Produced by Branko Collin and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
| |
| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
| _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als |
| ~uitgespatieerd~; vette tekst als #vet#. |
| |
| In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. |
| De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als |
| »aanhalingstekens". |
| |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
| De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit |
| e-boek op https://www.gutenberg.org |
| |
+----------------------------------------------------------------+
EENE SCHITTERENDE »CARRIÈRE".
EENE
SCHITTERENDE »CARRIÈRE"
DOOR
Dr. JAN TEN BRINK.
----
#_Derde Druk._#
[Decoratieve illustratie]
LEIDEN BIJ A. W. SIJTHOFF.
INHOUD.
#Eerste Hoofdstuk.#
Bladz.
Groote plannen 1
#Tweede Hoofdstuk.#
Het huishouden van een »bachelor" 16
#Derde Hoofdstuk.#
Drukke werkzaamheden 34
#Vierde Hoofdstuk.#
Noodzakelijke verklaringen 45
#Vijfde Hoofdstuk.#
Bij den Secretaris-generaal 57
#Zesde Hoofdstuk.#
Raadgevingen van Egeria 75
#Zevende Hoofdstuk.#
Een uitstapje naar Leiden 92
#Achtste Hoofdstuk.#
Prettige komplotten 109
#Negende Hoofdstuk.#
De Secretaris-generaal ad-interim 130
#Tiende Hoofdstuk.#
Fluweelen koorden 149
#Elfde Hoofdstuk.#
Lief en leed uit de loopbaan van een
adjunct-commies 163
#Twaalfde Hoofdstuk.#
Nemesis 181
#Dertiende Hoofdstuk.#
Point-d'orgue 203
EERSTE HOOFDSTUK.
Groote plannen.
De »oude" heer De Milde knikt.
Kee had gelijk. Het was nog vroeg genoeg. 't Zou wel niet vol zijn in de
tent. Altijd zoo'n haast....
De »oude" heer De Milde stapt bedaard verder.
Zijne drie groote dochters volgen zwijgend dit voorbeeld. Zij schrijden
langzaam voort door de breede lindenlaan, die eenmaal aan Constantin
Huygens de stof voor een uitvoerig gedicht schonk.
Nog altijd slingeren zich de forsche takken van hooge, krachtige
linden tot een groen gewelf boven de hoofden der wandelaars in de
residentie--de schim van Frederik Hendrik's Raad- en Rekenmeester
zou zich niet te ergeren hebben gehad over de zorgeloosheid van het
nageslacht, als zij naast den heer De Milde en zijne dochters had mogen
meewandelen.
De schaduw der hooge linden was voor het viertal nog te verkwikkelijker
op dien brandend heeten Zondagmiddag van Augustus 1853, omdat ze, sedert
ze hunne woning in het Lage Westeinde verlieten, door de zonnige straten
en langs de breede pleinen drentelend, al dikwijls over de hitte
geklaagd hadden.
De oude heer had het plan gemaakt voor eene wandeling naar Scheveningen,
maar ter hoogte van het koninklijk paleis ontzonk hem de moed. De dames
opperden geen bezwaar, en door het Heulstraatje waren ze nu binnen de
weldadige schaduw van de aloude lindenlaan aangekomen.
Het sprak van zelf, dat de drie gezusters De Milde eenparig voor een
bezoek aan de sociëteitstent in het Bosch stemden. Een ander plan zou
in dergelijk een drietal Haagsche jongedames-hoofden bij zulk een
heerlijken zomerdag moeielijk hebben kunnen opkomen. Maar daar ze nu
onwillekeurig wat harder voortstapten, had haar vader op minder drift
aangedrongen, en was zijne oudste dochter Kee wel zoo goed hem daarin te
ondersteunen.
De wandelaars in het Voorhout namen niet veel »notitie" van de drie
dames en haar geleider. Vooreerst was hun aantal niet groot, en daarbij
kwam, dat de familie De Milde zich door geen enkel bijzonder kenteeken
onderscheidde. Een paar malen gebeurde het, dat een deftig oud heer in
't zwart zijn hoed voor hen afnam, maar overigens zag niemand naar hen
om. »Papa" De Milde was juist zulk een deftig heer als de dito-dito's,
die hem groetten, en die hem kenden, omdat zij hem op zijn post in een
der bureelen der gemeentelijke griffie hadden ontmoet, of wel, omdat
zij gewoon waren met hem aan hetzelfde tafeltje der »Witte" hunne
morgenversnaperingen te verorberen.
Een zeker zonderling huiselijk gebruik wilde, dat het hoofd des gezins
steeds met uitdrukkelijke vermelding van termen als: »de oude heer," »de
oude man," of dergelijken werd aangewezen, 't welk te zonderlinger was,
omdat de waardige heer Leopold de Milde wel vijf dochters, maar geen
enkelen zoon bezat. Deze manier van spreken, bij vrouw en dochters in
zwang, was langzaam door de vrienden overgenomen, zoodat hij meestal met
het praedicaat van den »ouden" heer De Milde aan vreemdelingen of nieuwe
kennissen werd voorgesteld.
In contrast met zijn naam legde het slachtoffer dezer moedwillige
titulatuur eene buitengewone mate van bedrijvigheid en jeugdigen
levenslust aan den dag. Hij liep, en bewoog zich met groote drukte.
Hij was gewoon ieder zijner woorden door eene overbodige weelde van
gebaren te ondersteunen. In gezelschap zorgde hij door luid schreeuwen
en uitzetten zijner zwakke stem de aandacht te winnen. Hoewel hij
deftig in het zwart gekleed ging, en nooit verzuimde een spiegelgladden
cylinderhoed op te zetten, trachtte hij toch nog iets zwierigs aan
zijn kostuum te verleenen door schitterend witte vesten en blinkende
sjaaldassen van zwart satijn, waarop een diamanten doekspeld fonkelde,
die een of andere baryton uit een café-concert hem had mogen benijden.
De heer De Milde vertoonde een rond en vriendelijk glimlachend gelaat
boven de hooge witte boorden, die zijne gladgeschoren kin beschermden.
Zoo dikwijls hij zijn hoed met eene schielijke buiging afnam, zag
men het keurig gladgeborstelde haar, onberispelijk zwart zonder een
enkelen zilveren draad, zich in eene statige kuif boven zijn voorhoofd
verheffen. Misschien hadden de huisgenooten kunnen mededeelen of dit
verschijnsel enkel een voorrecht der natuur, of wel een talentvol
kunstwerk mocht genoemd worden. De kleine grijze oogen glimlachten
altijd met den breeden mond mee, 't welk bij de gezonde roode kleur
zijner wangen aan den heer De Milde iets bijzonder prettigs en jeugdigs
schonk.
