Willemien, geheel alleen, door niemand bespied, aan zich zelve
overgelaten. Zij heeft zich meester gemaakt van de »Oprechte
Haarlemmer", die Zondags op de piano blijft zwerven. Zij leunt tegen
den wand en houdt de krant uitgespreid, zoodat niemand een blik op haar
gelaat kan werpen.
Arme Willemien! Zij zou in André's tooverkluchtspel de rol van de godin
der wijsheid vervullen, en nu moest ze zich met alle macht bedwingen
geene dwaasheid te doen. Zij zag door haar »Haarlemmer" heen de
schitterende oogen van den jonkman, terwijl hij Betsy fluisterend
toesprak over den betooverenden invloed der muziek--terwijl hij
duidelijk hoorbaar zeide:--»Nu ik u heb hooren spelen, juffrouw
Muller! is het mij of ik een nieuw gezang ken, dat ik in mijn hart
moet bewaren!"--terwijl eenige oogenblikken later Betsy hem toch
doodeenvoudig verzocht haar telkens niet zoo deftig »juffrouw" Muller te
noemen....
Arme Willemien! Zij volgde dit gesprek, 't welk duidelijk verried, hoe
de harten der beide jongelieden met half onbewuste sympathie, half
bewuste genegenheid elkander begonnen tegen te kloppen .... en niemand
lette op haar bitter verdriet, op hare wanhoop.... Zij had het luid
willen uitschreeuwen:--»André is een bedrieger!"--maar zij durfde niet,
want het was eigenlijk niet eens waar.... André had nooit tot haar met
zooveel uitdrukking, zoo eerbiedig, zoo nederig gesproken....
Het was niet, om uit te houden....
Snel en onhoorbaar opent zij de deur der ~suite~, en trekt zich in de
duisternis terug, om luid weenend op eene sofa neer te vallen.
Arme Willemien! Niemand merkte het op, niemand miste haar. Het geheele
gezelschap koutte, lachte en schertste, terwijl bittere tranen van spijt
haar langs de magere wangen biggelden....
NEGENDE HOOFDSTUK.
De Secretaris-generaal ad-interim.
Sinds het voorjaar van 1854 was er zeer veel veranderd bij het besturend
personeel aan 't ministerie van Buitenlandsche Zaken.
Baron Van Berenvelt, de door ieder hooggeschatte secretaris-generaal,
was door een lichten aanval van beroerte getroffen. In Den Haag leefde
zeker niemand, die bij de meest uiteenloopende kringen der maatschappij
zoo algemeen gezien was. Met groot genoegen hoorde men, dat de toestand
van den achtenswaardigen man niet hopeloos scheen. Langzaam herstellende
keerde hij in het begin van September van zijne villa bij Utrecht terug.
Freule Adèle had haar vader gaarne langer buiten willen houden, zijn
eigenaardige toestand maakte dit evenwel niet raadzaam.
De secretaris-generaal hing met hart en ziel aan zijne betrekking.
Zoodra hij zich wat beter gevoelde, wilde hij weten, hoe de zaken aan
het ministerie stonden. Zijn hoofd was gelukkig helder, maar zijne
groote bezorgdheid voor zijne ambtelijke bezigheden maakte hem onrustig.
De minister had de tijdelijke waarneming zijner »functiën" aan den
referendaris Van Reelant opgedragen. Deze laatste was daardoor bijna
onmisbaar voor den heer Van Berenvelt geworden. Voortdurend had de
uiterst beleefde referendaris zich kleine uitstapjes naar Utrecht
getroost. Toen de familie zag, dat de heer Van Berenvelt na de bezoeken
van den referendaris voortdurend kalmer en rustiger werd, kon men bij
aanhoudende beterschap den ijverigen secretaris-generaal niet langer
tegenwerken. Hij wilde volstrekt naar Den Haag terug, dan kon hij Van
Reelant dagelijks raadplegen. Hij beloofde aan zijne dochter Adèle,
dat hij verstandig genoeg zou wezen, om niet onmiddellijk naar het
ministerie terug te gaan; hij verlangde alleen in de nabijheid te zijn;
hij klemde zich met beide handen aan den zetel van secretaris-generaal.
