»Men kan op zeer verschillende wijzen ~carrière~ maken. Ik zou er

niets tegen hebben lid van de Tweede Kamer te worden! Maar dit is zoo

gemakkelijk niet. Het beste middel is nog altijd een ~célébrité de

clocher~ te zijn in de provincie, of wel een zeer populair man, die heel

Nederland kent. Noch het een, noch het ander, kan ik op mij zelven

toepassen...."

»Welnu, Arnold! Dan moeten wij een anderen weg kiezen. ~Tout chemin mène

à Rome~! Geloof me, houd je aan één plan! Uitstekende ambtenaren zijn

zeldzaam. Tot op dit oogenblik loopt alles mee aan het ministerie! Blijf

er, en wacht je tijd af!"

De pendule in de voorkamer sloeg middernacht.

Suze vloog schielijk op, en liet zich niet verbidden nog eene pooze te

toeven.

Van Reelant greep een fantaisiehoed, schoot een luchtig jasje aan en

geleidde haar. Na middernacht zal niemand hem op straat verwachten of

naar hem omzien. En waarom zou hij eene fatsoenlijke dame niet naar huis

kunnen vergezellen.... Dit alles nam niet weg, dat hij in de Hoogstraat

voorzichtig om zich heen gluurde, en Suze's vragen maar met halve stem

beantwoordde. Zij spraken af, dat Van Reelant een enkel woord aan Suze

zou schrijven, wanneer de zaak van Betsy in orde was. Betsy zou dan

verder geheel alleen de onderhandelingen met de dames Van Berenvelt

voeren. Voor haar zou het geene onaardige »relatie" zijn.

In het Westeinde namen zij op de stoep der De Mildes afscheid met

eenvoudigen handdruk. Al was het na middernacht en buitengewoon

donker, men moest altijd voorzichtig zijn. Suze zou haar bezoek spoedig

herhalen, eene vaste belofte legde ze evenwel niet af. Zacht opende zij

de deur en vond eene brandende waskaars heel voorzichtig geplaatst op

een klein tafeltje met marmer blad. De Milde leefde in gedurige vrees

voor brand. Suze nam de waskaars, om naar boven te gaan. Een zonderling

gerucht deed haar plotseling stilstaan. Zij zag overal in de gang, maar

bespeurde niets. Alles was donker, de familie moest al lang ter ruste

gegaan zijn. Ook hoorde zij niets meer. Misschien had zij zich bedrogen,

en zonder verder aan de zaak te denken, begaf zij zich naar hare kamers.

In doodelijken angst zaten de drie dames De Milde--Kee, Jans en

Willemien--achter de overgordijnen van de voorkamer. Zij waren door

louter nieuwsgierigheid gedreven. Mevrouw De Huibert kwam zoo laat

thuis .... ze wilden weten, of haar ook iemand zou komen brengen.

Door de uitgelatenheid van Willemien, die haar lust tot lachen niet

kon bedwingen, hadden ze zich bijna verraden. Gelukkig kwam mevrouw

De Huibert niet op den inval even in de voorkamer te kijken. Toen het

drietal haar in de bovenverdieping hoorde heen en weder loopen, namen

zij den terugtocht naar hare slaapkamers op de derde verdieping aan.

Een zonderlinge tocht! Als inbreeksters en diefeggen slopen zij op hare

kousen door de gang, terwijl zij haren adem inhielden. 't Was pikdonker.

En dat was heel gelukkig voor de nieuwsgierige Aagjes, daar ze met

het hair onder eene ouderwetsche nachtmuts weggeschoven, met even

ouderwetsche nachtjakjes en een dun onderrokje het voorkomen hadden of

ze op het punt stonden naar een bezemsteel te grijpen en

Sint-Walpurgis-nacht te houden.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Een uitstapje naar Leiden.

Zondag, 1 September 1853, kwart na elf.

De trein uit Rotterdam nadert snuivend en sissend het station Leiden.

Uit een waggon tweede klasse springt André de Witt, die zijn vrijen

Zondag bij zijne familie komt doorbrengen.

