheelen dag van kostumen,
standen, accessoiren, gekleurd licht en Bengaalsch vuur. Zij vloog ieder
oogenblik haar huis uit, om van hare plannen te spreken en vertoonde
hare geestige Castiliaansche oogen bij al de vrienden, die het voorrecht
hadden mee te doen.
De aanzienlijke dilettanten gaven twee of drie voorstellingen gedurende
het winterseizoen. Men was druk bezig met »groote repetitiën", om tegen
het einde van November de eerste »representatie" te kunnen geven aan
al, wat Den Haag edelgeborens, aristocratisch en voornaams bezat.
De markiezin De la Pezuela vermaakte zich bijzonder met de »groote
repetitiën", en wist altijd de eigenlijke voorstelling zoo lang mogelijk
ter zijde te schuiven. Het programma voor den eersten feestavond was
ditmaal belangrijk genoeg, om voortdurend uitstel te wettigen. Men zou
beginnen met Molière's »~Médecin malgré lui~" en eindigen met twee
»~tableaux vivants~", gecomponeerd door Tchitchikoff en getiteld
»~L'Enlèvement de la belle Hélène~".
Adèle van Berenvelt zou het aardig rolletje van Lucinde in Molière's
klucht vervuld hebben, maar werd nu opgevolgd door de jonge echtgenoote
van een oud en schatrijk Oost-Indisch suikercontractant, mevrouw Van
Olmen, die in schoonheid de markiezin bijna overtrof. Deze laatste
moest in de beide »~tableaux~" natuurlijk de rol der »~belle Hélène~"
vervullen, en kweet er zich bij de repetitie met zooveel gratie van,
dat de heeren artisten, inzonderheid Tchitchikoff, hun lof niet meer
in woorden, maar in louter geestdriftige kreten uitgalmden.
Omstreeks negen uren trad Van Reelant in het salon der markiezin.
Mevrouw De la Pezuela zag er allerliefst uit in hare zwartsatijnen
japon, met een halssieraad van rood koraal, met rood koralen oorhangers
en een rood koralen kam in de rijke en volkomen oorspronkelijke wrongen
van blauwzwart hair. Aanstonds moest de repetitie beginnen, nu de
tweede régisseur aanwezig was. Tchitchikoff zou de rol van Sganarelle
vervullen, en had dus op Van Reelant gewacht. Voordat men beginnen kon,
ontmoette men nog zwarigheden bij mevrouw van Olmen, de beeldschoone
dame uit Samarang, die aanmerkingen maakte over haar kostuum, en met den
Russischen ~attaché~ in eene vriendschappelijke woordenwisseling trad
omtrent het al of niet goedkeuren van een lichtblauw satijnen kostuum
met eene »~berthe~" van witte kant en een wit parelsnoer.
Toen men dat alles te boven was, moest Van Reelant met een deel van
Molière in de hand vóór het tooneel gaan zitten en »souffleeren", daar
de tweede régisseur tevens souffleur was. De heeren en dames hadden
wel tienmaal »gerepeteerd", maar geen van hen allen was nog rolvast.
Sganarelle scheen de ergste, en gaf onophoudelijk aanleiding tot kleine
pauzen en verwarringen. De freule Van Berghen Ockenburgh, eene jonge
dame van vijf en dertig jaren, die de personage van Martine speelde,
toonde zich ten slotte in en buiten hare rol wegens het voortdurend
haperen ten hevigste verontwaardigd over Sganarelle, en gaf daardoor
aanleiding, dat deze telkens quasi naar zijn stok greep, eene
geestigheid, die met luid »applaus" werd begroet.
Van Reelant vervulde zijne taak zeer ernstig. Hij gaf menigeen der
artisten een goeden raad, en las soms een paar volzinnen met de
vereischte stembuiging voor. Hij voelde zich opgewekt en vroolijk te
moede. Reeds den volgenden morgen zou Adèle, op wier verzoek hij zich
deze inspanning getroostte, hem hare hand reiken,--natuurlijk! Hij
bedroog zich niet. De uitdrukking van haar gelaat, de toon van hare stem
hadden de zaak beslist. Daarenboven hij had dien dag zijne plichten als
secretaris-generaal ~ad-interim~ met den grootsten ijver waargenomen.
Hij kon voldaan zijn.
De drie bedrijven van »~Le médecin malgré lui~" kostten een schat van
tijd. Telkens moest men afbreken, als een der kunstenaars volstrekt niet
meer op de hoogte was, maar met het deftigste geduld werden ook deze
belemmeringen overwonnen. De gastvrouw zat naast Van Reelant, en ergerde
zich op de bevalligste wijze over het slechte geheugen der spelers,
inzonderheid over haar echtgenoot, die de kleine rol van Léandre maar
niet scheen te kunnen van buiten leeren. Daarenboven verdiepte de
galante Tchitchikoff zich in vriendelijke gesprekken met mevrouw Van
Olmen, zoodat men soms moest blijven wachten, tot eindelijk de artisten
goedvonden voort te gaan.
