de volgende lente voor goed en geheel hersteld zou terugkomen.... Arme
Letje! Zij had een jaar van lijden en leed achter den rug. Moeite en
zorg had het gekost dominee De Witt te bewegen, om zijne lijdende
dochter naar Pau te brengen. Allerlei bezwaren, finantiëele en moreele,
hadden hem terneergedrukt, maar André had volgehouden en overwonnen.
Aanvankelijk scheen het milde klimaat Letje weinig goed te doen; eene
ernstige ziekte verschrikte de bloedverwanten in Nederland; reeds wilde
André verlof vragen om voor eenige weken op reis te gaan, toen langzaam
betere tijdingen kwamen. Intusschen mocht de patiënte er niet aan denken
naar Leiden terug te komen tegen den zomer: zij moest te Pau blijven.
Maar ze schreef vlijtig aan André--en André werkte vlijtig voor Letje.
Sinds een jaar had hij met buitengewone geestkracht zich aan den
arbeid gezet. Behalve zijn gewoon werk aan het ministerie had hij
geregeld moeten zwoegen voor het »Tijdschrift voor Staatswetenschap",
had hij een opstel in »de Gids" geplaatst en talrijke correspondentiën
voor het »Handelsblad" voltooid. Hij had naar den raad van professor
Van Dam alles onderteekend, en de voldoening gesmaakt, dat men zijn
naam met lof noemde, mochten ook hier en daar zich stemmen doen
hooren tegen het gewaagde en al te philanthropische karakter zijner
economische bespiegelingen. Doch dit scheen van minder gewicht, als
zijn vriendelijke Maecenas, Van Dam, maar te vreden was. Gelukkig werd
de goede verstandhouding met Leiden niet gestoord. André mocht zich
verheugen in de meest belanglooze hulp van zijn genialen meester--een
zeldzaam voorrecht, dat hem levendiger trof, naarmate hij in zijn
werkkring aan het ministerie van Buitenlandsche Zaken minder
ondersteuning vond.
André wilde met den heerlijken Zondagmiddag zoo min mogelijk over deze
hinderlijke zaak nadenken--en, wanneer ook hier zijn voorbeeld gevolgd
wordt, het is, omdat Erato thans nog de hulp van Clio versmaadt. De
adjunct-commies had zijne ambtszorgen des Zaterdags op het ministerie
achtergelaten, hij wijdde zich nu geheel aan de familie De Milde. Tot
tweemaal toe had Willemien hem verweten, dat hij zoo »~distrait~" was,
en daarom luisterde hij nu naar hare klachten over den onridderlijken
Tulk, die trots zijne toekomstige rol van Mars zoo weinig achting bewees
aan Pallas Athene.
Toen men Den Haag bereikt had, scheidde het gezelschap; de dames
haastten zich naar het Westeinde, Tulk naar het huis zijner ouders
in de Nobelstraat, en André naar het »Zefrientje", om een der taaie
biefstukken van de eerbare juffrouw Barbara Bont broederlijk te deelen
met zijn contubernaal, luitenant Van Houweningen. Deze laatste was
ook in de komplotten der dames De Milde betrokken, daar hem voor deze
bijzondere gelegenheid op aanbeveling van André de rol van Zeus was
toevertrouwd.
De repetitie zou stipt te acht uren beginnen. De meisjes De Milde hadden
met de oude lui afgesproken: dat niemand in huis nieuwsgierig mocht
zijn; dat zij »~plein pouvoir~" zouden genieten voor alles wat het groot
festijn van den twaalfden October betrof; dat vader en moeder alzoo voor
een zeker aantal avonden de tuinkamer moesten afstaan met de vaste
belofte geene pogingen aan te wenden, om daarin tijdens de geheime
zitting der jongelieden door te dringen.