Daar hij eer klein dan groot van gestalte was, en zich altijd rechtop
hield als een welgedrild soldaat, scheen het zeer moeielijk zijn
leeftijd te bepalen. Zelfs schertsend wilde hij er zich nimmer over
uitlaten, hoewel het metalen kruis in zijn knoopsgat eenige wenken kon
geven omtrent zijn ouderdom. De beste getuigen aangaande zijne jaren
waren evenwel zijne drie volwassen dochters, die men te huis en onder
vrienden met de weinig dichterlijke namen van Kee, Jans en Willemien
aansprak.
Naast den »ouden" heer onder druk gebabbel voortstappend, leverden zij
bij het eerste gezicht zeer weinig opmerkelijks of in het oog vallends.
Kee en Jans onderscheidden zich van de schrale Willemien door zekere
gezetheid, die zelfs de ijverzucht der glunderste boerendeern had kunnen
gaande maken. Alle drie knappe brunetten, zouden ze toch door niemand
voor volmaakte schoonheden zijn versleten. Handen en voeten muntten niet
uit door fijnheid en sierlijkheid, terwijl haar gelaat doorschijnende
blankheid miste, en geene dezer drie gratiën den frisschen blos van haar
beweeglijken vader had geërfd.
Kee, Jans en Willemien hadden het eerste levenslicht in Den Haag
aanschouwd, maar zouden daarom nog volstrekt niet als de waarachtige
vertegenwoordigers der »Haagsche" dames bij uitnemendheid mogen gelden.
Noch in Assen, noch in Eindhoven, noch in Nijmegen of in welke andere
stad ook uit het zuiden, noorden of oosten des lands, zou iemand van
deze trits beweerd hebben, dat zij zich kenmerkte door bijzondere
Haagsche eigenaardigheden. Haar toilet verried, dat de dames zich veel
moeite getroostten, om zoo prachtig mogelijk voor den dag te komen, doch
het bleek maar al te duidelijk, dat zij daartoe twee gegevens misten:
smaak en eene welgevulde beurs.
Onze nieuwe kennissen schenen als oude Hagenaars het niet der
moeite waard te keuren eens in 't rond te zien, terwijl ze onder de
verkwikkende schaduw van het Lange Voorhout henengleden. En toch
tooverde de Augustuszon daar de verrukkelijkste stadsgezichten, die het
hart eens kunstenaars hadden kunnen doen popelen van genot. Het machtige
zonnelicht schoot door de bladerrijke kruinen der linden, en wierp een
fijnen regen van goudstof te midden der dichtste schaduwen. Over den
breeden weg dansten en huppelden zonnevonken, zoo dikwijls een licht
koeltje de bladeren aanroerde. De statige huizen en paleizen aan de
noordzijde baadden zich in het volle, straffe licht, zoodat de grauwe en
grijze gevels, met gulden tinten overdekt, schenen te glimlachen tegen
het trillend azuur van den wolkenloozen hemel.
Iets verder onder de achtbare kastanjeboomen voor het vorstelijk
woonhuis van Prins Frederik der Nederlanden werden de schaduwen breeder,
maar de zonneglans buiten de boomenrij des te verblindender. Onze
wandelaars zagen niet om naar het schilderachtige hertenkamp, blakend
van zonneweelde, maar herademden, toen zij over de Boschbrug de eerste
lanen van het oude grafelijke woud mochten bereiken. De stroom van
drentelende Zondagsmenschen met hunne kostelijkste kleedij, de dichte
rijen voetgangers onder de boomen en de lange reeksen van rijtuigen,
ruiters en amazonen op den grooten weg namen de volle aandacht der dames
De Milde in beslag. Zij gaven er niet om, of Helios het breede grasplein
van de Maliebaan met golvende vlammen verschroeide; of hij ieder blaadje
boven haar hoofd met een gouden biesje omzoomde; of hij hoog omhoog
in de takken der boomen van de Jacoba-laan een triumflied aanhief als
alverwinnend dagvorst; zij zagen naar de menschen, die op en neer
dwarrelden--en, schoon zelven niet uitmuntend door eigen goeden smaak,
wisten ze onophoudelijk het vernietigendst oordeel over het kostuum van
anderen uit te spreken.
In de Jacoba-laan vertoonden zich de velen, die op en neer spanceerden,
wijl zij den toegang misten tot het »beloofde land"--de sociëteitstent.
Onderofficieren in groot tenue; dragonders, donkerblauw met wit
uitgemonsterd; jonge dames met kinderwagentjes; bezoekers van het
platte land in de buurt met omvangrijke regenschermen en ouderwetsche
reistaschjes--alle dezen werden door de dochters van den heer De Milde
zorgvuldig opgenomen en besproken. Door de warmte onwillekeurig in hare
snelle vaart gestuit, duurde het vrij lang, eer zij de »tent" bereikten.
Tegen verwachting was het zeer vol. Vreemdelingen en Hagenaars hadden
zich aan alle zijden om de groene houten tafeltjes geschaard.
Door de spitsroede der rustig zittende familiën heen loopend, werd
menige hoed afgenomen voor vader en dochters, en achter hun rug soms
een glimlach gewisseld over de ronde figuurtjes van Kee en Jans en het
»allerdolst" toilet. Gelukkig vonden zij aan een hoek bij het water nog
een vrij tafeltje en zetten ze zich haastig neer, om uit te blazen en
rond te kijken. Vroolijke, welluidende tonen van de beroemde militaire
kapel hadden hun blijden intocht verwelkomd, maar, of ze niets hoorden,
hadden ze doorgekeuveld zonder ophouden. Zij kwamen nu eenmaal
om menschen te zien, om aanmerkingen te maken, en, daar tot het
bijeenbrengen van zooveel menschen muziek onvermijdelijk scheen, namen
zij de muziek op den koop toe.
De heer De Milde had met veel omslag een knecht aangeklampt, en hem
zeer uitvoerig in de ooren gefluisterd, wat de dames verlangden. Weldra
prijkten glaasjes madera of advocaat voor het viertal, en drukker dan
ooit wisselden de mededeelingen en de glimlachjes elkander af. Boven
hunne hoofden zouden ze tusschen de takken en het vergulde groen den
helderblauwen hemel hebben kunnen ontdekken, soms voor korte pooze
verduisterd door sneeuwwitte wolkstapels, die als dreigende gevaarten
den zonnegod schenen te bestormen, maar ijlings terugweken, zoodra deze
de volle laag zijner straalbundels tegen hen uitgoot. Noch voor dit
alles, noch voor het treffend contrast van het schitterend verlichte
Bosch met het plotseling verduisterde Bosch hadden zij oogen. Zij zagen
het niet, dat de takken, die zich over hunne hoofden welfden, in wier
koele schaduw ze zich verkwikten, duizenden en millioenen bladeren als
festoenen samensnoerden; zij zagen niet, hoe die dofgroene bladeren
onder Helios tooverstaf doorschijnend werden, hoe ze droppelden, hoe ze
fonkelden van saffieren en goud....