Bijna een heel leven lang had Baron Van Berenvelt, schijnbaar
onopgemerkt, maar des te vruchtbaarder en invloedrijker gearbeid. Hij
werd bij de verschillende staatkundige partijen als een hoogst bekwaam
en schrander man geacht. Dat zijne noodlottige ziekte hem ongeschikt zou
kunnen maken voor bezigheden, die hem allengs dierbaar en noodzakelijk
waren geworden, liet hij zich door niemand opdringen.
Zoo was het geschied, dat Van Reelant nu al vijf maanden de betrekking
van secretaris-generaal ~ad-interim~ vervulde. Aan het ministerie
heerschte daarover in het geheim de grootste ontevredenheid. Ieder wist,
dat Van Reelant een witten voet had bij den minister. Men durfde zich
daarom niet openlijk verzetten tegen zijn bestuur. Met de uiterste
nauwkeurigheid en de overdrevenste zorg waakte de nieuwe man, een groot
jaar nog maar werkzaam aan het ministerie, over de plichtsbetrachting
van ambtenaren, die er sedert jaren den eentonigen gang der dagelijksche
werkzaamheden volgden. Het geheele ministerie was in rep en roer, sedert
Van Reelant voorloopig de plaats van den heer Van Berenvelt bekleedde.
Hoogere en lagere ambtenaren gehoorzaamden morrend aan allerlei nieuwe
voorschriften, inbreukmakend op hunne vrije beweging.
De secretaris-generaal ~ad-interim~ verscheen met klokslag van tien
uur op het ministerie. Daar de minister des zomers altijd eenige weken
in Gelderland toefde, was het practisch beleid van zaken sinds primo
September in Van Reelant's handen. Zoodra hij zijne kleine, nette
kamer heeft bereikt, stelt hij een onderzoek in naar de ambtenaren,
en vraagt hij wie afwezig is. De heeren fluisteren elkander toe, dat
hij eene lijst nahoudt van absenten en telaatgekomenen; menigeen heeft
zich overtuigd, dat die lijst bestaat, als de secretaris-generaal
~ad-interim~ hem doet roepen, en op koud-beleefden toon verzoekt, aan
het ministerie de eer zijner tegenwoordigheid in 't vervolg wat vroeger
te willen gunnen.
Geen aangenamer oogenblik van den dag voor al de levende zielen op het
ministerie dan des middags te kwart na twaalf. Dan gaat Van Reelant voor
een kwartier, een half uur of langer, »confereeren" met den uiterst
langzaam herstellenden Baron Van Berenvelt. Nadat deze laatste in
Den Haag en zijn huis op den Vijverberg was teruggekomen, bleek het
duidelijk, dat hij te veel van zijne krachten gehoopt had. Een gevoel
van uitputting en lichte duizelingen kwelde hem, zoodat volstrekte
rust noodzakelijk was. Alleen een kort gesprek met zijn voorloopigen
plaatsvervanger was alles, wat men hem konde toestaan. En toch verlangde
de heer Van Berenvelt niet sterker naar den dag, waarop hij, geheel
hersteld, zijn zetel in het ministerie weer zou mogen bezetten, dan al
de ambtenaren hoog en laag, van den »~chef de cabinet~" tot aan den
nederigsten »~boute-feu~".
Terwijl Buitenlandsche Zaken aldus zuchtten onder de afwezigheid van den
algemeen beminden secretaris-generaal, gebeurde het op den middag van 13
October 1854, dat wederom stipt kwart na twaalf de bel klonk in de kamer
van zijn plaatsvervanger.
Bij het binnentreden van den bode vroeg van Reelant:
»Is meneer De Witt gekomen?"
»Nog niet, meneer!"
»'t Is wel! Ik zal binnen een kwartier terug zijn! Laat de tafel in orde
brengen!"
De bode knikte.
Een paar borden, een witte porseleinen kop verrieden, dat Van Reelant
uit vurigen dienstijver nog altijd zeer eenvoudig »dejeuneerde" in zijne
kamer.
