in de oogen zien. Ik althans heb mij een weg gekozen, die mij dat
onmogelijk maakt. Maar dit zeg ik je eerlijk: Ontmoet je ooit een
meisje, dat niet alleen uiterlijke bekoorlijkheden bezit, maar in de
waarachtige beteekenis van het woord een edele ziel heeft, dan laat ik
je aanstonds vrij, en dan zal ik mij zelf innig gelukkig achten, als je
op deze wijze je leven besluit. Maar dit, neen, dit is geen liefde, dit
kan geen liefde zijn. En ga nu, ik moet nadenken.”
Met deze woorden nam Raffles weder voor zijn schrijftafel plaats en
verzonk in diepe gedachten.
Van de aanwezigheid van Charly scheen hij volstrekt niets meer te
bemerken.
De jonge man zelf was opgestaan, deed nu besluiteloos een paar stappen,
naar Raffles toe, bedacht zich, en snelde eensklaps het vertrek uit.
Ten prooi aan de meest tegenstrijdige gevoelens ijlde hij naar zijn
eigen kamer, en liet zich op de rustbank neervallen, terwijl hij zijn
gelaat in de zachte kussens begroef....
Maar Raffles werkte door, met onverdroten ijver, als een uurwerk, koud
en door niets te ontroeren.
Hij had zich in het hoofd gezet, dat die schoone Russin een zeer
gevaarlijke vrouw was, en nu hij dit nader wilde onderzoeken, zou hij
zich zeker niet laten weerhouden door „sentimenteele” overwegingen.
Hij zou het mes diep in de wonde zetten, zoo nam hij zich voor, en
Charly van zijn noodlottigen hartstocht bevrijden.
Omstreeks een uur nadat het gesprek had plaats gevonden, hetwelk Charly
zoo zeer had aangegrepen, begaf Raffles zich naar de bank van de heeren
Rosenthal en Pennock, en werd aanstonds bij den laatsten toegelaten,
nadat hij zijn kaartje had afgegeven, en verklaard had, dat hij wegens
een belangrijke zaak kwam.
Hij werd dadelijk bij Pennock toegelaten, die hem met uitgestoken hand
tegemoet trad, en eenigszins verbaasd opmerkte:
„Gij herhaalt uw bezoek vroeger, Mylord, dan ik had durven hopen. Kan
ik U met een en ander van dienst zijn? Gaat het over de
spoorwegexploitatie in Rusland?”
„Dat niet, mijn waarde Pennock, al kom ik wel in een zaak, die in de
verte iets met Rusland uitstaande heeft. Maar voor ik verder ga, kan
men ons hier naast onmogelijk hooren spreken?”
„Is de zaak van zulk een gewicht, Mylord?” vroeg Pennock verwonderd,
terwijl zijn wenkbrauwen de hoogte ingingen.
„Van groot gewicht!”
„Nu, dan zullen wij ons liever in mijn particulier kabinet
terugtrekken, daar zijn wij volkomen beschut tegen luisteraars.”
Onder het spreken had hij een deur geopend en liet Raffles nu
binnentreden in een klein vertrek, waar slechts een rooktafel en eenige
gemakkelijke fauteuils stonden.
Hij liet de tusschendeur openstaan en hernam nu:
„Nu kunt gij gerust vrijuit spreken, Mylord, men zal ons in de kamer
van mijn secretaris onmogelijk kunnen hooren. Ik moet U zeggen, dat U
mijn nieuwsgierigheid wel wat geprikkeld Hebt.”
„Dan spijt het mij U te moeten zeggen, dat ik betwijfel, of ik haar wel
in alle opzichten zal kunnen bevredigen.”
Raffles trok zijn stoel zoo dicht mogelijk bij dien van Pennock en
vroeg toen op gedempten toon:
„Hoe lang hebt gij Uw steno-typiste reeds?”
„Wie meent gij? Sonja Paviac?”
„Ja.”
„Zij is bijna drie maanden in mijn dienst.”
„Zijt gij over haar werk tevreden?”
„Volkomen.”
„Heeft zij nooit verzuimd?”
„Slechts enkele malen, wegens ziekte. Zij haalde echter den achterstand
gemakkelijk weder in. Het is een doortastend, ijverig en bekwaam
meisje.”
„Waar was zij het laatst geweest?”
„Bij een firma in Leeds.”
„Hoe lang was zij daar?”
„Ruim zeven jaar.”
Een trek van teleurstelling en ook van verbazing vloog over het gelaat
van John Raffles.
Hij beet zich op de lippen, dacht een oogenblik na en begon toen weder:
„Had zij goede getuigschriften?”
„Voortreffelijke.”
„Gij hebt natuurlijk naar haar andere papieren gevraagd?”
„Ik heb haar paspoort gezien en haar toestemming om in ons land te
vertoeven.”
„Hebt gij die getuigschriften soms bij de hand?”
„Ik heb ze haar natuurlijk weder terug gegeven.”
„Herinnert gij U den naam van de firma dan niet?”
„Ja zeker. Preston & Co., machinebouwers. Maar waarom vraagt gij mij
dat allemaal? Gij hebt toch niets op het meisje aan te merken?”
„Ik vrees integendeel dat ik heel wat op haar zal moeten aanmerken,
waarde Pennock. Zouden wij die firma dan niet. telefonisch kunnen
bereiken?”
„Welzeker, niets is gemakkelijker.”
„Maar zonder dat men het hier in de bank bemerkt?” hernam Raffles.
„Ook dat kan zeer goed geschieden. Zie maar daarginds, het
telefoontoestel. Ik kan zelf intercommunaal opschellen, zonder dat
iemand zich ermede hoeft te bemoeien.”
„Wees dan zoo goed, de firma te Leeds even op te bellen, en haar te
vragen hoe Sonja Paviac er uitzag. Ik zou het gaarne in bijzonderheden
weten,”
„Als gij er op staat, Mylord, dan zal ik het doen, maar ik kan mij
volstrekt niet voorstellen, waarop dit alles moet uitloopen,” kwam
Pennock verwonderd,
Hij trad op het telefoontoestel toe, zocht even in den reusachtigen
gids, verzette een paar contactknoppen, en werd een oogenblik later in
verbinding gesteld met het gevraagde nummer te Leeds.
Terwijl hij sprak, zag Raffles, dat zijn gelaat een zeer verbaasde en
eenigszins verschrikte uitdrukking aannam.
Eindelijk legde hij den hoorn weder neer, kwam langzaam op Raffles toe,
en zeide op zachten toon:
„Daar begrijp ik niets van, Mylord. Preston deelt mij zelf mede, dat
hij inderdaad een steno-typiste zeven jaar in dienst heeft gehad, die
Sonja Paviac heette. Maar die was klein van stuk, rossig en zoo leelijk
als de nacht.”
„Ik begrijp het daarentegen zeer goed, mijn waarde Pennock,” kwam
Raffles met een flauwen glimlach. „Uw particuliere typiste heeft met de
echte Sonja eenvoudig van papieren geruild, getuigschriften incluis....
of die papieren zijn haar ontroofd!”
HOOFDSTUK V.
OP ONDERZOEK UIT.
Pennock keek Raffles geruimen tijd zwijgend aan, terwijl hij
zenuwachtig met zijn zilveren sigaretten-pijpje speelde en zeide toen
met een verschrikten klank in zijn stem:
„Dat is mij volkomen onbegrijpelijk, Mylord. Waarom deed zij dat?”
„Natuurlijk om aanstonds bij U te kunnen worden geplaatst!”
„Maar ik zeg U dat zij zeer bekwaam is. Zij verricht haar werk op
uitstekende wijze!”
„Dat neem ik aanstonds aan, mijn waarde Pennock. Maar zeg mij eens op
den man af, zoudt gij haar hebben genomen als zij zonder papieren en
zonder getuigschriften bij U was gekomen?”
De bankier krabde zich achter het oor met het gebaar dat hem eigen was
en antwoordde toen na eenige aarzeling:
„Als gij de waarheid wilt weten, Mylord, ik geloof niet dat ik dat
gedaan zou hebben. Van een particuliere typiste wordt heel wat gevergd
en men neemt daarvoor niet de eerste de beste.”
„Dat wist ik wel,” hernam Raffles glimlachend. „Die vrouw heeft het
zekere voor het onzekere willen nemen, en zich bijtijds voorzien van
papieren, die haar de poorten van deze bank zouden openen.”
„Maar wat kan zij dan in den zin hebben?” riep Pennock verschrikt uit.
„Een bankberooving?”
„Misschien is het nog wel iets ernstigers, vriend Pennock!” antwoordde
Raffles op ernstigen toon. „Ik weet nog niet zeker, maar ik koester
zware verdenkingen. Zeg mij eens, is het U bekend, op welke wijze Sonja
Paviac, zooals wij haar voor het gemak maar zullen blijven noemen,
omdat wij haar waren naam niet kennen, haar avonden doorbrengt?”
„Ik meen dat zij mij eens gezegd heeft, dat zij hier en daar boeken
bijhoudt en les geeft in de Russische taal.”
„Zoo? Dan bevindt waarschijnlijk de onderdirecteur van de Engelsche
Bank Philip Chesterfield, zich onder haar leerlingen, en dan geeft zij
hem les in een danslokaal twee uren hier vandaan, onder het genot van
een glas champagne.”
„Wat zegt gij daar! Heeft zij dat werkelijk gedaan? Hebt gij haar in
het gezelschap van Chesterfield gezien, in zoo’n gelegenheid?”
„Niet ik, één van mijn intiemste vrienden,” antwoordde Raffles kalm.
„Ik frequenteer dergelijke inrichtingen niet.”
„Neem mij niet kwalijk, Mylord, dat had ik aanstonds moeten begrijpen,”
hernam Pennock haastig.
„Mijn vriend zag haar bij diezelfde gelegenheid tevens in gezelschap
van een Rus met een tamelijk gemeen uiterlijk, met wien zij haastig
eenige woorden wisselde, welke hij tot zijn spijt niet kon verstaan,
tenminste niet geheel en al, maar waarbij de woorden „bank” en „op tijd
gereed zijn” herhaaldelijk gebruikt werden.”
Pennock was doodsbleek opgesprongen.
Een vreeselijke gedachte was hem door het hoofd gegaan.
Hij herinnerde zich eensklaps de moorddadige aanslagen op de
New-Yorksche beurs en op de beurs te Genua.
Zou het mogelijk zijn, dat anarchisten een soortgelijken aanslag
beraamd hadden tegen zijn eigen bank, misschien wel tegen de beurs of
de Bank van Engeland?
Hij deed driftig een paar stappen heen en weer door het kleine vertrek,
stond toen voor Raffles stil en zeide op heeschen toon:
„Wij moeten onmiddellijk de politie waarschuwen, Mylord. Sonja Paviac,
of hoe zij dan ook heeten mag, moet dadelijk achter slot en grendel
worden gezet.”
„Als gij een raad van mij wilt aannemen, waarde Pennock, dan zou ik U
in overweging willen geven, niet overijld te handelen,” hernam Raffles
bedaard.
„Maar moet ik dan werkeloos toezien, Mylord, dat men een aanslag
voorbereid op mijn bank?”
„Natuurlijk niet. Trouwens, ik geloof niet dat het in de eerste plaats
op Uw bank voorzien is. Die vrouw heeft U slechts uitgekozen, omdat Uw
kantoor in de onmiddellijke nabijheid van Cornhill gelegen is, van de
beurs en van de Engelsche bank. Laten wie echter de vrouw arresteeren,
op de weinige bewijzen, welke wij thans nog bezitten, dan komen wij
niet veel verder. Wees er maar verzekerd van, dat zij zal zwijgen als
een pot, en zich liever in stukken zal laten hakken, dan haar
medeplichtigen te verraden. Vrouwen vooral zijn in dat opzicht
menigmaal bewonderingswaardig van standvastigheid. Ik denk er echter
niet aan, U aan te raden, werkeloos te blijven toezien, met de armen
over elkaar geslagen. Integendeel, ik zou U willen voorstellen, die
Russin van zeer nabij te laten nagaan, niet echter door de officiëele
politie, die in dergelijke zaken meestal niet met voldoende tact en
voorzichtigheid weet op te treden, maar door een particulieren, of
liever gezegd door een amateur-detective.”
„Maar hoe vind ik er een, Mylord, die in staat is dit moeilijke werk te
verrichten?” riep Pennock eenigszins ongeduldig uit.
„Gij hoeft slechts weinig moeite te doen, de man is al gevonden: Hij
zit voor U.”
„Gij, Mylord?” riep Pennock verwonderd uit.
Toen gaf hij zichzelf een harden klap voor het voorhoofd en vervolgde:
„Dat is waar ook. Hoe kon ik zoo dom zijn het te vergeten,
Scotland-Yard heeft meermalen met het grootste succes van Uw hulp
gebruik gemaakt, en men noemt U daarginds in Downing-Street nooit
anders dan „Sherlock Holmes de tweede”, maar dan een verbeterde
uitgave.”
„De heeren doen mij wel een beetje te veel eer aan,” zeide Raffles
glimlachend.
„Neen; Mylord, integendeel, ik ben zeker dat zij U nog onderschatten.
Gij wilt dus persoonlijk deze zaak verder onderzoeken?”
„Dat wilde ik U juist voorstellen. Ik meen, dat Sonja hedenavond een
samenkomst heeft met haar medeplichtigen, en daaromtrent wil ik
zekerheid hebben. Wordt er inderdaad beraamd, waarvoor wij beiden
vreezen, dan moeten wij niet alleen haar, maar ook haar bondgenooten
kunnen grijpen, anders zal het zijn alsof wij slechts één kop afsloegen
van een draak, die er honderd heeft. Gij hebt natuurlijk het adres van
de Russin?”
„Ik zal het U aanstonds geven.”
„Dan heb ik U verder niets meer te vragen en kan ik aan het werk gaan.”
„Gij wilt haar zeker nagaan?”
„Dat wil ik.”
„Maar weet gij wel, Mylord, dat gij U aan groot gevaar gaat
blootstellen?”
„Zonder valsche bescheidenheid, dat weet ik, waarde Pennock. Lieden,
die de Engelsche bank in de lucht willen laten vliegen, waarbij
honderden, misschien duizenden om het leven kunnen komen, bekommeren
zich natuurlijk niet om het leven van een enkel man, die hun plannen
wil dwarsboomen.”
„Maar gelooft gij nu werkelijk, Mylord, dat dit het plan is van die
schurken?”
„Ik hoop van harte, dat ik mij schromelijk vergis, maar het is beter,
op het ergste te rekenen. Er kan geen oogenblik aan getwijfeld worden,
of de aanslagen te New-York en Genua waren eveneens het werk van
Russische nihilisten. Maar zelfs al was de aanslag alleen beraamd op Uw
eigen bank, dan nog vindt gij het zeker wel de moeite waard, hier een
stokje voor te steken.”
„Dat spreekt vanzelf, Mylord, en ik ben U hartelijk dankbaar voor Uw
tusschenkomst. Ik kan er zeker op rekenen, dat gij mij zoo spoedig
mogelijk op de hoogte stelt van den uitslag Uwer nasporingen?”
„Ik zal morgen aanstonds iemand met bericht zenden.”
„Ik dank U, Mylord. Maar ik zeg het hartgrondig: God geve dat gij U
vergist hebt, dat Uw zegsman U verkeerd heeft ingelicht, of zich door
vrees heeft laten verblinden.”
De beide heeren waren opgestaan, en verlieten nu het kleine kabinet.
In zijn eigen werkkamer aangekomen, nam Pennock een klein register uit
een lade van zijn schrijftafel, zocht er even in en schreef toen het
adres van Sonja Paviac op een stukje papier over, hetwelk hij Raffles
toereikte.
Deze wierp er even een blik op, vouwde het op en stak het bij zich.
Hij reikte den bankier de hand en zeide op zacht-gefluisterden toon:
„Tot morgen dus.”
Raffles bracht zijn mond, aan het oor van den bankier en vervolgde:
„Ik behoef U zeker niet op het hart te drukken, dat gij door geen
woord, geen stembuiging, geen blik moogt verraden, dat gij Sonja Paviac
verdenkt. Een enkel woord, een weinig scherp uitgesproken, zou
misschien voldoende zijn, om die schoone duivelin achterdochtig te
maken en daardoor zouden wij wel eens niet achter hun plannen kunnen
komen, hetgeen toch volstrekt noodzakelijk is om ze te kunnen
verijdelen en de heele bende te vangen.”