Ze zagen de menschen aan de tafeltjes zitten en de wandelaars door de
voetpaden slenteren. Hunne eenige vreugde was iets bijzonders te weten
over de personen, die hen omringden.
»Was dat Hugo Brouwer niet?"--vroeg Willemien.
»Jawel, die geëngageerd is met Jetje Sandérus!"--antwoordde Jans.
»Raar, dat zoo'n jongmensch zonder zijn meisje in de tent
komt!"--fluisterde Kee.
»De jongedame kan onpasselijk zijn!"--poogde de heer De Milde te
verklaren.
Het was een eigenaardige trek van dezen trouwen ambtenaar der gemeente,
dat hij in het gesprek allerlei stadhuiswoorden en boekachtige volzinnen
bezigde.
»Mij zou zoo'n engagement niet bevallen!"--oordeelde Willemien, terwijl
de donkere oogen vrijmoedig in 't rond zagen.
»Kijk, daar komen de dames Halder aan!"--riep Jans. »Wat een kleeding!
Blauw satijn met kanten mantilles! Die lui hebben altijd iets vreemds!
En wat een omvang! Ze vullen met z'n beien het heele wandelpad!"
»Dat komt weer in de mode!"--viel papa in.--»Wacht maar, binnen een jaar
zal men nog wel wat anders zien!"
»Alweer verandering!"--zuchtte Kee, terwijl ze een bangen blik sloeg op
het zwart barègekleedje, waarmee ze gehoopt had nog heel den zomer mooi
te zullen zijn.
»Daar komen de Tulken aan! Kijk toch vóór je, Willemien!"
Deze vermaning der corpulente Jans deed de schrale jongste dame van het
gezelschap nog scherper opzien.
Er worden groeten gewisseld tusschen de Tulken en het tafeltje der De
Mildes.
Toen de familie Tulk onder de wandelaars verdwenen was, staken de dames
de hoofden bijeen en fluisterden:
»Wat een bluf!"
»Als dat maar goed afloopt!"
»Je moet maar durven!"
»Drie nieuwe parasols!"
»Enfin! ze moeten het weten!"
De heer De Milde hield zich bezig met zijne sigaar en sprak niet veel.
Hij schepte er behagen in zijner dochters het woord te laten. En bij de
inderdaad drukkende warmte kwelde hem de behoefte om luid te spreken
minder dan gewoonlijk.
Zijne dochters zetten zich meer en meer op haar gemak, terwijl ze zich
den inhoud der glaasjes voortreffelijk deden smaken. Klonk de muziek wat
forsch, dan spraken ze wat harder. De dikke Kee had al geruime poos
naar een vrij verwijderd tafeltje met heeren en dames gegluurd.
Eindelijk sprak ze:
»Nu ben ik er! Zie je daar ginder dat tafeltje met de familie Van
Beek? Die twee vreemde heeren zijn de neven uit den Bosch.... Er is
verleden Donderdag een heele partij geweest! Ze zijn er misschien voor
overgekomen. Ik geloof, dat Arabella van Beek met een van die neven
geëngageerd is!"
»Gekheid!"--riep Willemien.--»Luitenant De Haak heeft Arabelle al een
poosje het hof gemaakt! Het verwondert me, dat hij er niet bij zit!"
»Daar komt hij net aan!"--merkt Jans op.
»Wat een drukte, wat een gegroet, wat een beweging!"--pruttelt
Willemien.--»Die van Beeken kennen ook iedereen!"
De heer De Milde knikte vriendelijk, en fluisterde bescheiden:
»En wij zijn er ook bij! De meisjes komen ten onzent!"
»Maar, als ze eene groote partij geven, laten ze ons thuis!"--sprak Kee
scherp.
»Voor veertien dagen ben je nog op een muziekpartij bij de Van Beeken
geweest!"--antwoordt de »oude" heer.
»Nu ja, maar verleden Donderdag lieten ze ons thuis!"
Willemien klemde de lippen op elkaar, nadat ze dit gezegd had, en scheen
van plan niet weer te spreken voor den geheelen dag.
Plotseling klonk eene vroolijke, welluidende stem:
»Hoe varen de dames? Hoe vaart meneer De Milde?"
»Bonjour, André!"
»Hoe maak je 't De Witt?"
Zoo luidden de begroetingen, waarmee ons viertal een jongmensch ontving,
dat den vader zijne hand reikte, en niet verzuimde de grijze, gele of
donkerbruine vingeren der dochters eerbiedig aan te roeren.
Oogenblikkelijk had hij een stoel gevonden en plaats genomen tusschen
Kee en Willemien--een feit, 't welk dezer laatste een purperrooden blos
op de wangen joeg.
Het gezelschap nam er geene »notitie" van, daar men terstond zeer druk
begon te babbelen, waarbij de nieuw aangekomen jonkman wel het minste
zeide. Hij was een vriend van den huize De Milde, ieder had hem een
verhaal te doen. Zwijgend luisterde hij, terwijl zijn oog zich
onwillekeurig naar omhoog richtte, en steelsgewijze het in zonnegoud
badende Bosch bewonderde.
Mr. André de Witt, adjunct-commies bij het ministerie van Buitenlandsche
Zaken, was een dier jongelieden, welke al door hun uiterlijk het
twijfelachtig voorrecht bezitten van door ieder te worden opgemerkt en
gekend. Hoog van gestalte, welgevormd, trok hij het meest de aandacht
door zijn gelaat. Het breede voorhoofd overtrof in blankheid de bleeke
kopjes der drie gezusters De Milde, maar vooral muntte hij boven dezen
uit door de sprekende, fonkelende oogen, donkerbruin tot zwart worden
toe; door het krullende, glanzige hair, dat de frissche kleur van zijne
wangen duidelijk deed uitkomen. Mr. André de Witt maakte den indruk van
een kunstenaar in het romantisch kostuum, dat van 1830 tot 1850 den
artist kenmerkte. Eén ding evenwel temperde dezen indruk: de uitnemende
smaak, waarmee hij dit eenigszins vreemde kostuum droeg.
Zijn grijze vilten hoed met breede randen was niet overmatig breed of in
't oog vallend; zijn luchtig jasje van zwart lustre was hoog toegeknoopt
en liet nauwelijks een paar strepen der roomkleurige satijnen das onder
de breede, witte boorden zien. Schoon hij dus bij de eerste kennismaking
wat zonderling mocht schijnen door zijn artistiek pak, geen vreemde kon
hem aanzien zonder eene vluchtige belangstelling voor zijn open oog,
de frissche kleur zijner wangen en de kloekheid zijner bewegelijke en
gespierde figuur. Niemand zou op de gedachte komen hem voor een ijdel
pronker te houden, omdat hij grijze slobkousen met witte knoopen droeg,
zoodra men den kalmen blik uit de donkere oogen ontmoette, en den fijnen
trek langs den scherp geteekenden neus en den krullenden bruinen knevel
gewaarwerd. Zijne houding drukte vastberadenheid en wilskracht uit met
een licht tintje van overmoed. Als hij naar iemand luisterde, verried
het spel zijner wenkbrauwen, van zijn oogopslag en zijner bewegelijke
trekken het antwoord, dat volgen moest.