De bode wilde juist aan meneer Van Reelant mededeelen, dat het hard
regende, doch toen hij zag, dat de nette meneer met de nette zwarte jas
en blinkenden, zwarten hoed een zoo mogelijk nog netter zwartzijden
regenscherm ter hand nam, zweeg hij. Buitengewone beleefdheid was
overbodig met dezen norschen heer, die altijd op denzelfden hoogen toon
sprak, en nooit glimlachte.
Van Buitenlandsche Zaken naar den Vijverberg is maar eene kleine
wandeling, en toch woelde er eene lange reeks van allerlei gedachten
door Van Reelant's hoofd. Naar de lucht opziende boven de vervallen
gebouwen van het oude stadhouderlijke kwartier trof hem de grauwe kleur
der schielijk door het zwerk voortjagende wolkstapels. De westenwind
woei soms boven de Gevangenpoort een klein plekje open, waardoor
vriendelijk blauw schitterde, maar de zon bleef achter een dicht floers
verborgen, en de hardnekkige najaarsregen viel ongestoord. De pannen en
de muren glommen van het neerstroomend vocht; de keien op het Buitenhof
en de Plaats spiegelden elk voorwerp met bijzondere nauwkeurigheid af;
de plassen tusschen de steenen ontvingen de scherpe regenstralen onder
opborrelend spatten. De felle wind rimpelde de oppervlakte van den
Vijver, en joeg de eenden, die met luid gekwaak wegzwommen, onder de
beschermende schaduwen van het eilandje. Alleen de zwanen dreven trouw
en statig naast elkander over den bewogen waterspiegel, en gaven om wind
noch regen.
Van Reelant poogde zich onder zijne parapluie voor nat worden te
bewaren, maar achtte evenmin op de guurheid van den regenachtigen
Octoberdag. Hij dacht aan vrij wat belangrijker onderwerpen. Het
toeval had gewild, dat hij plotseling geroepen werd tot waarneming der
»functiën" van secretaris-generaal. Men moest erkennen, dat hij er niet
mee schertste. De minister had hem zijn volle vertrouwen geschonken,
en de Baron Van Berenvelt zou geen vier en twintig uren hebben kunnen
doorbrengen zonder hem te raadplegen. Met tooverachtige snelheid was hij
zoo hoog gestegen, waren zijne vurigste wenschen verhoord. Hij had geene
moeite, geene inspanning gespaard--dat was waar. Niemand twijfelde meer
aan zijne hooge achtenswaardigheid, aan zijne diplomatische bekwaamheid;
het naijverige Haagsche publiek, zoo wantrouwend jegens vreemdelingen,
roemde hem reeds als een zijner edelste sieraden. De voorzichtige
praktijk van zwijgen had hem bemind gemaakt bij al de deftige en
invloedrijke heeren; zijn trouw kerkbezoek en zijne nette handschoenen
hadden het hart der oude, aanzienlijke dames gewonnen. Om de jongeren
van beide sexen bekreunde hij zich minder, en toch was het opmerkelijk,
dat ook dezen nog nimmer lust gevoeld hadden met Van Reelant te
schertsen. Ieder hield het er nog steeds voor, dat hij zeer »serieus"
was, en zeer »serieus" bleef.
Hij had met buitengewonen ijver alles bestudeerd wat tot zijn ambt in
verband stond. Hij gaf alleen »advies", wanneer het door een zijner
chefs gevraagd werd, maar dan zorgde hij er voor iets buitengewoons
te kunnen zeggen. Gedurende den vorigen winter was hij aan het Hof
voorgesteld, en sedert dat tijdstip bestond er geene familie uit de oude
Haagsche aristocratie, of uit het ~corps diplomatique~, welke hem niet
onder hare meest gezochte gasten telde. Van Reelant was, om zijne eigen
uitdrukking te gebruiken, volkomen »gelanceerd" in de beste Haagsche
kringen; zijne betrekking was eervol; hem ontbrak niets dan ....
fortuin. En daar het zijne door den eigenaardigen gang van zaken
verbrokkeld was, betaamde het hem ieder verstandig middel aan te
grijpen, om het weder op te bouwen.