Getroost haast hij zich langs het vervelend wegje van Zomerzorg naar

de oude poort, die toegang geeft tot het Leidsche Atheen. Het scheen

of de stad hem niet meer wilde herkennen, zoo vreemd en onhartelijk

keken de huizen en de voorbijgangers hem aan. Zijne kinderjaren, zijne

vlegeljaren, zijne studentenjaren had hij te Leiden doorgebracht en nu

reeds werd alles hem vreemd. Zoo dikwijls hij sinds een jaar des Zondags

uit Den Haag kwam, trof hem de onsierlijkheid der veemarkt, lette

hij op de lage huizen en het diepzinnig-onbekoorlijk uitzicht der

straatslijpers. Hij verweet zich soms, dat zijne vestiging in Den Haag

hem al te keurig maakte, dat hij zijn oud geliefd Leiden onrecht deed,

maar kon het zich zelf niet ontveinzen, dat zijn hart minder warm klopte

voor de goede, oude stad der Douza's en Scaligers.

Domine De Witt woonde op eene stille binnengracht, waar men de

voorbijgangers kon tellen. Toen André bij de ouderlijke woning was

aangekomen, helderde zijn gelaat op. Hij zou een stillen, aangenamen

dag slijten in den familiekring. De deur werd opengedaan door een

jong meisje van vijftien jaar, met lang, bijna witblond hair, heldere,

lichtblauwe oogen en zulk een jolig lachend mondje, dat zelfs de zuurste

stovenzetster der aloude Pieterskerk er niet tegen bestand zou geweest

zijn, en de meest ontzagwekkende der Leidsche »klabakken" met pleizier

een eindje op zijde zou zijn gegaan, als hij haar op de kleine steentjes

der Breestraat had mogen ontmoeten.

Zoodra deze levenslustige blondine André zag, sprong ze hoog op van den

grond, en juichte:

»André! Beste André! Wat ben ik blij, dat je komt! En 't is zulk mooi

weer! Nu gaan we stellig wandelen, André?"

In opgewondenheid pakte ze hem om den hals, en danste in het voorportaal

van de gang op en neer.

André poogde haar bedaard wat te vragen, maar zij holde met hem de gang

door, altijd driftig sprekend:

»We gaan uit, hé? waar gaan we heen? Gaan we naar de Vink! Mag Mina

Santman mee? Of wil je naar Leiderdorp, André...."

André bracht haar eindelijk tot staan bij eene glazen deur, die toegang

gaf tot den tuin. Hij greep de kruk, en verhinderde haar verder te

vliegen.

»Waar is Letje?"

»Ze zit in 't priëel!"

»En papa?"

»Nog in de kerk!"

»En Willem?"

»Naar Utrecht!"

»Zie zoo, nu kun je verder gaan, Christien!"

De drukke en beweeglijke Christien schudde het lichtblonde hair met een

vluggen zwaai over den schouder, en ijlde den tuin in.

De tuin van domine De Witt was een vierkant stuk grond, door muren en

andere tuinen afgesloten, vrij aangenaam gemaakt door allerlei hooge

vruchtboomen en bloeiende heesters. Het viel dadelijk in 't oog, dat men

veel zorg aan den tuin wijdde. Gele bladeren of afgewaaide takjes werden

niet geduld. Een bloembed met dahlia's van allerlei kleurschakeering

werd door de vroolijke najaarszon verlicht.

Christien was vooruitgevlogen. André hoorde haar onvermoeid

doorbabbelen. Weldra vond hij haar bij den ingang van een ruim priëel,

smaakvol aangelegd door middel van een fraaien treurberk en een schat

van hooge stamrozen. De meeste rozenstruiken hadden uitgebloeid; eene

enkele witte roos scheen nog afscheid te moeten nemen van den zomer, en

prijkte eenzaam midden in het welig groen. Op een lagen rieten leunstoel

zat daar een jong meisje, even twintig jaar oud. Men zou haar zelfs geen

twintig gegeven hebben, ondanks de treurig bleeke kleur van het

ovaalrond gezichtje, trots het wijdgeopend donkerblauw oog en den kalmen

blik, die van geduldig lijden scheen te spreken.