»~Le second régisseur~" sloot te kwart voor elf de repetitie, en
hield eene kleine toespraak, waarin hij op de allerbeleefdste wijze
de noodzakelijkheid aantoonde een beetje meer te studeeren. Het zou
onmogelijk zijn ooit eene, zelfs middelmatige, voorstelling van
Molière's geestige en guitige klucht te geven, indien de hooggeachte
dames en heeren niet wat meer werk van hunne en hare rollen wilden
maken. En Tchitchikoff, die het zwaarst van allen had gezondigd, nam
onmiddellijk daarna het woord, om hierbij te voegen, dat hij zich
volkomen vereenigde met Van Reelant, en dat .... men beter studeeren
moest. De markies De la Pezuela (Léandre) beloofde beterschap, en freule
Van Berghen Ockenburgh (Martine) beloofde beterschap, en allen beloofden
beterschap, als Sganarelle maar een goed voorbeeld wilde geven. Er
ontstond daarop eene algemeene »hilariteit", die door Tchitchikoff met
de grootste luidruchtigheid werd aangemoedigd.
De secretaris-generaal ~ad-interim~ herinnerde zich nu, dat de
staatsdienst zijne eischen had. Eigenlijk meende hij, dat hij een
veel te gewichtig man was, om zoo langen tijd aan beuzelarijen als de
»~comédie de société~" te wijden. Toen hij opstond, om heen te gaan,
kwam de gastvrouw in allerbeleefdst verzet. Hij moest ten minste de
repetitie van het eerste ~tableau~: »~La cour de Ménélas~" bijwonen. De
markiezin was er op gesteld, dat hij zijn oordeel over haar toilet zou
zeggen; zij had er zooveel moeite aan besteed, ja zelfs plaatwerken over
het Grieksche kostuum bestudeerd. Mevrouw Van Olmen, die de rol van
Clytemnestra vervulde, zeide iets dergelijks, en Van Reelant zwichtte
voor zooveel aandrang.
In een oogenblik stoof het geheele personeel uiteen. De dames haastten
zich naar de bovenvertrekken, om zich te kleeden. De heeren bleven bij
elkaar met uitzondering van den markies De la Pezuela, die voor Paris
zou spelen en Tchitchikoff, die op een geïmproviseerd tooneel achter
eene grijs damasten draperie alles klaarmaakte. Van Reelant troostte
zich met het denkbeeld, dat hij toegaf ter wille van Adèle, en dat hij
den volgenden morgen, als zijne schoonste hoop tot verwezenlijking zou
zijn gekomen, haar een uitvoerig »résumé" zou kunnen mededeelen.
De heeren brachten een zeer vervelend kwartier door. Het hielp niet
veel, dat ter elfder uur het gezelschap werd aangevuld door den
ex-suikercontractant, den heer Van Olmen, die, zonder veel op Agamemnon
te lijken, daar hij uiterst mager, buitengewoon lang, en in 't
oogvallend rood van aangezicht was, zich toch de moeite scheen te
getroosten, om de triomfen zijner Clytemnestra wat meer van nabij
waar te nemen. Het gesprek wilde niet vlotten. De jonge Van Berghen
Ockenburgh, die als volontair bij Buitenlandsche Zaken een ziertje het
hof moest maken aan den secretaris-generaal ~ad-interim~, werd midden
in zijn gesprek met Van Reelant opgeroepen, om zich voor de piano te
plaatsen, en bij de vertooning van het ~tableau~ te »accompagneeren".
De dilettant-impresario Tchitchikoff draaide met eigen grafelijke hand
de lichten in het salon af, en weldra opende zich de grijze draperie.
Het tooneel stelde voor het paleis van Menelaos te Sparta. In een
schitterend vrouwenvertrek vormden de Grieksche vorstinnen, Helena en
Clytemnestra, met schilderachtige groepen van slavinnen een verrukkelijk
tooneel. Paris met purperen chitoon en elpen lier speelde geknield voor
Helena, en wierp een triomfeerenden blik op de schoonste van alle
stervelingen, die Aphrodité hem had toegezegd.
Men was verrukt over de juistheid en fraaiheid der kostumen. Gelaat
en hairtooi van Helena maakten indruk. De ravenzwarte hairpracht
van Menelaos' echtgenoote werd door een spiraal van gouden spangen
bedwongen. Hare tuniek was van eene teeder lichtgele kleur, bij wit
af, met gouden sterren bezaaid en met gloeiend karmozijn omzoomd.
Clytemnestra droeg een dergelijk kostuum in het meest hemelsche azuur.
Beide koninginnen schitterden vooral door hals, boezem, armen en handen
met goud en edele steenen overdekt, heerlijker dan de koningin van
Scheba in al hare heerlijkheid.