Hartogstraatje naar den Kneuterdijk. André was een groot bewonderaar
van de schilderachtige plekken in de residentie. De Vijverberg met
zijne frissche, groene boomen, het eilandje in den Vijver als voor anker
dobberend in den vollen zonnegloed; de daken en schoorsteenen van het
vroegere stadhouderlijke kwartier; het klokkehuisje der oude grafelijke
kapel; de statige woningen aan den Korten Vijverberg, wegschuilend
achter den dichten bladerendos der hooge kastanjes en soms hier of
daar helder verlicht door een gulden zonnestraal--dit alles boeide hem
telkens opnieuw. Terwijl hij naar de Gevangenpoort streefde, prees hij
in stilte de schoonheid van het stadsgezicht, en dacht hij half zuchtend
aan eene donkere kamer, waar hij het grootste deel zijner middaguren zou
gaan slijten! En toch vertraagde hij zijn tred niet, toen hij onder de
grijze, vervallen Gevangenpoort doorgaande het ministerie van
Buitenlandsche Zaken gewaarwerd.
Hij moest dankbaar zijn, dat hij zoo spoedig na zijne promotie eene
eervolle betrekking gevonden had. De geschiedenis zijner plaatsing
aan het ministerie was zeer eenvoudig. André telde vijf jaren, toen
zijn vader predikant te Leiden werd. Hij was in de academiestad groot
geworden, en had zonder vast plan het gymnasium bezocht. Het bleek
binnenkort, dat André een veelbelovend leerling werd. De roep van zijne
merkwaardige vlugheid vergezelde hem naar de academie, en deed hem
eerlang in 't oog vallen. Hoogleeraren van grooten naam moedigden hem
aan. Daar hij de Rechten als zijn lievelingsvak gekozen had, ondanks den
tegenzin zijner ouders, poogde hij al in het begin zijner studiën eene
practische oplossing der ouderlijke bezwaren te ontdekken.
Zijne moeder stierf, toen hij zijn tweede studiejaar begon. Het bezwaar
tegen zijne keus was enkel financiëel. Hoe zou hij in zijn onderhoud
voorzien na zijne promotie, hadden vader en moeder gevraagd. André had
altijd geantwoord: als advocaat! Hij zou inzonderheid burgerlijk recht
en handelsrecht studeeren, hij zou pogen een goeden naam aan de academie
te maken. Dominé De Witt liet André rustig zijn gang gaan na den
dood zijner vrouw. Hij had er later nimmer berouw van. In zijn derde
jaar beantwoordde André in stilte eene prijsvraag der Utrechtsche
hoogeschool. Men vroeg eene »Critiek der bevolkingsleer van Malthus",
en bekroonde met goud een antwoord van een Leidsch student, wiens naam
bleek te zijn André de Witt.
Door deze gelukkige uitkomst aangemoedigd, wijdde de jonkman zich nu
geheel aan staats- en handelswetenschappen, en promoveerde hij in 1852
met eene dissertatie, inhoudende eene »Geschiedenis der theorie van
den vrijen handel sedert Adam Smith." De buitengewone lof, tijdens
zijne bevordering tot doctor in de rechten gewonnen, verhinderde André
niet duidelijk in te zien, dat de vrees zijner ouders bij den aanvang
zijner academische loopbaan min of meer gewettigd werd. Hij verlangde
dadelijk werkzaam te zijn, onmiddellijk in zijn onderhoud te voorzien.
Hij raadpleegde zijne professoren, die hem met buitengewone achting
bejegenden. Zijne dissertatie was door de heeren van het vak bijzonder
geprezen. Men koesterde groote verwachtingen van André. Men ried hem aan
geduld te oefenen, en zijne studiën voort te zetten, maar hij antwoordde
telkens beslist: »Ik kan niet, ik mag niet!"