Kee had het zeer druk, en maakte zich spoedig van den boventoon meester,
terwijl hij bij tusschenpoozen een enkel woord sprak.
»Je weet wel, André! dat we je van die knappe dame verteld hebben, die
dame uit Rijswijk .... je herinnert het je nog wel, verleden Zondag...."
»Perfect!"
»'t Is gisteren in orde gekomen! Mama is dolblij en de oude heer ook!"
Papa De Milde knikte vriendelijk.
»'t Is eene heele uitkomst! Je begrijpt .... de drie mooiste kamers van
onze eerste verdieping, en dan bediening, diner en ontbijt .... alles te
zaam voor duizend gulden! Me dunkt dat schikt nogal!"
»Voor hoe lang heb je gecontracteerd?"
»Voor één jaar, met drie maanden vooraf opzeggen! 't Schijnt eene heel
lieve vrouw te zijn! Mama heeft gezegd, dat ze ons altijd welkom zal
wezen, als ze in den huiselijken kring wil komen. Zonder juist trotsch
te zijn, had ze iets voornaams, toen zij antwoordde, dat zij door
treurige familieomstandigheden vooreerst niet veel lust tot conversatie
had.... Zij zal alleen dineeren op haar kamer! Zij was heel elegant in
't zwart. Ze zag er knap uit, heel knap!"
Op dat oogenblik viel Jans in:
»Ze is bepaald in den rouw over haar man!"
»Dat heeft ze niet gezegd!"--hernam Kee.
»Dat behoeft ook niet!"--merkt de »oude" heer glimlachend op.--»Men kan
eene fatsoenlijke dame niet uithooren. Treurige familieomstandigheden,
dat is genoeg! We zullen er later wel meer van vernemen!"
Mr. André de Witt hield den »ouden" heer scherp in 't oog en sprak
»Hoe noemt die dame zich?"
»Mevrouw De Huibert!"
André schudt het hoofd.
»Een onbekende naam! Enfin, ik hoop, dat u veel genoegen van de nieuwe
huisgenoot moogt beleven!"
»Daar twijfel ik niet aan!"--riep Jans uit de onnoozele behoefte om
tegen te spreken wat er gezegd werd.--»Ik ben heel blij, dat mevrouw De
Huibert bij ons komt wonen!"
Er volgde een oogenblik stilte.
Daar de virtuozen eene poos schenen uit te rusten, zei de dikke Kee:
»Wat is 't hier drukkend warm onder die boomen! Ik zou wel eens willen
wandelen!"
André stond snel op, en verklaarde zich bereid de dames te begeleiden.
Kee en Willemien maakten van het aanbod gebruik. Jans zou den »ouden"
heer gezelschap houden.
De jongelieden vingen aan langzaam de paden en lanen der sociëteitstent
te volgen.
Nu maakte Willemien zich van het gesprek meester.
»Kee heeft je de helft maar gezegd, André! Het verhuren van de kamers
en al wat daarbij komt, gaat ons alleen aan, en mama ook natuurlijk. De
oude heer heeft het te druk met zijne betrekking, hij kan zich zoo met
alles niet bemoeien. Daarenboven, hij is te royaal, de goeie man, hij
zou alles veel te goedkoop doen. Mevrouw De Huibert is voor een veertien
dagen onze kamers komen zien. Ze had een jonge dame bij zich, die niet
in den rouw was, en die ze later aan mama als hare zuster presenteerde.
Ik houd het voor uitgemaakt, dat ze om haar man in den rouw is. Ze heeft
alles heel nauwkeurig bekeken, alles nagesnuffeld, en de voorwaarden
heel uitvoerig afgesproken. Gisteren kwam ze met haar zuster terug.
Er moest nog een massa veranderd worden. Vooral in de slaapkamer. De
spiegel deugde niet. Er moest nog een tafeltje bij--enfin, eindelijk
was ze tevreden. Toen ze heenging, verzocht ze mama drie maanden huur
vooruit te mogen betalen. Mama heeft het aangenomen, maar de oude heer
vond het later verkeerd. Zoo staat de zaak."
Willemien had zeer snel en fluisterend gesproken, en daarom haar bleek
neusje zoo dicht mogelijk bij André's schouder gebracht.
Deze glimlachte vroolijk. Hij zag nu geen bezwaar meer in de zaak. Hij
was zeer nieuwsgierig naar het mooie weeuwtje, en beloofde spoedig eens
te komen kijken.
»Ja, maar voor dien tijd moeten we je nog wat anders zeggen!"--viel de
oudste zuster in.--»André, je zoudt ons meisjes een groot plezier kunnen
doen!"
»Kom aan! Dat treft goed! Al wat je maar wilt!"
»Ja, maar je moogt er met niemand over spreken!"
»Een geheim! Nog beter!"
»Het geheim is niet groot, maar we willen het toch liever onder ons
houden! Toekomende jaar in October vieren papa en mama zilveren
bruiloft. De oude lui zullen er wel niet veel werk van maken, maar we
willen ze eens verrassen. Ons plan is een klein huiselijk feest te
geven. We vragen onze beste vrienden, de naaste familie--een groote
twintig menschen. Je begrijpt, dat er wat bijzonders moet wezen! Wij
kunnen zelven moeilijk iets aardigs organiseeren, maar wien zouden we
het beter kunnen vragen, dan aan onzen geestigen vriend André de Witt?"
Kee had met groote deftigheid gesproken.
De jonkman had dit alles met even groote statigheid, schoon soms
schielijk glimlachend, aangehoord.
Was hij getroffen door de naïeve vleierij, of kwamen herinneringen hem
vriendelijke beelden van een pas vervlogen verleden te binnenbrengen?
André woonde sinds een jaar in de residentie. Daar hij tot nog toe maar
zeer weinig Haagsche familiën had leeren kennen, en door een toevalligen
samenloop van omstandigheden op zeer vriendschappelijken voet bij de
familie De Milde werd ontvangen, achtte hij zich verplicht het plan der
jongedames zonder eenige aarzeling te aanvaarden. Ondanks zijn deftig
ambt van adjunct-commies bij het ministerie van Buitenlandsche Zaken,
afdeeling: Handelszaken, had hij den grooten voorraad opgeruimdheid en
vroolijken levenslust, van de academie meegebracht, nog nimmer verzaakt.
