eene sigaar--de sigarette is hem te verwijfd--ontstoken, en mijmert,
terwijl zijn oog zich van tijd tot tijd naar het hooge huis der Van
Berenvelts richt. Met den Baron zou alles waarschijnlijk goed gaan.
Haast zes weken viel hem het voorrecht te beurt den secretaris-generaal
dagelijks te zien, en nu al was hij zeker, dat hij het vertrouwen
en de vriendschap van den hoogst achtenswaardigen man had gewonnen.
Werkzamer en ijveriger ambtenaar, dan hij zelf was, zou moeielijk zijn
op te sporen. Ook getroostte hij zich de grootste inspanning, om al
de voorkomende quaestiën aan het ministerie zoo grondig mogelijk te
bestudeeren. Hij verraste zijn chef menigmaal door zijne degelijke
adviezen, en toonde een tact en kennis, die niet onopgemerkt konden
blijven. Zijn ernstig voornemen was het, zich voortdurend onmisbaarder
te maken bij den secretaris-generaal en den minister, om eindelijk, al
kostte het jaren van onafgebroken arbeid, de invloedrijkste man aan
Buitenlandsche Zaken te worden.
Dit alles mocht uitstekend zijn overlegd, maar stond niet in 't minst
verband tot Adèle. Door den Baron aan dezes gastvrije tafel genoodigd
met eene heuschheid, die boven zijn lof verheven was, had Van Reelant
de meeste eerbiedige hulde geboden aan de oudste dochter des huizes.
Adèle bleek geene alledaagsche persoonlijkheid. Zij openbaarde geest en
vernuft in hare gesprekken, maar bewaarde daarbij een akeligen afstand
tegenover de jongelui, wie de eer te beurt viel, aan haar te worden
voorgesteld. Intusschen mocht hieruit niets ongunstigs worden afgeleid.
Eerst na langdurige kennismaking, na verloop van jaren misschien,
zou de hand van eene fijn ontwikkelde en edele jonkvrouw als Adèle te
winnen zijn.... Maar dit stond vast: Van Reelant had met heel zijne
geestkracht, met al de volharding, die hem eigen was, besloten, dat
hij ze eenmaal, na langer of korter tijdsverloop, na heviger of kalmer
strijd, na dieper of lichter vernedering, zou winnen, het mocht kosten,
wat het wilde....
Terwijl hij met dit plan voor de toekomst gewapend langzaam den weg
insloeg naar de Hoogstraat, terwijl hij glimlachend op de stoep voor
het kapitale winkelhuis van den schitterenden hofleverancier Emile van
Pommeren, ~fils~, stilstond, wierp hij toevallig een blik naar boven.
Het derde venster der bovenverdieping was schitterend verlicht....
Hem ontsnapte eene uitroeping, die niet aan het woordenboek van een
fatsoenlijk man ontleend was.
IJlings opende hij de deur, en snelde hij de trap op....
* * * * *
Anderhalf uur vroeger had mevrouw De Huibert, uitgelokt door den
heerlijken zomernacht, eene dunne kanten mantille over het laag
uitgesneden zilvergrijze kleedje geworpen en besloot zij, daar de
geheele familie De Milde den avond te Scheveningen doorbracht, eene
wandeling te maken. Suze had zich een paar dagen uiterst rustig bezig
gehouden, om haar kwartier in het Westeinde zoo bewoonbaar mogelijk
te maken. Ook had ze voor haar toilet te zorgen. De laatste zes weken
hadden haar in dit opzicht veel te doen overgelaten. Met de uiterste
vlijt had zij zich van deze gewichtige taak gekweten. Overvloed van
bezigheden had den tijd met een tooverstaf op de vlucht gedreven. Thans
wilde zij een oogenblik verpoozing zoeken.
Het was nog zwoel en drukkend in het Westeinde. Zij schreed langzaam
vooruit. Toen zij bij de Groenmarkt gekomen was, liep zij sneller. Zij
naderde haar doel. In de Hoogstraat stond zij stil op de stoep van Emile
van Pommeren, fils. Zonder eenige ontroering bracht zij haar verguld
sleuteltje te voorschijn, en opende zij de deur van Van Reelant's
bovenwoning. IJlings verdween ze, de deur voorzichtig sluitend, en
snelde ze de trap op. Een zwak licht flikkerde op het portaal in de
hanglantaarn van donkerrood glas. Haastig snelde ze naar de voorkamer.