André wilde aan zijn vader toonen, dat zijne schitterend voltooide
studiën tot eene practische uitkomst hadden geleid. Eén der Leidsche
hoogleeraren, die den jongen doctor met vaderlijke vriendschap steunde,
wist door zijn invloed voor hem eene betrekking van adjunct-commies aan
Buitenlandsche Zaken te verkrijgen. Later zou zich de gelegenheid
voordoen, om bevordering in den staatsdienst te erlangen. André zou
zijne wetenschappelijke loopbaan voortzetten, niemand twijfelde in
Leiden aan zijne toekomst.
Opgeruimd als meestal verscheen André omstreeks halfelf in het
ministerie. Vlug wipte hij eene trap op, vlug bereikte hij, na eene
lange reeks van gangen en kleinere trappen achter zich te hebben
gelaten, de kille kamer, waar hij met een lotgenoot dagelijks arbeidde.
Hij vond er niemand, zijn collega was nog niet verschenen. André zette
zich voor zijn lessenaar en opende de laden waaruit hij stukken in groot
folio-formaat te voorschijn bracht. Daarna rangschikte hij stapels
papieren, en sloeg hij verschillende groote portefeuilles open, die in
goede orde naast hem klaar lagen. Hij begon daarna zich in de lezing van
geschreven rapporten te verdiepen, en arbeidde in stilte een uur.
Toen klonken er zware schreden in de gang, die naar zijne kamer leidde.
Het gedruisch hield voor zijne deur stil, en onmiddellijk daarop
vertoonde zich, in eene vale zwarte jas, met een verschoten zwart
fluweelen kalotje, eene schrale figuur, die op plechtigen toon zeide:
»Meneer De Witt! De secretaris-generaal vraagt naar u!"
André sprong snel op. Een blos kleurde zijne wangen. In vliegende haast
greep hij eenige papieren. De bode had zich langzaam met luide schreden
verwijderd. André snelt hem na door eene reeks van nauwe gangen, klimt
trappen op en af, en bevindt zich eindelijk in een smal vertrek, een
soort van wachtkamer voor hen, die den secretaris-generaal wenschen
te spreken. De bode opent de buitendeur en daarna de binnendeur, die
toegang geeft tot de kamer van den secretaris-generaal.
André treedt binnen. Ook dit vertrek is klein, maar maakt een deftigen
indruk door een groot schrijfbureel en eene hooge boekenkast met
gesloten deuren aan den muur. Voor het schrijfbureel met den rug naar de
deur zit baron Van Berenvelt, secretaris-generaal. Hij wendt het hoofd
om, en keert zich tot André.
Baron Van Berenvelt is een grijsaard met een innemend, open gelaat.
Voorhoofd en schedel zijn geheel kaal. Eenige dunne, zilveren
krullen aan beide slapen verhoogen den indruk van statigheid en
eerbiedwaardigheid, die van zijn persoon uitgaat. In het knoopsgat
zijner zwarte jas schemert flauw een gekleurd lintje, doch zoo
bescheiden, dat het nauwelijks mogelijk is te ontdekken van welke
binnen- of buitenlandsche orde hij ridder is.
Zoodra hij André heeft zien binnenkomen, schuift hij zijn zetel wat om,
en beantwoordt hij den eerbiedigen groet van den adjunct-commies. Eene
kleine hoffelijke beweging met de rechterhand vergunt André te gaan
zitten op een stoel bij het schrijfbureel. Daarna grijpt het volgende
gesprek plaats:
»Meneer De Witt! Ik wenschte u even te spreken! Binnen een paar dagen
behooren de rapporten van onze consuls in de Portugeesche en Spaansche
zeehavens gereed te zijn, om ze in onze »Verzameling van consulaire en
andere Bescheiden" te kunnen plaatsen! Ook moet er een excerpt voor de
dagbladen van gemaakt worden. Mag ik vragen, of u er mee klaar is?"
»Ik ben bijna klaar! Er was vrij wat aan te doen! Mag ik u beleefd om
nog één dag uitstel vragen? Morgen zal ik u de stukken komen brengen!"
»Ik heb geen bezwaar tegen één dag uitstel. Maar ik reken dan morgen
stellig op de stukken, meneer De Witt!"
»Ik zal niet mankeeren, meneer Van Berenvelt!"