»Letje, beste Letje!...."

André kon niet meer zeggen, hij ontstelde, Christien hield zich ijverig

bezig met haar zakdoek, de wezenlijke of gewaande spinnewebben weg te

slaan.

Letje glimlachte, toen zij André de hand reikte. Maar zij glimlachte met

matten glans, als de eenzame witte roos, die boven haar hoofd bloeide.

Zij hief zich op in haar rieten leunstoel, en schudde de verwonderlijk

rijke, donkerblonde hairen, nu met een zwart fluweel lint maar vluchtig

bijeengeschikt.

Zij voelde zich telkens zoo zwaar vermoeid, en had daarom den moed niet

meer het weelderig haar op te maken.

André ging ijlings naast haar op een laag tuinstoeltje zitten, en zag

haar zwijgend aan.

»Ik zei van morgen al, dat je vandaag wel komen zoudt, André! Drie

Zondagen achter mekaar overslaan, dat mag niet!"

Merkwaardig muzikaal en aandoenlijk klonk de eenigszins vermoeide,

schoon toch jeugdige en frissche stem.

»Maar, Letje! kindlief! hoe gaat het nu toch met je?"

»Ik ben veel vooruitgegaan in de laatste drie weken! Het ergste is, dat

ik altijd zoo moe en zwak blijf! Maar dat gaat eerst langzaam over, zegt

dokter!"

Letje kuchte even, doch het had niets te beduiden.

»Ja, maar wat doet dokter Santman voor je? Het duurt nu al zoo lang! Dat

kan zoo niet blijven! Daar moet een eind aan komen!"

»De dokter zegt geduld en moed houden. De dokter .... Christien, wil jij

even naar de koffie gaan zien.... Papa kan ieder oogenblik thuis komen!"

Christien wipte vroolijk weg, in het heengaan André vriendschappelijk op

het hoofd tikkend.

Letje ademde moeilijk en zweeg.

André drukte bemoedigend hare hand, en huiverde, toen hij de dorre,

brandende vingeren aanroerde.

»Christien"--ging ze voort--»is een goed kind, maar ze babbelt over

alles, wat ik zeg. Daarom kon ik je niet vertellen, wat onze dokter

denkt. Hij meent, dat ik me in de laatste jaren te sterk heb ingespannen

met huiselijk werk, vooral verleden winter, toen papa zes weken ziek

was. Ik heb toen te veel gewaakt, en voelde mij later altijd onplezierig

.... en dat is langzaam erger geworden...."

»Ja, maar nu ben je aan de beterhand!"

»Och! Ik zei het maar zoo, omdat Christien er bij was, en omdat ze

alles, wat ik zeg, dadelijk aan papa vertelt. Maar beter .... neen,

André! beter ben ik niet!"

Zij boog het hoofdje met eene uitdrukking van geduldige berusting,

terwijl het zware, donkerblonde hair eene gordijn weefde voor de

vochtige kijkers.

André was aangedaan. Hij gevoelde zich door diep, gadeloos diep

medelijden ontroerd. Hij moest zijne arme zuster redden, dat stond vast.

Hij greep nogmaals hare hand, en beproefde opgeruimd te spreken:

»Kom, Letje! Kom, meid! Laat den moed niet vallen! Je bent altijd zoo

heldhaftig geweest! Ons klein vroolijk moedertje huilen, dat kan niet!

Hoor eens, kind! jij zult en jij moet beter worden! De dokter heeft

gezegd, dat je er weer heelemaal bovenop zoudt komen, als je tegen het

najaar naar het zuiden van Frankrijk kondt gaan! Begrijp eens, Let! het

zuiden van Frankrijk! Pau of Arcachon! Geen noordenwind--altoos

vroolijke en warme zonneschijn--reusachtige pijnbosschen, heerlijk

geurend, als de wind de altoos groene naalden beweegt--en de zee, de

immer blauwe golf van Gaskonje! Daar moet je den heelen winter blijven,

en dan terugkomen tegen den zomer, sterk, frisch, gezond en mooier, nog

veel mooier, dan nu, Let!"