Alles was donker. De gaslantaarns uit de Hoogstraat wierpen eene
schemering van licht naar binnen. Het kabinetje was even donker. Achter
in de werk- en in de slaapkamer van Van Reelant was geen zweem van
licht. De heer des huizes was uitgegaan .... bittere teleurstelling ....
de eerste!
Suze laat zich niet ontmoedigen. Zij kan blijven. Arnold zal misschien
onmiddellijk terugkomen. Hij verwacht haar elken avond. Dat was de
afspraak. Zij zou komen zoo dikwijls het maar mogelijk was. Zij heeft
van Zondag tot Donderdag geaarzeld. Daar zij aan Van Reelant iets te
vragen heeft, denkt zij niet aan terugkeeren. Bovendien Arnold zal haar
met blijdschap verwelkomen. Reeds had zij heimlijk op een episteltje
gehoopt, daar hij haar adres kende. Den vorigen Zondag had hij haar
duizendmaal van zijne vurige liefde gesproken....
Suze grijpt eene doos met waslucifers, en ontsteekt eene ~bougie~. Er
klinkt eene schelle stem:
»Is u daar, meneer?"
Voetstappen naderen op het portaal. Aan de geopende deur vertoont zich
de corpulente figuur van eene oude juffrouw in 't zwart, met eene zwarte
muts en een zwart zijden boezelaar. Zoodra zij Suze ontdekt, roept zij
hevig ontsteld:
»Heer in den Hemel! Wat .... is dat?"
»Stel u gerust. Meneer Van Reelant heeft mij geïnviteerd!"
Sprakeloos bleef de oude juffrouw staan, en tuurde niet zonder eene
behoorlijke mate van wantrouwen naar de indringster.
Suze begreep, dat zij de oude Anna voor zich had, de huishoudster van
den uitstekenden hofleverancier Emile van Pommeren, ~fils~, de deftige
verzorgster van Van Reelant's huiselijke belangen.
De oude juffrouw scheen bijzonder snel uit het veld geslagen, want zij
viel op een stoel bij de deur neer, en mompelde bevend:
»Is me dat schrikken.... Ik draai met de kamer in 't rond.... Meneer
heeft me niet gewaarschuwd! En meneer is uit dineeren.... 't Is wat te
zeggen!"
Suze wilde haar zoo snel mogelijk van achterdochtige vrees genezen, en
zei daarom deftig, uit de hoogte:
»Het spijt me, dat meneer Van Reelant u niet waarschuwde! Voor mij
behoeft u niet te schrikken. Ik ben mevrouw De Huibert, schoonzuster van
meneer!"
De corpulente huishoudster slaakte een kreet van verademing. Zij stond
langzaam en zuchtend op.
»Daar heeft meneer ook nooit iets van gezegd! Maar ik wil u wel
gelooven, mevrouw! Mag ik alleen maar vragen, hoe komt u hier boven ....
de deur is gesloten!"
Suze nam het gulden sleuteltje, en kwam een stap nader tot de
huishoudster. Daar zij oude Anna noodig had, ook voor de toekomst, zei
ze heel vriendelijk:
»Hier is de sleutel, dien meneer me Zondag heeft gegeven! Ik zal u de
waarheid zeggen. Er zijn groote onaangenaamheden in onze familie,
Juffrouw! Niemand mag weten, dat ik met meneer Van Reelant kom spreken!
Ik hoop dus, dat u zoo vriendelijk zal wezen van net te doen, of u mij
niet ziet!"
Zeer behendig nadert Suze oude Anna, en, terwijl ze haar voorbijloopt,
legt ze bijna ongemerkt iets in de hand der verschrikte huishoudster.