Zou Adèle van Berenvelt hem daartoe hare hand willen bieden? Hij
twijfelde er niet aan, wanneer de omstandigheden bleven medewerken.
Tijdens de laatste vijf maanden had hij groote vorderingen gemaakt.
De familie Van Berenvelt had zijn trouwen ijver nimmer tevergeefs op
de proef gesteld. Adèle toonde zich dankbaar, en behandelde hem als
een goed, oud vriend. Zij raadpleegde met hem in alles, waar het op
het belang en de gezondheid van haar vader aankwam. Dikwijls hadden
zij zonder eenige getuigen noch eenigen schroom familiaar als broeder
en zuster gesproken. De afstand tusschen beiden was aanmerkelijk
ingekrompen. Zij hadden te zaam den hulpbehoevenden lijder verpleegd
in het begin zijner plotselinge ongesteldheid. Adèle had nimmer op Van
Reelant's tegenwoordigheid of goeden raad behoeven te wachten--hij had
zich zoo onontbeerlijk gemaakt als een ijzeren wil en een bedachtzame
tact vermochten. Reeds was het hem gelukt den Baron op kiesche wijze
zijn oogmerk te doen vermoeden, en terstond bleek het hem, dat zijne
kansen uitmuntend mochten genoemd worden.
Adèle sprak met gulle hartelijkheid en zonder eenige gedwongenheid,
als zij saam onder vier oogen waren. Zijne eerbiedige hoffelijkheid
stiet haar nooit tegen de borst; zij had er niet aan gedacht hem het
stilzwijgen op te leggen. Evenwel scheen het hem nog zeer moeilijk
te bepalen, of hare vriendelijke genegenheid ooit tot een dieper, een
inniger leven zou ontwaken, of hij het hart zou winnen van een zoo fier,
zoo onafhankelijk, denkend meisje, als Adèle.... Hem ergerde het daarbij
't meest, dat hij zelf zoo weinig durfde wagen uit vrees alles met één
slag te bederven.
Toen hij bij Baron Van Berenvelt aanschelde, trad er eene dame de stoep
op, voor wier parapluie hij beleefd ter zijde ging, terwijl hij deftig
groette. Zij droeg een uiterst eenvoudig kostuum, maar zag er bekoorlijk
uit met hare lange, donkerblonde krullen en schrandere oogen. Het was
de pianojuffrouw van freule Albertine; hij had haar meermalen in het
voorbijgaan ontmoet, maar vereerde zijne oude kennis Betsy Muller
Belmonte alleen met een stijf knikje. Bij het binnentreden liet hij haar
voorgaan, en verloor haar oogenblikkelijk uit het oog. De lakei bracht
hem met alle mogelijke bewijzen van eerbied naar de studeerkamer van den
Baron.
Gedurende zes weken verscheen Van Reelant telken morgen op hetzelfde
uur bij den heer Van Berenvelt. Zijn bezoek werd met hetzelfde ongeduld
verwacht als de visite van een aanzienlijk arts. De Baron worstelde
tevergeefs tegen zwakheid en lusteloosheid. De uiterste kalmte en de
volmaaktste rust alleen konden hem genezen. De zorg over den gang van
zaken aan het ministerie scheen grootelijks verminderd, sedert hij weer
in Den Haag gevestigd was. Zeer langzaam kwam er eene kleine verbetering
in zijn toestand. Zijne dochter waakte angstig over hem, en was gewoon
Van Reelant voor zijn vertrek ieder morgen eenige minuten op te houden,
als huisgenooten doen, die hun dokter in 't geheim naar den toestand van
een geliefden zieke vragen. Freule Adèle haalde dien morgen Van Reelant
persoonlijk af uit de studeerkamer van haar vader. Zij bracht hem naar
het kleine salon bij de ~serre~. Zoodra zij binnentraden, vroeg ze
bezorgd:
»En hoe vind je papa van morgen, Van Reelant?"