André de Witt was de zoon van een onbemiddeld predikant te Leiden, die
in de verte verwant was met de familie De Milde. Daar André zich de
eerste maanden van zijne vestiging in de residentie soms verveelde,
omdat hij een vijand van eenzaamheid en een buitengewoon gezellig
schepsel was, maakte hij gebruik van eene ontmoeting met den ouden heer
op de »witte" sociëteit, en meldde hij zich eenige dagen later bij de
familie De Milde aan. De dames traden in een zeer uitvoerig overleg
omtrent de familiebetrekking der De Witten uit Leiden en der De Mildes,
maar men kwam tot geen ander besluit, dan tot eene uiterst verwijderde
betrekking in de zijtakken der beide geslachten. Om deze en nog andere
zeer belangrijke redenen had de jonge De Witt zich bij het gezin van den
jeugdigen »ouden" heer De Milde aangesloten.
De mededeeling van de oudste dochter des huizes aangaande de zilveren
bruiloft harer ouders werd door André niet terstond beantwoord, omdat
de beide jongedames hem met allerlei denkbeelden overstelpten, die
op de toekomstige feestviering betrekking hadden. Ten einde vrijer te
kunnen spreken, traden ze buiten de tent, en wandelden ze het Bosch in.
Willemien plooide haar mond tot een vroolijken glimlach, en zag André
vragend aan terwijl ze sprak:
»Je weet,"--zei ze,--»dat we heel wat ruimte hebben thuis voor zulk een
partij. De achterkamer met de ~suite~ is groot genoeg om te dansen, en
in de voorkamer zouden wij kunnen soupeeren...."
»Dansen moet geen hoofdzaak worden!"--viel Kee in.--»Daar zouden de
zilveren bruid en bruidegom niet veel aan hebben! Neen, er moet iets
aardigs, iets amusants bedacht worden! André zal wel wat weten!"
»Laat ons dan comedie spelen!"--riep Willemien.
»Als we er maar talent voor hebben!"--merkte André op.
»Talent zullen we hebben, als jij ons helpt!"
»Met het grootste plezier! Ik zal je helpen! Maar er is veel noodig voor
zoo'n onderneming. Vooreerst een geschikt stuk of stukje...."
»Dat kun jij wel schrijven, André!"
»Ja, maar dat gaat zoo gemakkelijk niet! Op een zilveren bruiloft moet
men altijd geest hebben voor tien, en dat zal niet gelukken!"
»Niet gelukken?"
Willemien vroeg dit met eene verontwaardiging zoo ongeveinsd, dat André
plotseling hartelijk lachte.
»Neen, maak nu geen zwarigheid, André!"--vermaande Kee.--»Je kunt, als
je maar wilt! Ik vind het idée van comedie spelen heel goed. We zullen
je alles vertellen van papa en mama! Dat zal je te pas komen in je stuk.
En dan, dat de oude heer den tiendaagschen veldtocht heeft meegemaakt
.... nadat hij pas twee jaren getrouwd was .... en allerlei grappige
scènes...."
»Ja, maar, André! je moet voor ons altemaal eene rol maken, en voor de
meisjes thuis ook .... en je moet mooie kostumen bedenken en dan nog een
paar verrassingen!"
De jonkman keek met grappige verlegenheid naar de reusachtige boomen
boven zijn hoofd, en riep:
»Alles goed en wel! Ik zal er eens ernstig over denken, dames! Maar ik
geloof, dat jelui de moeilijkheden van zoo'n onderneming te gemakkelijk
wegredeneert! Stel, bij voorbeeld dat ik een stuk fabriceer, dan moeten
er primo acteurs zijn...."
»Heel goed!"--viel Willemien in.--»Je hebt vooreerst vijf dames De
Milde...."
»Dat vind ik verrukkelijk, maar de vraag is, of ik zooveel damesrollen
kan creëeren!"--riep André lachend.--»Ik moet ook eenige heeren hebben!"
»Kom, kom, geen bezwaar! We kunnen Kees Tulk vragen, en jij speelt
natuurlijk mee, André! Wil je soms nog een derde heer, dan zal ik zelf
optreden! Wat denk je daarvan?"
Willemien had gehoopt meer plezier van haar voorstel te beleven. André
schudde het hoofd, terwijl hij haar met comischen ernst aanzag. Zulk een
~travesti~ scheen hem een waagstuk! Daarom poogde hij de zwarigheid uit
den weg te ruimen, en zei schielijk
»Nu, dat is van later zorg! Maar, als het stuk er is, dan moeten we
onophoudelijk repeteeren, en waar zullen we dat doen...."
»Bij ons, dat spreekt van zelf! Laat dat maar aan mij over! Ik zal mama
wel het een of ander zeggen."
Willemien sprak zoo beslist, dat hare oudste zuster er vreemd van opzag.
Toch vond Kee goed met een flinken hoofdknik alles toe te geven.
De drie jongelieden waren den grooten rijweg genaderd, en besloten naar
de tent terug te wandelen, daar zij geene muziek meer hoorden, en
begrepen, dat het concert afgeloopen was. Op het punt van zich om te
keeren greep Willemien plotseling als door eene hevige gemoedsbeweging
overweldigd den arm van André en fluisterde:
»Kijk, dáar, dáar!"
André zag naar de aangewezen richting, en bespeurde een ordinair
huurrijtuig met ééne dame er in langzaam voortrollend te midden der
fraaie equipages.
De dame lette weinig op de wandelaars, naar het scheen. Zij staarde
peinzend naar het bladerendak boven haar hoofd, terwijl zij achteloos
eene zilvergrijze parasol in de linkerhand hield. Zij was statig maar
smaakvol in lichten rouw gekleed. De hoed van fijn zwart stroo was met
lange, breede lichtpaarse linten onder de kin vastgeknoopt en bedwong
nauwelijks een schat van glinsterende, donkerbruine krullen, die over
schouders en rug golfden. Het gelaat dier vrouw was innemend, hare
donkere, schitterende oogen fonkelden met hartstochtelijken gloed. De
voorbijgangers vestigden nieuwsgierige of bewonderende blikken op het
rijtuig.
Willemien kneep André in den arm, en riep
»Daar heb je onze mevrouw! Dat is mevrouw De Huibert!"
TWEEDE HOOFDSTUK.
Het huishouden van een »bachelor".
Des Zondagsmorgens liet Van Pommeren met kerkelijken ijver de
valgordijnen voor de groote ruiten van den winkel hangen. Geen boos
voorbijgangersoog mocht dan den blik naar binnen slaan, om al de weelde
der pas voltooiden zwarte rokken, uniformjassen, zomerpantalons en witte
vesten te aanschouwen. Van heel de glorie der weidsche kleermakerszaak
was thans niets zichtbaar als de groote vergulde letters op de ramen en
het wapenschild boven den hoofdingang van den winkel.
Op de ramen las men: ~Emile van Pommeren, fils, fournisseur de la Cour~.
