schrijven in een geacht tijdschrift, als »de Gids" bij voorbeeld, is een
zeer goed werk. Ik zou mij verheugen, wanneer ik daarin iets flinks van
je mocht aantreffen! Denk niet, dat ik het tegenovergestelde bedoeld
heb. Probeer het met »de Gids", als je er lust in hebt!"
»Ik zal het probeeren.... Maar dit is nog niet alles. Mijn doel is,
ronduit gezegd, op de eene of andere wijze mijne inkomsten te
vermeerderen. Ik zou dus gaarne vast medewerker worden aan een
dagblad...."
»Daar zijn meer bezwaren aan verbonden. Werken voor de dagbladpers kan
zeer goed vereenigd worden met grondig wetenschappelijk onderzoek....
Maar dat gebeurt niet altijd. Intusschen zou je misschien een
wekelijksch overzicht van de beraadslagingen in de Europeesche
parlementen kunnen schrijven, of wel, als je alleen maar een beredeneerd
verslag over de debatten in onze Tweede en Eerste Kamer zoudt willen
leveren, me dunkt, dat was een vruchtbaar werk!"
André herademde. Hij had ernstig gevreesd, dat zijn plan bij professor
Van Dam tegenstand zou vinden. Hij zag nu, dat hij misschien zijn doel
zou bereiken.
»U zou het mij dus niet afraden, als ik met een onzer groote dagbladen,
bij voorbeeld het Handelsblad, overeenkwam voortdurend uitvoerige
verslagen te geven omtrent de kamerzittingen?"
»Afraden, neen! Maar ik zag je toch liever aan meer theoretischen
arbeid. Je werk over de Free-Traders is degelijk, en ik verwacht je
natuurlijk op dat terrein terug.... Hoe komt het toch, dat je nu iets
anders zoekt?"
André had de vraag verwacht, en toch bewoog hij zich verlegen op zijn
stoel.
»Ik wil het u gaarne zeggen, professor! Ik weet, dat u het mij niet
kwalijk zal nemen .... ook, als ik u verzoek, dit alles als zeer
confidentieel te beschouwen!"
De heer Van Dam stond even op, greep een kistje met sigaren, en nadat
hij André er eene had aangeboden, zei hij, ernstig en joviaal tegelijk:
»Zie zoo! Vertel me nu eens dood op je gemak, wat er eigenlijk aan de
hand is, De Witt!"
De jonkman toonde zich nog vrij zenuwachtig en schutterig in zijne
bewegingen, toen hij de sigaar opstak, maar vermande zich.
»Professor!"--ving hij, snel en vastbesloten, aan.--»Ik moet geld
verdienen. Ik had gedacht, dat het tractement van adjunct-commies eene
heele schat was. Ik had gehoopt mijne familie hier in de stad te kunnen
steunen, maar er is tot nog toe niets van gekomen, en ik kan u op mijn
woord verzekeren, dat ik geen cent heb verspild. U weet, dat mijn vader
niet rijk is. Nooit zou ik u van deze dingen gesproken hebben, als geene
buitengewone omstandigheden mij er toe noodzaakten. Voor vier jaren
stierf mijne moeder, wij bleven met ons vieren kinderen achter. U kent
mijn vader, zacht, vriendelijk, spoedig tot toegeven overhellend. Mama
had de huiselijke zaken met flinkheid bestuurd. In de eerste dagen na
mama's dood scheen het of alles in de war zou loopen. Toen nam mijne
oudste zuster Letje de taak van moeder op zich. Zij was maar zestien
jaar oud, zij scheen door haar tenger voorkomen weinig geschikt voor
zoo'n moeielijke taak .... en toch, binnen weinig dagen was alles
geregeld. Letje had bij hare taak maar ééne gedachte: doen zooals mama
zou gedaan hebben! Ik was student, mijn broer Willem ging nog op het
gymnasium, mijn zuster Christien was een speelsch en druk kind van elf
jaar, maar ik geloof niet, dat de knapste huishoudster, de verstandigste
moeder haar plicht met meer stiptheid en tact zou hebben kunnen
vervullen. Zoo ging alles vrij goed tot November van verleden jaar.
