Suze zal naar ons luisteren! Onaangenaamheden zijn er toch al genoeg!"
Mevrouw De Huibert hield zich zwijgend met haar eleganten zomerhoed
bezig, en wachtte tot Betsy mama zou hebben doen bedaren. Mevrouw Muller
Belmonte ging bevende weer zitten, en zei dof:
»Zeg jij het, Betsy!"
»Goed, mama!"
Suze trad zonder de minste ontroering nader, en plaatste zich bij het
venster. Zij keek verstrooid naar buiten.
»Suze!"--begon Betsy,--»gisteren was je nog geen uur weg, toen we een
brief kregen uit Amsterdam van oom Muller. Hij schrijft mama, dat hij
in de eerste plaats de zaak van Bram en Karel in orde heeft gebracht.
Beide jongens zijn gezond en sterk: als ze goed willen oppassen bij het
instructiebataljon te Kampen, zal hij ze zooveel mogelijk helpen. Ze
zijn heel wel tevreden, en hebben beloofd hun best te doen!"
»Dat is ten minste goed nieuws!"--merkte Suze op.
Mevrouw Muller Belmonte bleef beweegloos in elkaar gedoken zitten. Haar
zwager, de Amsterdamsche kolonel, kende den omvang der familierampen
ten volle. Hij had besloten de beide jongens tot onderofficier te doen
opleiden, en ze verder te steunen, zoolang er aan hun gedrag niets
mankeerde.
Betsy wachtte eene poos en ging toen na eene korte aarzeling voort:
»Oom schrijft verder over ons beiden, over mama en mij.... Hij vindt het
vreemd, dat wij te Rijswijk blijven, en dat jij, Suze, naar Den Haag
gaat. Hij had het verstandiger gevonden, als wij al te zaam te Rijswijk
waren gebleven, in de eerste plaats om de kosten...."
Het was nu Suze's beurt het hoofd toornig op te heffen. Snel viel ze
hare zuster in de rede:
»Dat is mijn zaak! Laat hij er buiten blijven! Ik weet wel, dat hij
juist niet met mij dweept .... de brave man heeft principes.... Heel
goed! Maar ik heb hoegenaamd geene verplichting aan hem! Ik verlang, dat
hij mij met rust laat."
»Maar Suze! denk toch, dat mama en ik alleen van zijne mildheid
afhangen! Hij meent het best! Hij zal ons helpen .... hij dacht, dat jij
bij ons zoudt blijven wonen, dan konden we zeer fatsoenlijk leven!"
»Oom Muller mag denken wat hij wil! Daar kan niets van komen! Mijn
plaats is in Den Haag! Ik heb een vast plan, ik wijk er niet van af."
Mevrouw Muller Belmonte had met klimmende verontwaardiging en bittere
gramschap de woorden harer dochters gevolgd. Telkens wilde zij spreken,
telkens bedwong zij met inspanning haar toorn.
Betsy zag Suze met een bedroefden blik aan, en ging voort:
»Oom Muller schreef verder, dat hij hartelijk deelnam in ons ongeluk,
dat hij als toeziende voogd voor Bram en Karel zal zorgen, maar, dat
hij voor mama en mij niet meer dan vijfhonderd gulden in 't jaar kan
afstaan. Hij bekent, dat het heel weinig is, maar hij verwijst naar...."
»Naar mij!"--valt Suze schamper glimlachend in.--»Dat spreekt van zelf!
Ik ben schatrijk! Het moet van mij komen...."
»Neen, niet alleen van jou! Ook van mij!"--zegt Betsy snel.--»Oom Muller
heeft mij nog een goeden raad gegeven. Hij hoorde mij te Amsterdam
piano spelen, en denkt, dat ik buitengewoon vlug en vaardig ben op
dat instrument. En ook omdat ik zeer goed onderwijs heb gehad, voel ik
mij in staat les te geven. Als je me helpen wilt, Suze! dan krijg ik
misschien hier in Den Haag wel lessen, en dan konden wij, als jij ook
wat deedt, mama een gerusten ouden dag bezorgen!"
