»Zoo zie je, meneer De Witt! dat er nog wel op den arbeid van onze

studeerende jongelui gelet wordt. Maar dat is altijd m'n systeem

geweest. Wij hebben gebrek aan knappe lui in de liberale partij. Wij

hebben de meerderheid in getal, we moeten ze ook in talent hebben! En

daarom ga ik na, wie er alzoo promoveeren te Leiden en te Utrecht!"

De heer Gronovius sprak met zooveel gezag en tegelijk met zooveel

eerbied voor zijne eigen woorden, dat het een zeer eigenaardig

schouwspel was hem daar te zien »oreeren", terwijl André bedaard naar

zijne mededeelingen luisterde. De overige jongelieden hadden zich deels

uit beleefdheid, deels uit verveling, naar eene andere zijde der ~serre~

teruggetrokken, waar zij zich bezighielden met »gefrappeerden"

champagne en Haagschen kout.

André had nu overvloedig gelegenheid den heer Gronovius, lid van

Tweede Kamer der Staten-Generaal, ridder, officier, commandeur van

onderscheiden binnen- en buitenlandsche orden, enz., enz., nauwkeuriger

te beschouwen. Zijn kaal voorhoofd en zijne blozende kleur gaven hem

iets eerwaardigs, 't welk niet voldoende werd ondersteund door zijne

kleine, flikkerende, grijze oogen en de beweeglijke plooien om zijn

breeden mond. Behalve het commandeurskruis aan het roode lint, vertoonde

een knoopsgat in zijn rok op de linkerborst ene zeldzame »~collectie~"

miniatuurkruisjes van allerlei slag.

Hij sprak intusschen steeds door:

»Het doet mij veel plezier, dat ik u heb leeren kennen, meneer De Witt!

Uwe dissertatie belooft iets! Blijf nu niet halverwege staan, maar

studeer ijverig verder! De liberale partij heeft behoefte aan knappe

lui. Met talent en wetenschap komt men, waar men wezen wil .... dat zie

je aan mij! Ik ben nu zes jaar lid van de Tweede Kamer, en ik heb het

dagelijks ondervonden. Waarom halen sommige menschen hun schouders op

over de leden der liberale partij, meneer de Witt?"

»Doen ze dat wezenlijk?"

»Hoe lang ben je nu in Den Haag?"

»Een jaar...."

»Dan hadt je kunnen weten, dat sommige lui hun schouders ophalen over

de leden der liberale partij! En waarom doen ze dat? Ik zal het je

zeggen, meneer De Witt! Van '48 heb ik alles meegemaakt. Toen de

grondwet er door was, begon de strijd van de partijen. Eene groote

aristocratisch-conservatieve partij begon met ons personeel belachelijk

te maken. Vooreerst werd er gelachen om de burgerlijke eenvoudigheid

van Thorbecke, maar dat duurde niet lang, toen Thorbecke aan het werk

ging in 1849. Een Romeinsch keizer, meneer De Witt! placht te zeggen:

»~Oderint dum metuant!~"[1] en dat mocht Thorbecke met volle recht van

zijne staatkundige tegenstanders zeggen!"

[1] »Ze mogen mij haten, als ze mij maar vreezen."

De plechtigheid, waarmee de heer Gronovius dit alles voordroeg, legde

André onwillekeurig het zwijgen op. Hij had gedurende den woordenstroom

van het kamerlid, zijn best gedaan zich te herinneren wie de heer

Gronovius eigenlijk mocht zijn, daar zijn naam hem niet onbekend

was. Na eenig peinzen, viel het hem te binnen, dat de provinciale

staten van Overijsel in 1847 een deftig notaris uit Zwolle, den heer

Gronovius, naar de Tweede Kamer afvaardigden, en dat de kiezers van het

hoofdkiesdistrict Zwolle die keuze in 1848 en 1851 hadden bevestigd. Hij

meende tevens iets te weten van den invloed door den heer Gronovius in

de Tweede Kamer geoefend, maar de juiste toedracht van zaken ontsnapte

hem nog.