Papa, die niet van de sterksten is, werd gevaarlijk ziek .... misschien
heeft u er van gehoord...."
Professor Van Dam knikte. Hij zag André met belangstelling aan, al lag
misschien in den opslag zijner geestige oogen de vraag te lezen--waar
moet dit alles toe dienen? André ontcijferde die onuitgesproken woorden,
en ging schielijk voort:
»Er is nog maar weinig bij te voegen. Zes weken waakte Letje bij mijn
zieken vader, en redde hem door hare voorbeeldige zorg het leven. Het
hielp niet, of ik haar noodzaakte wat te gaan rusten, of ik in hare
plaats waakte .... zij kwam ieder oogenblik aan het ziekbed terug. Toen
papa geheel hersteld was, werd Letje ziek. Zij is schijnbaar wat beter
geworden, maar eigenlijk lijdt zij altijd door. De verschijnselen zijn
zeer verontrustend .... borsttering...."
Het gelaat van den hoorder veranderde. Duidelijk merkbaar stelde hij nu
oprecht belang in de zaak.
Snel vraagt hij:
»Wie is je dokter, De Witt?"
»Santman, professor!"
»Zoo--en wat zegt hij?"
»Nog geen oogenblikkelijk gevaar, maar hij ziet de zaak zeer ernstig in.
Zij mag hier den winter niet blijven, zij moet naar het Zuiden...."
»Natuurlijk, dat is misschien het eenige radicale middel!"
André zweeg. Hij had gehoopt, dat professor Van Dam begrepen zou hebben,
wat hij eigenlijk meende. Maar de vriendelijke hoogleeraar had van
kindsbeen af in overvloed geleefd, en was sinds zijn huwelijk nog rijker
geworden. In dergelijke gevallen is het soms zeer moeielijk te raden,
met welke angsten fatsoenlijke armoede bijna dagelijks te strijden
heeft. André doorleefde zulk een oogenblik van pijnlijken angst. Maar
plotseling moed vattend, zei hij fluisterend:
»Dit is de reden, waarom ik probeeren wilde in de dagbladen te
schrijven. Ik heb besloten mijne arme zuster het leven te redden, als
het nog mogelijk is. Maar ik herinnerde mij uwe waarschuwingen, en
wilde vooraf om raad vragen!"
»Bravo, De Witt! Dat is een goed plan! Als ik je helpen kan, zeg het dan
maar!"
De heer Van Dam zag met heimelijk medelijden naar zijn vluggen leerling.
Wat zou er van hem worden, als hij met het beste doel van de wereld zich
ging wijden aan den afmattenden arbeid der journalistiek? Hij had zoo
dikwijls arme jongelieden, die iets beloofden voor de wetenschap, zien
ondergaan in de dagelijksche beslommering om fatsoenlijk te blijven
leven. Het was de oude, zeer oude geschiedenis, maar....
Zijne laatste woorden hadden André bemoedigd.
»Professor!"--zei hij onbeschroomd.--»U heeft invloed bij de redactie
van »de Gids". Er zijn in den laatsten tijd eenige Engelsche boeken over
economie uitgekomen. Ik wenschte er een critisch verslag van te geven.
Zou u mijn opstel willen aanbevelen?"
»Met het meeste plezier, amice! Maar .... neem me niet kwalijk, als ik
eene zwarigheid maak. Zou dit wel de practische weg zijn, om tot je doel
te komen? Wetenschappelijk werk brengt weinig op, en we hebben hier
eenvoudig een geldquaestie, niet waar? Ik zou de zaak anders begrijpen.
Geef aan dagbladen en tijdschriften, wat ze van je vragen .... het moet
nu eenmaal, maar zie zooveel mogelijk vast werk te krijgen voor een
bepaalde som. Ik ben bereid je in alles te helpen, doe me maar het een
of ander voorstel....!"
Volkomen tevreden, verruimd, alsof hem een pak van het hart viel, stond
André op.
»En nu durf ik u niet langer storen, professor! Ik weet nu, wat ik te
doen heb. Bij voorkomende gelegenheid mag ik immers op uw hulp rekenen?"
»Dat spreekt van zelf. Beschik over mij. Nog één raad. Blijf in je werk
voor dagbladen en tijdschriften zooveel mogelijk oorspronkelijk en
degelijk! Schrijf nooit anoniem. Plaats je naam onder je stukken, en zie
toe, dat je hem niet bederft!"
Professor Van Dam bleef op de sofa zitten, alsof hij niet bemerkte, dat
André wilde vertrekken. De hoogleeraar was bezig een plan te vormen, en
zon op middelen. Juist poogde André eerbiedig de hand uit te steken, om
afscheid te nemen, toen de heer Van Dam haastig opsprong, en riep:
»Gevonden, De Witt! gevonden!"
Hij liep naar de schrijftafel, en kwam met een bundel handschriften op
André af.
»Kijk eens hier! Heb je lust dit alles te lezen en te beoordeelen? Het
zijn manuscripten van verschillende auteurs, die een bijdrage wenschen
te plaatsen in mijn Tijdschrift voor Staatswetenschap. Als je die
stukken gelezen hebt, geef mij dan in een kort woord op, of je ze
geschikt vindt voor plaatsing en waarom?"
André neemt de handschriften zonder te antwoorden.
Professor Van Dam brengt hem naar de tafel, waar ze gezeten hadden,
terug. Hij wijst hem naar een stapel boeken.
»Zie je die boeken? Altemaal ingezonden op hoop van een beoordeeling in
mijn Tijdschrift voor Staatswetenschap. Heb je moed ze te lezen, en met
een kort woord van critiek te behandelen? Zie je er niet tegen op? Dan
verlos je mij van een taak, die me maand op maand meer begint tegen
te staan. Jij neemt het eigenlijk redactiewerk van het tijdschrift op
je--ik blijf adviseerend redacteur, en jij verdient het honorarium, dat
spreekt van zelf! Wat zeg je daarvan?"
André was hoogrood van blijdschap, verrassing en ontroering. Hij
stamelde eenige woorden van dank, en lachte ondanks den ernst van het
oogenblik. Hij sprak van eer, van onderscheiding, van jeugd, van gebrek
aan ervaring en wetenschap, van verplichting en dankbaarheid.... De
hoogleeraar viel hem in de rede:
»Hoor eens! Eens en vooral, hier wordt niet van dank gesproken! Jij doet
je werk, en daarvoor krijg je je loon. Apropos, geef me maar een wenk,
wanneer je er over beschikken wilt. En, als alles naar wensch gaat, word
je een volgend jaar mede-redacteur, en komt je naam naast den mijne op
het titelblad."
»O, professor! professor!"
»Verlies nu je tijd niet met praten, maar loop eens gauw naar dokter
Santman.... Je moet toch weten, waar je de arme patiënte brengen zult!"
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Prettige komplotten.
Wat er in twaalf maanden kan voorvallen als men al de gebeurtenissen
uit een enkel menschenleven bijeenbrengt, is soms meer dan de soberste
historieschrijver in ettelijke boekdeelen kan verhalen. Breidt men den
kring uit tot eene afzonderlijke familie, tot eene geheele stad, dan
wordt de taak schier onmogelijk. In de meeste gevallen zal de Muze
der geschiedenis echter de aangeboden stof versmaden, de talrijke
handschriften in de scheurmand werpen, en binnen een enkelen volzin
saamvatten wat gedurende een geheel jaar voorviel.
Aldus Clio. Maar niet alzoo Erato en Euterpe. Het lief en leed van een
enkel mensch, van een enkel huis zijn haar dierbaar. Van de geschiedenis
des harten te vertellen is haar duizendwerf aangenamer dan te spreken
over eene ministeriëele crisis. Onder aanroeping dier beide vriendelijke
Muzen wordt er hier opnieuw een begin gemaakt met het tweede deel van de
geschiedenis der familie De Milde uit het Westeinde in Den Haag, en wel
juist twaalf maanden, nadat zij voor het eerst in dit eenvoudig verhaal
te voorschijn trad. Wat er in het verloopen jaar geschied is, zal, als
het noodzakelijk mocht schijnen, ter gelegener plaatse worden
ingelascht.
Zondag, September 1854. Heldere hemel, felle zonneschijn. De golven aan
't strand te Scheveningen komen vroolijk bruisend naar den lagen oever
stroomen. Water en hemel vertoonen bijna dezelfde tint--een flikkerend
blauw door de zonnestralen met goudvonken getooid.... Er is groote
deining in zee ten gevolge van eene flinke bries uit het Zuidwesten.
De stem der golven zingt een vroolijk lied met het oude, geheimzinnige
refrein, half vol weemoed, half vol jubel. De pinken liggen in eene
lange rij voor anker; de slanke masten teekenen zich geestig tegen
het azuur, terwijl nauwlijks zichtbaar een rood of blauw wimpeltje de
windrichting aanstreept. De schommeling der baren doet de vaartuigen
zachtkens bewegen, als het witte schuim der branding tegen de kiel
spat. Aan den horizon, schemerend en flauw geteekend door eene
amethistkleurige wolkbank, verraadt een wegblauwende damp, dat een
stoomer is voorbijgegaan. Terugkeerende visschersvaartuigen doemen op
uit de verte, de masten in rustelooze beweging door de hooge, woelende
zee.
Aan het strand bij de pinken heerscht groote levendigheid.
Scheveningsche kinderen met bruine gezichten en wit hair scheppen
een nationaal plezier in het blootvoets waden door het heldere water,
terwijl zij luid joelend onder de ankertouwen doorkruipen. Invaliden der
zee met duizend plooien in de geblakerde troniën rooken een bruin eindje
pijp, en turen naar den gezichteinder. Enkele vrouwen dalen van de gele
duinen, schommelend met eene weelde van rokken om de heupen, als nimmer
in eenig oord der beschaafde of onbeschaafde wereld is aangetroffen.
Hoog verheft zich het duinzand van den dorpstoren tot aan het »groot
stedelijk" badhuis, welk laatste gebouw nog in geen enkel opzicht
»groot" en veel minder »stedelijk" te noemen is. Boven de woestijn van
zand tusschen beide gebouwen rijst alleen het eenvoudig, vorstelijk
paviljoen op een heuveltop. De beroemde zeebadplaats Scheveningen is nog
niet ontdekt door den stroom der Europeesche reizigers; de Nomaden
onder de Londenaren spannen hunne tenten elders; de tengere dochters
van den Rhijn en de Spree verschrikken nog niemand met hare ongeoorloofd
leelijke hoofddeksels van bruin stroo.
Rondom het badhuis heerscht stilte. De dagen der muziektent zijn
nog niet gekomen, de zee maakt hier alleen muziek voor den eenzamen
wandelaar. Niemand droomt van de hooge teenen strandstoelen, waarin
Duitsche bankiers aan hunne millioenen en Hollandsche freules aan hare
bruidstoiletten zullen denken, totdat het fluisterend lied der golven ze
al te zaam in den slaap der onnoozelen zal hebben gewiegd. Op de duinen
en omlaag wemelt geene bonte menigte van bezoekers; de kinderen der
voorname badgasten zullen eerst later komen, om met hunne ijzeren spa of
houten schop beddingen voor kleine stroomen te graven of bergen van
vochtig zand op te werpen.
Behalve het Scheveningsche publiek bij de pinken vindt men evenwel het
dagdievend stadsvolk in groote getale vereenigd op het terras of in
de omstreken der gastvrije inrichting van oudsher »Zeerust" genoemd.
De frissche bries maakt het zitten in de open lucht trots fellen
zonneschijn niet onaangenaam. Aan tafeltjes zitten enkele groepen
bijeen. Daar het omstreeks drie uren is, laten de heeren zich kleine
glaasjes met nationale vloeistof geven; het gerucht der stemmen wordt
luider.
Dicht bij den kleinen muziektempel van »Zeerust", in het genot der
schaduw, heeft zich een gezelschap van vier dames en twee heeren
neergezet. Het zijn de dames De Milde--Kee, Jans en Willemien--vergezeld
van de sedert een jaar bij haar inwonende mevrouw De Huibert. André
de Witt is de eene heer, de andere heet Kees Tulk, ambtenaar bij de
posterijen, en droog komiek bij gelegenheid. De beide oudste dames De
Milde zijn misschien wat ronder en Willemien misschien wat schraler
geworden, maar voor 't overige heeft »de tand des tijds" haar nog
niet veel kwaad gedaan. Mevrouw De Huibert ziet er in haar zwierig
zomertoilet jonger en bevalliger uit dan ooit te voren; haar toon
tegen de familie De Milde is merkbaar milder geworden. Suze heeft
de herhaalde pogingen van een viertal doodgoede, maar buitengemeen
nieuwsgierige dames niet kunnen verijdelen; de dames De Milde hebben
een soort van vriendschappelijk verkeer met haar aangeknoopt, en nu
weten zij dan ook zeker, dat mevrouw De Huibert geene weduwe is, dat
ze vrijwillig gescheiden van haar echtgenoot leeft wegens finantiëele
onaangenaamheden, die voor geene minnelijke oplossing vatbaar zijn. De
dames De Milde vertellen nu aan ieder, die het hooren wil, dat mevrouw
De Huibert eene »allerliefste lieve vrouw" is, die men heel »leelijk"
behandeld heeft. In één opzicht werd de nieuwsgierigheid der dames nog
niet bevredigd. Mevrouw De Huibert gaat dikwijls des avonds uit, en komt
somtijds laat thuis, altijd begeleid door denzelfden heer. Maar niemand
der familie, welke zij verklaart met hare visites te begunstigen,
komt ooit in het Westeinde terug. Daar mevrouw De Huibert omtrent dit
verschijnsel altijd even geheimzinnig blijft, spannen de dames De Milde
hare uiterste krachten in, om den sleutel van dit mysterie te vinden.
Intusschen duurt de dagelijksche omgang op den aangenaamsten toon voort,
en is er tot nog toe geen wolk gerezen tusschen beneden en boven in het
Westeinde.
Dit zestal dames en heeren had het zeer druk met praten en lachen.
Boven allen uit klonk de stem van Willemien, die naast André zat, en
telkens van kleur verwisselde, daar de beide oudsten haar voortdurend
zusterlijke aanmaningen toedienden. André had het niet minder druk met
allerlei mededeelingen, terwijl de jonge Tulk voor de ververschingen
zorgde, en Suze droomend naar de onmetelijke zee zat te staren.
»Alles dient nu afgesproken!"--ging André voort.--»In deze maand kunnen
we nog vier- of vijfmaal repeteeren...."
»Zou dat wel genoeg zijn, André?"--vraagt Willemien.
»Laat hem toch uitspreken!"--vermaant Kee.
»Vóór den twaalfden October kunnen we dan nog een paar maal
in kostuum en met al de accessoiren repeteeren,"--hernam de
dilettant-regisseur,--»en dan komt het ding wel in orde!"
»Te beginnen met van avond!"--riep Willemien.
»Juist! Van avond repetitie!"--vervolgt André.--»Ik reken er nu op, dat
de dames de rollen van buiten kennen. Vooral Roza en Louise mogen er nog
wel wat meer werk van maken!"
»Ja, dat heb je er van, als je er kinderen bij haalt!"--meent Willemien.
»De kinderen moeten er bij voor papa en mama!"--herinnert Jans.--»Ik zal
wel zorgen, dat Roza en Louise hare rollen kennen!"
»Goed; en dan moeten de dames eens aan de kostumen gaan denken!"
»De kostumen! Bravo! de kostumen!"--roept Willemien.
»Ja, dat is een lastige quaestie! Daar moest mevrouw ons eens wat aan
helpen!"
Als uit verre gewesten plotseling op »Zeerust" aangeland, zag Suze in 't
rond bij dit woord van de oudste der De Mildes.
»Helpen .... met plezier, maar wat bedoel je eigenlijk?"
»Meneer De Witt zegt, dat we voor onze kostumen moeten gaan zorgen!"
Zonderling. Suze had juist gemijmerd over het kostuum van .... minister!
Zij zag een rijzig jongmensch vóór zich staan met den ministerrok vol
goud borduursel....
Haastig antwoordde zij:
»Laat meneer De Witt je dan zeggen, hoe hij het hebben wil!"
André, die, wat er ook met hem in het verloopen jaar was voorgevallen,
altijd zijne gezonde opgeruimdheid had bewaard, toonde zich onmiddellijk
bereid.
De drie De Mildes luisterden aandachtig. Mevrouw De Huibert vestigde
hare blikken weer naar zee, en vervolgde den afgebroken droom.
»Ons kostuum, dames!"--begon André--»kan zoo poëtisch mogelijk opgevat
worden. We leven niet onder de verplichting, om er bepaald Olympisch
uit te zien. Daar heb je in de eerste plaats Tulk, die voor Mars
speelt...."
»Ik heb je al gezegd, De Witt! dat ik sergeant ben bij de Haagsche
schutterij!"--viel de droogkomieke ambtenaar der posterijen in.--»Voor
mijn kostuum als krijgsgod heb ik dus niet te zorgen!... Aannemen!"
De deftige knecht van »Zeerust" schoot ergens uit een schuilhoek te
voorschijn, en hield eene fluisterende beraadslaging met den Haagschen
schutter.
»Het moeilijkste zijn de dameskostumen!"--ging André voort.--»Voor de
kleineren, Roza en Louize, die Apollo en Eroos zullen voorstellen, is
nog wel wat te vinden. We nemen een tuniek van wit gaas, een verguld
gordel, gouden kothurnen, pijlenkoker, boog en pijlen van hetzelfde
metaal, en rozen, in kransen op het hoofd gedrukt, zooveel je maar
wilt...."
Willemien had met hooge belangstelling dit debat gevolgd. Blozender dan
ooit vroeg ze:
»En wat zou je mij raden, André? Dat kostuum voor de kinderen zal ik wel
in orde maken. Er is niet veel aan te doen, en ik begrijp precies wat je
wilt. Maar dat Pallaskostuum, wat begin ik daarmee?"
Kees Tulk, die naar een ouderwetsch glaasje keek, waaruit elk spoor van
vocht verdwenen was, viel driftig in:
»Wel, juffrouw Willemien! dat is, dunkt me, gemakkelijk. Je trekt eerst
je regenmantel aan, dan huur je een borstharnas en een kurassiershelm!
En als je dan nog een schild en een speer van de Leidsche Minerva kunt
leenen, dan ben je al een heel eind heen!"
Kee en Jans vonden dit »allerdolst", en schaterden het uit. Willemien
richtte een vragenden blik naar André, waaruit eene wereld van bittere
verontwaardiging zich openbaarde.
André hield zich zeer ernstig, met heldenmoed allen lust tot schertsen
onderdrukkend. Hij greep oogenblikkelijk de gelegenheid aan, om het
vraagstuk der kostumen tot de repetitie van den avond uit te stellen.
Niet minder ernstig voegde hij er bij:
»Maar er is nog iets anders. Hebben de dames wel gedacht om de muziek?