»Uitstekend! Vergun mij u te zeggen, dat u mij bijzonder zou verplichten
dergelijk werk zoo snel mogelijk af te doen! Er is nog het een en ander,
dat op u wacht!"
Een lastige blos trok over André's wangen en voorhoofd. De uitnemend
beleefde toon van den secretaris-generaal deed hem te levendiger
gevoelen, dat hij meer ijver en spoed bij de hem opgedragen taak had
kunnen aan den dag leggen, maar hij herstelde zich, en het onderhoud
werd voortgezet:
»Het spijt mij zeer, dat ik u heb laten wachten!.... In het vervolg zal
dat niet meer gebeuren! Ik heb misschien wat te veel tijd besteed aan
het uitvoerig rapport van onzen consul te Lissabon....."
»Dat kan ik u niet kwalijk nemen! Goed werk kost tijd, maar overdrijving
schaadt! Tot nog toe heb ik uw arbeid met plezier gevolgd! Een ziertje
meer vlugheid .... dat is het alleen!"
»Ik zal uw wenk met den meesten ernst ter hart nemen, meneer Van
Berenvelt!"
»Daar twijfel ik niet aan! Professor Van Dam heeft u zeer dringend bij
mij aanbevolen! Uwe loopbaan aan de universiteit was zeer eervol, meneer
De Witt! Ik ben vast overtuigd, dat het u niet minder goed zal gaan in
uwe ~carrière~ als ambtenaar!"
Op dit oogenblik kwam de bode geheimzinnig om den hoek gluren, en
murmelde iets binnensmonds. De secretaris-generaal knikte.
André stond op.
»Meneer De Witt!"--ging baron Van Berenvelt voort.--»Het is al vrij
lang geleden, dat u zich de moeite getroostte mij eene visite te maken,
om me den brief van professor Van Dam te overhandigen. Aanstaanden
Donderdagavond verwacht ik eenige vrienden. Zal ik dan het genoegen
hebben u bij mij te zien?"
André stamelt verrast een toestemmend antwoord, en haast zich afscheid
te nemen. Baron Van Berenvelt reikte den jonkman met de vriendelijkste
voorkomendheid de hand. André was diep getroffen. Toen hij nu bijna een
jaar geleden naar Den Haag kwam met aanbevelingsbrieven van professor
Van Dam, had hij ze persoonlijk den minister en den secretaris-generaal
ter hand gesteld. Hij herinnerde zich hoe minzaam de heer Van Berenvelt
toen eene poos met hem sprak, maar hij had er nimmer aan gedacht, dat
hem de eer eener uitnoodiging bij den secretaris-generaal zou ten deel
vallen.
Terwijl hij de deur nadert, wordt deze geopend.
Een hoofdambtenaar, aan wien André eenige weken geleden vluchtig was
voorgesteld, treedt binnen. Deze heer wierp hem in het voorbijgaan een
scherpen, uitdagenden blik toe. Hij beantwoordde dien blik onversaagd,
terwijl het hem plotseling te binnen schoot, dat die heer Van Reelant
heette, en voor een paar maanden tot referendaris bij het ministerie
benoemd was.
Zoodra André vertrokken was, stond de secretaris-generaal van zijn
stoel op, om Van Reelant met bijzondere hoffelijkheid te ontvangen. Deze
laatste had eene lijvige portefeuille met stukken onder den arm, en nam
zwijgend plaats. Hij dacht een oogenblik na, en zeide toen op beleefden,
half gemeenzamen toon:
»Nu kan ik mij den naam niet meer herinneren van dat jonge mensch, dat
daar juist heenging .... hij is adjunct-commies, niet waar?"
»Zijn naam is De Witt! Een jong en veelbelovend ambtenaar!"
»Dat zou men aan zijn uiterlijk niet zeggen!"
»Waarom niet?"
»Hij ziet er uit als een schilder, die zijne aquarellen niet aan den man
kan brengen, of als een tooneelspeler uit een provinciaal stadje van den
tweeden rang!"