De groote heer noodigde André uit eenige stappen verder te gaan, om

buiten het gehoor der heen en weer loopenden het onderhoud rustiger

voort te zetten.

»U kan nu gemakkelijk berekenen, meneer De Witt! waarom men de schouders

ophaalde voor sommige leden der liberale partij! Moest men Thorbecke met

rust laten, zijne vrienden hadden het harder te verantwoorden. Enkele

leden der liberale partij uit de noordelijke provinciën maakten een

zonderling figuur, dat is waar, en daarom hadden de aristocraten en

conservatieven eene schoone gelegenheid de nieuwe grondwet en de directe

verkiezingen belachelijk te maken!"

»Een vrij onschuldig plezier, dat men aan die heeren wel kan gunnen!"

»Zeg dat niet, meneer De Witt! De liberale partij moet niet alleen de

numerieke meerderheid, maar ook de algemeene achting hebben! Onze mannen

moeten overal gezien zijn. In de eerste plaats aan het Hof en in de

hofkringen...."

Bijna fluisterend en met eene zeer geheimzinnige uitdrukking heeft de

beroemde heer Gronovius deze laatste woorden aan André's oor gezegd.

De jonkman staart hem uitvorschend in de rollende, grijze oogen, en

antwoordt:

»Dat begrijp ik niet!"

»Wel dat verwondert me, meneer De Witt! Een jong mensch met uwe

capaciteiten moest dat begrijpen. Het is zeer noodzakelijk, dat de

knappe lui onder onze partij elkaar in dit opzicht verstaan. Liberaal

of conservatief, behooren de ministers, de leden der beide kamers, de

leden der hooge collegiën van staat aan 't Hof, zonder onderscheid, met

welwillendheid ontvangen te worden. Dit is een der eerste beginselen van

constitutioneel staatsrecht. Hoe zegt men in Engeland, meneer De Witt?

~Her Majesty's loyal opposition!~ Vergeet dit niet!"

Een lakei met bekers champagne stoorde hun onderhoud. De heer Gronovius

zette zijne dikke lippen maar even aan het glas, daar de aandacht van

André, die naar de voorbijtrekkende gasten begon te staren, hem scheen

te ontsnappen. Hij ging haastig voort:

»Nu ik het toevallig plezier heb, meneer De Witt! u bij mijn vriend Van

Berenvelt te ontmoeten, kan ik niet nalaten u een en ander op het hart

te drukken. Bewijs aan de lui, dat er ook fatsoenlijke menschen onder de

liberalen zijn! Wij moeten ons vertoonen in de aanzienlijkste kringen.

Uitstekende menschen allemaal! En niemendal moeielijk voor een wezenlijk

fatsoenlijk man om in die kringen opgenomen te worden, dat zie je aan

mij!"

André verlangde aan de mededeelzaamheid van den grooten Gronovius

te ontkomen, maar hij bevond zich in een hoek der ~serre~. Hij wilde

niet opzettelijk onbeleefd zijn. Zijn nieuwe vriend sprak op zulk een

ongemeen afdoenden, bijna commandeerenden toon, dat het moeilijk was

een glimlach te onderdrukken of wel iets scherps te verzwijgen. De

heer Gronovius vermoedde hoegenaamd niets van den zielstoestand zijns

jeugdigen vriends, en hernam met betoon van groote nederigheid:

»Het is mij hier in Den Haag nogal meegeloopen! Enkelen van mijn

liberale kennissen hebben mij kwalijk genomen, dat ik aan het Hof kom,

en met de wereld omga.... Enfin, dat gaat zoo! U, meneer De Witt! raad

ik aan de vriendschap van meneer Van Berenvelt op hoogen prijs te

stellen! Het zal u niet moeielijk vallen aan de meeste familiën

gepresenteerd te worden! Kent u hier het personeel al zoowat?"

»Pardon, Meneer Gronovius! Ik wilde...."

»Heel goed! Laat ons saam eens door de salons wandelen! Ik zal u dan met

den een of ander in kennis kunnen brengen!"

André volgde, en bedwong een zucht van verlossing.

De knappe heer Gronovius leidde hem langzaam door het eerste vertrek.