Een zilveren bruiloft zonder muziek is een onmogelijkheid. En daar wij
al te zaam als dilettant-artisten optreden, moeten we zien ook
dilettanten voor de muziek te vinden!"
De drie De Mildes keken elkander verschrikt aan. De muziek ....
nieuwe moeielijkheid! Zij hadden er al zoo veel overwonnen. Nu kwam de
muziek! André loste tot nog toe als goed vriend bijna alle zwarigheden
zegevierend op. En hij had daarbij vooral gezorgd, dat de beurzen der
verschillende kunstenaars konden gesloten blijven.
Suze, die opnieuw uit haar droom wakker schrikte, en het woord muziek
verstaan had, beijverde zich nu, om met de meeste hartelijkheid te
zeggen:
»Wou jelui muziek hebben? Wel, me dunkt, dat is heel eenvoudig. Ik zal
jelui wel helpen. Van avond komt mijn zuster Betsy me opzoeken, dan
breng ik haar bij de repetitie, en jelui hebt een virtuoos eerste
klasse!"
Een koor van blijde stemmen begroette dit voorstel.
De dames De Milde vonden het »allercharmantst", maar stelden tevens
voor, dat ook mevrouw De Huibert als werkend lid bij het huiselijk
orkest zou optreden. Suze beloofde een »quatre-mains" met Betsy te
zullen uitvoeren op den avond van den twaalfden October. Het sprak van
zelf, dat zij een zoo belangrijk huiselijk feest, als de zilveren
bruiloft der echtelieden De Milde, zou helpen meevieren. Hier moesten
de algemeene beraadslagingen worden geschorst, daar het tijd werd naar
Den Haag terug te wandelen. De corpulente De Mildes vormden met Suze
de voorhoede; Willemien had het privilegie door twee vroolijk sprekende
geleijonkers te worden vergezeld. Zoolang men nog in het onooglijke dorp
Scheveningen bleef, had niemand lust iets te zeggen, en wandelde men
vrij snel voort, tot men bij den heerlijken »ouden" weg met zijne olmen,
eschdoorns, linden en gastvrije schaduwen was aangekomen. Toen begon
de voorhoede der drie dames druk te spreken over maatregelen te nemen
bij het aanstaande jubilé en poogden de zusters De Milde van Suze het
geheim te leeren, om met zeer bescheiden middelen een prachtig feest te
geven.
Niemand van het drietal lette op den weg....
Willemien lette er natuurlijk niet op, want zij genoot van het zeldzaam
feit, dat twee heeren haar huiswaarts vergezelden. Zij had haar jeugdig
hoofd vol zilveren-bruilofts-ideeën, en dus geen enkel oogenblik over
voor de buitengewone schoonheid van den weg.... De jonge Tulk hield zich
bezig, omdat hij niets aangenamers wist te bedenken, met eene weinig
hoffelijke onderneming--hij poogde Willemien door alle bedenkelijke
onaardigheden te sarren. Het arme slachtoffer had daarbij weinig hulp
van André te verwachten, hij was de eenige, die op de dingen daar
buiten, op boomen en zonneschijn, op licht en bruin, lette.
André volgde het spel der zonnevonkeling over het wandelpad. Hij tuurde
beurtelings naar het groene dak boven zijn hoofd en naar het vluchtig
dansen der gulden stralen aan zijn voet. De zeebries hield op met
blazen, eene zachte koelte bewoog de takken. André luisterde niet naar
wat er in zijne nabijheid gesproken werd, hij had alleen ooren voor
de mooie natuur, voor den heerlijken namiddag. En dan dwaalden zijne
gedachten naar elders. Plotseling had hij al droomend eene reize gemaakt
tot aan de Pyrenaeën....
Hij zag de bergvlakte van Pau, het dal der Gave, het oude kasteel van
den braven Henri IV--hij zag eene vriendelijke villa door acacia's en
pijnboomen omringd, hij zag er een jong meisje rondwandelen met
zonnescherm en breeden zonnehoed....
Zij lachte uit het verre Zuiden tot haar broeder!