Niemand kon met grooter ingenomenheid dit opschrift ontcijferen dan
de eigenaar zelf. Die kleine zwierig gekleede heer in 't zwart met
parelgrijze handschoenen, die daar langzaam door de Hoogstraat komt
aanwandelen, is de hoogstachtbare heer Emile van Pommeren in eigen
eleganten persoon. Het is halftwaalf, hij komt uit de kerk; uit de
Waalsche kerk natuurlijk. Een ~fournisseur de la Cour~, die een ziertje
achting voor zich zelven koestert, komt in geene andere.
Dezelfde Augustuszon, welke dien eigen middag op de verschoten parasols
der dames De Milde zal blaken, als zij met hun vriend Mr. André
de Witt complotten zullen smeden voor de zilveren bruiloft harer
ouders--diezelfde Augustuszon valt nu met volle strafheid op de
welafgeschuierde gestalte van den talentvollen maître tailleur Van
Pommeren. In Augustus 1853 had men de taalkundige ketterij nog niet
oogluikend doen voortwoekeren, waardoor het eenvoudige bijvoeglijk
naamwoord: ~net~ later eene geheel nieuwe en allerburgerlijkste
beteekenis kreeg--desniettemin zou men met volkomen gewetensrust
hebben kunnen volhouden, dat deze mooi opgedirkte kleermakersbaas een
der »netste" menschen uit de residentie mocht geschat worden. Hij staat
nu stil voor het kapitale huis, waarin de zaak van Emile van Pommeren,
fils, is gevestigd.
Met groote teederheid neemt hij den voorgevel op, en glimlacht tegen het
blinkende wapenschild boven de deur. »Midden in de Hoogstraat" ....
»de beste stand" .... »kranig," »heel kranig!"--mompelt de nette man.
Van Pommeren heeft een levendig besef van zijne hooge beteekenis als
staatsburger en Hagenaar. Welk eene »clientèle" kwam zich niet bij hem
voorzien van de heerlijkste zomer- en winterkostumen! De voornaamste
edelen der residentie, zelfs de Minister van Marine, pleegden zijn
kunstenaarssmaak te volgen! Inderdaad, niemand twijfelde aan de
»sierlijkheid" van de »coupe" zijner meesterstukken, dat wil zeggen, van
de voorwerpen, die in zijne »ateliers" werden vervaardigd. Van Pommeren,
fils, »dirigeerde", hij stond te hoog voor practischen arbeid.
Terwijl hij vlak voor zijn huis een oogenblik toeft, tintelen de kleine
oogjes van plezier. Hij richt zich omhoog, plaatst zich op zijne teenen,
om zijn paleis recht goed in oogenschouw te nemen. De in het zonnelicht
glinsterende hoed valt bijna van het met geurige pommade gezalfde hoofd,
maar hij blijft tevreden knikken. De eerste verdieping met aparten
opgang is verhuurd aan een uitmuntend »locataire". Zie maar!--aan
den deurpost naast den hoofdingang van het »atelier" staat: Van
Reelant--doodeenvoudig, maar dat is Jonkheer Van Reelant, de
referendaris, de voorname, deftige man, die sinds 15 Juli zijn
bovenkwartier bewoont. Door den plotselingen dood van een vorig
»locataire" was het kwartier juist vrij, toen meneer Van Reelant zich
aanmeldde.
Vijf weken woont de jonge, welgekleede referendaris boven Van Pommeren,
fils. Deze laatste heeft niets dan vreugde aan zijn nieuwen »locataire"
beleefd.
Van Pommeren gelooft, dat de hooggeboren referendaris de eer van boven
zijne beroemde ateliers te wonen volkomen waardig is. Niemand is zoo
stipt en correct in alles, als Jhr. Van Reelant. De oude Anna, die
hem bedient, kan het getuigen. Van Pommeren, fils, is niet het minst
tevreden over de beleefde houding van zijn »locataire". Reeds een paar
malen heeft hij een uitvoerig gesprek met hem mogen aanknoopen, maar
tot Van Reelant's eer moet hij zeggen, dat de toon van het onderhoud
buitengewoon fatsoenlijk was, »parfaitement comme il faut".
Emile van Pommeren, fils, was bijzonder gesteld op waardeering. Zijne
aanzienlijke »clientèle", zijne voorname kennissen, de invloed door hem
geoefend in tal van Haagsche kringen, verhieven hem tot den rang van een
aanzienlijk personage--naar hij meende te mogen vaststellen. Bovendien
was hij in de residentie bekend als een talentvol virtuoos, daar hij op
liefhebbers-concerten verschillende reizen met den hoogsten lof een solo
voor viool had uitgevoerd. Alles te zaam genomen, meende de achtbare
»fournisseur de la Cour", dat er in Den Haag wel minder bevoorrechte
schepselen rondwandelden.
Onder deze en dergelijke aangename overpeinzingen bracht de heer Van
Pommeren een miniatuur-sleutel voor den dag, en wilde juist de
winkeldeur ontsluiten, toen naast hem de deur van het bovenkwartier
openging, en Jhr. Mr. Arnold van Reelant te voorschijn trad. Van
Pommeren nam zijn spiksplinternieuwen Zondagschen hoed met een snellen
zwaai af, boog als een dansmeester, en zei onmiddellijk:
»Goeien morgen, meneer Van Reelant! Warm weer, vindt u niet?"
De aangesprokene greep even naar zijn hoed, en knikte deftig met het
plan bedaard door te stappen.
Van Pommeren glimlachte zeer hoffelijk, en vervolgde snel:
»Pardon, meneer Van Reelant! Neem me niet kwalijk! Pardon! maar nu ik u
juist ontmoet .... ik heb zoo zelden de eer u te zien .... mag ik
vragen, is u tevreden over het kwartier, over de bediening!"
»Zeer tevreden, meneer! Dank u!"
»Bij de minste kleinigheid, hoop ik, dat ik onmiddellijk zal
gewaarschuwd worden!"
»Dank u zeer, meneer Van Pommeren!"
En Van Reelant maakte aanstalten, om snel op weg te gaan.
»Pardon, meneer Van Reelant! Neem me niet kwalijk! maar, tot nog toe
vergat ik u te zeggen...."
»Later, als ik u verzoeken mag. Ik heb haast, en moet naar den trein, om
eene dame van mijne familie af te halen!"
»Neem niet kwalijk! Ik heb vergeten u te zeggen, dat, als u soms boven
een soirée of een souper zou willen geven, alle faciliteiten u ten
dienste staan .... glaswerk, porselein...."
»Uitstekend! Dank u!"
Maar ditmaal bleef het niet bij het voornemen, en Van Reelant snelde
vluchtig groetend weg.
Hij had waarlijk haast. Hij liep vlug voort, maar toch zoo, dat zijne
waardigheid van referendaris en edelman geen oogenblik gevaar liep. Van
Reelant kende Den Haag. Toen hij nog te Leiden studeerde, had hij zijne
eerste jaren bijna onafgebroken in de residentie »geresideerd." Hij had
den slag beet, om in alle opzichten eene groote hoeveelheid uiterlijke
achtbaarheid te vertoonen.