Hij ving aan fluisterend te spreken, en zich telkens tot André over te

buigen:

»Van avond zijn er veel absenten! 'n Slecht seizoen voor een soirée! Dat

kan nu niet anders met die Belgische artilleristen. De meeste leden van

de Tweede Kamer zijn uit de stad. De aristocratie ontspant zich te Baden

of te Homburg. Het corps diplomatique is nog het best vertegenwoordigd,

omdat de meesten op hun post moeten blijven!"

André volgde zwijgend. De plotselinge sympathie, hem ten deel gevallen

van de zijde des beroemden heeren Gronovius, verbaasde hem. Dit alles

aan de lezing zijner dissertatie toe te schrijven, verbood hem de rede.

Het scheen hem meer en meer, dat de groote staatsman dien avond zijne

gewone vrienden miste, en dat hij iemand noodig had aan wien hij zijne

verheven uitspraken vol gezag en majesteit kon mededeelen.

Terwijl zij voortwandelen, noemt het kamerlid de namen der verschillende

gasten:

»Die lange heer, daar ginder, meneer De Witt! is een zeer merkwaardig

man. Hij is attaché bij de Russische ambassade--graaf Tchitchikoff,

millionnair, zeer gezien bij ons Hof. Hij bezit groote talenten in den

gezelligen omgang, zingt, danst, goochelt en vervult de comische rollen

in onze »~comédie de société~". Ik zal u aan hem voorstellen!"

»Liever niet!"

»Hoe is het mogelijk? Het kan nooit kwaad kennissen in Rusland te

hebben!"

André begreep, dat kennissen in Rusland van groot nut zijn tot het

dingen naar Russische ridderorden, en vermoedde daarbij, dat een

Russisch kruisje nog aan de »collectie" van den heer Gronovius ontbrak.

Hun tocht voortzettend vestigde de laatste zijn oog op den beleefden

gastheer, die thans audiëntie verleende aan Van Reelant.

Gronovius fluisterde aanstonds:

»Meneer De Witt! Let nu eens op dien heer met dat gunstige voorkomen

en dien blonden knevel. Dat is de pas benoemde referendaris bij

Buitenlandsche Zaken, de heer Van Reelant. Een maand geleden is hij hier

gekomen en nu spreekt ieder al met achting van hem. Dat jonge mensch zal

~carrière~ maken. Kennis van menschen en zaken bezit hij in hooge mate,

ik heb er mij bij herhaling van overtuigd!"

Zulk eene getuigenis was allervleiendst voor Van Reelant, te meer

nu een man als Gronovius haar uitsprak. De waarheid was, dat het den

nieuwen referendaris bijzonder weinig moeite gekost had, deze gunstige

meening omtrent zijn persoon en talenten te vestigen. Hij volgde eene

zeer eenvoudige politiek--hij zweeg. Van Reelant legde buitengewone

bekwaamheid aan den dag in de kunst van zwijgen. Hij luisterde daarbij

met nog grooter talent. De heer Gronovius had soms een uur lang met Van

Reelant op de aangenaamste wijze geredeneerd, daar men hem alleen het

woord liet, of er enkel een bescheiden volzin aan waagde, als de stroom

der ideeën trager dreigde te vloeien. Bij de deftige heeren uit de

hoogste Haagsche kringen was er maar ééne stem over Van Reelant--»een

uitstekend bekwaam ambtenaar."

André had bij de lofspraak van den heer Gronovius de schouders

opgetrokken. Openhartig, zelfs eenigszins vermetel riep hij uit:

»Mij viel de eer niet te beurt den nieuwen referendaris nader te

leeren kennen. Ik werd aan hem voorgesteld, en zag hem een paar maal

in het ministerie, dat is alles. Me dunkt, dat hij zijn positie louter

aan protectie dankt. Toen de oude heer Mérelles stierf, heeft een

hoofdcommies, mijn vriend Wythoff, maanden achtereen de functiën van

referendaris waargenomen. Ongelukkig komt er in April een oproertje

in de Kamer over de bisschoppen. Er volgt een nieuw ministerie, en

bij de eerste benoeming aan Buitenlandsche Zaken wordt niet Wythoff

gepromoveerd, maar krijgen we een wildvreemd heer uit een der

noordelijke provinciën,--~nota bene~, griffier bij een kantongerecht!"