Betsy bleef een oogenblik op antwoord wachten.
»Dat idee is niet kwaad, Betsy! Reken op mij, ik zal zorgen, dat je
lessen krijgt! Binnen een paar dagen zal ik er werk van maken. Dat
kan heel goed! Maar ik zie geen kans je verder te helpen. Ik kom maar
even rond met wat ik heb. Vaste ondersteuning beloof ik niet! Bij
buitengewone omstandigheden, als je in groote verlegenheid waart, dat
spreekt van zelf, dan...."
Mevrouw Muller Belmonte stond schielijk op. Het gele gelaat was
grauwbleek geworden. Heesch van gramschap viel ze plotseling uit:
»Dank je, Suze! Ik wil geen cent van je aannemen! Ik wist vooraf, dat
het zoo zou gaan! Eens en vooral zweer ik je, dat je geen last meer
van mij hebben zult. Ik heb veel geleden, en zal het wel niet lang meer
maken! Maar zoolang als ik in deze ellendige wereld leven moet, zoolang
zul-je uit mijne oogen blijven! Koud, hebzuchtig, zonder een greintje
gevoel, net als je knappe vader, laat je mij eenvoudig aan mijn lot
over! Heel goed! Geloof niet, dat ik laaghartig genoeg zal zijn, je ooit
weer om hulp te vragen.... Kom, Betsy! Geef me mijn hoed!"
Betsy vatte de van woede sidderende vrouw bij de hand, en vermaande
zacht tot kalmte en vrede.
Maar de verontwaardiging harer moeder was te sterk. Mevrouw Muller
Belmonte ging voort:
»'t Grootste deel van mijn leven heb ik geleden onder een despoot van
een man, die mij iederen dag door zijne opvliegendheid deed beven.
Hoe dikwijls heeft mij dat ongelukkig huwelijk berouwd. Ik leefde heel
gelukkig te Deventer bij mijne ouders. Mijn papa was een braaf dokter.
We hadden het niet ruim, maar we konden toch bestaan. Toen kwam je
vader, een doodarm candidaat-notaris. Hij vroeg me .... uit liefde, zei
hij. Papa was overal geacht en bemind, hij had aan alle kanten van het
land vrienden en relatiën. Mijn handige aanstaande begon dadelijk te
intrigeeren, om door hulp van mijn vader tot notaris benoemd te worden.
Eindelijk gelukte het te Osterwolde. Je vader, die geen cent, maar vrij
wat schulden had, gedroeg zich of hij millionair was. Hij kocht huis,
erve en stalling van zijn voorganger, hij kocht paarden en rijtuigen en
wist op een wonderlijke manier bij iedereen crediet te krijgen. Kostbare
meubels werden aangeschaft, onze huishouding op hoogen voet ingericht.
Als ik me angstig maakte over den last der schulden, lachte je vader
me uit. Hoe hij er zich uit redde, weet ik niet. Zijn uitgaven voor
allerlei onnoodige weelde hebben jaarlijks duizenden en duizenden
verslonden. Zei ik een woord, dan snoerde hij me de mond. Nooit heb ik
iets geweten van den stand zijner zaken. Eens heeft hij in een hevigen
aanval van woede zich verraden, en mij doen merken, dat hij in effecten
speculeerde. Hij had een groot verlies geleden, en deed een zwaren eed,
dat men hem nooit weer zou verschalken.... Of hij zijn woord gehouden
heeft, weet ik niet, maar dit weet ik, dat ik meer dan vijf en twintig
jaren in vrees en onrust en daarbij in weelde en overdaad heb geleefd,
om nu eindelijk tot armoede en schande te komen .... om nu uit de hoogte
behandeld te worden door een dochter, .... die iedereen den rug zou
toekeeren, als de wereld maar wist, wie zij was!"
Mevrouw Muller Belmonte had, sidderend van klimmende ontroering, dan
eens zacht en haperend, dan weer luider en hartstochtelijker gesproken.