Deze laat het zich welgevallen--het gewicht pleit voor de waarde ....
maar toch kan de oude nog alle achterdocht niet laten varen. Zij heeft
eene voorstelling van dieven en inbrekers uit hare krantenlectuur
opgedaan, die haar thans uitermate voorzichtig maakt. Suzes voorkomen
en toilet stellen haar evenwel voor een goed deel gerust. Ervaringen
van allerlei aard uit haar »veelbewogen" leven--als hare kranten zouden
zeggen--wegen op tegen hare vrees. Zij heeft reeds veel beleefd, en
daarenboven nog veel geleerd in de laatste tien jaren, als huishoudster
van den voortreffelijken Van Pommeren »fournisseur de la Cour."
Zich snel bezinnend, zegt ze:
»Mevrouw zal het hoop ik niet kwalijk nemen! Ik wist niet, dat mevrouw
komen zou! Ik zal gauw de lamp aansteken!"
De corpulente openbaart nu eene groote bedrijvigheid. Zij neemt eene
sierlijke porseleinen lamp van den schoorsteenmantel. Zij gaat Suze
voor naar het gezellig kabinetje, waar dagbladen en tijdschriften klaar
liggen, en de brandende lamp een helder licht in alle hoeken werpt.
Bedaard overlegde de oude bij zich zelve, wat haar in dit geval te doen
stond. Meneer Van Reelant ging zelden uit, en kwam altijd voor elven
thuis. Zij zou onder een of ander voorwendsel kunnen wachten, een
praatje maken, en zoo het tijdstip verbeiden, dat meneer terugkwam.
Reeds wilde ze zich familiaar op een leunstoel bij de tafel zetten, en
een lang verhaal van haar leven beginnen, toen Suze zeer droog zei:
»Ik wil u niet ophouden, juffrouw!"
Oogenblikkelijk greep mevrouw de »Oprechte Haarlemmer", en verdiepte
zich in de advertentiën.
De stellige toon deed de babbelzieke oude ontstellen. Zij waagde nog
eene poging.
»Kan ik mevrouw soms met iets dienen?"
»Dank u, juffrouw!"
Ditmaal was de toon gebiedend. Er bleef niets anders over dan in zich
zelve murmelend heen te gaan. Maar ze vertrouwde de zaak nog niet.
Zij besloot de bovenverdieping in stilte te bewaken. Zij koos een
veilig observatorium achter de openstaande deur van Van Reelant's
studeervertrek. Zij wilde weten wat de geheimzinnige dame in 't schild
voerde. Als deze werkelijk de schoonzuster van meneer was, als zij
werkelijk het sleuteltje van meneer had ontvangen, dan zou Anna zich
met de zaak niet verder bemoeien--zij kon zwijgen. Ook kwam hier in dit
geval het honorarium in aanmerking .... het eerste wichtige stuk voelde
zij al in den zak van haar zijden voorschoot.
Geruimen tijd toefde de oude huishoudster achter de deur. Zij vernam
niets dan geritsel van kranten en papieren in het kabinetje--anders
bleef alles stil. Eindelijk hoort ze beneden aan de trap de deur, die
haastig ontsloten wordt. Anna sluipt snel te voorschijn. Driftig komt
Van Reelant naar boven stormen. In het flauwe, roodachtige licht der
hanglantaarn staat de huishoudster raadselachtig met den vinger op de
lippen.
»Wat is er?"
»Uw schoonzuster is binnen!"
»Mijn schoonzuster...."
»Ja wel! Ze is met meneers sleutel binnengekomen. Ik moet maar net doen,
of ik haar niet zie!"
Van Reelant deed een onbestemd tusschenwerpsel hooren, waardoor hij te
kennen gaf, dat hij alles begreep....
Aanstonds zendt hij Anna met een geruststellend woord weg. Toornig
naar boven gekomen, is hij thans door het bericht der oude schijnbaar
volkomen tevreden gesteld. Suze heeft zich de weelde veroorloofd voor
zijne schoonzuster op te treden.... IJlings snelt hij door de voorkamer
naar het kabinetje.