De vermaarde heer Gronovius bleef mijmerend stilstaan. Hij zag André met

een bezorgden blik aan.

»Meneer De Witt! Het doet me plezier, dat ik het merk! Ik kan je een

goeden raad geven! Spreek nooit zoo luid over je chefs! Meneer Van

Reelant is boven je geplaatst, dus behoor je de ambtelijke hiërarchie

te eerbiedigen. Wat zou er van onze staatsadministratie terecht komen

zonder ambtelijke hiërarchie? Ik ben liberaal, dat weet je! Ik heb

de Aprilbeweging met leede oogen zien ontstaan, maar nu het nieuwe

ministerie er eenmaal is, zou ik in uw plaats geen critiek oefenen over

benoemingen. Dat is de weg niet door een jong, talentvol ambtenaar

in te slaan. Weet je, wat je hadt moeten doen? Je hadt den nieuwen

referendaris moeten opzoeken .... nader kennis maken.... Laat ons te

zaam Van Reelant eens aanspreken...."

Het werd André te eng in het schitterend salon van den

secretaris-generaal. Hij bemerkte niet, dat hij lomp genoeg was den

edelmogenden Gronovius op antwoord te doen wachten.

Deze laatste viel daarom haastig in:

»Jongelui kunnen dikwijls nog veel leeren, meneer De Witt!

Wetenschappelijke kennis alleen is niet genoeg! Ik heb u een wenk

gegeven, laat het daarbij blijven.... Wel, wel, freule Albertine! hoe

vaart u?"

Deze laatste woorden, met groote hartelijkheid uitgesproken, werden

gericht tot een jong meisje van twaalf of dertien jaren.

Freule Albertine was de tweede en jongste dochter van den Baron Van

Berenvelt. In het hagelwitte kleedje, de lange golvende zwarte haren

met purperroode zijde strikken opgenomen, zag zij er zeer bekoorlijk

uit. Toen de heer Gronovius haar aansprak, stond zij stil met een

uitdagend glimlachje.

Gronovius, die tot nog toe niemand aan André had kunnen voorstellen,

maakte van de gelegenheid gebruik, en zei plechtig:

»Freule Albertine! Mag ik het genoegen hebben u te presenteeren meneer

De Witt, ambtenaar aan het ministerie van Buitenlandsche Zaken!"

André boog beleefd, maar de uitdrukking van zijne trekken verried, dat

hij de plechtigheid wat overdreven vond. Het jonge meisje keek hem

onverschrokken aan, en vroeg met een allerliefst air van nederbuigende

vriendelijkheid:

»Bevalt u de soirée, meneer?"

»Uitstekend, freule!"

»Wat mij betreft, ik verveel me!"

»Zoo, freule!"

»Ja, ziet u! Adèle had me beloofd, dat er muziek zou gemaakt worden! Ik

houd dol van muziek. Ik zou wel den heelen dag muziek willen maken! Ik

kom alleen om wat te hooren spelen, en nu is er niemand, die van muziek

spreekt!"

»Daar ginder heb ik eene pianino zien staan...."

»Mijn pianino!"

»Maar, freule als u zelve eens...."

»Ik speel nog niet in 't publiek, meneer!"

»Dan zou misschien uwe zuster...."

»Ga maar mee! Wij zullen 't haar vragen!"

Vrijmoedig en schalks wenkte freule Albertine, en André had plezier

genoeg in het guitige kind, om terstond aan haar verzoek te voldoen. De

heer Gronovius werd juist op dit punt des tijds aangesproken door graaf

Tchitchikoff, welke laatste den geachten Nederlandschen staatsman in

kennis wilde brengen met een Belgisch kolonel der artillerie.