Naar waarheid moet bekend worden, dat Van Reelant zich altijd in het
statigste zwart had gekleed, sinds hij den drempel van het ministerie
had overschreden, en dat hij omtrent de waardigheid en het »decorum"
dergenen, die de eer hadden den staat te dienen, zeer strenge begrippen
koesterde.
Baron Van Berenvelt glimlachte vergoelijkend, en antwoordde:
»De jonge De Witt komt uit Leiden, en is van zeer fatsoenlijke familie.
Hij werd mij bijzonder aanbevolen door de Leidsche professoren der
rechtsgeleerde faculteit!"
»O, ik twijfel niet aan zijne capaciteiten, als u het mij verzekert,
meneer Van Berenvelt! Maar op het eerste gezicht vond ik dat jonge
mensch met zijne krullende hairen en grijze slobkousen wat vreemd."
»Mijn waarde Van Reelant .... dat is een vooroordeel! Die kleine
eigenaardigheden zullen u niet meer hinderen, als u weet, hoe uitstekend
datzelfde jonge mensch heeft gestudeerd. Zijne dissertatie heeft
~époque~ gemaakt. Hij is een zeer degelijk econoom. Voor eenige dagen
kreeg ik een brief van Van Dam. U heeft ook te Leiden gestudeerd en
weet, dat Van Dam niet licht overdrijft, als hij iemand prijst. Hij
beveelt mij den jongen De Witt bij herhaling aan, en wenscht, dat hem
de gelegenheid worde geboden iets degelijks te doen!"
Van Reelant buigt zeer wellevend, en opent zijne portefeuille.
»Ik dank u zeer voor uwe inlichtingen!"--herneemt hij ernstig.--»Als
men vreemdeling is, en pas begint zooals ik, kan men niet voorzichtig
genoeg zijn. In dit opzicht ben ik u al zooveel verplicht, meneer Van
Berenvelt!"
»Juist, en daarom overstelpt u mij weer met macht van stukken!"
De secretaris-generaal neemt glimlachend een bundel schrifturen aan, en
zet zijn gouden lorgnet op, om den inhoud er van te doorloopen.
VIERDE HOOFDSTUK.
Noodzakelijke verklaringen.
Maandag. Halftien. De lange, zonnige straat, bij de ingezetenen der
residentie als het lage Westeinde bekend, onderscheidt zich aan de
zuidoostzijde door eene reeks van deftige burgerhuizen, die met hare
drie verdiepingen en somtijds met hare fraaie tuinen den bewoners
eene benijdenswaardige ruimte aanbieden. Op een der deurposten van
dergelijk woonhuis stond met groote, zwarte letters de naam ~De Milde~.
Binnentredende strekte zich eene lange gang voor den bezoeker uit.
In den regel wees men dezen de tuinkamer, de laatste deur links. Daar
vereenigden zich de dames De Milde meestal na de koffie, en ontvingen
zij vele bezoeken van familiare vrienden en kennissen.
De tuinkamer was een ouderwetsch, maar aangenaam vertrek. De muren
pronkten met een geschilderd behang, dat uit het laatst der vorige eeuw
dagteekende, en een ideaal landschap vol prachtige villa's en lustig
kronkelende stroomen voorstelde, terwijl ettelijke ruiters, rijtuigen
en voetgangers de wegen stoffeerden. De heeren op den muur waren
meest voorzien van witgepoeierde staartpruiken en vermiljoenkleurige
»houppelandes", de dames van lichtgele zijden »sakken" en zwarte
»mitaines." De beide vensters zagen op een mooien tuin van oud model met
meer vruchtboomen dan bloembedden en eenige zwaar belommerde priëeltjes,
waar de familie des namiddags placht thee te drinken. Nu stonden de
beide ramen wijd open en werd de kille atmosfeer der tuinkamer getemperd
door de warme luchtstroomen, die naar binnen drongen. De drie oudste
gezusters, Kee, Jans en Willemien hadden nog geen toilet willen maken,
daar ze de wasch moesten doen. De twee jongsten, Rosa en Louise,
genoten van de groote vacantie en waren uit logeeren bij eene tante in
Gelderland. Mama De Milde was gekleed, 't geen in het onderhavige geval
zeggen wilde, dat de kleine, bedrijvige huismoeder eene donkerbruine
japon vol vetvlakken en een vervaarlijke muts met splinternieuw
stroogeel lint droeg.