Suze had van het gefluister aan de trap niets verstaan. Zij blijft
achteloos uitgestrekt in den gemakkelijken, lagen leunstoel, en tuurt
naar den ingang van het kabinetje, daar het blauw damasten deurgordijn,
als gewoonlijk, wijd is weggeschoven. Stappen klinken. Oogenblikkelijk
staat Van Reelant in zwarten rok en witte das, als overgoten en
omstraald met een waas van voornaamheid en aanzienlijkheid, bij den
ingang der kamer. Eéne seconde aarzelde hij, toen boog hij de knie,
en omhelsde hij haar. De sprekende, donkere oogen vestigden zich
onderzoekend op zijn gelaat. Van Reelant glimlachte, hij gevoelde zich
onder den invloed der oude tooverkracht, en bood niet den minsten
tegenstand.
Toch had hij een ondeelbaar oogenblik van wrevel moeten overwinnen.
Reeds drie dagen achtereen had hij er over nagedacht, welke gevolgen
Suze's komst naar Den Haag voor hem zouden opleveren. Dat hij haar den
vorigen Zondag met blijdschap had ontvangen, dat hij onder de macht van
zijn eigen hartstocht haar had gevleid en gehuldigd als de eenige vrouw,
die hij ooit zou liefhebben, dat waren feiten, waaraan niet veel te
veranderen viel. Dit alles stond in het nauwste verband met de twee
onaangename jaren in Osterwolde gesleten. Indien Suze eens misbruik
wilde maken van haar overwicht .... indien zij eens telken avond met
denzelfden weemoedig-vriendelijken glimlach aan zijne zijde kwam staan
.... hoe zou hij haar kunnen doen gewaarworden, dat zij van ....
illusiën leefde?
De overweging van dezen toestand maakte hem dikwijls angstig. Nu hij
eenmaal een levensdoel had gekozen, waarbij eene andere jonge vrouw de
hoofdrol zou spelen, moest hij, het koste wat het wilde, langzaam den
ouden band verscheuren. Hoe meer hij hier aan dacht, hoe onmogelijker
het hem voorkwam. Een oogenblik had hem het denkbeeld van Suze's
tragisch lot bewogen. Indien hij de zoo dikwijls met woord en schrift
bezegelde trouw brak, wat zou er van haar worden? Hij moest zich zelf
bekennen, dat Suze hem met vollen ernst bleef aanhangen, dat Suze met
haar geheele hart op zijne schoone beloften vertrouwde. Hoe jammer,
dat zij geen erfdochter was, dat zij niet ongetrouwd was, dat zij op
den Vijverberg geen hooggeplaatst vader bezat, wiens fortuin dat der
Van Berenvelts evenaarde! Nu was en bleef zij mevrouw De Huibert. De
gebroeders De Huibert van Vliethuyzen deinsden terug voor de voltrekking
eener echtscheiding, waarbij hun naam door duizenden onverschilligen
genoemd, door honderdduizenden van lichtzinnigen met lafhartigen spot
zoude worden uitgesproken. Eerst na den dood van Onno de Huibert zou
Suze hare vrijheid herwinnen, maar hoe zou zij dan nog eene begeerlijke
echtgenoote kunnen zijn voor een man als Van Reelant?
Terwijl hij zich aldus met velerlei kwellende gedachten verontrustte,
betrapte hij zich nu en dan op den dwazen wensch Suze terug te zien. Hij
streed een harden strijd tegen zijn eigen zelfzuchtig hart. Hij had het
des Maandags zeer natuurlijk geacht, dat hij haar niet wederzag. Des
Dinsdags had hij tot zich zelven gezegd, dat zij hem misschien even de
hand zou komen drukken; maar zij was zoo voorzichtig en begreep beider
»positie" zoo volkomen. Des Woensdags had hij bijna de pen gegrepen, om
haar te zeggen, dat hij nieuwsgierig was te weten, hoe het haar in Den
Haag beviel. Doch des Donderdags had hij haar bijna vergeten, daar hij
zijne volle belangstelling aan de soirée bij den secretaris-generaal had
geschonken.
En nu knielde hij naast den lagen leunstoel, tegen den blauw damasten
rug van welken het donkere lokkenhoofd van Suze zoo schilderachtig
uitkwam. En nu zag hij haar in de zielvolle oogen, en bewonderde hij
weder in stilte de aantrekkelijke bevalligheid van hare geheele persoon.