Letje had het hair uit de oogen gestreken, en blozend naar André

geluisterd.

»Ik zou heel graag beter worden!"--lispte zij.--»Papa kan mij volstrekt

niet missen, nu jij--en Willem ook al--niet meer hier bent. Wat zou papa

beginnen, als hij heel alleen met Christien overbleef? Maar André, hoe

zou ik naar Frankrijk kunnen gaan? De dokter heeft het gezegd, 't is

waar! Maar dat is immers onmogelijk .... beste jongen!"

André schoof zijn tuinzetel dichter bij haar leunstoel, en terwijl hij

den arm zachtkens om haar schouder sloeg, begon hij vertrouwelijk te

fluisteren:

»Onmogelijk, Letje! Niets is onmogelijk, als we jou maar kunnen redden!

Denk je dan, dat ik vergeten ben, hoe lief je voor ons allen waart, toen

mama stierf. Ik was negentien en jij nog geen zestien--en toch heb je

alles gedaan, net als mama gewoon was. Je hebt papa gesteund in alles,

of je een volwassen dame waart .... je bent een hartelijk, vroolijk

moedertje voor ons allen geweest.... Ons huis heeft altijd geleefd op

dezelfde manier, als mama het had ingericht .... niets is veranderd, en

dat alleen, omdat we onze brave en knappe Letje hadden! En nu je ziek

bent geworden van al dat werken, nu zouden we niet alles doen, om je

weer op de been te brengen? Neen, mijn naam zal geen André zijn, als ik

jou hier van den winter laat zitten. Letje, jij gaat naar het Zuiden, en

je zult gezond terugkomen, dat zweer ik je!"

In zijne geestdrift had hij zijn arm uitgestrekt alsof hij een duren eed

zwoer. Driftig sprong hij overeind, terwijl Letje half opgeruimd, half

weemoedig glimlachte. Zou het nog niet te laat zijn, en hoe zou André

dat wonderwerk ten uitvoer brengen?

Er naderden schreden. Dominee De Witt trad naar het priëel

toe. Zijn kalm gelaat was verhit door inspanning. Hij had de

voormiddaggodsdienstoefening geleid, en keerde met loome schreden naar

huis. Evenals immer was zijn eerste werk geweest eene ouderwetsche

Goudsche pijp te stoppen, en behagelijk rookend wandelde hij nu door

zijn tuin.

»Dag, André! Dag, Letje! Hoe gaat het, kinderen?"

Letje wilde voor haar vader niet weten, dat ze zich vermoeid en zwak

gevoelde. Zij rees vlug op, en greep André bij den arm.

Broeder en zuster zagen elkaar aan met die vriendelijke verstandhouding,

die de vrucht is van jarenlange sympathie en jarenlang gedeelde zorgen.

Een oogenblik babbelde het drietal op vroolijken toon.

Dominee De Witt bleek zeer in zijn schik, omdat zijn oudste zoon gekomen

was, wijl zijn oudste dochter zoo opgeruimd en vlug meewandelde.

Nauwelijks hadden ze eene enkele maal rondom het kleurenrijk perk der

dahlia's gedrenteld, of eene luide stem klonk uit de tuindeur:

»Kom jelui eindelijk! De koffie is klaar!"

In de luchtige tuinkamer wachtte de koffie, bereid en geschonken door

Christien, die al haar best deed Letje te hulp te komen, hoewel ze

dikwijls door hare uitgelatenheid meer onheil stichtte dan hulp

verleende.

Dominee De Witt legde zijne getrouwe vriendin de pijp met een zucht

neer. André hielp Christien, en verhielp hare onhandigheden. Hij bleef

vroolijk doorspreken, om zijn vader en Letje aangenaam bezig te houden,

en vertelde van de »soirée" bij den vriendelijken Baron Van Berenvelt,

van den grooten Gronovius, van den vroolijken Tchitchikoff en andere

sieraden der voornaamste Haagsche samenleving.

De predikant herstelde zich langzamerhand van de gewone afmatting, aan

het waarnemen eener predikbeurt voor den bejaarden man verknocht. Hij

begon mee te spreken, en zei flauw glimlachend:

»Heb je 't al gehoord van Willem, André?"