Al lang had freule Adèle het deftige »meneer" weggelaten, terwijl
hij zelf nog aarzelde tusschen het even deftige »freule", zooals hij
gewoonlijk placht te zeggen, of het meer intieme »Adèle", dat hij zich
maar bij uitzondering veroorloofde. Hij haastte zich zeer ernstig te
antwoorden:
»Van morgen wat gedrukt .... maar in het algemeen gaan we toch langzaam
vooruit!"
Adèle vestigde hare fonkelende, zwarte oogen met eene uitdrukking van
angst op Van Reelant's gelaat, en zei haperend:
»Is dat wezenlijk je eigen overtuiging, Van Reelant?"
»Ja, freule Adèle! Uw papa gaat vooruit, al is het zeer langzaam, zeer
langzaam! Zijn eenige kwaal is nu eene moreele--hij is niet verstandig
genoeg, om zijn volkomen beterschap kalm af te wachten!"
»Die lieve papa! O, ik kan het soms niet uithouden van angst .... als de
beterschap eens niet doorging, als...."
»Maar de beterschap gaat door! 't Is nu alleen nog een quaestie van
tijd. Meneer Van Berenvelt is volkomen gerust over den gang van zaken
aan het ministerie, en dit is een groote stap tot den vrede .... wij
zullen hem redden...."
»We zullen hem redden, als ieder mij maar trouw helpt. Ik mag immers op
je rekenen, Van Reelant?"
Adèle strekte hare sneeuwwitte handen uit, en legde die op Van Reelants
rechterarm.
Zij waren zonder eenige plichtplegingen naast elkander op eene sofa gaan
zitten.
Van Reelant werd bleek, en haalde diep adem.
Zijne scherpe stem dwingende tot den zachtsten, hartelijksten klank
antwoordde hij:
»Je kunt stellig op me rekenen, Adèle! Nu en altoos .... altoos...."
Freule Van Berenvelt ergerde zich niet over den gemeenzamen toon. Zij
hadden te zaam al zooveel zorgen gedeeld. De hulpvaardige vriendschap
van den even voorkomenden als edelmoedigen jonkman stemde haar zeer
gunstig ten zijnen opzichte. Zoodra zij met hem sprak, week het gevoel
van eenzaamheid en verlatenheid, dat haar telkens overstelpte, als zij
aan den toestand van haar armen vader dacht. Een hartelijk woord van Van
Reelant was haar altijd welkom. Zachtkens nam zij hare handen van zijn
arm, en fluisterde:
»O, ik wist het wel! Je blijft onze trouwe vriend, Van Reelant!"
De deur van het salon werd geopend. Een lakei riep:
»De heer Gronovius!"
Tot groote ergernis van den secretaris-generaal ~ad-interim~ trad nu de
beroemde heer Gronovius met zijn kaal hoofd, blozende wangen en talrijke
»decoratiën" binnen. De jongelui waren opgestaan, en bogen voor den
achtenswaardigen vertegenwoordiger des Nederlandschen volks. Hij zag
er zeer indrukwekkend uit met zijne plechtige, zwarte jas, in wier
knoopsgat alleen een zeer klein deel zijner welverdiende lauweren
prijkte. Hij begon aanstonds te spreken, en drukte in zijne stem de
meewarige belangstelling uit van een groot man, die zich bewust is eene
buitengewone oplettendheid aan zijne vrienden te bewijzen:
»Hoe vaart u freule? Bonjour, Van Reelant! Juist voorbijkomende, wil ik
niet mankeeren even in persoon naar mijn besten vriend Van Berenvelt te
informeeren! We hebben het ontzettend druk in de Kamer vandaag, maar
.... enfin, hoe gaat het hier?"
Het gezelschap was blijven staan. Adèle antwoordde beleefd, en verzocht
den »grooten" man te gaan zitten.
»Pardon, freule! Ik moet onmiddellijk weer naar de Kamer! Als ik maar
hoor, dat het vooruit gaat met Van Berenvelt, ben ik tevreden! Geen
nieuws, Van Reelant?"
»Niet van belang, meneer Gronovius? Weet u iets?"
»Bagatellen, anders niets! Het Belgisch gouvernement heeft mij
commandeur van de Leopoldsorde gemaakt...."