De vijf laatste, weken hebben hem geheel doen ontwaken tot een nieuw
leven. Van de twee jaren, als griffier bij het kantongerecht te
Osterwolde doorgebracht, poogt hij zich zoo weinig mogelijk te
herinneren. Al die »misères" zijn voorbij. Hij is nu een volbloed
Hagenaar geworden. Zijne betrekking als referendaris bij Buitenlandsche
Zaken had hem met tal van invloedrijke personen in aanraking gebracht.
Reeds kwam er van tijd tot tijd gelegenheid den onderdanigen groet van
den een of ander voorbijganger te beantwoorden. Hij ziet er, als naar
gewoonte, keurig uit. Met groot overleg is zijn kostuum eenvoudig, maar
toch smaakvol gekozen. Het mocht in 't oogvallend genoemd worden voor
hen, die hem vroeger gekend hadden, dat de kleur zijner handschoenen
donkerder en deftiger, dat zijn blond hair strenger afgeknipt, dat zijn
geheele uiterlijk ernstiger en afgemetener geworden was.
Of de gedachtenloop, die hem bezig hield, aangenaam of verdrietelijk
te achten was, kon men aan de kalme uitdrukking zijner trekken niet
waarnemen. Hij liep snel voort door Veenestraat en Wagenstraat, om
tijdig bij het station te zijn. Toen hij eindelijk de pseudo-classieke
portiek in het verschiet ontwaarde, bleek het, dat hij overvloedig tijd
had bedaarder te wandelen.
Zoo naderde hij dus langzaam. Hij streed in stilte een zwaren strijd.
Hij stond op het punt iets zeer gewaagds, iets zeer onvoorzichtigs te
doen....
Mevrouw Suzanna de Huibert, geboren Muller Belmonte, zou zich dien
schoonen Zondag voor goed in de residentie vestigen, en hij--Van
Reelant--zou haar bij het aankomen van den trein verwelkomen.
Daar waren allerlei gewichtige oorzaken, waarom hij dien plicht juist
niet met de hoogste geestdrift vervulde. In de eerste plaats herinnerde
hij zich een nacht op Lindenstein, en telkens poogde hij met eene snelle
beweging de gedachte aan de schande, op heeter daad betrapt te zijn, van
zich af te stooten.... Dan kwam er eene reeks van gebeurtenissen uit
Osterwolde .... dan brieven van Suze, die bij het herdenken hem somber
stemden. Het sprak van zelf, dat hij zich tegenover haar in zijne
antwoorden zeer belangstellend had getoond; dat hij zelfs de
betreurenswaardige onhandigheid begaan moest, Suze schriftelijk nogmaals
van zijne liefde te verzekeren....
Hij kon ook niet weten, dat zij zoo spoedig besluiten zou, om met hare
moeder en zuster zich vlak in zijne nabijheid te Rijswijk te vestigen.
En daarna had hij in een allerhartelijksten, liefdevollen brief
vernomen, dat Suze van voornemens was in Den Haag te komen wonen op
gemeubileerde kamers bij eene fatsoenlijke, stille familie. Hij moest
zich houden of hij deze tijding met de hoogste verrukking hoorde ....
hij moest veinzen....
Waarom moest hij dat?
Jonkheer Van Reelant had er zijne goede reden voor. In Osterwolde had
Suze zijn leeg bestaan geur en kleur gegeven. Hij had haar toen noodig,
om door zijn tijd te komen, en zich met iets aangenaams bezig te houden.
In de vervlogen twee jaren had hij haar liefgehad met meer hartstocht
dan waarvoor hij zijn kalm, berekenend karakter in staat achtte. Suze
zelve had bewezen, dat zij hem boven alles ter wereld had uitverkoren.
Zonder voorbehoud had zij zich edelmoedig gegeven, had zij eeden en
beloften aan haar echtgenoot met voeten getreden. Vrijwillig had zij
alles gewaagd voor hem, zonder den minsten schijn van zelfzucht.
Van Reelant kon met voldoening tot zich zelven zeggen, dat deze vrouw
hem in alles volgde, in alles vereerde, in alles aanbad. Hoewel hij een
dergelijken toestand niet volledig onwelkom keurde, moest hij toch
overleggen, hoe na de laatste gebeurtenissen te handelen. Ware er
niets geschied op Lindenstein, en mevrouw De Huibert met haar man naar
Den Haag gekomen, hij zou geen tijd noch moeite te kostbaar geacht
hebben, om haar te volgen en te verplichten. Als huisvriend van eene
aanzienlijke familie op te treden, daartegen kon niets ter wereld
worden ingebracht, maar bescherming te verleenen aan eene onbekende
dame, zonder behoorlijke toelichting van haar burgerlijken en
maatschappelijken staat .... daarin zag de verstandige man een groot
»inconveniënt."
In stilte had hij zijn gelukkig fortuin bewonderd, toen hij ontdekte op
welk een zandgrond zijne vroegere plannen zouden zijn gebouwd, en hoe
verschrikkelijk »gecompromitteerd" hij zou geweest zijn, indien Suze
zijne wettige vrouw geworden ware! Maar nu zou zij natuurlijk zijne hulp
vragen, rekenen op hem, die haar zoo vaak van zijne liefde had pogen te
overtuigen .... en juist nu kwam hem de heele zaak minder wenschelijk
voor bij de eerzuchtige plannen, die hij koesterde. In Den Haag moest
hij snel en onbesproken eene schitterende »carrière" maken. Alles had
hij overlegd, alles voorzichtig vastgesteld. Zijne gedragslijn was
volledig afgebakend. Onvoorzichtigheden kon hij niet begaan. Op zijn
naam mocht geen smet kleven. Reeds had hij dien morgen zijn gewonen
kerkgang verzuimd, en nu was hij op weg, om eene in Den Haag geheel
vreemde dame te ontvangen....
Tot nog toe had hij in zijne brieven Suze groote voorzichtigheid
aanbevolen, maar zij antwoordde op zijn laatste schrijven, dat zij hem
zeer gewichtige mededeelingen te doen had, en hem dus dien Zondagmorgen
wenschte te bezoeken. Dit konde en wilde hij niet beletten. Hij wilde
niet, omdat ondanks al zijne plannen de herinnering aan Suze's
belangelooze en vurige liefde hem nog immer buitengewoon ontroerde.
Reeds was zij bij herhaling voor enkele uren in Den Haag geweest, en
telkens had hij haar vooraf gemeld, dat zijne veelomvattende bezigheden
hem kluisterden in zijne cel aan het ministerie van Buitenlandsche
Zaken.
Van Reelant had het station van den Hollandschen spoor bereikt.
Dagdieven, nieuwsgierigen, leegloopers, en zenuwachtige reizigers
stoffeerden het plein en drongen door de zuilenrij naar binnen. Uit
eerbied voor zijn achtbaar uiterlijk werd hem de toegang tot het perron
onder het hooge glazen dak niet geweigerd. De groote klok leerde
hem, dat hij nog eenige minuten geduldig te wachten had. Hij sloeg
de reizigers der eerste klasse gade, of men hem soms kennen of
bespieden zou. Geen nood, achtenswaardige Nederlanders van eenigen
maatschappelijken invloed reizen niet op Zondag, en de vreemdelingen
zouden hem niet verraden. Hij liep onder de menigte rond, levendig
overtuigd, dat de gewone alledagsmenschen vervelend zijn met hunne domme
drukte en kinderachtige gesprekken: »Hoe gaat het thuis?"--»Hoe vaart
mevrouw?"--»Alles wel?" enz. enz.
Een licht dreunen in de verte kondigt den trein aan. Luider wordt het
sissen en donderend het razen, waarvan de grond siddert onder zijne
voeten. Plotseling verzamelt zich eene groote menigte. De locomotief
rolt het station binnen. Hoofden worden opgeheven, handen uitgestoken.
De conducteurs schreeuwen luide: »Den Haag! Den Haag!" De deuren der
waggons worden geopend. Zij, die vrienden en familieleden wachtten,
reppen zich. Uit een coupé eerste klasse daalt langzaam eene dame in 't
zwart, jong, bevallig, elegant. Zij haast zich niet, zij ziet niet rond.
In stilte houdt zij zich bezig met eene zilvergrijze parasol, die op
reis wat bestoft schijnt.
Van Reelant heeft evenzoo gewacht, maar haar oogenblikkelijk herkend.
Hij nadert haar, zonder iemand in den weg te loopen: zijne diepe buiging
doet de dame in 't zwart opzien. Hij biedt zijne hand aan, zij reikt
hem de hare, in smetteloos lichtgrijzen handschoen verborgen. Zij richt
haar donkerbruin oog strak op zijn gelaat. Van Reelant drukt verward en
bewogen hare hand vaster in de zijne, en zonder spreken haasten zij zich
beiden door den uitgang naar buiten. Met eene enkele beweging roept Van
Reelant den koetsier van een coupé, die op hem schijnt te wachten.
Zoodra het rijtuig voortrolt, vestigt Van Reelant zijne blikken
op Suze's bleek, maar sprekend gelaat. Zij had de donkere oogen
neergeslagen, aan den rand harer wimpers parelde een traan. Trots heel
zijn verstandig overleg klopte zijn hart plotseling met sneller slag.
Suze's schoonheid en Suze's tranen veroverden hem opnieuw. Hij strekt
zijne armen uit, en prangt haar plotseling met onstuimigen hartstocht
aan zijne borst. Zacht weenend beantwoordt Suze zijne omhelzing, terwijl
de zilvergrijze parasol op den bodem van den coupé zinkt.
Een oogenblik later streek ze snel de lichtpaarse linten glad, die
haar hoed van fijn zwart stroo door een breeden strik onder de kin
bevestigden, en droogde ze nog sneller haar zakdoek oog en wangen.
Toen glimlachte ze met mond en oogen beide, en lispte zij:
»Arnold! Arnold!"
Van Reelant liet zijne berekeningen in den steek, en trok haar aan zijne
zijde.
»Heugt het je nog, Suze!"--fluistert hij--»hoe we voor twee jaar in den
barren winter van Lindenstein naar Osterwolde reden?"
»Op den dag, toen De Huibert me vroeg!"
»Wat is er veel veranderd!"
»Maar ik ben dezelfde gebleven, Arnold! En jij?"
»Vraag mij niets! Ik heb je lief!"
Suze genoot in stilte van haar triumf. Zij had een duister vermoeden
gekoesterd, dat Van Reelant, sedert hij naar Den Haag vertrok, eene
andere gedragslijn zou volgen. Al de ellende, die haar op eenmaal
getroffen had, maakte haar uiterst achterdochtig. Zij had in de
verloopen weken wel een groot aantal liefdevolle brieven van hem
ontvangen, maar hare voorstelling zijner offervaardigheid ging oneindig
verder. Zij had gehoopt op eene volkomen toewijding, vooral nu ramp aan
ramp haar verpletterden.... Zij liet evenwel spoedig deze illusie varen,
en rekende alleen op hare persoonlijke tusschenkomst.
De coupé hield stil in de Hoogstraat voor de beroemde ateliers van Emile
van Pommeren, fils. Door niemand gezien stond de eigenaar van dezen naam
achter een gordijn te gluren, hoe »de dame" van meneers familie er mocht
uitzien. Toen Suze deftig uit den coupé stapte, terwijl Van Reelant
buigend met hare parasol in de hand zich haastte de deur te openen,
glimlachte Van Pommeren geheimzinnig, en mompelde hij: »Een vreemde ....
niet kwaad .... kranig, heel kranig!"
Van Reelant wipte snel de trap op en leidde zijne gast naar zijne
zitkamer. Bij het binnentreden viel het ieder bezoeker in 't oog, dat
het ruime vertrek overmeubeld was, en dat men er bijna niet loopen kon
door den rijkdom aan groote en kleine sofa's, fauteuils, tafeltjes
en allerlei soorten van stoelen. Daarenboven was er al te ijverig
geofferd aan verguldsel; de pendule, de luchters, de lichtkroon, de
lijsten, om reusachtige Engelsche gravuren--wedrennen en jachtpartijen
voorstellend--dit alles was zwaar verguld. Gelukkig had de waardige Van
Pommeren uitstekende zonneschermen voor de ramen gehangen, zoodat een
zacht licht den overvloedigen glans van al dat verguldsel temperde.
Suze trad aarzelend eenige schreden vooruit. Van Reelant gevoelde zich
wat beklemd, en sprak niet. Hij zette zijn hoed op het gesloten klavier
en zag, dat Suze voor den spiegel bij den marmeren schoorsteenmantel
bezig was voorzichtig de breede, nieuwe linten van haar mooi hoedje
los te strikken. Terstond vloog hij haar ter hulp, en nam hij de kanten
mantille en den hoed uit hare handen. Voorzichtig legde hij beide weg,
en wachtte eene poos, terwijl zij zwijgend hare handschoenen uittrok.
Toen kwam hij naast haar staan, en zei met zachte stem, alsof hij
vreesde, dat men hen beluisteren zou:
»Ik maak je mijn compliment, Suze! Je hebt er nog nooit zoo goed
uitgezien.... En altijd, die mooie, prachtige krullen...."
Hij roerde met zijne rechterhand even den over haar schouder vloeienden
lokkenschat aan.
Suze opende de fluweelige, donkere oogen en zag glimlachend, vol blijde
hoop naar hem op. Van Reelant kon dien blik geen weerstand bieden; met
beide armen klemde hij haar vurig aan zijn hart....
* * * * *