De dames waren in druk gesprek.
»Ze is na de koffie uitgegaan, en heeft tegen Aaltje gezegd, dat ze om
drie uren zou terugkomen!"--roept Willemien.
»Ze had een anderen hoed op, dan gisteren!"--zegt Jans.
»Die zat zeker in een van de drie groote koffers, die van morgen gekomen
zijn!"--meende Kee.
»Heel beleefd vind ik ze niet!"--zegt mevrouw De Milde met eene schorre,
maar toch zeer luide stem.--»Ze heeft papa van morgen laten roepen, en
wat zou je denken, dat ze vroeg...."
»Een spionnetje voor het middelste raam boven!"--giste Jans.
»'t Lijkt er niet naar!"--antwoordt mama nog luider.--»Ze wou een
huissleutel!"
Algemeene ontsteltenis. Velerlei uitroepingen volgen.
Mevrouw De Milde herneemt:
»Ze heeft een huissleutel gevraagd! Ze zei, dat ze ons niet graag wou
hinderen, en zelf niet graag op de stoep wou blijven wachten, als ze
thuis kwam. Papa heeft haar dadelijk den kleinste van onze beide
huissleutels gegeven!"
»Net een man!"--riep Willemien.
»En trotsch ook!"--zei Jans.--»Gistermiddag, toen Aaltje haar voor het
eerst bediende, heeft ze geen woord met de meid gesproken, en uit een
boek, dat naast haar bord lag, gelezen!"
»Ik zou wel eens willen weten, wie ze hier kent!"--meende Kee.--»Laatst
zei ze, dat ze heel vreemd was in Den Haag, en gisteren reed ze door het
bosch langs de tent. Dat vind ik geheimzinnig!"
Al de dames schudden het hoofd, en zwegen eene poos, omdat ze moesten
nadenken over zoovele gewichtige feiten, als zich sedert de laatste
dagen in haar kleinen kring hadden voorgedaan. De nieuwe huisgenoote,
mevrouw De Huibert, was het groote onderwerp van haar gesprek. Ze
stelden elkaar eene menigte vragen, die ze geen van allen konden
beantwoorden. Waar kwam mevrouw De Huibert eigenlijk vandaan? Had ze
altijd te Rijswijk gewoond? Zij was natuurlijk weduwe, want ze kleedde
zich in den rouw. Ze sprak niet veel--zou ze iets hebben te verbergen?
Gisteren had ze den geheelen Zondagnamiddag stil zitten te lezen en thee
te drinken; daarna had ze een poosje loopen wandelen door hare kamers en
was vroeg naar bed gegaan--dit alles hadden de jonge dames duidelijk
kunnen merken.
»Ja, maar met al dat praten komt de wasch niet klaar!"--waarschuwde
mama.--»Me dunkt, ze had van morgen, voor ze uitging, ons wel even
kunnen goeiendag zeggen! We zijn fatsoenlijke menschen, en verhuren onze
kamers niet aan Jan en alleman!"
In de gang had de huisbel zeer luid geklonken. Aaltje, de gedienstige
geest van den huize, die de belangrijke »functiën" van keuken-, kamer-
en loopmeid op voortreffelijke wijze »cumuleerde", als de heer De Milde
gewoon was te zeggen, trad haastig binnen, en riep met van
nieuwsgierigheid tintelende oogen:
»Daar is mevrouw en de juffrouw Muller! Ze vragen naar mevrouw boven.
Ik heb gezegd, alsdat mevrouw om drie uur thuis komt...."
De vier dames De Milde steken de hoofden bijeen. Zij branden van
verlangen moeder en zuster van hare nieuwe huisgenoote nader te leeren
kennen. Maar de meisjes zijn ongekleed, ze zien er al te huiselijk uit
met hare verschoten katoenen japonnen. »Mama is gekleed, mama zal
gaan...."