Het zilvergrijze kleedje, met een laag vierkant aan den hals uitgesneden
en kort van mouwen, zoodat Suze's blanke arm de doffe zijde zegepralend
overschitterde, stond haar verrukkelijk mooi. Van Reelant wilde nu niet
aan de toekomst denken, hij wilde alles vergeten. Knielend vatte hij
hare hand, en begon:
»Het schijnt, dat ik van avond mijne schoonzuster mag welkom heeten!"
»Je begrijpt, Arnold! dat ik met die oude huiszorg op de eene of andere
wijze moest kennismaken! En ik heb dadelijk gezien, dat ze zeer discreet
zal zijn! Ik voel me zoo nauw aan je verwant, dat ik niet beter wist te
vinden dan schoonzuster...."
»Zeer goed! Bekommer je verder maar niet om haar. Ik ben waarlijk
verrast je zoo onverwacht te zien!"
»Is dat een verwijt, Arnold?"
»Ja, min of meer is het een verwijt...."
»Min of meer?"
»Sinds Zondagmorgen heb ik niets meer van je gehoord of gezien .... ik
stond juist op het punt een epistel te zenden naar het Westeinde!"
Suze richtte zich op uit hare liggende houding. Een vreugdevuur
flikkerde uit hare kijkers, onmiddellijk daarna getemperd door een traan
van voldoening, dien ze blozend afwischte. Van Reelant sprong op. Hij
ontdeed zich van de knellende witte handschoenen, die hem aan zijne
soirée herinnerden. Hij zag, dat de blauwe overgordijnen voor het eenige
venster nog opgenomen waren blijven hangen, dat het raam gesloten was.
Hij stiet het raam open en deed de gordijnen vallen, daar hij steeds
vermijden wilde de aandacht van overburen of voorbijgangers noodeloos op
te wekken.
Zich omkeerend stond Suze vóór hem. Ondanks alle inspanning vulden zich
hare oogen telkens weer met tranen. Glimlachend legt hij zijn linkerarm
om hare leest, en beknort haar fluisterend. Plotseling slaat zij beide
blanke armen om zijn hals, en zegt ze, half lachend, half snikkend:
»Ik ben zoo onbegrijpelijk gelukkig, Arnold! Lieve man! Heb je dus
waarlijk al dien tijd aan mij gedacht?"
Van Reelant boog het hoofd naar de diepbewogen vrouw, die zich aan zijne
borst drong. Alle zijne wijze en verstandige plannen schenen in rook te
vervliegen. Hij dacht aan niets meer dan aan het luidkloppende hart, dat
tegen het zijne bonsde....
Zij hadden dien avond veel te overleggen.
Suze zeide, dat het al zeer laat was, dat zij volstrekt naar het
Westeinde moest terugkeeren uit eerbied voor de familie De Milde, maar
Van Reelant was immers bereid en vereerd haar naar huis te geleiden--en
hij had nog zooveel met haar te praten. Suze knikte, en beiden zetten
zich op den divan. 't Werd recht prettig en genoeglijk in het fraaie
kabinetje. 't Was er luchtig, want Van Reelant had de ramen van de
aangrenzende kamer wijd opengezet en, daar hij lust had een enkel
glaasje Rhijnschen wijn te drinken, vond Suze geen bezwaar hem
gezelschap te houden.
Het gesprek liep eerst over Suze's woning, over de familie De Milde,
over Den Haag, en, terwijl ze vroolijk antwoordde op Van Reelant's
vragen, klonk hare stem zoo jubelend, of ze een zegelied zong. Eensklaps
viel ze zich zelve in de rede, en zei haastig:
»Goed, dat ik er om denk! Arnold! ik moet je iets vragen!"
Van Reelant bewoog het hoofd, alsof hij zeggen wilde, dat hij alles zou
toestemmen, en bracht Suzes blanke hand aan zijne lippen.
»Mama en Betsy zijn Maandag bij me geweest. Betsy verveelt zich in
Rijswijk, en zou graag het een of ander werk ondernemen. Zij denkt
er over pianolessen te geven hier in Den Haag, maar ze kent niemand.
Adverteeren is niet fatsoenlijk .... ze wil liever door de een of andere
relatie met Haagsche familiën in kennis komen. Zou dit mogelijk zijn,
Arnold?"
»Wel zeker! Dat kan zeer goed. Van middag aan tafel vertelde freule Van
Berenvelt me, dat haar zuster Albertine, een meisje van twaalf jaar, een
waren hartstocht voor de piano heeft. Ze speelt avond en morgen, maar
met haar onderwijzers is ze niet heel gelukkig. Ze heeft er al drie
versleten, en wil nu probeeren of het met eene onderwijzeres beter zal
gaan. Dat zou een flink begin voor Betsy zijn. Ik zal .... laat eens
zien...."
Suze zag Van Reelant uitdagend aan, en viel hem in de rede:
»Je kunt er den Baron over spreken, Arnold! Van mij daarbij geen
woord.... Je kent de familie Muller Belmonte uit Osterwolde,
fatsoenlijke menschen, ongelukkig geworden door financiëele rampen. Toen
je griffier waart in Osterwolde, heb je ze in betere omstandigheden
gezien. Mama en dochter wonen nu te Rijswijk, de jonge dame heeft een
bijzonder talent voor de piano, en zoo voort, en zoo voort.... Je ziet,
dat je er niets bij waagt, en dat je zelfs den naam van mevrouw De
Huibert niet hebt te noemen!"
Aangenaam getroffen door den vleienden toon van Suze's stem, sloeg Van
Reelant toch de oogen neder voor haar blik. Het scheen, dat zij zijne
zelfzuchtige bespiegelingen maar al te goed doorzag. Het was duidelijk,
dat ze niets voor zich zelve eischte, dat zij door geene persoonlijke
belangen kon worden uitgelokt zoo te spreken, dat zij zich zelve zooveel
mogelijk naar den achtergrond schoof.
Hij antwoordde met buitengewonen ernst:
»Je hebt volkomen gelijk, liefste! Ik heb het in mijne macht Betsy bij
de Van Berenvelts te introduceeren. Ik zal er morgen dadelijk werk van
maken. Heeft Betsy slag, om aan het jonge meisje wat te leeren, dan zal
ze werk genoeg vinden--ik ben er zeker van!"
»Dank je, Arnold!"--klonk het even ernstig.--»Ik wist wel, dat je me
begrijpen zoudt! Betsy zal haar best doen! Ze kan niet anders!"
Er volgde eene kleine pauze.
Suze begon weer met haar innemendsten lach:
»En die andere freule Van Berenvelt is zeker wel wat ouder dan twaalf
jaar?"
»Zeker, ik denk, dat ze om en bij de dertig is!"
»'n Respectabele leeftijd."
»O, misschien is ze al ouder dan dertig, maar ze ziet er nog zeer jong
uit!"
»Is ze mooi?"
»Bleek, mager, ernstig en zeer elegant!"
»Ja, maar ze zal wel heel rijk zijn?"
»De Baron Van Berenvelt heeft veel vermogen!"
»Het verwondert me, dat ze dan nog ongetrouwd is!"
»Freule Van Berenvelt schijnt zeer hooge eischen te stellen aan den man,
wiens naam zij zou moeten dragen!"
»Een heel verstandige dame!"
»Verstandig--waarom?"
»Ja, zie je! in onzen tijd hebben de zoogenaamde fatsoenlijke jongelui
geen ander motief om te trouwen dan enkel geld!"
»Maar Suze!"
Al deze woorden waren op vroolijken toon gewisseld. De laatste uitroep
van Van Reelant alleen verried een lichten schrik.
Suze staarde mijmerend naar de blauwe gordijnen, door den nachtwind
telkens lichtelijk heen en weer bewogen.
Zachtkens murmelde zij:
»O, ik weet wel, dat er uitzonderingen zijn!.... Hoe armzalig zijn de
mannen, die niets beteekenen dan door het fortuin van hunne vrouwen. De
stumperts meenen, dat zij machtig veel in te brengen hebben, als zij
voor het geld van mevrouw zich een schijntje van consideratie gekocht
hebben bij het hebzuchtig burgervolkje, dat klaar staat van hunne
blufferige royaliteit te leven! Hoe kan een vrouw den man liefhebben,
van wien ze weet, dat hij niets waard is zonder haar geld?"
Van Reelant hield zich een oogenblik bezig met zijn glas te ledigen, en
scheen het beter te oordeelen Suze ditmaal het woord alleen te laten.
Daar zij verwonderd was over zijn stilzwijgen, zag zij hem plotseling
vragend aan. Van Reelant, die geen lust gevoelde over dit onderwerp
zijne meening te zeggen, trok haar zachtkens aan zijne zijde, en vroeg
fluisterend:
»En hoe zou 't dan moeten gaan in de wereld volgens jou, Suze!"
»Volgens mij kan eene vrouw alleen den man liefhebben, van wien ze weet,
dat hij hooger dan zij zelve staat. Arnold, jij hebt talent, jij hebt
eerzucht, jij wilt en zult vooruitkomen in de wereld! Dat is mijn trots,
als ik aan je denk! Iedere vrouw moet met bewondering tegen den man
opzien, dien zij liefheeft--anders.... Och! laat er ons niet verder over
spreken!"
»Uitstekend, liefste! Maar zou toch in sommige gevallen het vermogen
eener liefhebbende vrouw geen wonderen kunnen doen...."
»In sommige gevallen misschien. Maar wat zou je denken van het paar, dat
door liefde en geestkracht zich een eigen weg baant? Wat zou je denken
van de vrouw, die door haar schoonheid, haar vuur, haar verstand, haar
steun den geliefden man naar het hoogste toppunt van maatschappelijke
onderscheiding vergezelde en in zijn zegepraal deelde? De kleine
voordeelen, die het geld oplevert, zouden dan toch in het niet zinken!
Wat zou je denken van zulk eene vrouw, Arnold?"
»Dat zij een engel, dat zij een ideaal is!"
Suze had haar hoofd aan zijn schouder gelegd en zag triumfeerend naar
hem op. Van Reelant begreep haar. Hij werd meegesleept door hare
geestdrift, beheerscht door hare overredingskracht, vastgeketend door de
macht harer schoonheid....
Onwillekeurig ontsnapte hem een kreet van bewondering, terwijl hij haar
vuriger dan ooit aan zijn hart sloot.
Suze ontworstelde zich langzaam aan zijn armen, en vroeg, terwijl een
blos van genoegen hare wangen tintte:
»Laat ons nu eens over je plannen spreken, Arnold! Hoe gaat het aan het
ministerie?"
Van Reelant gaf haar trouw verslag van alles. Hij deelde haar het
voornaamste mede, wat er aan Buitenlandsche Zaken voorviel, zonder
eenig staatsgeheim, dat hij verzwijgen moest, te verraden.
Maar mevrouw De Huibert vond, dat haar Arnold grootscher plannen moest
vormen. Schielijk vroeg ze:
»Welke vooruitzichten heb je nu als referendaris?"
»Van allerlei! Aan het ministerie is natuurlijk bevordering mogelijk!
Dan zou ik misschien later, indien ik wilde, bij eene buitenlandsche
legatie kunnen geplaatst worden!"
Suze dacht eene pooze na. Zij schudde langzaam het hoofd. Buiten
Nederland .... onder welken titel zou zij hem kunnen volgen .... daar
mocht niet aan gedacht worden.
Zoo snel mogelijk vroeg ze:
»Maar zou je geen politieke ~carrière~ in Nederland kunnen maken?"
»Als ik heel, heel veel geduld had!"
»Geen nood! Geduld oefenen is een quaestie van tijd! Ik zal geduld
hebben!"
»Jij Suze?"
»Natuurlijk! Zoolang ik den naam van De Huibert draag, moet ik geduld
oefenen! Maar laat dat rusten.... Zou het dus zeer lang moeten duren,
eer je hier in Den Haag promotie maakte?"
Van Reelant bleef een oogenblik verward zwijgen.
Hare bedoeling ontsnapte hem niet. En toch wilde hij er niets van laten
merken. Met de deftigheid van een echt referendaris antwoordde hij: