deze schrandere staatsambtenaar des Zondags déjeuneerde. In de week
moest hij zich vergenoegen met een paar broodjes, die de oude, deftige
Anna, meid en huishoudster van den hofleverancier beneden, voor hem
klaarmaakte. Zijn dienstijver aan het ministerie van Buitenlandsche
Zaken gedoogde niet, dat hij zich een oogenblik verwijderde.
Bovengenoemd kabinetje zag met één raam op de Hoogstraat uit en
onderscheidde zich door een zeer gemakkelijken divan en een drietal
kostbare fauteuils, alles met keurig nieuw blauw damast bekleed.
Eene ronde tafel voor den divan prijkte met koffie; een buffet op den
achtergrond verried, dat Anna voor brood, wijn en eene koude kip gezorgd
had.
»Mag ik de honneurs waarnemen, Arnold?"--vroeg Suze, toen beiden zich
aan de tafel van het gezellig vertrek hadden neergezet.
Van Reelant drukte haar met stralende oogen de hand. En aanstonds nam
Suze het beheer over alles, terwijl ze tevreden glimlachte. Ze prees de
koffie, schonk voor Van Reelant een glas wijn, en bracht leven en gloed
in het anders zoo eenzame kabinetje. Toen het déjeuner was afgeloopen,
sprong ze uit haar fauteuil, en zette zich bij hem op den divan. Kalm
sprak ze toen:
»Arnold! Nu moet ik alles eens bedaard met je overleggen! Kunnen we
gestoord worden?"
»Neen! Ik heb mijn oude gedienstige vacantie gegeven, en ik verwacht van
niemand visite!"
»Heel goed! Als je rooken wilt, geneer je niet. Uit mijn brieven ken je
mijn toestand. Nadat mama met Betsy en mij een paar weken te Amsterdam
bij oom Muller, den kolonel, had gelogeerd, begon ik de handen uit de
mouw te steken. Al de ellende van den laatsten tijd had mij haast
bedwelmd. Maar wat het meest mij drukte, was de schande van nu op kosten
der familie te moeten leven. Mijn oom, de kolonel, is rijk door zijne
vrouw--hij toonde zich zeer hartelijk, maar .... dat kon zoo niet
blijven. Snel heb ik mijn plan ten uitvoer gebracht. Ik schreef naar
Osterwolde aan Wigbold de Huibert...."
Van Reelant zag hevig verschrikt op. Maar voor hij een woord spreken
kon, ging Suze voort:
»Laat mij uitspreken! Ik wist wat ik deed. De beide De Huiberts
wenschen, dat niemand ons geheim zal kennen. De menschen in Osterwolde
gissen nog in den blinde. Ze denken, dat Onno zich den plotselingen
dood van papa en alles wat daarbij moest uitkomen, zoo sterk heeft
aangetrokken, dat hij niet meer op Lindenstein wil blijven wonen. Ik
heb Wigbold geschreven, dat ik scheiding eischte...."
»Suze!"
»Luister dan toch eerst! Ik wist, dat hij het afslaan zou.... Maar ik
verlangde onderstand, ik wilde fatsoenlijk leven, als mijn naam mevrouw
De Huibert zou blijven .... en ik heb gekregen wat ik vroeg!"
Suze sprak haperend, met neergeslagen oogen. Zij vreesde voor den indruk
van deze laatste woorden.
Maar Van Reelant bleef afgetrokken zwijgen.
Zijne misdadige betrekking tot De Huibert's echtgenoote zou een geheim
blijven. Hij had het grootste belang dit geheim te helpen bewaren. Dat
Suze, nu hare familie tot den bedelstaf was gezonken, steun had durven
vragen bij den broeder van den bedrogen Onno, scheen hem vermetel ....
maar hij durfde geene tegenwerping maken. Hij dacht aan den steun, die
er misschien van hem zou kunnen gevorderd worden .... hij dacht aan
zijne toekomst....
Suze schuift nader tot hem, en legt de linkerhand op zijn schouder.
»Ben je boos, Arnold?"--vraagt ze.--»O, misken me niet! Ik deed het in
je belang, ik deed het, omdat ik je liefheb! Ik wilde geen schrikbeeld,
geen levend verwijt voor je zijn. Ik wilde je terugzien, maar zonder
je een enkel oogenblik tot last te worden. Liever zou ik mijn hand
afkappen, dan ze uit te strekken naar den man, wiens liefde mijn eenige
schat is! Eén ding alleen wilde ik bereiken, de mogelijkheid je van tijd
tot tijd in stilte te zien en te spreken!"
Van Reelant voelde den zachten druk harer hand op zijn schouder! de geur
harer lokken omzweefde hem; de donkere oogen keken hem ernstig vragend
aan. In stilte wilde zij hem komen zien en spreken, dat was alles. Er
ging een licht voor hem op. Plotseling wierp hij alle bekommering van
zich af. Ondanks zijne zelfbeheersching klonk er hartstocht in zijne
stem, toen hij vroeg:
»Je hebt me dan wel boven alles lief, Suze? Kan ik op je rekenen, ook
hier .... nu alles zoo heel anders is?"
De jonge vrouw rees omhoog uit hare gebogen houding. Haar gelaat werd
bleeker, hare oogen schitterden vuriger. Bijna fluisterend antwoordde
ze:
»Arnold! Je weet, dat ik je liefheb! Je moogt het mij niet vragen. Als
je nog een nieuw bewijs noodig hebt, stel me dan op de proef! Vorder van
me, wat je wilt! Ik zal gehoorzamen!"
»Goed! Ik geloof je! Ik weet, dat je de waarheid spreekt! En nu ga ik
je op de proef stellen, Suze! Onze toestand is hier in Den Haag anders,
heel anders dan in Osterwolde. Ik heb het in mijn macht hier zeer snel
carrière te maken. Maar een ding is hoofdvereischte, ik moet...."
Suze belette hem voort te gaan. Zij sloeg de beide armen om zijn hals,
en begon luid te lachen.
Van Reelant ziet haar verwonderd aan. Steeds glimlachend gaat zij voort:
»Neen, Arnold! Dat weet ik al lang! Ik ben op de hoogte! Je carrière
en ik, we zullen goede vrienden blijven! Je hebt eenmaal gezegd: mijne
vooruitzichten en mijn toekomst behooren jou, Suze. Denk je dan, dat ik
geen zorg zou dragen voor die beide? Je moet vooruit, Arnold! Ik zal je
steunen! Referendaris is heel goed, om te beginnen, maar dat is niet
genoeg. Hier in Den Haag vind je een heerlijken, breeden weg, die naar
hooger leidt. Als je wilt, zul je er komen!"
Luid klopte het hart van den kalmen man, toen hij onder den indruk dezer
betooverende woorden Suze's beide handen tot verbrijzelens toe in de
zijne drukte. Met een pijnlijk lachje trok ze hare handen terug, en ging
voort te spreken op onachtzamen toon, alsof de zaak hare belangstelling
niet verdiende:
»Uit je brieven heb ik gezien, dat je hier heel verstandig begonnen
bent! Wil je mijne opinie weten, ga dan zoo voort. Neem je betrekking
met nog grooter ijver waar, als het mogelijk is. Maak kennis met al wat
invloed heeft, of in de hoogste kringen leeft. En bovenal, maak een
program voor je toekomst. Kies je de politiek, goed; maar zeg dan tot je
zelven: ik wil lid van de Tweede Kamer, ik wil minister worden, en houdt
er je van den morgen tot den avond mee bezig!"
Van Reelant zag de knappe spreekster met de hoogste ingenomenheid aan.
Hij schaamde zich over zijne vroegere bezwaren en zijne lafhartige
vrees. Hij boog het hoofd in verwarring, en greep Suze's rechterhand,
terwijl hij de blanke vingers aan zijne lippen bracht, alsof hij
vergiffenis wilde vragen voor de drift, waarmee hij ze een oogenblik te
voren had gedrukt.
Suze zweeg eene poos, en zei op sneller en luider toon:
»Daar was nog meer uit je brieven te lezen tusschen de regels, Arnold!
Ik had recht er boos over te zijn, maar ik wilde niet--het kwam van
jou! Ik las, dat de heer Van Reelant in Den Haag niet gaarne zou willen
weten, wat zooal gebeurde, toen hij nog griffier van het kantongerecht
te Osterwolde was. Ik las, dat hij zich angstig begon te maken voor de
gevolgen, en maar half voldaan was over de komst van het dwaze schepsel,
dat zich aan hem gewijd en gegeven had met lijf en ziel!"
Van Reelant werd doodsbleek. Hij strekte beide handen naar haar uit, en
poogde te spreken. Maar Suze voorkomt hem. Zachtkens glijdt ze van den
divan op hare knieën. Hare oogen vullen zich met tranen. Zij grijpt de
rechterhand van den jonkman, en zegt heftig:
»Nu moet ik het weten! Zeg het mij zonder uitvluchten! Wees nu oprecht
en eerlijk, Arnold! Mijne toekomst staat op het spel. Laat mij alles
mogen zeggen! Buiten jou, Arnold! heeft het leven voor mij geen waarde.
Ik ben verloren, wanneer het nu uitkomt, dat je me niet meer liefhebt.
Maar zeg het mij ten minste, als het zoo is! Zooveel oprechtheid en
erkentelijkheid ben je me schuldig! Het idee voort te leven in een droom
van geluk, die binnenkort zou moeten blijken ijdel te zijn geweest, is
mij ondragelijk! Op dit oogenblik zou ik mijn vonnis met kalmte kunnen
hooren .... ik ben op alles voorbereid .... maar later niet, Arnold!
later niet."
Van Reelant was getroffen door den hoogen ernst, uit hare trekken en
stem sprekend. Zij had hare oogen met zulk eene angstige spanning tot
hem opgeslagen, dat hij een pijnlijk gevoel, naar wroeging zweemend,
ternauwernood kon onderdrukken. IJlings heft hij haar van den grond,
klemt haar in beide armen, en fluistert de vurigste woorden van
liefde....
De oogen geloken, met tranen op de wangen, en toch glimlachend van
gadelooze zaligheid, luisterde Suze. Zij had veel gewaagd en alles
gewonnen. Niemand zou haar nu in hare rechten op Van Reelant kunnen
aantasten. En daarenboven, zij twijfelde nu niet meer. Zij kende de
macht van haar persoonlijken invloed, maar had, door onverschrokken over
haren toestand na te denken, er al de dubbelzinnigheden en gevaren van
doorzien.
Er verliep een oogenblik van onbeschrijfelijk geluk.
Suze bleef luisteren, en Van Reelant spreken. De betoovering was
volkomen. Suze's bekoorlijkheid, Suze's groote liefde hielden hem als
gevangen. Van hare zijde zou nimmer eenig gevaar dreigen, redeneerde de
zelfzucht, en daarom stelde zij zich zonder vrees onder den schepter der
zinnenweelde.
Doch Suze wikkelt zich zacht uit zijne armen los, en zegt:
»Nu moeten we eens verstandig afspreken, wanneer je mij het best
audiëntie zult kunnen geven, Arnold! Ik geloof haast, dat je het idee,
om mij te komen zien in het Westeinde, weinig bekoort!"
Van Reelant vraagt naar de familie De Milde, en verneemt, dat het gezin
uit vijf dochters, eene druk babbelende moeder en een zeer luidruchtigen
vader bestaat.
»Mij dunkt, dat we die menschen buiten onze zaken moeten houden
liefste!"--oordeelt Van Reelant.--»Haagsche familiën uit de
~bourgeoisie~ hebben de gewoonte verbazend nieuwsgierig te zijn, en
niet te rusten, voordat zij op de eene of andere wijze een ~chronique
scandaleuse~ van vrienden en buren hebben afgeneusd. Ik had vroeger
en nu weer opnieuw de gelegenheid die luitjes te leeren kennen. Wees
voorzichtig, ze zullen probeeren je uit te hooren...."
Suze werpt hare krullen lachend in den nek, en betoogt, dat ze op dit
punt volkomen gerust is.
»Maar dan is het beter,"--gaat ze voort,--»dat geen sterveling in Den
Haag mij ooit in je gezelschap ziet! Mijn nieuwe huisgenooten mogen
zelfs niet vermoeden, dat wij elkaar kennen! Ik kom alleen naar Den Haag
wonen, om je van tijd tot tijd te zien, om te weten, dat ik dicht bij je
ben .... meer niet!"
Nu volgde een zeer levendig en vroolijk overleg.
Van Reelant had geene woorden genoeg, om Suze's schranderheid en beleid
te prijzen. Opgetogen beraadslaagden zij over de strenge handhaving van
hun geheim. De referendaris verklaarde, dat hij gewoonlijk niemand
ontving in zijne »appartementen", daar hij geene vrienden onder de
Haagsche ~jeunesse dorée~ bezat, en niet hoopte ze ooit te zullen
bezitten--schoon hij overigens alle mogelijke »relatiën" met de
aanzienlijkste kringen gewenscht oordeelde. Zijne kennissen ontmoette
hij in zijne club, de »Place Royale", maar bleef steeds ijverig op
zijne hoede voor eene al te vurige ontboezeming van vriendschappelijke
gevoelens. Jonge menschen, die niet veel bezigheden hebben, kunnen zich
in 't geheel geene voorstelling vormen van de onschatbare kostbaarheid
der voorbijvliegende uren. Hij had dus het vaste plan opgevat, geene
»connectiën" met jonge vrienden meer aan te knoopen. Men had zich al
aan deze wijze van doen gewend, men hield Van Reelant voor een zeer
»serieus" en wetenschappelijk man; hij deed zijn best, om deze meening
in geen enkel opzicht afbreuk te doen.
Met volkomen nauwkeurigheid kon hij Suze verzekeren, dat hij de meeste
avonden eenzaam in zijne »appartementen" doorbracht. Somtijds moest hij
»visites" maken, want hij had er niets tegen bij familiën, die hem met
beleefdheden te gemoet kwamen, aan huis te verschijnen. Hij zorgde er
evenwel voor, dat zijne »visites" zoo stipt en zoo kort mogelijk werden
gemaakt. Somtijds vertoonde hij zich in het publiek, en dat kostte hem
een avond. Hij zorgde er voor, dat men hem niet voor een ongezellig
schepsel mocht verslijten. Bij de Woensdagsche muziekuitvoeringen
vertoonde hij zich een half uur in de Tent; nu en dan wandelde hij naar
Scheveningen, om een oogenblik op Zeerust uit te blazen. Zonder er eene
gewoonte van te maken, toefde hij soms onder zijne kennissen der »Place
Royale", kwam hij een enkelen maal in de »Besogne-kamer", maar bijna
nooit op de »Witte".
Suze had al deze mededeelingen met instemming gehoord. Zij moedigde Van
Reelant nogmaals aan voort te gaan op den goed gekozen weg. Daarna kwam
zij met echt vrouwelijken tact op het practische doel van haar gesprek
terug:
»Ik beloof je, Arnold! dat ik door geen enkel teeken verraden zal, hoe
gaarne ik je zou groeten, als ik je in het publiek ontmoet. Misschien
zal de Haagsche nieuwsgierigheid gauw genoeg ontdekken, dat ik de
verstooten vrouw van Onno de Huibert ben, en niemand hoeft te weten,
dat we elkaar in Osterwolde hebben gekend...."
»En als een toeval ons te zaam brengt?"
»Dan kunnen wij er van profiteeren, en ons veroorloven de gewone
burgerlijke beleefdheid in acht te nemen!"
»Natuurlijk!"
»Het is verder mijn plan je alleen des avonds, als je thuis bent, een
oogenblik te komen zien...."
»Kom zoo dikwijls, als je kunt, Suze! Wacht even...."
Van Reelant stond van den divan op, liep naar het buffet, opende eene
lade, en kwam terug met een blinkend miniatuur-sleuteltje.
»Ik heb twee sleutels van de huisdeur beneden!"--zei hij.--»Neem dezen,
en...."
»En wat, Arnold?"
»Ik dacht over het geval, als er bij uitzondering eens iemand bij me
mocht zijn...."
»Niets eenvoudiger! Boven aan de trap is een ruim portaal, daar zet je
een kaars, een lamp, een nachtlichtje, wat je wilt, als een signaal.
Branden er twee lichten, dan is er iemand. Ben je vrij, dan blijft
alleen het licht van de glazen hanglantaarn aangestoken!"
»Maar, lieve Suze! zul je dan weer heengaan, als er twee lichten
branden?"
Een glimlachje speelde om den mond der jonge vrouw. Zij was opgestaan
van den divan. Van Reelant stond naast haar, en had den linkerarm om
hare leest geslagen. Zij ziet hem uitdagend aan en fluistert, of zij een
staatsgeheim verried:
»Als er twee lichten branden, Arnold! dan ga ik heel bedaard naar de
achterkamer, en wacht tot de visite is afgeloopen!"
Van Reelant lachte van ganscher harte.
Plotseling vraagt hij:
»Suze, ken je de geschiedenis van den Romeinschen koning Numa
Pompilius?"
»Ik geloof, dat ik ze alweer vergeten ben!"
»Men zei, dat die koning in het geheim raadpleegde met de nymf Egeria,
en dat hij daarom zoo uitstekend regeerde! Lieve Egeria! ik weet, dat
je me zult inspireeren.... wat kan ik doen, om me dankbaar te toonen?"
Suzes glimlach verstierf. Zij antwoordde ernstig.
»Naar mij luisteren, net als die Romeinsche koning. En later in de
jaren, die komen zullen, als jij gekroond wordt, Arnold! dan zal ik je
zeggen, wat je voor mij doen kunt!"
DERDE HOOFDSTUK.
Drukke werkzaamheden.
Maandag. Halftien. Omstreeks het midden der kleine, nette straat, die
de schoonmaaksters het »Zefrientje" noemen, maar die op den legger
der gemeente als Juffrouw-Ida-straat is ingeschreven, staat een flink
huis van drie verdiepingen, gehuurd en »geëxploiteerd" tot velerlei
doeleinden door de eerbare juffrouw Barbara Bont. Zij heeft de
bovenkamers der tweede verdieping afgestaan aan een tweeden luitenant
der grenadiers en jagers, die bijna nooit thuis is. Zij verhuurde twee
kamers op de eerste aan Mr. André de Witt, die er somtijds des avonds
komt studeeren. Voor het overige vindt juffrouw Barbara Bont een
voortreffelijk middel van bestaan in het zenden van eten bij talrijke
klanten uit de buurt, welke laatste vooral tot haar komen, gelokt door
den matigen prijs harer diners.
Maandag. Halftien. Op het portaal der eerste verdieping wacht eene oude
vrouw in het weinig dichterlijke kostuum van schoonmaakster, een lang
strookje wit papier tusschen duim en vinger. Zij klopt vrij luid aan
eene kamerdeur. Van binnen vermaant eene stem geduld te oefenen. Na een
vijf minuten wachtens gaat de deur open. De jonge De Witt treedt haastig
uit zijne slaapkamer. Met beide handen strijkt hij het krullende,
donkerbruine hair achter de ooren en stapt de schoonmaakster voorbij
naar zijne studeerkamer. De gedienstige volgt. Zonder te spreken
stopt zij hem het lange strookje wit papier in de hand. André maakt
een driftig gebaar, hij loopt de kamer op en neer. Hij mompelt
onverstaanbare woorden. Eindelijk bedenkt hij zich. Hij wenkt de
schoonmaakster, dat zij wachten moet. Snel vliegt hij naar het portaal,
en daarna stormt hij de trap der tweede verdieping op. Hij klopt.
Niemand antwoordt. Daar de deur half open staat, dringt hij naar binnen.
Er heerscht groote verwarring in de karig gemeubelde kamer. Een
nauwelijks aangeroerd ontbijt op eene ronde tafel; een zonderlinge
voorraad van half uitgerookte sigaren en asch van sigaren overal in 't
rond verspreid; voorts op den grond zwervende schoenen en aan den wand
degens, sabels en pistolen--dit was alles, wat hem bij het binnentreden
welkom kon heeten. De bewoner van het kwartier moest al vroeg zijn
vertrokken. André had op hem gerekend. Hij wilde zijn contubernaal
broederlijk aanmanen, om hem eene kleine som in contanten terug te
geven, vroeger even broederlijk voorgeschoten.
Haastig ijlt hij weer naar beneden, schrijft even haastig een paar
woorden op het strookje papier, en zendt de schoonmaakster weg. André
had buitengewoon weinig slag van huishouden, en worstelde op dat
oogenblik tegen eene kleine geldverlegenheid. Hij had zijn vriend en
contubernaal, den luitenant Van Houweningen, die aan hetzelfde euvel
leed, gaarne geholpen--»~a titre de revanche~," gelijk de beide heeren
elkaar lachend verzekerden. Sedert zijne komst in de residentie had
André zijn best gedaan van zijn zeer matig inkomen als adjunct-commies
te leven, zonder zijn vader te Leiden ooit om hulp te vragen. André
meende, dat zijn goede vader nu niet meer voor hem te zorgen had. Van
het oogenblik, dat hij promoveerde, en in Den Haag tot adjunct-commies
benoemd werd, had hij zich met grooten trots voorgenomen de steun zijner
familie te worden.... maar er was tot nog toe niet veel van gekomen.
Het scheen, dat deze gedachte hem nu in stilte kwelde, want hij liep
zijne kamer met groote schreden op en neer, terwijl hij met de handen
door zijn krullend hair woelde. Van tijd tot tijd stond hij stil, en
bleef voor een portret aan den wand toeven. Die dame met ouderwetsche
muts en breede keellinten was zijne overleden moeder. Toen hij negentien
jaar oud was, had hij haar verloren. Zij was zeer goed voor hem geweest,
maar streng, het huiselijk bewind voerend naar vaste onwrikbare
beginselen. Volkomen contrast van zijn goedhartigen vader, had zij
zijne jeugd naijverig bewaakt, had zij gezorgd, dat hare kinderen in
eerbiedige vrees voor hunne ouders leefden; had zij alle opwellingen van
jolige uitgelatenheid en speelsche dartelheid met vaste hand onderdrukt;
had zij de herinnering nagelaten van haar krachtig karakter en hare
onbestreden opperheerschappij in den huiselijken kring.
Mijmerend over zijne jeugd en de dagen van zijn burgerschap in het
Leidsch Atheen, bleef hij even bij het venster staan. Plotseling maakt
hij eene beweging van verrassing. Aanstonds wendt hij zich om, en haast
zich naar de deur. Toen hij die opende, naderde een tred op de trap, en
weldra trad uit de duisternis van het portaal een deftig heer met
zwarten rok, zwarten hoed en zwarte handschoenen te voorschijn.
André drukt hem hartelijk de hand.
»Bonjour, vader! Ik was net met mijn gedachten bij u in Leiden en, alsof
u het wist, komt u mij verrassen! Hoe gaat het met Letje en de anderen?"
Dominé De Witt nam zijn hoed af, drukte een witten zakdoek tegen het
voorhoofd, en liet zich op de ouderwetsche sofa vallen. Het loopen in
den zonnegloed van een warmen Augustusmorgen had hem verhit. Hij wachtte
nog een oogenblik, voordat hij sprak, en knikte allervriendelijkst. Zijn
gelaat drukte goedheid en berusting uit, om de dunne lippen speelde
somtijds bij het spreken een geestige lach.
Intusschen herhaalt André zijne vraag naar de huisgenooten. Een
smartelijke trek vertoont zich op het wezen van den Leidschen predikant.
Hij antwoordt met zachte, onvaste stem:
»Met Letje mocht het wel beter gaan! Zij hoest altijd, en is meestal
zwaar vermoeid .... zij klaagt nooit, maar ziet er slecht uit.... Ik heb
er dokter al over geraadpleegd. Tot nog toe geen dreigend gevaar, zegt
hij. Toch is haar toestand bedenkelijk, vooral tegen den winter. De
aanleg tot borsttering bestaat.... misschien zou alles nog terecht
komen, als zij voor langen tijd in een ander klimaat kon leven .... het
zuiden van Frankrijk .... maar, hoe zullen wij dat doen, André, dat
gaat onze krachten te boven!"
André staat bij de sofa naast zijn vader. Hij schudt langzaam het hoofd,
en windt den krullenden, bruinen knevel om den wijsvinger van zijne
rechterhand.
»Arme Letje! Wat heeft ze, nadat we mama verloren, ijverig voor de
huishouding gezorgd! Wat was ze lief voor u .... arm kind!"
»O, maar we zullen haar behouden, André!"--gaat de predikant op forschen
toon voort.--»Ik heb vele vrienden en aanzienlijke kennissen te Leiden
en te Amsterdam .... men zal mij niet in den steek laten...."
André wendt het hoofd om, en begint het vertrek op en neer te loopen.
Zijn vader in de rede vallend, zegt hij snel:
»Neen, papa! Probeer dat, als 't u belieft, niet! De menschen zouden u
of teleurstellen, of u uwe armoede voor de voeten werpen! Eergisteren
heb ik er nog aan gedacht. Ik zou er wel wat anders op weten.... In den
laatsten tijd krijg ik onophoudelijk brieven van allerlei redacteurs,
die artikelen willen hebben voor hunne kranten of tijdschriften. Dat
komt door mijne dissertatie! Het schijnt, dat mijn werk wat nieuws gaf.
Ze bieden me nogal aardig geld. Uit luiheid heb ik er tot nog toe niet
aan gedacht! Maar nu ga ik aan het werk, en al wat ik verdien is voor
Letje!"
Dominé De Witt glimlacht onmerkbaar.
»Dank je, André!"--zegt hij bedaard.--»Dat is een goed plan. Zoolang de
zomer duurt, kunnen we vooreerst geduld oefenen en op beterschap hopen!"
André ziet heimelijk op zijn uurwerk, maar roept luide:
»Over tienen! Al zoo laat! Ik mag me wel haasten!"
En de predikant:
»Ik was al half en half bang, dat je naar 't ministerie waart.... Ik
moet vandaag eene vergadering van 't Haagsch Genootschap bijwonen!"
»Ik ga dadelijk met u mee! En hoe gaat het met Christien en met Willem?"
»Christien .... springlevend en druk! Elken dag de deur uit en met
allerlei vriendinnen in de weer! Ze kost heel wat aan laarsjes en
handschoenen. En Willem wil naar Utrecht. Hij kan het met zijne
professoren in Leiden niet langer vinden! Ze bederven de leer der
Nederlandsche hervormde kerk.... Ja, André! dat is nu het nieuwste idee
van je jongsten broer!"
De adjunct-commies hield zich met zijne kleeding bezig, en dronk een
glas melk leeg, dat op de ontbijttafel gereed stond. Bij de laatste
woorden zijns vaders keerde hij zich van den spiegel af, en riep:
»Maar daar komt immers niets van dat plan?"
»We zullen zien! Hij houdt staande, dat hij zich in Utrecht zelf wel
redden zal! Zijne geestverwanten, de orthodoxe professoren, zullen hem
steunen, zegt hij. Hij dwingt mij brieven te schrijven aan Utrechtsche
collega's, en is er den heelen dag vol van!"
»Wees voorzichtig, papa! Dat zal niet goed afloopen!"
Dominé De Witt schudde zacht het hoofd.
André had zijn grijzen hoed met breede randen gegrepen. Hij droeg het
smaakvol kostuum van den vorigen dag, met uitzondering van de lichte
das, die nu door eene zwarte vervangen was.
»Gaat u mee, papa?"--vroeg André.--»Het wordt mijn tijd! En blijft u van
middag bij mij eten, dan zal ik juffrouw Bont waarschuwen!"
»Dank je, jongen! Ik ga voor den eten weer naar Leiden terug! Maar kom
jij nu aanstaanden Zondag?"
»Stellig! Ik moet Letje spreken!"
Vader en zoon verlieten het huis, en wandelden saam naar het
Noord-Einde, waar de eerste een hartelijk afscheid nam van André.