In een paar seconden heeft mevrouw De Milde de donkere suite, die
op de tuinkamer volgt, achter den rug en opent zij de deur van een
ruim voorvertrek, waar men plechtige visites ontvangt. Mevrouw Muller
Belmonte en Betsy zitten er zwijgend te wachten. Mama De Milde plooit
hare alledaagsche trekken tot den minnelijksten glimlach, en buigt hare
onwelluidende stem tot den vriendelijksten klank, terwijl zij zegt:
»Het spijt me zeer, dames! Mevrouw De Huibert is uitgegaan, maar komt
tegen drie uren thuis. Misschien zullen de dames wel een oogenblik
geduld hebben...."
Mevrouw Muller Belmonte staat van haar stoel op. Haar bleek gelaat heeft
eene wasachtig gele tint aangenomen; de groeven rondom neus en mond zijn
dieper geworden: het dunne hair aan de slapen vertoont eene onoogelijke
mengeling van grijs en geel. Zij spreekt zacht en bescheiden:
»Als u het ons permitteert, mevrouw! dan zullen we boven op Suze's kamer
wachten!"
»Met het meeste plezier! De dames komen zeker wandelen van Rijswijk? Kan
ik u met iets dienen? Wat zullen de dames gebruiken?"
»Dank u zeer, Mevrouw?"
»Een glaasje madera met water en suiker, niet waar?"
»Neen, dank u, heusch!"
De beide wandelaarsters uit Rijswijk hadden veel van de zon geleden, en
zouden gaarne iets koels gedronken hebben, maar fatsoen en overleg beide
deden haar het gulle aanbod afslaan. Zij wilden de kennismaking met de
vrouw des huizes niet terstond voortzetten, en waren recht tevreden,
toen deze spraakzame dame haar den weg naar Suze's bovenkamer gewezen,
en eindelijk alleen gelaten had.
Het ruime vertrek zag met twee ramen op het Westeinde uit, en was door
de familie De Milde van de fraaiste meubelen uit de benedenverdieping
voorzien. Er lag een nieuw donkerbruin kleed op den vloer en de
trekgordijnen voor de vensters waren gloednieuw.
Betsy legde hoed en mantille ter zijde. Hadden kennissen uit Osterwolde
haar hier ontmoet, zij zouden eene merkwaardige verandering in haar
voorkomen hebben ontdekt. Haar oogopslag was zachter en vriendelijker
geworden, zoodat hare mooie blauwe oogen beter uitkwamen. Zij had het
donkerblonde hair evenals Suze in lange krullen opgemaakt, en misschien
ook daardoor aan haar knap kopje een tintje van gemoedelijkheid gegeven,
volkomen in tegenspraak met het trotsch en ontevreden voorkomen van
voorheen. Mevrouw Muller Belmonte was zuchtend ineengezonken op haar
stoel. Haar gelaat drukte vermoeidheid, zorg, bittere teleurstelling
uit. Betsy liep de kamer op en neer, en stond stil voor een paar
staalgravuren, die de Dom te Keulen en de Nôtre-Dame te Parijs
voorstelden. Eindelijk wordt zij getroffen door de lijdende gestalte van
hare moeder. Zij komt langzaam terug van den wand, en zegt vriendelijk:
»Mama! mag ik uw hoed wegleggen? U heeft het te warm! Geneer u toch niet
.... wij zijn bij Suze!"
»Bij Suze! Nu ja .... maar als ze straks thuis komt, is ze misschien
heel ontevreden.... Ik verwacht niets van haar...."
»Geef de hoop niet op, mama! Ze is bij de hand, ze weet raad! Het
voornaamste is, dat ze ons plan goedkeurt!"
»Goedkeuren is niet genoeg! Ze moet ons helpen!"
»En dat zal ze ook!"
»Och, Betsy! Heb jij nog illusies over je zuster? Ze is net als papa
was, want ze zorgt alleen voor zich zelve! Suze is handig genoeg, dat is
waar.... Och kom, stel je maar voor, dat we een vergeefsche reis gemaakt
hebben!"
Mevrouw Muller Belmonte zuchtte diep. De uitdrukking van troostelooze
ellende op haar gelaat, de diepe plooien om hare kleurlooze lippen, de
doffe oogen .... alles sprak van eene knagende smart, deels zelfverwijt,
deels ergernis over haar ongeluk.
Betsy had zwijgend haar den hoed afgenomen. Uit een reistaschje nam zij
eene eenvoudige muts met donkerblauw lint, Mevrouw Muller Belmonte stond
op, en liet zich door hare dochter helpen.
»Kom, mama! We zullen het hoofd omhoog en moed houden, niet waar? Reken
op mij, ik zal voor u werken...."
Betsy's stem klonk zachter en vriendelijker dan vroeger. De tegenspoed
droeg ééne goede vrucht althans--hij neigde het hart van het jonge
meisje tot ootmoedig medelijden met hare zwaar beproefde moeder.
Mevrouw Muller Belmonte drukte Betsy zwijgend de hand. Zij voegde er met
bevende stem bij:
»Ja, kindlief! Ik weet het wel! Jij bent heel lief voor me geweest ....
sedert dien verschrikkelijken nacht. Ik heb op de wereld niemand anders
dan jou.... Wij moeten ons best doen, nu we doodarm zijn, een klein
stukje brood te verdienen.... Maar hard te werken en afhankelijk te zijn
van Suze, die!.... die.... O God! dat vind ik ondragelijk!"
»Niet overdrijven, mama! We kunnen Suze misschien wel missen, als we
maar saam dapper de handen uit de mouw steken!"
Mevrouw Muller Belmonte boog het hoofd. Het denkbeeld, dat ze tegen
onverdiende armoede zou moeten worstelen op hare jaren, maakte haar diep
ongelukkig. Zwijgend ging zij weer naar haar stoel. Hare oogen waren
vochtig geworden. Zij wilde naar Betsy's vriendelijken raad hooren, en
toch kon zij niet geheel met de verstandige plannen van haar jongste
kind instemmen.
Een haastige tred klonk bij de deur.
Suze trad binnen. Of de Haagsche zomerlucht haar een blos op de wangen
tooverde, of het smaakvol toilet, lichte rouw, haar buitengewoon goed
stond, dit althans was zeker, dat ze er ongemeen bevallig uitzag. Toen
ze haar moeder en zuster zag, fronste ze even de wenkbrauwen. Kalm begon
ze:
»Jelui hier?"
»Ja, Suze! We moeten je het een en ander vertellen, en over een paar
punten met je overleggen!"
Mevrouw Muller Belmonte had gepoogd vriendelijk en voorkomend te
spreken. Ze had niemand bekend, welk een heimelijke toorn er voortdurend
woedde in haar binnenste. Den dood van haar man, het schandelijk
bankroet, de verachting van heel Osterwolde, had zij kunnen trotseeren,
wanneer hare dochter, mevrouw De Huibert van Vliethuysen, zich niet als
eene gemeene deern had laten wegjagen uit de echtelijke woning.
Suze vermoedde niet in 't minst, wat er bij hare moeder omging. Ze
antwoordde uit de hoogte:
»We hadden immers afgesproken, dat jelui Zondagsmorgens bij mij zoudt
komen koffiedrinken! Is er nu zoo'n haast?"
»Ik begrijp, dat je ons heel best kunt missen, Suze! Schikt het je niet
ons te hooren, dan zullen we onmiddellijk weer heengaan!"
»Zooals u verkiest! Ik heb geen lust, om dadelijk weer te kijven...."
Maar Betsy treedt snel naar Suze toe. Zij fluistert haar iets in 't oor.
Mevrouw Muller Belmonte heeft met vonkenschietende oogen zich opgericht.
»Kijven! Het past je niet tegenover mij dat woord te gebruiken! Kom,
Betsy! Laat ons gaan!"
Maar Betsy, die sedert den noodlottigen nacht, toen haar vader stierf,
reeds menig moeielijk oogenblik met hare moeder en oudste zuster had
doorgebracht, Betsy wendt zich tot de eerste, en zegt: