getrokken, zijn kraag opgezet, zijn rooden halsdoek en zijn stompje
sigaret tusschen de tanden, alles behalve vertrouwen inboezemend uit.
Wie hem in een weinig bezochte buurt des avonds tegen kwam, zou
denkelijk maar het liefst een grooten omweg hebben gemaakt, teneinde
hem te ontloopen.
Het costuum van Raffles verschilde weinig van dat van Henderson, maar
zijn gelaat was volkomen onherkenbaar, het was het gezicht van een
dronkaard, een zakkenroller, alles wat men wil, maar zeker niet dat van
den vice-president van de Windsor-Club, waarvan alleen zeer rijke en
adellijke heeren deel uitmaakten.
De beide mannen waren elkaar schijnbaar op straat tegengekomen en
stonden nu met elkander te praten, op eenigen afstand van het huis,
hetwelk zij goed in het oog hielden.
Vijftig passen verder bevond zich een groote auto-verhuurinrichting en
daar hadden de beide mannen den wagen gestald, die hen hier had
gebracht.
Het was een zeer snelle auto, waarvan zij konden verwachten, dat zij
elken anderen wagen gemakkelijk zou kunnen bijhouden en als het moest
inhalen.
Daar het wachten wat lang begon te vallen, besloot Raffles, een klein
wijnhuis op te zoeken, dat zich schuin tegenover de huurkazerne bevond,
waar Sonja woonde, maar nauwelijks waren de beide mannen daar binnen
getreden, of Raffles trok Henderson haastig weder met zich mede naar
buiten en fluisterde hem toe:
„Daar komt zij juist aan! Vlug wat.”
Inderdaad Sonja Paviac stond voor de deur van het huis en rookte
bedaard een sigaret, terwijl zij blijkbaar uitzag naar een huurauto.
„Zij zoekt een auto!” hernam Raffles fluisterend. „Wij hebben juist een
wagen bij ons, die veel op een taxi lijkt ofschoon de motor tienmaal
sterker is. Ga dien wagen spoedig halen en rijdt langzaam langs haar
heen, misschien neemt zij je wel. Dat bespaart ons dan de moeite
misschien door heel Londen een anderen wagen te moeten volgen.”
„En gij, Mylord?”
„Ik rijd natuurlijk mede op de achterveeren.”
De beide mannen staken snel de straat over en Henderson ging de auto
uit de garage halen, terwijl Raffles de Russin in het oog hield uit
vrees, dat zij wellicht in dien tijd een andere huurauto zou vinden.
Maar Henderson was er vlug bij geweest. Hij had den kraag van zijn jas
behoorlijk neergeslagen, zijn halsdoek in zijn zak gestoken, zijn pet
wat terug geschoven, en kon na wel doorgaan voor een van de snorders,
die er een eigen auto op nahouden, waarmede zij hun kostje ophalen.
Niet zoodra had Sonja de langzaam rijdende auto in het oog gekregen, of
zij wenkte den gewaanden chauffeur van den huurwagen.
Henderson remde, en de wagen stond vlak voor de Russin stil.
Sonja nam den chauffeur even op en vroeg toen:
„Kun je mij naar Wellington Row brengen, chauffeur?”
Henderson deed of hij even aarzelde, daar hij maar al te goed wist, dat
de tegenwoordige huurchauffeurs zich liever niet al te zeer vermoeien
en lange afstanden slechts voor zeer hooge fooien afleggen, waarop
Sonja haastig vervolgde:
„Ik zal je wel een goede fooi geven.”
„Nu, dan zullen wij eens zien, hoe ver wij komen, dame,” zei Henderson
met een grijnslach. „Stapt U dan maar in. Welk nummer?”
De Russin scheen iets te willen antwoorden, misschien het nummer te
willen noemen, maar zij bedacht zich, en zeide:
„Rijdt maar naar het begin van Wellington Row, daar stap ik wel uit.”
„Zooals U wilt, dame.”
Sonja opende het portier en stapte in.
Op hetzelfde oogenblik, dat de auto zich in beweging stelde, wierp
Raffles zich met een snellen sprong achter op de veeren.
Het was een tamelijk vermoeiende lichaamsbeweging, die rit van bijna
een uur.
Maar eindelijk stond de auto toch stil aan het begin van Wellington
Row, een tamelijk breede straat in de wijk van Betnal Green gelegen,
eveneens een echte volksbuurt, maar waar men toch ook verscheidene
fraaie straten vindt, door den middenstand bewoond.
Raffles was aanstonds van de auto gesprongen en stond nu schijnbaar het
menu te lezen, hetwelk was opgehangen achter de spiegelruit van een
volksrestaurant. Inderdaad echter hield hij in het spiegelend oppervlak
de Russin in het oog.
Hij zag hoe zij Henderson betaalde, die nogal tevreden scheen te zijn
over zijn fooi, en daarop met snelle schreden de straat inging.
Een oogenblik stond Raffles besluiteloos.
Van een garage viel niets te bespeuren en hij kon toch de auto
onmogelijk onbeheerd laten staan.
Maar spoedig was zijn besluit genomen.
Hij was met een paar stappen bij Henderson en voegde hem fluisterend
toe:
„Ik moet die vrouw nagaan, Henderson! Je weet wat het doel is. Ik
vermoed, of liever ik weet bijna zeker, dat die vrouw deel uitmaakt van
een zeer gevaarlijke bende nihilisten.”
„Maar laat mij toch met U meegaan, Mylord,” zei Henderson. „Gij zult
groot gevaar loopen, want ik heb mij wel eens laten zeggen, dat die
menschen voor niets terugdeinzen. De buurt is hier ook allesbehalve
veilig!”
Maar Raffles schudde het hoofd en hernam:
„Ik zal wel oppassen, Henderson. Men zal mij alleen minder gemakkelijk
opmerken, dan wanneer wij met ons beiden zijn. Wij kunnen de auto niet
onbewaakt laten. Wacht dus op mij, totdat ik terug zal zijn gekeerd!”
„Neem mij niet kwalijk, dat ik aandring, Mylord, maar die schurken
zullen U toch niet binnen laten komen.”
„Dat acht ik ook ondenkbaar, Henderson,” antwoordde Raffles
glimlachend. „Natuurlijk zal ik hen daartoe ook geen verlof vragen. Het
moet met list geschieden, anders konden wij de onderneming wel dadelijk
laten varen.”
Hij knikte Henderson nog eens toe, maar deze trad haastig op hem toe en
vroeg:
„Hoe lang kunt gij hoogstens wegblijven, Mylord?”
„Dat zal van de omstandigheden afhangen, Henderson, maar ik denk toch
zeker niet langer dan een uur. En laat mij nu gaan, anders verlies ik
haar nog uit het oog.”
Raffles knikte den trouwen metgezel nog eens vriendelijk toe en het
volgende oogenblik was hij op zijn beurt Wellington Row ingegaan.
De Russin liep ongeveer vijftig passen voor hem uit.
Zij liep tamelijk snel, maar Raffles had toch geen moeite om haar bij
te houden.
Op den hoek van Barnet Grove stond zij even stil, wierp een snellen
blik om zich heen en sloeg toen de laatstgenoemde straat in.
De huizen waren hier zeer oud en vervallen, en sommige dateerden uit
het begin van de zestiende eeuw.
De verlichting liet hier vrij veel te wenschen over en Raffles moest
tamelijk dicht bijkomen om het wild niet uit het oog te verliezen.
Eindelijk stond Sonja Paviac stil voor een hoog smal huis, hetwelk
zoover voorover helde, dat men ieder oogenblik moest vreezen, het te
zien instorten.
Weer keek zij even om zich heen en daarop verdween zij snel in een
duistere koetspoort.
Nog juist bijtijds had Raffles zich in een portiek verborgen op het
oogenblik dat de vrouw omkeek.
Hij begaf zich nu op zijn beurt onder de koetspoort en ging af op het
geluid van de wegstervende schreden.
Achter in den gewelfden doorgang, die toegang gaf tot een binnenplein,
waarop ondanks het late uur nog een aantal kinderen schreeuwden en
speelden, bevond zich een deur, die aanstond.
Raffles duwde haar wat verder open en luisterde.
Duidelijk hoorde hij de schreden van de vrouw op de krakende treden.
Raffles overtuigde zich, dat zijn revolver op de goede plaats zat, en
daarop begon hij zonder aarzelen de smalle trap te beklimmen.
En het was merkwaardig, hoe de treden, die gekraakt hadden onder de
lichte voetstappen der schoone vrouw, thans hoegenaamd geen geluid
gaven.
Een muis zou zeker meer leven hebben gemaakt, dan de
Gentleman-Inbreker.
In het oude, donkere huis schenen alle bewoners wel ter ruste te zijn,
want het was er zeer stil en slechts nu en dan hoorde Raffles eenig
teeken van leven, het dichtslaan van een deur, kindergeschreeuw, een
kijvende vrouwenstem.
Maar wat hij ook steeds bleef hooren, dat was het kraken van de oude
traptreden onder de voeten van Sonja Paviac....
Steeds hooger steeg zij, en Raffles had reeds vier portalen geteld.
Maar eensklaps hield het geluid op.
Juist toen hij niets meer hoorde stond Raffles aan het begin van een
smalle trap, een wenteltrap, die klaarblijkelijk naar de
zolderverdieping voerde.
Hij luisterde aandachtig.
Boven werd op een deur geklopt, daarna was het even stil, toen sprak
een vrouwenstem eenige woorden in het Russisch op gedempten toon.
Er piepte een deur, een diepe mannenstem zeide iets op heeschen toon,
eveneens in een vreemde taal, toen klonk het piepen van de deur
opnieuw, gemengd met het geluid van schreden en ten slotte werd een
roestige sleutel in een slot omgedraaid.
Maar in dien tijd was Raffles onhoorbaar naar boven gesloopen, en juist
toen de deur achter Sonja Paviac gestoten werd, hief Raffles het hoofd
boven den vloer van het portaal op.
Aanvankelijk zag hij niets dan een rossige lichtstreep, ongeveer twee
meter van hem verwijderd; dat was hoogstwaarschijnlijk het licht in de
kamer, waar de Russin zooeven was binnengetreden, dat onder de deurreet
doorscheen.
Voorzichtig hief Raffles zich op, beklom de laatste treden en stond op
het duistere portaal.
Toen zijn oogen wat beter aan de duisternis gewend waren, ontwaarde
hij, dat hij zich op een soort zolder bevond, welke een modern en
practisch huisheer betimmerd had met eenige kleine vertrekjes.
Raffles zag vier deuren naast elkaar, maar slechts onder een daarvan
scheen licht naar buiten.
Raffles stak het portaal over bukte zich, en bracht zijn oog voor het
sleutelgat van de deur, waardoor Sonja Paviac was binnengegaan.
Hij kon echter volstrekt niets zien, blijkbaar had men een doek of een
ander voorwerp voor het sleutelgat gehangen.
Teleurgesteld richtte Raffles zich weer op.
Maar plotseling scheen hem iets in te vallen.
Hij ging naar de volgende deur, op de teenen loopend, en draaide aan de
kruk.
Tot zijn blijdschap gaf de deur aanstonds mede.
Hij trad een schaarsch gemeubeld vertrek binnen, dat zijn licht ontving
door een klein zijraam, waardoor op dit oogenblik de maan naar binnen
scheen.
Dadelijk sloot Raffles de deur weder, hetgeen hij echter niet met een
sleutel kon doen, daar deze ontbrak, en ontstak zijn electrische
zaklantaarn.
Hij trad op den wand toe, die de kamer van het aangrenzende vertrek
scheidde en betastte deze.
„Hout, zooals ik wel dacht,” mompelde Raffles voor zich heen. „Zoo veel
te beter, dat bespaart heel wat werk.”
Hij ging op zijn knieën liggen, haalde een klein, eigenaardig gevormd
instrument uit zijn zak, een boor van zijn eigen vinding, zette die
tegen den zijwand, dicht bij een der hoeken van het vertrek en
omstreeks een voet van den vloer en begon aan den kleinen zwengel van
het toestel te draaien, dat wel eenigszins geleek op een eierklutser.
Zonder het minste geruisch te maken, terwijl de kleine houtsplinters in
een fijnen regen op den vloer vielen, drong het gereedschap door den
dunnen wand en in een paar tellen had Raffles een zuiver rond gat
geboord van ongeveer een duim in doorsnede.
Hij trok de boor terug, ging languit op den vloer liggen en bracht zijn
oog voor de opening.
Hij kon een groot gedeelte van het aangrenzende vertrek overzien.
In het midden stond een wrakke tafel, waaraan een zestal mannen gezeten
waren.
Zelfs een leek op het gebied van volkenkunde zou in deze mannen
aanstonds Russen herkend hebben.
Zij hadden allen glanzend zwart haar, in den nek uitgeknipt, een paar
hunner hadden lange, verwarde baarden en de snorren van de anderen
hingen op Russische wijze omlaag.
Slechts een hunner was baardeloos, maar zijn scheefstaande oogen,
uitspringende jukbeenderen, wreede kaken en platte, breede neus, wezen
hem aanstonds aan als een Moskoviet, met veel Mongoolsch bloed in de
aderen, waarschijnlijk een bewoner van den Oeral of van de streken van
het onmetelijke Russische rijk, die het dichtst aan China grenzen.
Aan het smalle einde van de tafel zat Sonja Paviac.
Zij had haar hoed afgelegd en ook haar mantel uitgedaan.
Haar gelaat was bleek en haar oogen hadden een somberen gloed, terwijl
zij keek naar een voorwerp, dat in het midden van de tafel stond.
Het was een kleine, langwerpige withouten kist, ongeveer twee decimeter
lang, een decimeter hoog en acht centimeter breed.
De deksel was opengeklapt, maar wegens het lage standpunt, hetwelk
Raffles zich Voorzichtigheidshalve gekozen had, kon hij onmogelijk
zien, wat zich in de kist bevond.
Wel herkende hij dadelijk een van de mannen, die aan de tafel aanzat,
het was dezelfde, dien hij des avonds in het danspaleis in Grange Road
gezien had en vervolgens nog eens in de loketzaal van de bank der
heeren Rosenthal en Pennock.
Op dit oogenblik begon Sonja te spreken.
Haar stem had een eenigszins schellen klank, toen zij begon:
„Dat is dus het stukje speelgoed met behulp waarvan wij de Engelsche
bank in de lucht kunnen laten vliegen, Paul Miljakoff, mijn hulde! Maar
kun je mij nu ook verzekeren, dat de uitwerking inderdaad zoo
vreeselijk zal zijn, als je er van verwacht?”
De aangesprokene, het was juist de man dien Raffles reeds kende, knikte
eenige malen veel beteekenend en antwoordde toen:
„Het is een vinding van onzen wederzijdschen vriend Pavloff, Sonja! Ik
ben er bij geweest, terwijl hij proeven nam met een zeer kleine
hoeveelheid van dit mengsel, niet het honderdste gedeelte van wat zich
in deze kleine kist bevind, nauwelijks zooveel als er op de punt van
een zakmes kan liggen. Het zag er uit als gemalen koffie. Pavloff
verbond deze kleine korrels met een soort stopverf tot een vast deeg,
hetzelfde deeg, dat gij in deze kist ziet en bracht het door middel van
een slaghoedje op verren afstand tot ontploffing. Welnu, met dat
snuifje gemalen koffie slaagde hij erin een zwaar blok graniet, dat
zeker een ton woog, letterlijk tot stof uiteen te doen slaan. Geloof
mij, zooiets vreeselijks bestaat er niet meer op aarde en wanneer
Pavloff zijn titaniet, zooals hij liet noemt, aan een vreemde
mogendheid zou willen verkoopen, dan zou hij er millioenen voor
krijgen. Maar Pavloff is een goede broeder, hij weet, dat wij
allereerst tegen de vervloekte kapitalisten moeten strijden en daarom
heeft hij zijn ontploffingsmiddel in onzen dienst gesteld.”
„En kan dit vreeselijke goed niet anders ontploffen dan door middel van
een slaghoedje?” vroeg Sonja, die even gehuiverd had.
„Toch wel!” antwoordde Miljakoff met een wrangen glimlach. „Als gij
bijvoorbeeld deze kist eenvoudig uit het raam laat vallen, dan is er
een paar seconden later geen spoor meer van ons zevenen terug te
vinden, maar waarschijnlijk evenmin van heel Betnal Green!”
„En voor wanneer zal het zijn?”
„Alles is gereed aan onzen kant, het kan morgen geschieden!”
HOOFDSTUK VII.
IN DOODSGEVAAR.
Een oogenblik bleef het stil in het vertrek.
Toen hernam Miljakoff, terwijl hij den kring van zwijgende mannen in
het rond zag:
„Wij hebben een maand lang allen hard gewerkt! Onze Sonja heeft van
haar positie bij de bank van Rosenthal en Pennock handig gebruik weten
te maken om zich op de hoogte te stellen van de reglementen en de
voorschriften die daar gelden en ook aan de Engelsche bank en op de
beurs. Zij heeft kennis aangeknoopt met Chesterfield, den
onderdirecteur van de bank en langzamerhand heeft hij haar alles
meegedeeld, wat voor ons van nut kan zijn. Wij weten nu wat de minst
drukke uren zijn, waarop de aanslag het meeste kans van slagen heeft,
wij weten hoe de safe is ingericht, wij kennen de geheele inrichting
van de bank. Chesterfield is een galant man, hij heeft haar aan onze
vriendin getoond. Morgen dus gaan twee van de anderen, die in hun
uiterlijk nog het meest gelijken op twee van die vervloekte rijke
bourgeois, naar de bank en geven daar voor dat zij geld in deposito
komen brengen. Zij zullen natuurlijk zelf de safe willen zien, waarin
hun geld bewaard wordt.
„Een hunner neemt deze kist, die niet al te zwaar is, in een sterke,
lederen citybag met zich mede, na het uurwerk geregeld te hebben in de
auto, onze twee vrienden hebben mijn instructies reeds. Hij die de
tasch draagt met haar verrassenden inhoud zal haar achterlaten,
zoogenaamd bij vergissing. Het doet er niet toe of men haar al of niet
dadelijk ontdekt, want zij zal toch goed op slot zijn. Het beste is
natuurlijk, als zij goed verborgen wordt achtergelaten, bijvoorbeeld in
het loket van de safe, dat zij zullen huren.”
„En wanneer heeft dan de ontploffing plaats?” vroeg Sonja, met een
wilden gloed in haar oogen.
„Een half uur nadat zij het gebouw weder zullen hebben verlaten,”
antwoordde Miljakoff.
Sonja verbleekte opnieuw en riep uit:
„Een half uur slechts! Mijn God, als zij dan maar niet te lang
blijven.”
„Maak je niet ongerust, mijn duifje,” hernam Miljakoff schouder
ophalend, „je minnaar zal wel bijtijds het hazenpad weten te kiezen.”
„Wat is dat?” riep Sonja ontzet uit. „Moet Alex dat werk doen?”
„Wat is er tegen?” hernam Miljakoff koeltjes. „Is hij beter dan een
onzer? Moet hij worden vrijgesteld, omdat jij toevallig zijn minnares
bent?”
De schoone Russin antwoordde niet maar keek strak naar de kist met haar
vreeselijken inhoud.
Zij huiverde.
En toch wist zij van zich zelf, dat zij ieder oogenblik bereid zou zijn
om, wanneer het moest, zelf die gevaarlijke taak op zich te nemen.
Ja, zij zou geen oogenblik aarzelen.
Haar stem had een schorren klank, toen zij eindelijk hernam:
„Ik zal er mij niet tegen verzetten, Paul Miljakoff. Je weet dat ik
onze zaak met hart en ziel ben toegedaan en dus.... Wat was dat?”
De nihilisten keken elkander vragend aan.
In het aangrenzend vertrek had het geluid geklonken van een vallend
voorwerp.
In een oogwenk was Miljakoff opgevlogen en had hij de deur van het
portaal open gerukt, met de revolver in de vuist.
Juist op hetzelfde oogenblik verscheen Raffles op den drempel van de
deur van het aangrenzende vertrek.
Hij had een zijner beenen gestrekt, stijf geworden door zijn lastige
houding en had tegen de tafel gestooten, waarop hij zijn electrische
lamp had neergezet, die met een doffen slag op den houten vloer was
gevallen.
Dadelijk had hij begrepen, dat hij zijn aanwezigheid wel verraden zou
hebben en was dus slechts op een snelle vlucht bedacht.
Maar reeds was de terugtocht hem afgesneden.
„Verraad mannen!” brulde Miljakoff. „Luistervinken!”
In een oogwenk waren de andere Russen op het duistere portaal.
Reeds kon Raffles de trap niet meer bereiken, want Miljakoff had hem
vastgegrepen.
Wel rukte hij zich los en tastte zijn hand reeds naar de revolver, maar
het was te laat.
Vier krachtige mannen wierpen zich op hem en sleurden hem haastig het
vertrek binnen.
Raffles was een gespierd man en buitengewoon geoefend in alle takken
van sport, maar die overmacht van zes gespierde mannen, waarvan er drie
reeds met revolvers gewapend waren, was al te groot.
En Raffles begreep spoedig, dat hij zich slechts vruchteloos zou
afmatten, wanneer hij zich trachtte te verzetten.
Hij gaf het dan ook op, toen hij twee der Russen had kunnen neervellen
en hem door twee anderen beide armen op den rug werden gewrongen.
Sonja had zwijgend bij den korten strijd toegezien, met den rug tegen
de deur leunend en een glans in haar oogen als van een wild dier.
Zoodra Raffles geboeid was met een paar sterke touwen en op een stoel
was neergezet, begon Sonja met de handen in de zijde en een uitdrukking
van koude wreedheid op het gelaat:
„Welzoo, dat is dus de indringer. Maar, ik herken de man! Dat is die
man, dien ik zooeven bij mijn auto zag staan en dien ik nog eens terug
zag, toen ik mij op den hoek van deze straat nog eens omdraaide!
Doorzoek zijn zakken eens!”
Miljakoff trad op Raffles toe, opende zijn jas, stak zijn hand in den
binnenzak en haalde er eenige papieren uit.
Het waren zorgvuldig nagemaakte legitimatiebewijzen van een detective
van Scotland-Yard.
Miljakoff liep ze zwijgend en snel door en overhandigde ze toen aan de
Russin.
Toen deze ze op haar beurt gelezen had, wierp zij Raffles een
doorborenden blik toe, trad vlak voor hem en vroeg:
„Waart gij allang hier naast? Maar wat vraag ik. Gij zijt mij
natuurlijk onmiddellijk gevolgd. Gij hebt dus gehoord wat wij hier
bespraken?”
„Van A tot Z, schoone dame,” antwoordde Raffles bedaard.
„Toch waar?” kwam de schoone Russin, tergend langzaam, terwijl zij
Raffles nogmaals onderzoekend en met een blik vol haat aankeek. „Gij
weet zeker wel, dat gij met die weinige woorden Uw eigen doodvonnis
teekent?”
„Ik heb er geen oogenblik aan getwijfeld, of gij zoudt niet aarzelen,
mij ter dood te brengen, omdat ik U lastig ben,” antwoordde Raffles
rustig. „Denk niet dat ik den dood vrees. Ik heb hem te menigwerf onder
tal van gedaanten onder het oog moeten zien, dan dat ik hem thans zou
vreezen. Bedenk echter wel wat gij doet, men weet op Scotland-Yard dat
ik hier ben!”
„Weet men dat werkelijk?” hernam Sonja Paviac op spottenden toon. „Neem
mij niet kwalijk als ik het betwijfel. Maar hoe het ook zij, gij zult
reeds lang niet meer tot de levende behooren, in geval de politie hier
een inval mocht komen doen.”
Miljakoff, die Raffles met een duisteren blik had aangestaard, sprak nu
op gedempten toon:
„De politiebeambten zijn onze doodsvijanden. Waar wij hen in handen
krijgen, daar maken wij hen onverbiddelijk dood. Wij weten waaraan wij
ons zelven blootstellen, wanneer wij gevat worden en daarom kennen wij
ook geen medelijden in het tegenovergestelde geval.”
„Verbeuzel niet zooveel tijd, Paul!” riep Sonja uit. „Er is natuurlijk
geen sprake van, dat deze man hier levend vandaan mag gaan. Hij zou
aanstonds ons plan verraden, het plan waaraan wij maanden lang gewerkt
hebben en waarvan de tenuitvoerlegging dit vervloekte land in het hart
moet treffen. Ter dood met hem! Weet gij geen goed en afdoend middel,
Paul?”
„O ja!” antwoordde deze met een duivelsch lachje. „Hij kan ons als
proefkonijn dienen. Ik heb hier een klein instrument in mijn zak, iets
dergelijks als deze kist hier op de tafel, maar een kleiner formaat.
Het bevat hoogstens een theelepeltje van dit donkerbruine goedje, gij
weet wel wat.”
Hij had zijn hand in zijn zak gestoken en haalde er voorzichtig een
voorwerp uit, dat er uitzag als een van die ronde blikken doozen,
waarin schoensmeer of iets dergelijks verkocht wordt.
Hij deed het voorzichtig open en wendde zich toen weder tot Sonja,
terwijl hij vervolgde:
„Zooals gij ziet bevat het een klein, goedkoop horloge-uurwerk. Ik heb
het zoo geregeld, dat het een minuut later kan ontploffen, maar ook pas
na twee uur. Wat dunkt je van tien minuten?”
„Dat is ruimschoots voldoende om ons in veiligheid te brengen,
nietwaar?”
„Ruimschoots! Ik zal het uurwerk opwinden, wanneer wij gereed zijn de
kamer te verlaten. Maar wij zullen niet te gelijkertijd vertrekken. Het
is beter, dat wij twee aan twee heengaan.”
„Bindt hem dan stevig vast en knevel hem!” beval de Russin.
Reeds trad er een der Russen met een halsdoek op Raffles toe, toen deze
zeide:
„Een oogenblik! Ik wilde nog wel even mijn meening te kennen geven over
madame Sonja Paviac.”
Hij keek de Russin recht in de zwarte oogen en vervolgde:
„Ik heb in mijn avontuurlijk leven al heel wat tegenstellingen onder de
oogen gehad, madame. Maar nooit had ik kunnen gelooven, dat een zoo
duivelsche ziel kon wonen in zulk een schoon omhulsel. En daaraan heb
ik nog slechts dit eene toe te voegen:
„De beul, die U den strik om den hals legt, doet een goed en
menschlievend werk. En nu ben ik tot Uw dienst.”
Sonja had met een giftigen blik in haar donkere oogen toegeluisterd,
het hoofd een weinig gebogen en met gebalde vuisten.
Toen tastte zij driftig in haar boezem en haar hand omvatte een
kleinen, vlijmscherpen dolk.
Een oogenblik leek het alsof zij zich als een furie op Raffles wilde
werpen, die machteloos op zijn stoel was vastgebonden.
Zij wist zich echter te beheerschen, haalde de schouders op en zeide op
kouden toon:
„Gij kunt over mij oordeelen zooals gij verkiest, het raakt mij niet.”
Vervolgens wendde zij zich tot Miljakoff en vroeg:
„Heeft de ontploffing ernstige gevolgen, behalve natuurlijk voor dezen
spion?”
„De heele bovenverdieping gaat er aan. En ik denk dat wel de
aangrenzende huizen ook heel wat te lijden gullen hebben, maar het zijn
maar bourgeois,” voegde hij er op minachtenden toon aan toe.