André en zijne jonge vriendin zochten een oogenblik, en vonden Adèle in

vriendelijk gesprek met drie bedaagde, buitengewoon leelijke freules,

dochters van een overleden, hooggeacht generaal. Albertine vloog naar

hare zuster, en zei met kinderlijke levendigheid:

»Adèle! Laat nu iemand eens wat spelen!"--En met den vinger André

aanwijzende:--»Meneer hier houdt ook zooveel van muziek!"

Mejonkvrouw Van Berenvelt sprak zacht een paar woorden met Albertine.

Deze trok plotseling een verdrietig gezichtje, en sloop heen zonder

zelfs André te groeten.

»Meneer De Witt!"--zei freule Adèle, terwijl zij de schitterende zwarte

oogen naar André wendde--»ons gesprek werd zooeven gestoord, toen ik

u iets wilde vragen. Wie was het toch, die het eerst op het denkbeeld

kwam, om een standbeeld aan den dichter Huygens te geven midden onder

het groen van het eilandje in den Vijver?"

»Dat was Potgieter, freule!"

»Dacht ik het niet! Wij lezen zooveel Engelsch en Fransch, dat wij onze

Hollandsche auteurs verwaarloozen!"

»Het is nu bijna tien jaren geleden, dat onze beste prozaschrijver dezen

wensch bij wijze van verzuchting uitsprak in het tijdschrift »De Gids".

Misschien is het u toen ontgaan, freule!"

»Zoo is het, meneer De Witt! De gedachte trof mij, maar er is, vrees ik,

niet veel kans tot verwezenlijking van dit lieve denkbeeld. Elken dag

kijk ik uit mijn venster een poosje naar het schilderachtig eilandje....

Er zal, vrees ik, geen terrein genoeg zijn voor een standbeeld, wanneer

men de mooiste boomen behouden wil!"

»Een technisch bezwaar, freule! Misschien zal later een vriend van

Huygens en Potgieter het oplossen!"

»In dat geval zal ik uw plan met plezier ondersteunen, als het wat

helpen kan!"

André wilde iets hoffelijks antwoorden, maar werd ten tweeden male

gestoord door Van Reelant, die, zijn ineengeslagen hoed sierlijk onder

den linkerarm dragend, eene diepe buiging maakte, en haastig sprak:

»Ik kom afscheid nemen, freule!"

»Nu al, meneer Van Reelant?"

»Tot mijn spijt, freule!"

André trad nogmaals ter zijde. De referendaris scheen van den

ondergeschikten ambtenaar geen »notitie" te willen nemen. Misschien

keurde hij het af in zijn buitengemeen goedhartigen vriend Van

Berenvelt, dat deze zulk slag van menschen bij zich aan huis ontving.

André verdween onder de gasten. De drie oude vogelverschriksters

fluisterden eene poos over dat »knappe" jongemensch met die »mooie"

bruine oogen en dien »mooien" bruinen knevel, en volgden toen met een

verstrooid gemoed de woordenwisseling tusschen Adèle en Van Reelant.

Deze laatste wijdde een oogenblik uit over de staatszorgen, over zijn

ambt en de vele bezigheden, waardoor hij een deel zijner avonden aan

ernstigen arbeid moest offeren. Plotseling zich bedenkende, voegde hij

er bij:

»Maar ik mocht u wel mijne excuses maken, dat ik u telkens stoor,

freule! Ik schijn de lui op de vlucht te drijven!"

»U bedoelt meneer De Witt?"

»Juist! Hij heet De Witt, dat jonge mensch, dat de uitvinding der

kappers en hairkunstenaars niet schijnt aan te moedigen!"

Adèle glimlachte niet, zooals Van Reelant verwacht had. Zij scheen de

geestige teekening op haar waaier een oogenblik te bekijken. Van Reelant

verweet zich heimelijk, dat hij niet voorzichtiger geweest was. De

schoone tactiek van zwijgen en luisteren paste hij overal elders toe

.... met den Baron Van Berenvelt en zijne dochter daarentegen poogde

hij zooveel mogelijk een ongedwongen toon aan te slaan. Nu trachtte hij

zich terstond een eervollen aftocht te verzekeren. Hij sprak snel door,

en roerde met groote handigheid vele nieuwe onderwerpen aan. Adèle

antwoordde beleefd. De schaduw, door André tusschen hen beiden geworpen,

was verdwenen.

Plotseling zag de jonkvrouw Van Berenvelt van ganscher harte glimlachend

naar Van Reelant op, en vroeg ze:

»Heeft u kennis gemaakt met Graaf Tchitchikoff?"

»Om u te dienen, freule!"

Adèle maakte eene beweging met haar waaier.

Oogenblikkelijk daarop stond de Russische ~attaché~ naast haar. 't

Was een zeer lang en zeer mager heer zonder leeftijd. Men kon hem op

dertig en op zestig jaren schatten. De haren, die zijn hoofd kunstrijk

versierden, waren van het fraaiste zwart, dat ooit eenig »coiffeur" had

uitgevonden. Zoo ook was de doorzichtige knevel, zoo waren de schrale

»favoris", terwijl zijne wangen schitterden van hetzelfde fraaie rood,

dat op zijne lippen pronkte. Zijne stem klonk sleepend en krijschend.

Hij sprak vloeiend Fransch.

Adèle, die hem had opgemerkt en geroepen, zei hem in dezelfde taal:

»Mijn waarde Graaf! Onze vriend Van Reelant heeft zulk een haast, dat

hij ons nu al verlaat. Ik moet u daarom gauw iets vragen. Heeft u aan

onze »comédie de société" gedacht? Meneer Van Reelant moet ons helpen,

niet waar?"

Graaf Tchitchikoff boog, als volleerd hoveling.

Krassend, krakend en ratelend met iedere r, antwoordde hij:

»'n Charmant idee van u, freule! We hebben juist nog een »rôle de

caractère" noodig. Als meneer Van Reelant misschien zoo goed wilde

zijn?"

De aangesprokene streed met geen kleine verlegenheid, maar zonder eenige

aarzeling zeide hij:

»Het zou mij eene bijzondere eer zijn, maar ik mag u niet verzwijgen,

dat ik hoegenaamd geen aanleg heb voor comedie-spelen, en dat ik nooit

vijf regels achter elkaar heb kunnen van buiten leeren!"

Adèle schudde het hoofd.

»Misschien heeft meneer Tchitchikoff dan wel een ander emplooi voor

meneer Van Reelant. Wij moeten al onze krachten gebruiken. Ik stel het

grootste belang in onze »comédie". Tegen het naderen van den herfst

moeten onze plannen klaar zijn. Van middag heb ik u er over gesproken,

meneer Van Reelant!"

»Het was voor mij een alleraangenaamste onderscheiding, freule! Ik stel

mij geheel tot uwe dispositie!"

Graaf Tchitchikoff glimlachte altijd eenige oogenblikken, voordat hij

begon te spreken. Na zulk eene kleine pauze, haastte hij zich te zeggen:

»Ons gezelschap mist nog een knappen tweeden ~régisseur~! Als ik zelf

een rol heb--en dat komt in den regel voor--dan mis ik iemand, die mijn

functie van eersten ~régisseur~ kan waarnemen! Wat zou u daarvan denken,

mijn waarde heer Van Reelant?"

»Nu het de wil van freule Van Berenvelt is, bestaat er bij mij geen

bezwaar, en neem ik uw vriendelijk voorstel aan. Ik hoop evenwel, dat

mijn eerambt mij niet te veel tijd zal kosten!"

»Dat zal er van afhangen!"--zeide Adèle glimlachend.--»Wanneer u een

talentvol ~régisseur~ wil zijn, meneer Van Reelant! dient u zich een

beetje te sacrifiëeren!"

»Gaarne, freule! Maar ik weet zeker, dat ik geen enkel talent bezit!

Adieu, freule!"

»Adieu, meneer Van Reelant!"

Een beleefde groet werd tusschen de heeren gewisseld, en daarna sloop de

vriendelijk glimlachende referendaris voorzichtig door de gasten, om

zonder opschudding te verdwijnen. Baron Van Berenvelt wist, dat groote

ijver voor 's lands dienst den nauwgezetten ambtenaar zoo spoedig deed

vertrekken.

ZESDE HOOFDSTUK.

Raadgevingen van Egeria.

De vier lakeien in gala lieten Van Reelant met buitengewoon diepe

buigingen uit. De referendaris wist, dat de stalen hoogmoed van

dergelijk bediendenvolk door zilveren Nederlandsche standaardpenningen

kon worden omgetooverd tot kruipende beleefdheid, en hij verzuimde

nooit er de proef van te nemen. Bovendien verlangde hij bij de Van

Berenvelts voor ieder een welkome gast te blijven.

Het was nog vroeg. Nauwelijks halfelf. Op den Vijverberg zweefde de

koele adem van den nachtwind. Boven het Binnenhof tintelden millioenen

starren, de licht gerimpelde oppervlakte van den Vijver weerkaatste ze

hier en daar. Onder de lindenlaan aan den waterkant te wandelen, was nu

een waar genot. Van Reelant vermeide er zich in de geheimzinnige zwoelte

van den zomernacht, na de drukkende hitte des dags met duizenden stemmen

lokkend tot verademing en rust.

Hij was tevreden. Er ruischte een vroolijk lied in zijne ooren. Zoo

moest het komen. In den kring der Van Berenvelts ontmoette hij langzaam

de geheele aanzienlijke wereld der residentie. Men bejegende hem met

zeker ontzag, en liet duidelijk doorschemeren, dat men hem voor een

»serieus" en »geposeerd" man hield. Hij werd niet versleten voor een

dier modeplaatjes uit de »jeunesse dorée", welke met hem niets gemeen

hadden, dan den »fournisseur de la Cour", Emile van Pommeren, ~fils~,

aan welken ook hij, als tevreden »locataire" de zorg voor zijn toilet

had opgedragen. Ieder begreep, dat hij geen jongmensch meer was, dat hij

geene behoefte meer had aan die onuitputtelijke reeks van smakelooze

en peperdure genietingen, welke het leven van een aanzienlijk Haagsch

~bachelor~ plegen te .... verkorten. Hij was matig in alles, roerde

nooit een kaart aan, en volgde nimmer het voorbeeld zijner jeugdige

kennissen, wanneer deze zich op hunne galante heldenfeiten te goed

deden, daar hij vast besloten had op dit terrein geen enkelen lauwer

te verdienen. Het voorstel van Adèle van Berenvelt was hem aangenamer

geweest, dan hij wel had willen doen blijken. Hij wist, dat de »comédie

de société" sinds eenigen tijd in de mode was. Op het tooneel te

verschijnen scheen hem met de waardigheid van zijn persoon niet overeen

te stemmen. Hij moest dit overlaten aan mannen als Tchitchikoff....

Evenwel .... Adèle! Mejonkvrouw Van Berenvelt stelde belang in de zaak.

Zij had hem verzekerd, dat zij zelve herhaaldelijk in »proverbes", of

kleine blijspelen van Alfred de Muset, Octave Feuillet, Henri Murger

of Mme. de Girardin had meegespeeld. Het scheen hem niet ongepast deel

te nemen aan deze geestige oefeningen in de tooneelspeelkunst. Onder

voorwendsel van régisseur te zijn, zou hem de gelegenheid open staan

zijn invloed op oud en jong te versterken. Zonder een vast plan,

volkomen geheel en afgerond, waagde hij zich aan niets. Hij had een

afkeer van het onverwachte en het onzekere. Daarom had hij, na rijp

overleg, besloten, zich een schitterend doel te stellen--de hand van

Adèle....

De Baron Van Berenvelt stond op de lijst der voor Zuid-Holland

hoogstaangeslagenen in de Rijks directe belastingen. Zijn zeer

aanzienlijk fortuin zou na zijn dood geen al te groote versnippering

ondergaan. Adèle en Albertine waren zijne eenige kinderen. De zaak was

zoo goed »financiëel" als »moreel" van het hoogste gewicht voor hem.

De groote vraag was evenwel, zou Adèle zijn plan begunstigen....

Eene schitterende "carrière" · 第 5 / 17 段