In langen tijd had de heer De Milde zich niet mogen verheugen over
zoo groote belangstelling zijner vijf dochters. De oude heer was nu de
held van de aanstaande zilveren bruiloft, en de voorbereiding tot dezen
prettigen hoogtijd gaf reeds zooveel blijdschap, dat een weerglans
van de toekomstige zaligheid hem dagelijks tegenstroomde. Hij was er
zoo vol van, dat zijne vrienden, die gewoon waren hem des namiddags
te vier uren aan hetzelfde tafeltje van de »Witte" te ontmoeten,
onder het diepste zegel des geheims al volkomen op de hoogte waren der
groote verwachtingen. De aanstaande zilveren bruid en bruidegom hadden
plechtiglijk besloten, dat zij ditmaal voor geene onkosten zouden
terugdeinzen, en dat geene spaarpenningen te heilig zouden zijn voor
den grooten dag.
Tegen acht uren hadden de vijf zusters het buitengewoon druk in de
tuinkamer. Roza en Louise waren twee jongejuffrouwtjes, die men met een
smakeloos germanisme »bakvischjes" zou kunnen noemen; dametjes, die op
het punt stonden van de korte tot de lange japonnen te worden bevorderd.
Ze aardden het meest naar Willemien, daar ze, vrij lang en mager van
gestalte, toch vrij aardige en levendige gezichtjes hadden. De dames
hadden de groote tafel ter zijde geschoven, om plaats te maken voor de
»repetitie". Er brandden twee lampen, eene op gezegde tafel haar licht
verspreidend over een deftig theeservies, eene tweede op een vierkant
speeltafeltje, dat tot de accessoiren van het tooneel werd gerekend. Nog
vlamden er op den breeden schoorsteenmantel vier waskaarsen, zoodat de
door haren aanleg zoo gezellige kamer er buitengewoon feestelijk uitzag.
Op het geschilderd behang schenen de hooggekapte en witgepoeierde dames
zich met blijdschap klaar te maken om de repetitie bij te wonen en de
heeren met vermiljoenkleurige »houppelandes" van de voorpret te
glimlachen.
De luidklinkende bel in de gang verkondigde, dat de dilettant-artisten
op de stoep stonden. Met grootte vlugheid schaarden de zusters zich nu
om de theetafel en, toen de drie heeren binnentraden, vormden ze in de
helderverlichte kamer eene vroolijke groep. Al te zaam hadden zij zich
beijverd, om een net kleedje of een mooi kraagje ter eere der repetitie
voor den dag te halen. Dit was wel voor een deel uit belangstelling
in de aanstaande zilveren bruiloft geschied, maar voor een ander deel
hadden hoogst natuurlijke behaagzucht en onschuldige coquetterie zich
niet onbetuigd gelaten.
De ontvangst der heeren greep met zekere deftigheid plaats. De Luitenant
Van Houweningen, een corpulent jongmensch met een gul gelaat en een
stereotypen glimlach onder den dikken knevel, verscheen voor de tweede
reis in het Westeinde. De drie oudste dames De Milde achtten het
noodzakelijk zekere statige vormen aan te nemen, althans in het begin
dier bijeenkomst. André en Tulk waren oude kennissen, met hen maakte
men geene »complimenten". Roza en Louise zwegen op hoog bevel. Er werd
plechtig thee geschonken door Jans; de heeren moesten eerst allen een
kop thee drinken. Onder deze omstandigheden begon de repetitie.
»Kom aan!"--riep André.--»Mijne rol komt pas bij 't slot. Ik zal weer
voor régisseur optreden!"
Een schrijfboek in de hand--het manuscript van eene losweg door hem
geïmproviseerde »~féerie~", met den titel: ~Venus contra Mars~--rees
hij van zijn stoel. Onder veel beweging en veel gelach stond men op.
Het tooneel werd voorgesteld door een deel der kamer, 't welk men met
eene rij stoelen afpaalde. Toegang tot het tooneel gaf de opengeschoven
deur der ~suite~, waarin de spelers zich verzamelden, om naar behooren
te kunnen optreden. André zette zich met zijn schrijfboek op een der
stoelen vlak voor het tooneel, en joeg de acteurs naar de ~suite~.
»Als je blieft, dames en heeren! we gaan beginnen!"
Maar de zenuwachtige uitroepingen der dames en de luide lach van
luitenant Van Houweningen noodzaakten André zijne vermaning tot tweemaal
toe te herhalen. Eindelijk kwam er stilte, en kon men beginnen. In
het eerste tooneel verschenen Eroos (mejuffrouw Louise) en Aphrodite
(mejuffrouw Kee). Dat men der oudste zuster de eer had gegund Aphrodite
voor te stellen, lag aan de onmogelijkheid, om de zaak anders te
schikken--al te zaam wilden ze voor de onweerstaanbare Cyprische godin
spelen. Kee hoopte tevens, dat een welgekozen kostuum veel tot de
»illusie" zou bijdragen, en André had beloofd daarvoor een practisch en
zooveel mogelijk smaakvol idee aan te geven.
Aphrodite en Eroos vertoonden allereerst een familietafereel. De moeder
moest den vlindervluggen zoon de les lezen over zijne uithuizigheid.
Eroos klaagt, dat hij vermoeid is door het forsche spannen van zijn
boog, en dat hij al zijne pijlen heeft verschoten op één na. Hij wil
uitrusten in de schaduw van Aphrodite's myrtenbosschen, en zijn hart
ophalen aan de herinneringen zijner heldendaden. Hier wordt natuurlijk
eene vertelling van Eroos geplaatst, oorspronkelijk voor zang
geschreven, maar daar de onsterfelijke knaap weinig stem bezit, is
de vertelling vertelling gebleven.
De régisseur valt de spelers herhaaldelijk in de rede. Mejuffrouw Louise
is nog niet vertrouwd met de rol van Eroos. De vertelling komt niet tot
haar recht. De medespelers hinderen door gefluister, en gelach in de
~suite~.
»Komaan, Louise! Nog ééns!"--beveelt de régisseur.--»Harder spreken en
vooral duidelijker!"
»Eens"--begint Eroos weer--»eens hadden de goden mij den
vreugdekweekenden nectar verboden. Ik kwam u storen in een onderhoud met
den geduchten oorlogsgod. In wilde drift stortte Mars...."
Bij deze woorden verschijnt de krijgsgod (Kees Tulk), en bespiedt het
tafereel tusschen moeder en zoon.
»Komaan, Louise! In wilde drift stortte Mars...."
En Eroos zegt geduldig nog eens de »claus", als het heet onder de
heuschelijke tooneelisten.
Op dit oogenblik tikte men zeer bescheiden aan de deur der tuinkamer in
de gang. Aphrodite liet het tooneel zonder veel ceremoniën in den steek,
en keek voorzichtig door een kier van de deur, wie zich aanmeldde....
Hoe aardig! Het was mevrouw De Huibert en hare zuster juffrouw Betsy
Muller Belmonte. Al de artisten kwamen snel te voorschijn. De repetitie
werd afgebroken. De drie heeren hadden juffrouw Betsy nog niet ontmoet.
Plechtige voorstellingen moesten derhalve plaats grijpen. Toevallig was
André de laatste. Kee bracht hem naar Betsy, die ter zijde bij de tafel
stond.
»Juffrouw Muller wilde gaarne onze repetitie bijwonen, en zal ons het
genoegen doen voor de piano te zorgen!"
Na deze vriendelijke woorden trok Kee zich terug.
André zag een zeer bevallig jong meisje met weelderige donkerbruine
krullen, doordringende, helderblauwe oogen en iets buitengewoon
eenvoudigs in figuur en kleeding. Die eenvoudigheid kenmerkte zich
evenwel door een bijzonder goeden smaak, zoodat André verrast en
aangenaam getroffen, zich eenige oogenblikken met Betsy onderhield en de
geheele repetitie vergat.
Van de oude Betsy Muller Belmonte was niets overgebleven. Tegenspoed
en zorge hadden het jonge meisje een volkomen nieuwe richting gegeven.
Tot op den dood van haar vader had zij in ledige werkeloosheid en trage
onzekerheid geleefd; de harde noodzakelijkheid had haar wakker geschud,
en bij het ontwaken had zij besloten het hoofd moedig omhoog te houden.
Zij had vlijtig gewerkt en de sterkende, heiligende kracht van den
arbeid had haar leven en karakter geheel hervormd. Betsy, nu meestal
kortaf onder den naam van juffrouw Muller bekend, was begonnen met
pianolessen te geven aan freule Albertine van Berenvelt. De proefneming
was zóó wel geslaagd, dat zij spoedig bij aanzienlijke familiën werd
aanbevolen, en in den regel vijf of zes uren per dag les gaf. Zij leefde
onbezorgd met hare moeder op een eenvoudig bovenhuis aan den Lutherschen
Burgwal. Ieder, die haar leerde kennen, sprak met de hoogste achting
over hare voorbeeldige stiptheid, haar ijver en hare beminnelijke
zachtmoedigheid. Zoo er eene schaduw over haar leven mocht gevallen zijn
in Osterwolde, zij herleefde in Den Haag, en bejammerde het alleen, dat
eene bittere oneenigheid tusschen hare moeder en zuster bleef heerschen.
Mevrouw Muller Belmonte droeg hare jongste dochter op de handen, maar
wilde van de oudste niets weten. Sedert zij in Den Haag was komen wonen,
had de moeder geweigerd hare dochter te zien, en Betsy alleen van tijd
tot tijd zich in het Westeinde vertoond.
André geboeid door de lieftallige verschijning van het jonge meisje,
liet zijne artisten rustig met elkander praten.
Betsy moest herinneren aan het doel der bijeenkomst.
André was onmiddellijk tot haar dienst.
Plotseling buitengewoon belangstellend in de repetitie riep hij zijn
volkje op. Hij noodigde mevrouw De Huibert en Betsy vóór het tooneel te
willen plaats nemen.
Alles moest weer geheel van nieuws beginnen.
Sinds de beide vreemde dames er zaten, waren de acteurs en actrices
bedaarder en regelmatiger. Nog was het opmerkelijk, dat de beide oudste
De Mildes goedvonden--het was toch maar repetitie!--bij Suze en Betsy te
gaan zitten en ten tooneele te verschijnen, als de loop van het
Olympische spel dit vorderde.
Verwonderlijk kalm, soms even glimlachend, volgde Betsy het stuk. André
begon nu eigenlijk recht goed in te zien, dat zijne mythologische klucht
een akelig middelmatig gewrocht was. Aan zijne zijde zag hij de slanke
figuur van Betsy, en telkens ergerde hij zich over zijn geesteloos werk,
als deze, hem met hare groote, mooie, blauwe oogen aanziende, de eene of
andere opheldering vroeg. En terwijl Mars tevergeefs tegen Eroos streed
op het tooneel, fluisterde André:
»Het stuk is maar een gelegenheidsstuk, juffrouw Muller! Ik hoop, dat u
het genadig zal beoordeelen. Een eenvoudige gedachte, anders niet! De
Goden vieren feest op den Olymp, en drinken zich een goddelijken roes.
Zij bemerken niet, dat Eroos zich listig van hunne machtsattributen
meester maakt. De dolle knaap steelt Zeus zijn bliksem af, neemt den
drietand van Neptunus, helm en speer van Pallas, zwaard en schild van
Mars. Toen hij nu zag, dat ze allen ontwapend waren, schoot hij den
krijgsgod een scherpen pijl in de borst en leidde hem ter genezing naar
zijne moeder Venus Amathusia...."
Hier werd André verhinderd voort te gaan door een driftig roepen van
zijn naam.
Mars (Kees Tulk), Zeus (luitenant Van Houweningen), Pallas (mejuffrouw
Willemien) en Eroos vragen hem souffleursdiensten, van welke zich te
kwijten hij anders nooit in gebreke blijft.
Schielijk helpt hij de zaak in orde brengen, en begint telkens weer van
nieuws Betsy ophelderingen omtrent zijne bedoelingen te geven.
»De schalksche liefdegod--voor wien men nooit genoeg op zijne hoede kan
zijn, juffrouw Muller!--zegeviert dien dag over al de Olympiërs, en
onderwerpt ieder met Zeus incluis aan zijne macht! Hij wil dezen zijn
bliksem niet teruggeven, voordat al de goden de opperheerschappij zijner
moeder hebben erkend. Mars wordt voor goed geketend tot groote
blijdschap van Apollo en zijne negen zusters...."
»Komen al de Muzen op het tooneel?"--vraagt Betsy.
»Zoo'n groot personeel kan ik u niet aanbieden. Onze krachten zijn
beperkt. Apollo treedt als vertegenwoordiger zijner zusters op....
misschien had ik ongelijk niet aan Polyhymnia te denken...."
Betsy glimlachte zoo flauw, dat André het niet waagde haar zijne meening
duidelijker te maken.
De gang van zaken op het tooneel vorderde alweer zijne tusschenkomst.
Het gold de hulde van al de Olympiërs aan Venus Cytheréa en een
woedenden aanval van Hera (mejuffrouw Jans) op Zeus. De houding, de
standen, de gebaren der vertooners lieten veel te wenschen over, en
André moest lange pooze al zijne oplettendheid wijden aan de repetitie.
Betsy, die louter uit nieuwsgierigheid op verzoek van Suze gekomen was,
scheen de zaak niet onaardig te vinden; terwijl hare zuster, enkel uit
beleefdheid voor de meisjes De Milde verschenen, met groote inspanning
den gedurig terugkeerenden lust tot geeuwen onderdrukte.
Na eenige moeite, na eenig over- en weerspreken, kwam eindelijk dit
tooneel tot zijn eisch, en ging men verder.
André zette zich haastig weer aan Betsy's zijde, en fluisterde opnieuw:
»Nu komen we tot een conflict. Hera wil niets van Eroos' pretentiën
weten, maar Zeus trekt partij voor den knaap, omdat hij als oppergod
verplicht is een goed exempel te geven, en zijn woord te houden.
Pallas verschijnt als bemiddelaarster. Op haar stuiten al de
pijlen van Aphrodite's zoon af--zij stelt voor in dezen twist
de scheidsrechterlijke uitspraak op te dragen aan Phoebus Apollo
(mejuffrouw Roza) en de negen Muzen. Met algemeene stemmen aangenomen.
Apollo velt het volgend vonnis: Hera, Aphrodite en Pallas zullen
gezamenlijk de wereld regeeren, Zeus, Mars en Apollo voeren hare bevelen
uit. Inzonderheid wordt aan Mars opgedragen al zijne dienaars onder
eene dure verplichting te stellen--de uitsluitende hulde aan Eroos en
Aphrodite. En nu verloopen er op een machtwoord van Zeus twee duizend
jaren in ééne seconde .... de onsterfelijke Olympiërs kennen geen tijd.
Chronos is lang overleden...."
André kon het niet verder brengen met zijne toelichtingen, want hij werd
door een koor van stemmen in de rede gevallen.
Hij zelf moest op het tooneel verschijnen in zijne rol van Hermes, den
welbespraakten kleinzoon van Atlas, den boodschapper van goden en
menschen.
Het scheen, dat André aarzelde.
Trok Betsy's tegenwoordigheid zijne aandacht af van het door hem zelf
geschreven spel? Wilde hij ongaarne zijn zetel aan hare zijde verlaten,
of vreesde hij zich belachelijk te maken op het tooneel?
»Hier zullen we de repetitie maar sluiten!"--riep hij met luide
stem.--»Wat er nu komt, is altemaal voor mij, en ik ken mijn rol
natuurlijk...."
Alle stemmen verhieven zich tegen dit voorstel.