»Mag ik u feliciteeren...."
»Dank je! Niets bijzonders! En als alles goed gaat, kan Van Berenvelt
dus over veertien dagen weer op het ministerie zijn, niet waar?"
»Wij hopen het allen!"
De heer Gronovius behield gaarne »voeling" met Buitenlandsche Zaken. Hij
wist nu alles, wat hij weten wilde, en mocht zijn plicht als
volksvertegenwoordiger geene seconde meer verzuimen.
Toen hij afscheid nam, klonk de stem van den lakei opnieuw:
»Graaf Tchitchikoff!"
Gronovius vloog haastig heen, en de Russische ~attaché~ vertoonde
zijne rozige, gerimpelde trekken en zijne dunne, zwarte hairen, langs
voorhoofd en wangen naar de fraaiste »symmetrie" gladgestreken. Hij boog
met groote plechtigheid, en sprak ratelender dan eene Friesche klok,
waarvan men de gewichten ophaalt, in voortreffelijk Fransch:
»Ik kom eens hooren naar meneer den Baron? Beter, niet waar? Charmant!
En nu, zullen we het genoegen hebben freule Van Berenvelt van avond bij
de groote repetitie te zien?"
»Onmogelijk, mijn waarde Tchitchikoff! Ik ga niet uit, voordat papa
hersteld is! Het spijt me...."
»~Au désespoir~, freule! We zullen mevrouw Van Olmen als uwe ~doublure~
moeten doen optreden! Dat kan nu niet anders! De zaken marcheeren
uitstekend! De representatie zal succes hebben! En we hopen vurig, dat
u van de partij zal zijn bij de tweede representatie!"
»U is wel beleefd...."
»Ik heb het akelig druk! Nu aanstonds naar mevrouw Van Olmen, om over
haar kostuum te spreken! ~Costume régence~, zooals u weet! Nog vijf
dagen den tijd! Enfin, dat zal in orde komen! Maar ik reken op u, mijn
waarde Van Reelant! Den heelen avond ben ik bezet met mijn rol van
Sganarelle! U komt zeker, niet waar?"
De secretaris-generaal ~ad-interim~ verwenschte de heele ~comédie de
société~, maar poogde zich met eene beleefde verontschuldiging van de
zaak af te maken.
Intusschen hielp Adèle den Russischen ~attaché~, en weldra had men
afgesproken, dat Van Reelant zich dien avond eene pooze aan zijne
bezigheden van tweeden régisseur zou wijden, ondanks de vele drukten
door zijn staatsambt veroorzaakt. Vlug wipte graaf Tchitchikoff weg--hij
had geene minuut meer te verliezen.
Van Reelant haalde de schouders op, toen hij verdween. Adèle scheen hem
te begrijpen. Zij glimlachte even in 't voorbijgaan, zonder naar hem op
te zien.
Beiden stonden een oogenblik zwijgend stil.
Van Reelant had zijn hoed gegrepen, en dacht er over nog iets te zeggen,
vóór hij heen ging.
Adèle voorkwam hem. Zij vroeg haastig:
»Morgen zie ik je weer op dit uur, niet waar?"
»Zeker, zeker! Mijn liefste oogenblik van den geheelen dag!"
Het jonge meisje sloeg de heldere kijkers neer, en antwoordde zacht:
»Waarom zeg je dat zoo?"
Van Reelant vatte snel hare hand, en vroeg in denzelfden toon:
»Heb je me dan nog niet begrepen, Adèle? moet ik duidelijker spreken?"
De hand van het jonge meisje trilde in de zijne.
Geen van beide sprak een woord.
Plotseling hief Adèle het hoofd op, een vuurroode blos overstroomde hare
wangen. Zij trok hare hand terug, en zei met trillende stem:
»Nu niet, Van Reelant! Morgen .... morgen!"
Als eene schaduw verdween ze.