Telkens op het punt in tranen los te barsten, beheerschte ze evenwel
hare smart, om bij de laatste woorden met volle kracht van stem en
uitgestrekten rechterarm tegen Suze uit te vallen.
Deze had zeer oplettend naar de voorbijgangers in het Westeinde getuurd.
Een schamper glimlachje krulde hare lippen. Zij keerde zich om, en zei
zeer bedaard:
»De familie beneden zit achter en kan ons gelukkig niet hooren. Anders
zou ik vriendelijk verzoeken wat minder hard te schreeuwen!"
Mevrouw Muller Belmonte antwoordde niet. Met bevende vingeren gaf
ze Betsy hare muts, en repte zich haar hoed op te zetten. Langs de
gerimpelde wang liep een traan, dien ze haastig afwischte. De hoekige,
magere gestalte der oude vrouw kwam scherper uit, naarmate zij zich
driftiger bewoog, voortdurend het hoofd schuddende, terwijl Betsy haar
smeekend iets in 't oor fluisterde.
»Kom, kind!"--sprak ze halfluid, telkens nieuwe tranen
afwisschend.--»Geen minuut langer hier! Kom!"
Er wordt vrij luid op de deur geklopt.
Schoon in de verwarring niemand »binnen!" riep, werd de deur toch
geopend, om toegang te verleenen aan de buigende en glimlachende mevrouw
De Milde.
De waardige dame scheen eenigszins verlegen met hare houding, en stapte
onder groote drukte binnen, zoodat de breede stroogele linten van haar
hoofddeksel in golvende slingering hare bewegingen volgden.
»Neemt het me asjeblieft niet kwalijk, dames!"--sprak ze.--»Ik ben zoo
vrij u even te storen! De dames zullen ons, hoop ik, de eer aandoen hier
te blijven eten?"
Betsy toonde het meest tegenwoordigheid van geest, en antwoordde
oogenblikkelijk:
»Wij zijn u zeer verplicht, mevrouw! Voor van middag hebben we ons woord
al gegeven!"
»Dat spijt me! Het zou ons hoogst aangenaam geweest...."
Suze keerde zich met een beleefden glimlach tot de goedhartige oude
dame, en viel haar in de rede:
»En mij ook, mevrouw! Maar de dames kunnen vandaag onmogelijk. Later
zullen we, hoop ik, van uwe vriendelijke invitatie gebruik maken!"
De drie dames Muller Belmonte bogen zeer deftig. Mevrouw De Milde
begreep, dat het niet fatsoenlijk was langer aan te dringen of te
blijven. Zij voegde hare buigingen bij die van het drietal, en trok
zich onder een vloed van woorden terug. Toen zij de deur der bovenkamer
achter zich sloot, bekroop haar de groote verzoeking even te luisteren,
wat er gezegd zou worden, maar zij durfde niet .... de oude mevrouw
stond op het punt te vertrekken. Daarom wipte mevrouw De Milde vlug naar
beneden, en verscheen zij met een raadselachtig gezicht in de tuinkamer,
waar de drie gezusters nog altijd ijverig aan de wasch bezig waren.
Vragend staarden zij hare moeder aan. Deze zweeg, en ging op hare
gewone plaats zitten. Werktuigelijk grepen de dames ieder een servet
of sloop. Toen bogen de vier hoofden zich tot elkander en begon mama
te fluisteren. 't Scheen of de heeren met de vermiljoenkleurige
»houppelandes" en de dames met de gele zijden »sakken" van het behangsel
nieuwsgierig naar het viertal omzagen, maar men lette er niet op, en de
fluisterende stem werd langzaam luider:
»Ze hadden woorden.... Er werd hard geschreeuwd! 't Was over geld, denk
ik! De oude mevrouw sprak tegen mevrouw De Huibert. Eén ding kon ik
duidelijk verstaan. De oude mevrouw Muller riep: »Als de wereld maar
eens wist, wie je bent!" of zoo iets. Ik klopte aan, omdat ik er niet
meer van hooren wilde, en ik merkte duidelijk, dat er wat aan haperde
.... enfin, dat er hier iets heel geheimzinnigs is. Wat moeten we daar
nu aan doen?"
De drie dames zwegen eene poos.
Willemien was het eerst met een antwoord gereed:
»We moeten het aan den ouden heer vertellen, en die zal beslissen!"
Kee gaf het tweede advies:
»Laat papa er buiten! Hij is in staat er op de sociëteit over te praten,
en dan krijgen we er naderhand last van!"
Jans besloot het debat:
»Jelui begrijpt er niets van. De particuliere zaken van mevrouw De
Huibert gaan ons niet aan! We hebben het bovenkwartier voor een jaar
verhuurd, en dat is de hoofdzaak!"
Niemand antwoordde, en het viertal wijdde zich met dubbelen ijver aan de
wasch.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Bij den Secretaris-generaal.
Donderdag, negen uur des avonds. De duisternis is gevallen over de
residentie. Des namiddags was de hemel door akelige, donkere wolken
verduisterd geworden, alsof een brekebeen in de waterverfschilderkunst
het zwerk met sepia en Oost-Indischen inkt had bemorst. Een onweer,
bliksem en hevige donderslagen volgden. Regenstroomen hadden de
smachtende bladerkronen van den korten Vijverberg overvloedig gedrenkt;
het eilandje ontwaakte uit de doffe dommeling door de felle zonnestralen
van Augustus' laatste dagen over den Vijver als uitgegoten; het
droppelde onder de lindenlaan op het schelpenpad langs het water; de
gaslantaarns werden ontstoken. Nadat de storm had uitgewoed, blies een
koele westenwind over Voorhout en Vijverberg; de starren gluurden langs
de aftrekkende wolkgevaarten; een schoone zomernacht brak aan.
Op den Vijverberg staat een vorstelijk gebouw van drie verdiepingen,
sinds lange jaren eigendom en woonhuis der familie Van Berenvelt. Even
na negen uur klonk de bel herhaaldelijk in de ruime marmeren vestibule.
Vier knechts in galalivrei stonden boven aan eene marmeren trap van vijf
treden, langs de beide zijden van welke schilderachtige heesters en
bloemen prijkten. De lakeien haastten zich de gasten binnen te laten,
en openden de glazen deur boven aan de marmeren trap. Eene helder
verlichte gang, met een dik Turksch tapijt bedekt, en wederom door hoog
opgaande heesters en bloemen getooid, bracht naar het salon, waar de
Baron Van Berenvelt zijn gasten wachtte. Toeval en plicht hadden den
gastheer genoopt midden in den zomer een diner en soirée te geven.
De Belgische regeering had eene commissie van hoofdofficieren der
artillerie afgevaardigd naar Den Haag, Hannover en Kopenhagen, ten
einde wetenschappelijke studiën te maken over eene nieuwe manier van
vuurmonden te gieten. De minister van Oorlog was door ongesteldheid
aan zijne kamer geboeid, de minister van Buitenlandsche Zaken was voor
veertien dagen naar Ems vertrokken. De secretaris-generaal had dus de
»honneurs" van Den Haag tegenover de Belgische heeren op te houden, en
aarzelde geen oogenblik ook in het weinig eigenaardig seizoen eene
vriendenbijeenkomst ten zijnent te noodigen.
Kwartier na negen stond André de Witt op de stoep van Baron Van
Berenvelt. Als adjunct-commies had hij misschien zekeren schroom
behooren te gevoelen, maar inderdaad was hij zoo opgeruimd en kalm,
dat zelfs het grootsche schouwspel der vier galalakeien en de
betoovering der smaakvolle bloemen in de gang hem niets van zijne gewone
geestestegenwoordigheid roofden. André vergat zijne nederige betrekking,
en stapte onverschrokken door, totdat een der dienende grootheden eene
deur opende, en luide galmde.
»De heer De Witt!"
André ontwaarde een zeer ruim vertrek, badende in licht, 't welk
stroomde van twee kristallen lichtkronen en tallooze waskaarsen aan den
wand en bij den marmeren schoorsteenmantel. Hij bemerkte, dat nog twee
salons, evenzoo blakend van licht, zich bij deze zaal aansloten, en dat
eene tamelijk groote menigte dames en heeren--de laatsten verreweg in de
meerderheid--over dit terrein was verspreid. Bij den schoorsteen stond
de gastheer, Baron Van Berenvelt, in ernstig gesprek met twee der
Belgische gasten, beiden in gala-uniform, beiden overdekt met kruisjes
en gulden starren.
André had eigenlijk zeer verlegen moeten zijn, maar met de hem eigen
vrijmoedigheid en opgeruimdheid begaf hij zich zonder aarzelen naar
den heer des huizes. Ongedwongen buigend sprak hij een paar beleefde
woorden, en wilde oogenblikkelijk ter zijde heengaan. Doch de Baron
voorkwam hem en reikte hem even ongedwongen de hand. De gastheer wendde
zich daarop tot eene jonge dame, die achter de kolossale gestalten der
artilleristen als verborgen was, en zei:
»Meneer De Witt! mijne dochter Adèle!"
De Baron vervolgde zijn gesprek met de Belgische gasten, en André
richtte zich tot eene rijzige dame, die zijne buiging rustig
beantwoordde.
Freule Adèle van Berenvelt, de oudste dochter van den
secretaris-generaal, trad als gastvrouw op. De Baron had zijne
echtgenoote vroeg verloren, en sinds dit smartelijk verlies steun en
troost gevonden bij zijne oudste dochter. Adèle was de twintig jaren
voorbij, en niet alleen hoffelijkheid verbood te bepalen, hoe dicht zij
de dertig naderde. Een waas van jeugd en frischheid sierde het ernstige
gelaat, 't welk eer streng dan bevallig zou kunnen genoemd worden, had
niet een paar donkere kijkers, donker en vol schitterend licht tevens,
dien indruk getemperd. Hare slanke figuur was in een eenvoudig kleedje
van bleekblauw neteldoek gehuld. Zij droeg geene sieraden; een breed
zwart fluweelen lint met een diamanten kruis om den blanken hals vormde
eene smaakvolle uitzondering.
Freule Adèle had waarschijnlijk den naam van André nog nooit gehoord,
maar toonde zich zonder den geringsten tegenzin terstond bereid, om
het jonge mensch, door haar vader met een vriendelijken wenk aan haar
voorgesteld, zoo beleefd mogelijk te woord te staan. Misschien--de
veronderstelling is echter gewaagd--stemde André's blijgeestig en
vrijmoedig voorkomen haar tot toegevendheid. André had tijdens zijne
studiejaren te Leiden geleerd menschen te zien. Zijne houding was kalm,
al verried ze soms onbewust eene bescheiden mate van zelfvertrouwen. Hij
sprak niet te luid, maar zorgde toch, dat men hem verstaan kon. Zwarte
rok en witte das stonden hem uitmuntend bij het glanzige hair en den
donkerbruinen krullenden knevel. De eerste de beste schilder zou hem een
»pittoresken" kop hebben toegekend.
Het gesprek was op uiterst heuschen toon begonnen.
De storm van dien middag, het zomerseizoen, de residentie,
buitenlandsche uitstapjes, gaven aanvankelijk stof tot enkele vragen en
antwoorden.
»Men moest eigenlijk niet op reis gaan!"--vervolgde Adèle.--»Den Haag
wordt miskend. Heeft u hier al lang gewoond, meneer De Witt?"
»Een jaar, freule!"
»Tijd genoeg om van Den Haag te houden!"
»Mag ik er nog iets bijvoegen?"
»Zeker, maar geen kwaad van onze lieve stad zeggen!"
»In 't minst niet. Den Haag is een heerlijke stad, maar met een beetje
moeite zou men er een lustoord van kunnen maken. Er is nog lang niet
genoeg partij getrokken van al het mooie, dat men hier voor het grijpen
heeft. De pleinen zijn te kaal...."
»De Zwijger...."
»Pardon.... Mag ik nog even voortgaan? De Zwijger staat op het Plein,
maar wat zou men niet met dat Plein kunnen doen! Men moest de steenen
opbreken, het terrein verhoogen en er een heerlijken bloementuin
aanleggen! Twee springenden fonteinen aan beide zijden van het
standbeeld, kleine marmeren of bronzen statuën te midden van net
onderhouden bloemperken--iets in den geest van het Palais-Royal te
Parijs!"
»'n Charmant idee, maar...."
»Ik zou nog meer willen! Is er poëtischer plekje dan het eilandje in den
Vijver? Een groot Nederlandsch dichter heeft voor ongeveer tien jaren al
gezegd, dat het wit marmeren standbeeld van Constantin Huygens midden
uit het groen van het eilandje moest oprijzen!"
»Allerliefst! Vooral voor menschen, die gezonde en krachtige oogen
hebben, zou Huygens wel voldoen op het eilandje .... maar, dan zou ik
nog een amendement op uw voorstel hebben. Er is nog zooveel plaats op de
Plaats! Zouden wij daar geen ruiterstandbeeld voor den stadhouder Willem
III, Koning van Engeland, kunnen oprichten?"
»Juist! En tegelijk het standbeeld van koning Willem II van het
Buitenhof wegnemen! De held van Quatre-Bras heeft aanspraak op iets
beters!"
»Maar, meneer De Witt! waar zouden we een gemeenteraad vinden, die
zooveel geld zou willen geven, om Den Haag mooier te maken? Ik vrees,
dat we luchtkasteelen bouwen!"
»Luchtkasteelen! Als u daar maar een geschikt architect voor vinden kan,
freule!"
Deze laatste woorden werden uitgesproken door iemand, die een fragment
van het gesprek scheen verstaan te hebben, en nu diep buigend voor
freule Van Berenvelt standhield.
André zag onthutst op. De nieuwe spreker was Jhr. Mr. Van Reelant, de
referendaris aan het departement. In zijn zwarten rok zag deze er zoo
volmaakt deftig en achtenswaardig uit, dat André in zijne verbeelding
het eigenaardig geluid van een kapperschaar meende te hooren en
onwillekeurig de rechterhand aan zijn achterhoofd bracht. Freule Van
Berenvelt antwoordde Van Reelant glimlachend op den toon van goede
bekenden. De referendaris had inderdaad al menig bezoek op den
Vijverberg afgelegd, hij had dien middag bij den Baron »gedineerd", en
zelfs aan de rechterhand van freule Adèle gezeten. Dit alles wist André
niet, evenmin, dat de heer Van Reelant in blakende gunst stond bij den
minister van Buitenlandsche Zaken, en dat Adèle van Berenvelt eenmaal
een vorstelijk vermogen van haar vader zou erven.
Toen Van Reelant zich tot Adèle wendde, had hij in een ondeelbaar
oogenblik André met een minachtenden blik gemeten, en zich behendig zoo
geplaatst, dat hij schijnbaar zonder opzet den jonkman ter zijde drong.
André deed of hij niets bemerkte, en ging glimlachend uit den weg. Hij
kreeg nu gelegenheid de salons van den secretaris-generaal uiterst
bedaard te doorloopen, en een oog te wijden aan de talrijke gasten.
Al de heeren waren in rokken of uniformen: de meesten schenen op zeer
bijzondere verdiensten voor Nederland of andere rijken te kunnen bogen,
daar zij kleine verzamelingen van ridderkruisjes in het knoopsgat
droegen. Een kaal heer met een blozend gezicht droeg een purperrood
commandeurslint om den hals. Hij zat bij een drietal bedaagde dames
in groot toilet, en luisterde naar een buitengewoon lang heer zonder
»decoratiën", maar met een forschen militairen knevel, die vrij luid in
het Fransch eene mededeeling deed, waarover het viertal zich vergunde
zeer piano te lachen. Twee jongere Belgische officieren, secretarissen
der commissie, hadden zich doen voorstellen aan enkele Nederlandsche
jongedames, en vormden eene groep bij een klavier, waarop eene der
jeugdige schoonen verondersteld werd later iets te zullen spelen.