André moest zijne rol vervullen; hoe zouden de anderen weten, wat zij in
het slottooneel te doen hadden?
Daar was niet veel tegen in te brengen--André moest spelen.
Betsy zei lachend, dat ze nieuwsgierig was naar het slot, en hierop
verscheen André onder de artisten ten tooneele. Het bleek nu, dat hij
aan den hoogen raad der Goden verslag had te geven omtrent een gewichtig
feit, in Nederland voorvallend den 12den October 1854. Dan zou een
dappere zoon van Mars, die in 1831 als vrijwillig schutterofficier aan
den tiendaagschen veldtocht deelnam, die zich daartoe met heldhaftige
zelfopoffering uit de armen zijner jeugdige gade had losgescheurd, zijne
zilveren bruiloft vieren. Nu volgde de historie van 's heeren De Mildes
vrijaadje en huwelijk, zeer uitvoerig naar authentieke bronnen bewerkt.
Ten slotte werd nog eene ovatie der onsterfelijke Olympiërs aan de
zilveren bruid en bruidegom ingelascht, waarbij ieder onsterfelijke met
gelukwenschen en verrassingen naar den voorgrond kwam, en alles zich
oploste in een »combat de générosité" tusschen Aphrodite en Mars.
Beide hemelingen verklaarden, dat de zilveren bruigom zijn of haar
allergetrouwste dienaar in Nederland mocht heeten, waarop Hera en
Pallas als hoogste autoriteiten van den Olymp het pleit beslisten door
te verzekeren, dat de zilveren bruigom gedurende vijf en twintig jaren
»de allergetrouwste dienaar" der Cythereïsche Venus geweest was.
Zoodra de repetitie afgeloopen was, zorgden de beide oudste De Mildes,
dat al de sporen ervan verdwenen. Mevrouw De Huibert oordeelde het een
geschikt tijdstip om te gaan, maar Kee en Jans kwamen haar op de gulste
manier overstelpen met uitnoodigingen, om een »boterhammetje" te blijven
eten. Willemien opperde het plan juffrouw Muller ook eens te doen
repeteeren op de piano. André sprak er met geestdrift over, en Betsy
liet zich verbidden. Toen Betsy zich voor de ouderwetsche piano
neerzette, zweeg ieder, zelfs de luidruchtige Van Houweningen onthield
zich van schaterlachen.
André plaatst zich naast het jonge meisje, en staart met kwalijk
onderdrukte bewondering naar de kunstenares, die begint het gebrekkige
werktuig tot een nieuw leven te doen ontwaken. Betsy vergeet het
gezelschap, en draagt een paar schoone muzikale gedachten voor. Een
glimlach beweegt hare lippen--een vonk van geestdrift tintelt in
haar oog. Oningewijden mochten misschien de fijnheid en zekerheid van
haar spel niet naar waarde kunnen beoordeelen, allen luisterden met
eerbiedige stilte. André is opgetogen. De tonen van het klavier dringen
in zijn hart als eene tooverhymne, die hem opheft naar een fantastisch
Eden, waar alles schittert van kleur, alles ademt van geur, alles jubelt
van lust. Een dorst naar het oneindig Schoone en Verhevene doordringt
zijn gemoed--zijne ademhaling versnelt zich, een traan begint in zijn
oog te parelen....
Daar zwijgt de muziek. Allen komen om strijd Betsy bedanken. André
blijft ter zijde staan. Toen zij even naar hem omzag, straalde uit zijn
vochtig oog zooveel bewondering, dat zij schielijk het hoofd wendde, en
met een vluchtig blosje de al te luidruchtige hulde der heeren Tulk en
Van Houweningen beantwoordde.
De deur der tuinkamer wordt voorzichtig geopend.
De heer De Milde vraagt op nederige wijze vergunning, of hij even mag
binnenkomen? Daar werd zoo mooi .... zoo beeldig mooi gespeeld, dat hij
nieuwsgierig geworden was, en, als de dames en heeren het niet kwalijk
namen, dan.... Kee, Jans en Willemien komen hem te gemoet in feestelijke
stemming alsof de bescheiden lachende man reeds zilveren bruigom was,
en stellen hem voor aan den jongen Van Houweningen, den eenige, die hem
onbekend is. De heer De Milde, op het deftigst gedost in 't zwart met
zijne glanzigste satijnen sjaaldas en schitterendste diamanten speld,
gaat daarna vol drukte juffrouw Muller voor de kostelijke muziek danken,
en roept als in één adem:
»En wat zullen de dames en heeren gebruiken .... Rhijnschen wijn of
rooden wijn.... Jans! Schenkt niemand hier in?"
Kluchtig bijna van bewegelijkheid wipte hij weg, en kwam terstond terug
met mama De Milde, die op hare beurt gevolgd werd door eene knappe
kamermaagd--deze laatste belast met eene eerbiedwekkende hoeveelheid
flesschen, karaffen en glazen. De vrouw des huizes was even deftig
gekleed als haar man in eene zwierige, maar door vetvlakken ontwijde,
grijze japon, en had hare prachtigste muts met splinternieuwe
azuurkleurige linten opgezet. Druk sprekend boog zij voor het
gezelschap op ouderwetsche, stuipachtige wijze, en ving zij onmiddellijk
aan iedereen te bedienen.
De gezelligheid nam nu hand over hand toe. Vroolijkheid blonk uit
ieders oog. De jongejuffrouwtjes Roza en Louise, die weer volop mochten
spreken, daar papa en mama waren binnengesmokkeld, draafden in 't rond
met flesschen wijn en weerden zich dapper door inschenken. De heeren
Tulk en Van Houweningen maakten fatsoenshalven een klein ziertje het
hof aan Kee en Jans, die de echo's der tuinkamer wakker riepen met
haar giggelend gebabbel. De heer De Milde, volkomen tevreden over
»quantiteit" en »qualiteit" der ververschingen, zette zich aan de tafel
naast mevrouw De Huibert, om recht op zijn gemak over allerlei Haagsche
familiën en historiën van vroegeren datum te keuvelen. Zoodra Suze
toevallig genoopt werd een oogenblik in den kring der De Mildes door te
brengen, was het bijna zeker, dat zij met den ouden heer een levendig
gesprek aanknoopte. Deze laatste was op de hoogte van heel het Haagsche
leven uit vroeger of later tijd. Suze stelde het meest belang in
familiën met aristocratische namen, en de heer De Milde gaf zoo
uitvoerig verslag over allerlei levensbijzonderheden van Haagsche
grooten, alsof hij dagelijks hun drempel betrad.
Bij de ouderwetsche piano was een gezellig hoekje der tuinkamer, daar
men er zich in de onmiddellijke nabijheid der gepoeierde heeren en dames
van het behangsel op een deftigen leunstoel neerzetten en het geheele
vertrek overzien kon. Toevallig misschien had Betsy, na de levendige
»ovatiën" haar met geestdrift gebracht, zich op dien fauteuil neergezet,
om aan al te luide lofredenen te ontkomen. Minder toevallig mocht het
genoemd worden, dat André zich op het pianostoeltje plaatste, om met
haar een afzonderlijk gesprek bijna onder vier oogen aan te knoopen.
Bijna onder vier oogen, want mevrouw De Milde bemoeide zich uitsluitend
met de versnaperingen, die nu niet alleen in vloeibaren staat, maar
ook in den vasteren vorm van boterhammen met zalm of gehakt werden
aangeboden. Suze verdiepte zich met den »ouden heer" steeds verder in de
genealogiën van Voorhout en Vijverberg. Roza en Louise wijdden al hare
studie aan de »sandwiches", en de beide oudsten, Kee en Jans, hadden
alleen oogen voor hare broeders-acteurs, die zoo talentvol de rollen van
Zeus en Mars vervulden.
Zoo stond het André vrij met Betsy eene lange pooze te spreken ....
bijna onder vier oogen!