„Ik beloof U, dat ik mijzelf zal weten te beheerschen, Mylord. Zij zal
niets aan mij zien,” antwoordde Pennock fluisterend.
Nog een handdruk en de beide heeren namen afscheid van elkander.
Raffles ging door het voorvertrek en het kantoorlokaal, daalde de trap
af, en bereikte zoo de voorste vestibule.
Toen hij toevallig een blik wierp door de groote glazen deuren, die
toegang gaven tot de loketzaal, was het alsof hij een schok kreeg—op
ongeveer tien meters afstand stond de man met het duistere gelaat, dien
hij den vorigen avond in het danspaleis had gezien, voor een der
loketten te wachten, waarboven het woord „Cheques” in koperen letters
geschreven stond.
De man keek langzaam om zich heen als iemand die zich de plek waar hij
zich bevindt goed in het geheugen wil prenten.
Hij had juist zijn cheque afgegeven, kreeg een reçu met een volgnummer
en nam, zonder zich te overhaasten, op een van de rustbanken plaats,
teneinde zijn beurt aftewachten.
En onophoudelijk gingen zijn donkere oogen onder de ruige wenkbrauwen
door de groote zaal.
„Men zou mij kunnen verwijten,” bromde Raffles in zich zelf, „dat ik
een weinig al te zwartgallig ben en mijn gevolgtrekkingen wel wat al te
voorbarig maak, afgaande op een kort gesprek tusschen twee Russen. Nu,
als ik al te fantastisch mocht zijn geweest, dan mag men mij vrijelijk
bespotten. Voor het oogenblik echter blijf ik het er voor houden, dat
de geheimzinnige Russen, waarvan er zich althans een valschelijk voor
een ander uitgeeft, weinig goeds in den zin hebben.”
Hij wilde zich reeds weder verwijderen, toen hem iets scheen in te
vallen.
Hij opende de breede glazen deur, trad de loketzaal binnen, hield zich
zoo veel mogelijk op den achtergrond en wist het zoo te schikken, dat
hij juist naast den man met het donkere uiterlijk kwam te staan, toen
deze het geld op zijn cheque, slechts weinige ponden sterling, in
ontvangst nam.
De Rus droeg een lange bouffante, waarvan een slip terzijde afhing.
Raffles had een nagelschaartje uit zijn zak gehaald en knipte met een
vlugge beweging een stukje van dezen omslagdoek af, dat hij snel in
zijn zak liet glijden.
„Dat kan wel eens te pas komen,” zeide hij binnensmonds, terwijl hij
zich rustig weder verwijderde.
Voor het groote bankgebouw wachtte de blauwe limousine.
Raffles wilde reeds instappen, toen hij weder een nieuwen inval kreeg:
„Wat belet mij, om dien Rus eens nategaan en te zien waar hij blijft?”
mompelde hij voor zich heen. „Het is alweer zooveel gewonnen, als wij
weten, waar de kerel ergens verblijf houdt. Als die dwaas van een
Charly zijn hoofd niet op hol had laten brengen, door die mooie Russin,
dan had hij mij nu van groot nut kunnen zijn. Thans zal ik wel
genoodzaakt zijn, de zaak geheel alleen tot een goed einde te brengen,
tenminste, wanneer hij nog blijft weigeren, wanneer ik hem zal hebben
verteld, dat Sonja Paviac op zijn best genomen een bedriegster is.”
Raffles zond Henderson met de auto naar huis en bleef nu geduldig
wachten, tot de Rus uit het bankgebouw zou terug keeren.
In gepeins verzonken, zat hij op een der rustbanken in de vestibule.
„Wat zou de reden zijn, dat die vrouw de vriendschap heeft gezocht van
Chesterfield?” vroeg hij zich zelf af. „Dat zij zijn minnares is zonder
meer, kan ik niet aannemen. Een vrouw zoo sluw als zij, beoogt met
alles een doel. Ik vermoed, dat zij den onderdirecteur van de Engelsche
bank wil uithooren, betreffende de inrichting van het reusachtige
bankgebouw en allerlei bijzonderheden aangaande den dienst, die haar en
haar medeplichtigen van nut kunnen zijn. Ook is het denkbaar, dat zij
zich op het juiste oogenblik van Chesterfield willen meester maken, om
hem de sleutels te ontnemen. Nog altijd hoop ik, dat het hier een
gewone bankdiefstal betreft, maar ik vrees iets ergers.”