André wandelde door de drie salons te midden der hoffelijk sprekende
gasten, en zag, dat het laatste vertrek uitkwam in eene luchtige
~serre~, die met twee wijdopenstaande deuren naar een »geïllumineerden"
tuin leidde. De koele luchtstroomen van buiten door de ~serre~ naar
de gezelschapszalen zich een weg banend, hadden veelszins bijgedragen
tot tempering der Augustus-warmte. De adem van den nachtwind lokte zoo
verkwikkend, dat André zich haastte enkele trappen, uit de serre naar
den tuin leidend, af te dalen. Een klein clubje van gasten scheen
hetzelfde denkbeeld met hem te deelen. 't Waren eenige jongelui uit
»de wereld", die zich even welstaanshalve op de soirée van Baron
Van Berenvelt vertoonden, die even in 't voorbijgaan een glas wijn
aanvaarden van de buigende lakeien, en naar eene gelegenheid omzagen,
om even ongemerkt eene sigarette te rooken.
André kende niemand onder hen. Hij keerde aanstonds terug. Sommige
blikken waren met eene mengeling van spot en nieuwsgierigheid op hem
gevestigd. De »gedoreerde" jongelingschap maakte zich vroolijk over
de »~crinière de lion~" van dien onbekende. Zij hielden hem voor een
~attaché~ bij een Duitsch gezantschap, en schaterden daarom niet zoo
luid, als ze stellig zouden gedaan hebben, indien ze op de hoogte van
André's »positie" geweest waren.
Toen André in de ~serre~ terugkwam, vond hij eene tweede groep
jongelieden, eveneens »~jeunesse dorée~", rondom den kalen heer met het
blozend gelaat en het commandeurslint geschaard. Een lakei bood bekers
»gefrappeerde" champagne aan, en de jongelui oordeelden het geschikt met
den commandeur een glaasje te drinken. Onder het gezelschap bevond zich
Jonkheer van Bergen Ockenburgh, een aspirant-attaché, die als volontair
aan het ministerie van Buitenlandsche Zaken arbeidde, en door den loop
van den dienst een en ander maal met André had kennis gemaakt. Zoodra
hij André gewaarwerd, sprak hij hem vriendelijk aan, en trok hem in den
kring.
De jongelieden luisterden naar den heer met het commandeurslint, die
eene zeer deftige manier van redeneeren in practijk bracht, en overigens
op de meest beslissende wijze allerlei vraagstukken van ingewikkelden
aard aanroerde. André betrapte zich weldra op eene onweerstaanbare
aanvechting, om de duffe algemeenheden des commandeurs tegen te spreken,
maar wijl hij nog niet aan dien hoogachtbare was voorgesteld, zweeg hij.
Nadat hij zijn verlangen aan Van Berghen Ockenburgh had meegedeeld, trad
deze met André naar den kaalhoofdige, en hoorde men hem zeggen:
»Meneer Gronovius! Mag ik u voorstellen meneer André de Witt, ambtenaar
aan Buitenlandsche Zaken: Meneer Gronovius...."
»Lid van de Tweede Kamer, en overigens genoeg bekend. Laat dat maar
blijven, Van Berghen!"
Met groote jovialiteit had de aangesprokene aldus zich zelven bekend
gemaakt. Oogenblikkelijk daarop zich tot André wendend, gaat hij voort:
»Mag ik eens vragen .... is u die meneer De Witt, die een dissertatie
over het Vrijhandelsstelsel heeft geschreven?"
»Juist, meneer!"
»Een heel knappe dissertatie! Ik maak je m'n compliment!"
»Ik had niet durven hopen, dat mijne dissertatie buiten Leiden gelezen
zou worden!"