»Neen, papa!"

»Van morgen een brief uit Utrecht gehad .... want hij is nu voor vast in

Utrecht, moet je weten!"

»Maar hoe is het mogelijk, dat u daarin berust?"

»Hoor maar verder, André! Willem schrijft me, dat de studie in de

theologie te Leiden hem een gruwel is! Hij geeft een critiek van hetgeen

er te Leiden »zooal beleden en geleeraard" wordt. De leer der hervormde

kerk is tot onkenbaar wordens verknoeid, omdat de »prediking van den

levenden Christus Gods" achterstaat bij de »moderne leer der eigen

gerechtigheid." Men verkondigt te Leiden, dat de oorspronkelijke aanleg

van 's menschen hart goed is, en ontkent, dat ieder mensch, de beste

niet uitgezonderd, tot in hart en nieren bedorven wordt door de macht

des Satans en den zondenval van den eersten Adam. Verder is zijn hart

diep bedroefd over de Christusverloochening dezer dagen...."

»Dat alles is goed en wel, maar u kan als onvermogend predikant te

Leiden u toch de weelde niet veroorloven, om uw zoon te Utrecht te doen

studeeren!"

»Willem schrijft, dat hij door de professoren en predikanten uitstekend

ontvangen is, dat men hem in alle opzichten zal ondersteunen, ook met

geld, maar .... dat hij nu dadelijk vijftig gulden noodig heeft!"

Aan André ontsnapte een kreet van verontwaardiging.

Hij ziet eerst Letje met diepen weemoed aan, en richt daarop een

vragenden blik naar zijn vader.

Dominee De Witt schijnt met de zaak verlegen, daar hij den brief van den

Utrechtschen theoloog nog eens doorloopt.

»Vijftig gulden! O, ik zou wel weten, wat ik met die vijftig gulden doen

zou!"--fluisterde André.

»Ik ook wel!"--riep Christien.--»Ik zou een rijtuig huren en met ons

allen gingen we een heelen dag naar het Molentje."

Niemand antwoordde.

Eindelijk vroeg de vader met zijne gewone, zachte, vriendelijke stem:

»En wat zou jij met die vijftig gulden doen, André?"

»Ik? Wel ik liep er mee naar den spoor, en kocht voor Letje een biljet

tweede klasse, van hier naar Arcachon .... anders wordt ze nooit weer

beter!"

Dominee De Witt zag angstig naar André. De toon van zijn antwoord klonk

bijna toornig.

Letje was vuurrood geworden, en begon uit gejaagdheid te hoesten. Zij

schudde zachtkens haar hoofd. Van haar moest geen sprake zijn, maar de

hoest bleef haar plagen .... zij kon niet verder gaan.

»'t Is waar!"--zei eindelijk de predikant.--»Ik denk er dagelijks over.

Dokter Santman komt er altijd op terug. En het zou zoo goed zijn voor

mijn lieve Letje!"

André knikte zijne oudste zuster bemoedigend toe.

Vroolijk glimlachende, hernam hij:

»Ik weet er raad op, papa! Letje gaat tegen den herfst naar het zuiden

van Frankrijk! Dat heb ik beloofd en dat zal gebeuren ook, of mijn naam

zal geen André zijn!"

»Maar, jongen! hoe kan dat?"

»Dat is van later zorg! Ik neem alles op me! Het voornaamste is, of

Letje wel zou durven?"

Het donkerblonde hoofd richtte zich op, de groote blauwe oogen zagen

André vol liefde aan.

»Ik zou wel durven, André! Vraag het mij maar!"--snapte Christien.

André schudde even het hoofd, en ging ernstig voort:

»Dezen winter hier blijven en erger worden, sukkelen en achteruitgaan,

dat mag Letje niet! Maar waar zullen we haar brengen? Laat dokter

Santman beslissen. Zegt hij Pau, Let! dan ga je naar een heerlijk dal

aan den voet der Pyrenaeën. Daar schittert alles van gouden zonnegloed,

daar is de hemel altijd blauw. Daar bruist het donkere water der Gave in

de schaduw van esschen en eiken, daar stroomt de weldadige lucht, die

ons Letje terug zal geven, zooals ze was verleden zomer, gezond, sterk

en vroolijk!"