Op dit oogenblik gingen de breede glazen deuren open, en de Rus trad
naar buiten zonder op Raffles te letten.
Deze stond onmiddellijk op en volgde den man met het duistere gezicht
op eenigen afstand.
Het duurde niet lang, of de Rus nam een autobus, die hij een half uur
later weer verliet, om vervolgens van lijn te veranderen en nogmaals
een half uur later dit tweede voertuig te verlaten op een plek,
nauwelijks een kwartier gaans verwijderd van het danspaleis, waar hij
den avond te voren het korte gesprek had gevoerd met Sonja Paviac.
Het werd nu wel wat lastig voor Raffles om onopgemerkt te blijven, want
zijn goed gesneden kleeren, door een der eerste kleermakers gemaakt,
moesten opvallen in deze volksbuurt.
Toch slaagde hij er in, den Rus onopgemerkt te volgen, tot aan een der
groote huurkazernes in de Willow-Walk.
Aanstonds maakte Raffles rechtsomkeert, want hij zag zeer goed in, dat
het geen doel had in deze kleederen het huis te betreden en onderzoek
te doen naar den Rus die zooeven was binnen gegaan.
Natuurlijk zou dit in een ommezien bekend zijn en het moest tot iederen
prijs vermeden worden, dat de Rus achterdocht kreeg.
Het was reeds tamelijk laat en ver over het lunchuur, toen Raffles
eindelijk weder het fraaie huis in de Regent-Street betrad.
Hij vond Charly in de bibliotheekzaal.
De jonge man zat met het hoofd tusschen de handen over een groot boek
gebogen.
Toen hij het gelaat ophief, zag Raffles dat het bleek was en dat zijn
oogen een doffen glans hadden.
Een groot medelijden greep hem aan bij het zien van de verwoestingen,
welke een felle hartstocht had aangericht in het gemoed van den
eertijds zoo vroolijken, opgewekten Charly.
Raffles trad langzaam op den jongen man toe die hem toonloos
goedenmiddag had gewenscht, legde hem de hand op den schouder, keek hem
een oogenblik doordringend aan, en ging toen tegenover hem zitten.
„Luister eens, Charly,” begon hij op een toon van warme vriendschap,
„dit kan niet lang zoo voort duren. Al zou ik je pijn moeten doen, ik
moet die passie uit je hart rukken, voordat zij al te groote
verwoestingen heeft aangericht. Die vrouw is een bedriegster!”
Charly streek eenige malen met zijn hand over zijn blonde haren, keek
Raffles met afwezigen blik aan en zeide:
„Dat geloof ik niet.”
Raffles stond langzaam op en zijn wenkbrauwen waren gefronst, zijn
oogen hadden weder denzelfden staalglans gekregen, toen hij op harden
toon zeide:
„Dat geloof je niet? Je ziet mij voor een leugenaar aan? Ik zeg je, dat
die vrouw zich voor een ander heeft uitgegeven, dat zij niet Sonja
Paviac heet, dat zij zich heeft meester gemaakt van de papieren van een
andere Russin, om zich bij Pennock intedringen!”
Met een ruk was Charly overeind.
Zijn gelaat had een smartelijke uitdrukking gekregen.
„Edward, wat pijnig je mij!”
„Dat moet ik,” hernam Raffles met vaste stem. „Je zoudt toch geen vrouw
kunnen liefhebben, die een verworpene blijkt te zijn?”
„Wat ben ik zelf dan anders?” riep Charly op woesten toon. „Heb ik soms
het recht te eischen dat de vrouw die ik liefheb het hoofd vrij kan
opheffen?”
Raffles deinsde achteruit alsof hij een slag in het gelaat had
gekregen.
Hij was vaalbleek geworden en zijn neusvleugels trilden, terwijl zijn
adem stootend uit zijn mond kwam.
Hij scheen iets te willen zeggen, maar bracht alleen een rochelend
geluid voort.
Toen zakte zijn hoofd op zijn borst, hij wendde zich af en schreed
langzaam naar de deur.
Maar nog had hij deze niet bereikt, of Charly vloog naar hem toe, greep
met bevende handen zijn arm en schreeuwde met een stem, die trilde van
ontroering:
„Edward, vergeef het mij. Ik weet niet wat ik zeg. Ik ben een
ellendeling. Mijn hersens gloeien....”
„Verontschuldig je niet, Charly,” zeide Raffles op doffen toon. „Je had
gelijk. Ik heb je gemaakt wat je bent, ik zal niets meer over deze zaak
zeggen. Alleen nog dit, wij stelen voor een doel, dat je bekend is, wij
stelen niet voor ons zelven.... maar wat die vrouw en haar
medeplichtigen willen, dat is nuttelooze vernieling, dat is moord op
groote schaal. Zegt je dat dan niets? Keur je dat goed? Is het mogelijk
dat een man van jouw inborst een vrouw liefhebt, die het met
tijgerachtigen wellust kan aanzien, dat honderden ongelukkige,
onschuldige slachtoffers uiteen worden gereten, om een waandenkbeeld,
om een krankzinnige utopie?”
Charly had Raffles losgelaten en stond nu een oogenblik met gebogen
hoofd en krampachtig gevouwen handen voor zich uit te staren.
Toen hief hij met een ruk het hoofd op en begon:
„Luister, Edward! Van het eerste oogenblik dat ik Sonja zag, geraakte
ik onder haar betoovering. Ik kan jou dat moeilijk uitleggen, die zelf
een schoone vrouw niet hooger schat dan een fraaien rashond en
nauwelijks zoo hoog als een renpaard. Ik had haar nauwelijks gezien of
ik kreeg haar lief. Jij noemt het hartstocht en dat is het misschien
wel. Maar dit zeg ik je: kun je mij bewijzen, dat je goed gezien hebt,
is die vrouw werkelijk de duivel in een menschengedaante, waarvoor jij
haar aanziet, dan ruk ik dit gevoel uit mijn hart, en ik zweer je dat
ik zelfs nooit haar naam meer noemen zal.”
Terwijl hij dit zeide, liepen Charly de tranen langs de wangen en hij
deed zelfs geen poging ze te weerhouden.
Raffles, die zijn trouwen vriend nog nimmer in zulk een toestand had
gezien, legde zijn arm om zijn hals en zeide met een stem, die beefde
van ontroering:
„Later zal je aan dit korte tijdperk in je leven terugdenken met een
bittere vreugde, Charly. De bitterheid zal zijn om het ineenstorten van
je ideaal, de vreugde echter zal zijn, omdat ik je bijtijds heb
losgescheurd van deze schoone Russin, die wel spoedig zal blijken niets
anders te zijn dan een sluwe tooneelspeelster zonder hart en
bloeddorstiger dan Nero was, dan Agrippina, dan Messalina zelfs!”
Geruimen tijd bleven de beide vrienden zwijgen.
Toen vatte Charly de hand van Raffles, drukte ze, alsof hij haar wilde
verbrijzelen en wendde zich toen weder af om weer aan de tafel plaats
te nemen. Hij ging weer zitten, trok zijn boek naar zich toe en zeide
met zachte stem:
„Laat mij nu aan mijn lot over en spreek niet meer over haar. Zeg het
mij pas, als.... je vermoedens bewaarheid worden. Ik kan het nu nog
niet dragen.”
HOOFDSTUK VI.
DE SAMENZWERING.
Reeds om zeven uur in den avond, na vroeg te hebben gedineerd, bevond
Raffles zich, door Henderson, den reusachtigen chauffeur vergezeld,
voor het huis waar Sonja Paviac kamers bewoonde.
Hij had zich goed vermomd, en ook Henderson was zoo goed mogelijk
onkenbaar gemaakt, ofschoon het een zeer moeilijke taak was, zijn
geweldige schouders en zijn breede borst te verbergen.
Raffles had hem een jockeypet met een breede klep laten opzetten, hem
een halsdoek laten omdoen en een afgedragen colbertcostuum laten
aantrekken.
Zijn gelaat, dat van natuur een blozende kleur vertoonde, was bedekt
met een soort kleurmiddel, dat hem een vaal, ziekelijk voorkomen gaf.