De secretaris-generaal ~ad-interim~ staat roerloos in het verlaten
salon. Eene diepe ademhaling, een vonkelend oog getuigen, dat hij zich
zeker acht van zijne victorie. Nog een oogenblik toeft hij, terwijl
zijne rechterhand rusteloos aan den blonden knevel plukt.... Morgen zal
zij beslissen!
Eene nieuwe overwinning! klonk het jubelend in zijn oor, toen hij
andermaal door den regen naar het ministerie terugijlde. Opgewekt zet
hij den loop zijner gedachten voort. Zijn huwelijk met eene freule Van
Berenvelt zal een groote stap zijn tot volgende zegepralen. Fortuin,
aanzien, maatschappelijke onderscheiding, niets ontbreekt hem meer.
Schitterender carrière is door niemand zijner academische tijdgenooten
gemaakt! Zijne eerzucht hoeft voor niets meer terug te deinzen, alle
hooge bedieningen zullen hem toegankelijk zijn....
Plotseling staat hij een oogenblik midden in den regen en juist voor
de Gevangenpoort stil. Er kwam geen hollend rijtuig, dat het leven van
den weerloozen voetganger bedreigde. Waarom merkte hij niet, dat hij
stilstaat? Waarom fronst hij de wenkbrauwen? Klemt hij de tanden met
woeste verbittering op elkander? Waarom ontsnapt hem een uitroep van
ongeduld, terwijl hij driftig zijn weg vervolgt? De toekomst lokte hem
met louter zonneschijn .... dacht hij misschien aan stormen, die komen
zouden?
Toen hij in de kamer van den secretaris-generaal op den stoel van den
heer Van Berenvelt voor de schrijftafel zat, gaf hij een oogenblik toe
aan ernstig gemijmer--bij al zijne prachtige vooruitzichten bleef er
eene zwarte wolk aan den horizon .... twee groote blauwe oogen zagen hem
aan .... met eene beweging van hoofd en hand joeg hij de schim zijner
fantasie weg, en ging met ijver aan het werk. Zijne eerste daad is flink
te schellen.
De bode treedt binnen.
»Is meneer de Witt present?"
»Ja, meneer...."
»Vraag hem hier te komen!"
Eenige oogenblikken later verschijnt André. Aan zijn pijnlijk
saamgeplooiden mond kan het blijken, dat hij met loome schreden naar de
kamer van den secretaris-generaal is afgedaald. Er ligt zekere dofheid
in zijn donker oog, het glanzige hair is met zekere achteloosheid in den
nek geworpen; enkele lokken vallen somtijds over voorhoofd en
wenkbrauwen.
Van Reelant richt zich in zijn leunstoel op, en zegt statig:
»Ga zitten, meneer De Witt!"
Zoodra André zit, ziet hij hem uitvorschend en koud aan. Daarna begint
hij:
»Voor de tweede maal noodig ik u uit bij de waarneming van uw ambt beter
te letten op uw tijd! De ambtenaren behooren stipt te tien uren des
morgens aanwezig te zijn!"
»Het doet mij leed .... van morgen wat later dan gewoonlijk ....
gisteren woonde ik de zilveren bruiloft van een mijner...."
Van Reelant valt hem snel in de rede:
»Ik verlang geen inlichtingen over de wijze, waarop u uwe avonden en
nachten besteedt, meneer! Integendeel!"
Arme André! Purperen verontwaardiging kleurde hem voorhoofd en wangen.
Gekrenkte trots snoerde hem den mond. Hij kan niet spreken, vooral niet
tegenover den bureaucratischen geweldenaar, die sedert vijf maanden op
voet van oorlog met zijn personeel leeft. Hij kan niet antwoorden,
vooral niet nu, daar de vroolijke liederen der zilveren bruiloft bij
de familie De Milde hem nog in de ooren klinken; wijl hij nog innig
dankbaar is over den opgang, welken zijn tooverkluchtspel bij de
weinig-eischende vrienden der De Mildes gemaakt heeft; omdat hij de
slanke gestalte van Betsy aan zijne zijde ziet, en met gadelooze
blijdschap aan het oogenblik denkt, toen hij haar fluisterend sprak
van liefde, en de fluweelzachte, donkerblonde lokken zijne wang
aanroerden....