Dominee De Witt stond uit zijn armstoel op, en greep ter afwisseling

zijn gouwenaar. Terwijl hij zijne pijp stopte, zag hij zijne kinderen

met zekere kluchtige verbazing aan. Hij begreep, dat André het een of

ander plan had, maar maakte zich bezorgd voor illusiën, die niet vervuld

zouden kunnen worden. Zijn oudste zoon onderscheidde zich door veel

verbeeldingskracht, maar met de praktijk was hij minder vlug. Juist

wilde hij voorzichtig eene bedenking opperen, toen André voortging:

»Deugt Pau niet, dan gaan we naar Bagnerres of naar Arcachon! Arcachon,

Letje, daar heb je een heerlijk zeestrand, nog veel mooier dan te

Scheveningen, daar staan de heuvelen met loodrechte pijnboomen beplant,

daar waait de wind niet snijdend langs je wangen, maar streelt hij het

bleeke voorhoofd der patiënten; daar brengt hij leven en gezondheid op

iederen ademtocht .... o, Letje! je zult en je moet beter worden, als je

maar durft!"

André was opgestaan, en plaatste zich bij haar stoel. Zij zag hem aan

met glinsterende oogen, en drukte zijne hand. Dominee De Witt liep

rookend de kamer op en neer, als hij placht, wanneer er over eene

lastige zaak moest beraadslaagd of nagedacht worden.

»En wanneer gaan we nu uit?"--riep Christien.--»'t Is zonde van 't weer.

En frissche wind genoeg, om naar de Vink te wandelen!"

André zag glimlachend naar haar om.

»Wacht maar!"--antwoordde hij.--»Ieder zijn beurt. Nog een half uur

geduld, en ik ga met je wandelen, kind!"

Geheimzinnig in 't rond ziende fluisterde hij Letje wat in 't oor,

mompelde hij iets over eene noodzakelijke boodschap, en verdween hij,

eer de predikant recht wist wat er gebeurde. André wilde het ijzer

smeden, nu het gloeide. Hij haastte zich naar buiten, en bereikte na

eene korte wandeling het Rapenburg. In de schaduw der aloude linden liep

hij te midden der Zondagstilte peinzend verder. Snel had hij een plan

gevormd, nu kwam het op de uitvoering aan. Nadenkend rezen er allerlei

zwarigheden, zoodat zijn stap trager werd. Indien eens .... maar Letje

en zijne belofte .... hij spoedde zich plotseling sneller voort, ging

over eene brug naar de andere zijde van het Rapenburg, en schelde aan

bij eene der deftigste woningen van de deftige gracht.

De dienstbode verzekerde, dat professor thuis was.

André werd binnengelaten door het breede marmeren voorportaal en trad

een soort van salon binnen, waar alles meewerkte, om den bezoeker in

eene kalme, tevreden stemming te brengen. De kleur der meubelen en

sieraden was donker, zoodat een tiental schilderijen van moderne

meesters uitmuntend tot zijn recht kwam. Reeds meermalen had André

daar een meesterstuk van Bosboom, een frisch landschap met vee van S.

van den Berg en een woelend water van Louis Meyer bewonderd. Hij kende

dit vertrek uit de dagen, toen hij nog student was; sinds de eerste

reis, dat hij er aarzelend binnentrad, om zich van het verplichte

»theeslaan" te kwijten, tot de laatste, toen professor Van Dam hem

als belangstellend vriend de brieven ter hand stelde, die hem den in

de residentie onontbeerlijken steun zouden doen vinden.

De dienstbode verscheen, en noodigde »meheer" uit naar »prefesters"

studeerkamer te komen. Ook dat vertrek en de weg, die er heen leidde,

waren André van ouds bekend. Gedurende zijne studiejaren was het

boekenvertrek van professor Van Dam langzamerhand meer en meer een

heiligdom voor hem geworden. Van al de hoogleeraren had Van Dam den

jonkman het meest geboeid, niet alleen door degelijkheid van wetenschap,

maar hoofdzakelijk door de heldere en keurige voordracht. André had

nooit eene enkele les verzuimd, en zich niet alleen daardoor bemind

gemaakt bij zijn leermeester. Hij had door zijne welgeslaagde proeven

van zelfstandige studie den hoogleeraar achting ingeboezemd, later zelfs

zijne vriendschap gewonnen.

Toen hij nu weder de bovenverdieping bereikt had, en op zijn kloppen de

bekende stem hem tot binnentreden machtigde, overviel hem andermaal de

schroom van vroeger, nog verhoogd door het bewustzijn, dat hij om raad

kwam vragen.

»Wel, De Witt, hoe gaat het? Je ziet er flink uit. Neem plaats!"

Professor Van Dam was opgestaan van de schrijftafel, en trad André met

deze woorden te gemoet.

De hooge gestalte van den professor, het breede voorhoofd, de

schrandere, zwarte oogen, donkere, lange baard, maakten telkens opnieuw

indruk, wanneer hij ergens verscheen. André's eerbied en dankbaarheid

voegden aan dien indruk nog iets buitengewoons toe; hij gevoelde zich

klein en verlegen, maar poogde zoo goed mogelijk zijne ontroering te

beheerschen. De heer Van Dam had zich op eene sofa gezet voor eene ronde

tafel, waar bergen van boeken in de schilderachtigste verwarring

bijeenlagen. André nam een stoel op eenigen afstand, en begon, nog

eenigszins gedwongen:

»Ik kom u ophouden en storen in uw werk, professor! Neem het me niet

kwalijk! Ik wilde u zoo gaarne even raadplegen!"

»Geen complimenten, De Witt! Je weet, dat ik je niet alleen het recht

gegeven heb raad bij me te komen halen, maar dat ik zeer blij ben, als

ik je eens zie!"

»Ik dank u, professor! al ben ik toch bang, dat ik u zal vervelen!"

»Ik niet. Hoe gaat het in Den Haag?"

»Uitstekend. Meneer Van Berenvelt blijft mij met buitengewone

toegevendheid aanmoedigen, en heeft mij bovendien gezegd, dat hij mij

belangrijk werk zal toevertrouwen!"

De hoogleeraar glimlachte opgeruimd.

»Het heeft dus wat geholpen!"--riep hij.

»Hoe zoo, professor?"

»'t Is waar! Je weet er niet van, De Witt! Ik heb voor een paar weken,

bij gelegenheid, dat ik meneer Van Berenvelt over iets anders had te

schrijven, hem nog eens op het hart gedrukt, dat hij je maar flink aan

't werk moest zetten .... natuurlijk!"

André boog zonder te spreken. Dit nieuw bewijs van genegenheid ontroerde

hem.

De heer Van Dam merkte wel, dat André op dat oogenblik worstelde tegen

de eene of andere buitengewone beklemdheid van hart. Recht op het doel

afgaande, vroeg hij daarom, alsof de zaak niets te beteekenen had:

»En wat heb je me nu voor nieuws te vertellen?"

»Ja, ziet u, professor! ik zal het u maar ronduit zeggen. Sedert een

maand of drie komt het mij dikwijls voor, dat redacteurs van kranten of

tijdschriften mij vragen om artikelen over onderwerpen van den dag. Ik

heb het tot nog toe niet gedaan, en herinnerde mij uw les geen tijd te

verspillen met beuzelachtige zaken van voorbijgaand belang. Men kan zich

zoo spoedig versnipperen, zeide u mij eens, wanneer men gaat arbeiden

voor de dagelijksche pers. Bij het uitgeven van zooveel pasmunt, raakt

men goud of zilver kwijt--het is uw eigen woord. Daarom heb ik mij

onthouden .... en toch...."

Professor Van Dam giste nog tevergeefs naar de aanleiding tot deze

woorden. Hij dacht een oogenblik na. Toen zeide hij:

Eene schitterende "carrière" · 第 7 / 17 段