„Aan hen is niets verbeurd!” riep Sonja met fonkelende oogen. „Hoe

eerder dat ras is uitgeroeid hoe beter het voor ons en voor de geheele

wereld is. En laten wij nu maar spoedig vertrekken en dezen spion aan

zijn noodlot overlaten.”

Raffles werd gekneveld, zoodat men zijn schreeuwen niet zou kunnen

hooren, en de touwen, waarmede hij op den zwaren stoel, was

vastgebonden, werden nog eens duchtig geïnspecteerd.

Twee van de nihilisten hadden de kist met haar vreeselijken inhoud

reeds zorgvuldig gesloten en verlieten, na op zachten toon eenige

woorden met Miljakoff te hebben gewisseld, de dakkamer.

Nadat zij een paar minuten weg waren, plaatste Sonja zich voor Raffles

en kruiste de armen over de borst.

Haar oogen, die zij zoo kwijnend kon laten glanzen, hadden thans een

boosaardige uitdrukking en er gloeide een wilde haat in, toen zij

tusschen de tanden siste:

„Over een kwartier zult gij in kleine stukjes uiteen spatten, mijnheer

de spion. Gij hebt Uw lot verdiend. Zoo moge het alle agenten vergaan,

dienaren van de kapitalistische maatschappij.”

Zij spuwde Raffles voor de voeten, die zelfs niet met de oogen geknipt

had en ging met een van de andere bandieten heen.

Miljakoff had de helsche machine in de hand genomen en begon

voorzichtig het uurwerk op te winden.

Toen verzette hij met de grootste zorgvuldigheid de wijzers en plaatste

de blikken bus, nadat hij er een lang, sterk bindtouw aan bevestigd

had, zoodanig op het blad van de tafel, dat zij er voor bijna de helft

overheen stak en het minste rukje aan het touw haar op den grond moest

doen vallen. Hij maakte vervolgens het andere uiteinde van het touwtje

zoodanig aan den pols van Raffles vast, dat het strak was getrokken en

richtte zich nu met een glans van voldoening in zijn zwarte oogen weer

op.

Hij keek Raffles een oogenblik spottend aan met een blik van helsch

leedvermaak en zeide toen:

„Gij zult het doel van deze kleine inrichting wel begrijpen, nietwaar?

Gij zijt een man, die in levensgevaar verkeert en gij zult dus al het

mogelijke doen om U te bevrijden. De minste beweging kan U echter den

dood kosten, want deze bom zal eveneens ontploffen, wanneer zij van de

tafel op den vloer valt. Wij zullen het licht hier laten branden, vlak

tegenover U staat een kleine wekker en gij zult dus het voorrecht

hebben op de minuut af te weten, wanneer gij met het geheele bovenste

gedeelte van dit huis de lucht zult ingaan.”

Miljakoff boog zich over het uurwerk in de open doos heen en vervolgde:

„Van dit oogenblik af is het nog juist zeven minuten, wij zullen ons

dus wat moeten haasten om heen te gaan en onze makkers in te halen.

Vaarwel, wij moeten U thans tot onze spijt verlaten.”

Miljakoff en zijn trawanten maakten een ironische buiging voor den

weerlooze en het volgende oogenblik hadden zij het vertrek verlaten.

Raffles hoorde hoe zij den sleutel in het slot omdraaiden en hun

schreden zich snel verwijderden.

Toen werd het stil, op het eentonig tikken na van den goedkoopen

bazarwekker op den smallen schoorsteen.

Het was juist half elf, nog zeven minuten, dan zou alles gedaan zijn.

Raffles boog voorzichtig het hoofd en bekeek de touwen, die hem

gebonden hielden, zij waren vingerdik en van het beste vlas

vervaardigd.

Ja, als de helsche machine er niet was geweest, misschien had hij dan

een poging kunnen doen, om zich met stoel en al te laten vallen en zoo

de aandacht van de benedenburen te trekken, thans echter zou die

beweging zijn onmiddellijke dood beteekenen.

Toen poogde Raffles zeer voorzichtig, of hij den stoel wellicht kon

laten wiebelen.

Waren de pooten niet geheel gelijk, dan zou het misschien mogelijk

zijn, de tafel te naderen, de helsche machine te grijpen en het uurwerk

te laten stilstaan.

Maar ook deze hoop moest hij laten varen, want men had zijn voeten op

een sport vastgebonden en de stoel was zeer zwaar, ten overvloede zou

de minste onvoorzichtige beweging de helsche machine doen vallen....

Toen Raffles weder opkeek waren er drie minuten verstreken....

Hij trachtte nu in den doek te bijten, die men hem voor den mond had

gebonden, hij slaagde er slechts in, een paar vezels stuk te trekken,

de doek was te breed en te stijf dichtgebonden.

Hij trachtte zijn pols een weinig te bewegen en hij voelde het klamme

zweet zijn gelaat bedekken, toen hij bemerkte dat hij hierdoor de

helsche machine een weinig had doen verschuiven, zoodat de minste of

geringste beweging, ja misschien zelfs de zwaarte van het touwtje of

het dreunen van het huis, als er een zware auto voorbij reed, het

vreeselijke ding op de tafel moest doen vallen....

Raffles zat doodstil en durfde nauwelijks ademhalen.

Met starenden blik keken, zijn oogen nu eens naar den wekker, dan weder

naar de helsche machine.

Nog twee minuten....

Maar plotseling ving zijn geoefend oor, toen hij zich reeds verloren

waande en zich moedig in het onvermijdelijke schikte, een luid geraas

op, dat beneden in het huis klonk, het was het gerucht van een

woedenden strijd.

Slechts weinige seconden later naderden er zware voetstappen, toen

werden haastig de deuren van de kamers op de vliering opengeworpen.

Een luide, welbekende stem vloekte dat het een aard had....

Het was de stem van Henderson!

Het volgende oogenblik beukte zijn zware vuist op de deur.

Met een gevoel van vreeselijke ontzetting zag Raffles dat de helsche

machine wankelde.

En steeds luider en steeds harder daverden de zware vuisten van den

reus op de deur.

Nog een minuut....!

Henderson had blijkbaar een aanloop genomen, want met een luid gekraak

vloog het bovenste paneel van de deur aan splinters.

Op hetzelfde oogenblik viel de helsche machine!

Raffles sloot de oogen....

Maar hij voelde zich niet opnemen in een wervelstorm en zijn ooren

werden niet verscheurd door de helsche losbarsting van de ontploffing,

die hem den dood moest brengen.

Hij opende de oogen weder en een gevoel van innige vreugde doorstroomde

hem, het touwtje was een weinig te kort geweest.... De helsche machine

had den vloer niet kunnen bereiken, maar schommelde nu ter zijde van

den stoel aan het strak gespannen touwtje heen en weer.

Het scheelde slechts weinige millimeters, maar die paar strepen

beteekenden het verschil tusschen dood en leven.

Henderson had intusschen vliegensvlug het paneel geheel vernield en

stapte door het gemaakte gat het vertrek binnen.

Dadelijk bevrijde hij Raffles van den doek.

Het eerste wat Raffles hem met heesche stem toeriep was:

„Zet voorzichtig die doos op tafel, die daar aan een touwtje naast mijn

stoel hangt en zet het uurwerk een uur terug—in Godsnaam vlug, het is

een helsche machine.”

Bleek van schrik gehoorzaamde de reus.

Het was juist bijtijds—nog twintig seconden en de beide mannen zouden

een vreeselijken dood hebben gevonden.

Zoodra de helsche machine voorloopig onschadelijk was gemaakt sneed

Henderson de touwen door, die Raffles op den stoel gebonden hielden.

De Gentleman-Inbreker stond op, rekte zich uit, en greep toen Henderson

bij de hand om die te drukken alsof hij ze wilde verbrijzelen.

„Ik dank je, Henderson!” zeide hij met trillende stem. „Je hebt mij al

weder het leven gered.”

„Laten wij daar niet over praten, Mylord. Ga spoedig mede—ik dank nu

den hemel, dat ik u toch maar gevolgd ben, om te zien waar u bleef. Het

is hier onveilig! Laten wij maken dat wij wegkomen.”

„Ik heb daareven het gerucht van een strijd gehoord, wat was dat?”

„O, dat had niets te beteekenen, Mylord,” antwoordde Henderson op

luchtigen toon. „Ik heb drie Russen, waaronder die schavuit met zijn

smerigen zwarten baard een weinig overhaast zien heen gaan, en ik heb

hen even onder handen genomen—ik geloof dat zij ergens op de

binnenplaats liggen—ik weet niet of er veel van over is gebleven. Maar

laten wij nu gaan, wat ik u bidden mag.”

„Eerst die helsche machine onschadelijk maken,” riep Raffles uit.

Hij bekeek met kennersoog even het toestel, ontdekte spoedig de werking

van het mechaniek, verbrak voorzichtig de verbinding tusschen uurwerk

en ontploffingsstof—en nu was de helsche machine onschadelijk gemaakt.

Hij liet de blikken doos in zijn zak glijden—benevens het uurwerk,

greep Henderson bij den arm, en riep uit:

„Nu spoedig weg, de politie moet aanstonds gewaarschuwd worden.”

HOOFDSTUK VIII.

DE AANSLAG OP DE BANK.

Het geluk was met Raffles, want nauwelijks had hij den voet op straat

gezet, of in de verte naderde een met twaalf koppen bemande

politie-auto, die op patrouille was.

Raffles wenkte den chauffeur om stil te houden, en in een oogwenk had

hij den brigadier, die het bevel voerde over den kleinen troep, op de

hoogte gebracht.

Aanstonds snelde een half dozijn agenten de binnenplaats op, waar zij

inderdaad Miljakoff en zijn medeplichtigen vonden, omringd door een

aantal nieuwsgierige buren, en in een verre van benijdenswaardigen

toestand.

De drie schurken waren zoo onvoorzichtig geweest Henderson den toegang

te willen versperren, en een hunner had dit met twee gebroken ribben,

de tweede met een ontwrichten arm en de derde met een aantal kneuzingen

over het geheele lichaam moeten bekoopen.

Het drietal werd aanstonds opgenomen en in de politie-auto gedragen.

Daar Raffles zich nu eenmaal als Lord Aberdeen met de zaak bemoeid had,

kon hij moeilijk anders doen, dan dien naam opgeven,—maar hij dankte

zijn gesternte, dat hem had ingegeven, de nagemaakte detectivekaart bij

zich te steken, voor hij het noodlottige vertrek verliet, waar hij

bijna den dood had gevonden.

Want men zou het op Scotland-Yard wel eens vreemd hebben kunnen vinden,

dat zijn Lordschap zich in het bezit bevond van dit voortreffelijk

nagemaakte legitimatiebewijs.

Raffles en Henderson stapten op hun beurt in en een uur later reed de

auto de groote binnenplaats op van het sombere hoofdbureau van politie

in Downingstreet.

De gevangenen werden aanstonds naar hun cellen geleid en nu was het de

beurt van Raffles om een omstandig verhaal te doen van wat hem

wedervaren was.

De dienstdoende inspecteur schreef alles zorgvuldig op, en werd wel een

weinig bleek om den neus, toen Raffles de beide stukken van

overtuiging—de doos met titaniet en het horlogeuurwerk voor hem op

tafel neerlegde.

„Gelooft u, Mylord, dat dit duivelsche goedje niet vanzelf ontploffen

kan?” vroeg hij een weinig heesch.

„Onmogelijk, mijnheer!” antwoordde Raffles. „Het ontploft alleen,

wanneer gij het uit uw handen laat vallen! Misschien kan de

politiescheikundige u wel iets naders vertellen omtrent de

samenstelling! Staat gij mij toe, dat ik mij thans terugtrek?”

„Natuurlijk, Mylord. Natuurlijk,” antwoordde de inspecteur haastig,

terwijl hij opstond en Raffles de hand toestak. „Maar ik laat u niet

gaan, voordat ik als de eerste u mijn groote bewondering te kennen geef

voor wat gij gedaan hebt, en den dank uitspreek van geheel Londen, dat

gij haar voor een zoo vreeselijke ramp hebt weten te bewaren.”

„Laten wij niet voorbarig zijn. mijnheer de inspecteur!” hernam Raffles

op ernstigen toon. „Ik zou er geen eed op durven doen, dat alle gevaar

reeds geweken is.”

„Wat? Denkt gij werkelijk dat die schurken het nu nog zullen wagen, hun

plan ten uitvoer te brengen?” riep de inspecteur verschrikt uit.

„Natuurlijk niet hun oorspronkelijk plan,” antwoordde Raffles. „Zij

zullen wel begrijpen, dat dat geen kans van slagen meer heeft. Wat er

in het huis gebeurd is zullen zij morgenochtend reeds kunnen weten door

middel van hun spionnen—en daarom raad ik u aan, een oogje in het zeil

te houden—vooral in den eersten tijd.”

„Ik dank u voor uw goeden raad, Mylord, en ik verzeker u, dat wij dien

zullen opvolgen. Wij zullen nog hedennacht onze maatregelen nemen. Ik

mag er zeker wel op rekenen, dat gij u tot onze beschikking stelt,

zoodra het proces een aanvang neemt?”

„Ik zou er liefst buiten worden gehouden, mijnheer—ik ben volstrekt

niet gesteld op zooveel publiciteit!” antwoordde Raffles. „Mocht mijn

getuigenis echter volstrekt onmisbaar zijn, dan kunt gij op mij

rekenen.”

Een korte buiging en Raffles had het vertrek verlaten, door Henderson

gevolgd.

Daar Henderson zijn eigen wagen in Betnalstreet had laten staan, waren

de beide mannen verplicht een huurauto te nemen, die hen in een half

uur naar de Regentstreet bracht.

Het was bijna half twee toen zij daar aankwamen, maar zooals Raffles

wel voorzien had vond hij Charly nog op en in staat van groote

ongerustheid, bleek en met wallen onder de oogen.

Hij vond den jongen man in de bibliotheekzaal met een boek voor zich,

maar waarin hij blijkbaar geen oogenblik had zitten lezen.

Charly stond haastig op, snelde Raffles tegemoet, greep zijn hand, en

zeide met ontroerde stem:

„De hemel zij geloofd, dat je er bent. Ik heb mij zoo ongerust over je

gemaakt en over Henderson! Wat is er toch gebeurd?”

„Ga daar zitten—dan zal ik het je vertellen—maar wees sterk, Charly,

want ik zal je pijn moeten doen,” zeide Raffles op ernstigen toon.

En nu deelde hij Charly in bijzonderheden mede, wat hem wedervaren was

van het oogenblik af, dat hij het huis had verlaten.

Charly had geluisterd, zonder hem een oogenblik in de rede te vallen,

met zijn hoofd tusschen de handen geklemd.

Toen Raffles zweeg, hief Charly langzaam het gelaat op, stond op, kwam

naar Raffles toe, en zei met geheel veranderde stem:

„De les is duur geweest, Edward, heel duur! Maar ik geloof, dat ik

genezen ben! Je moet er in den beginne maar niet meer met mij over

praten—het zal wel overgaan!” voegde hij er met een mat glimlachje aan

toe.

„Daarvan ben ik overtuigd, mijn jongen,” hernam Raffles op hartelijken

toon. „Ik kende je niet meer. Nooit zou ik hebben kunnen vermoeden, dat

mijn vriend Charly zich zoo zou laten meesleepen door zijn hartstocht.

En nu beloof ik je, dat je uit mijn mond nooit meer iets over dit

intermezzo zult hooren, dat voor jou zulke tragische gevolgen zou

hebben gehad.”

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Den volgenden morgen omstreeks half elf begaf Raffles, thans weer als

Lord Aberdeen gekleed, zich naar de Engelsche bank, in de auto, die

door Henderson bestuurd werd.

De fraaie wagen stond stil voor het groote gebouw en Raffles werd

aanstonds toegelaten bij Philip Chesterfield, die reeds geheel op de

hoogte was van het voorgevallene en hem met een bleek gelaat ontving.

Hij verzocht Raffles plaats te nemen in een fauteuil, dicht bij een van

de groote ramen, die op Cornhill uitzien, en begon, terwijl hij met

zenuwachtige passen door zijn prachtig ingerichte werkkamer heen en

weer liep:

„Wie had dat kunnen denken, Mylord. Ik kan mijzelf onmogelijk vrij

pleiten van schuld, en toch—als gij haar gekend had, zoo zacht, zoo

aanhankelijk, zoo verliefd....”

„Ik geloof, dat zij een voortreffelijke comediante was, mijnheer

Chesterfield,” zeide Raffles bedaard. „Ik denk er ook niet aan, er u

een verwijt van te maken, dat zij u betooverd heeft. Het is natuurlijk

zeer pijnlijk voor u, om dit te moeten toegeven, maar het is nu wel

duidelijk, dat het er haar slechts om te doen was, uit uw mond alle

bijzonderheden te vernemen, die haar en haar medeplichtigen van nut

konden zijn. Ik hoop, dat men nu alle voorzorgsmaatregelen genomen

heeft om de bank te beschermen?”

„Wees gerust, Mylord. Er komt niemand meer in, die wij niet goed

kennen, of die zich niet eerst kan legitimeeren. Tot de safe zal

niemand worden toegelaten, tenzij van deugdelijke papieren voorzien, en

minstens een maand zal het gebouw niet meer bezichtigd mogen worden

door het publiek, zooals tot dusverre het geval was.”

„Dat is goed—maar ik geloof toch dat het beter zou zijn, wanneer wij

alle leden van die bende in handen hadden,” zeide Raffles nadenkend.

Zijn blikken zwierven een oogenblik naar buiten, en vestigden zich op

het drukke gewoel in Cornhill.

Toen werd zijn aandacht getrokken door een zware sleeperskar, door vier

krachtige paarden getrokken en beladen met zware granietblokken,

blijkbaar bestemd voor huizenbouw.

Op dat oogenblik hield de kar ongeveer ter hoogte van den ingang van de

Engelsche bank stil.

De koetsier kwam van zijn bok, na de teugels over de paarden te hebben

geworpen en slenterde weg, in de richting van het wijnhuis naar het

scheen.

Een jonge man met een zacht gelaat, die er naast had gezeten, klom

eveneens haastig naar beneden en leunde tegen den vrachtwagen.

Hij haalde een sigaret uit zijn zak en stak die aan.

Plotseling sprong Raffles haastig op en slaakte een kreet van woede en

schrik.

„Wat is er, Mylord?” vroeg Chesterfield verschrikt, die zich had

omgewend om een kistje sigaren te krijgen.

„Wat er is? Kijk eens naar buiten. Herkent gij dien jongen niet, die

daar nu zijn sigaret aansteekt?”

Chesterfield was naar het raam getreden en keek naar buiten.

„Die knaap daar bij die met granietblokken beladen kar? Neen, dien heb

ik nooit gezien.”

„Dan hebt gij geen goed geheugen voor gezichten. Het is Sonja Paviac in

manskleeren en met kort geknipt haar,” riep Raffles uit.

Chesterfield gaf een luiden schreeuw van ontzetting.

„Mijn God, gij hebt gelijk. Wat beteekent dat?”

Raffles scheen de vraag niet te hebben gehoord.

Hij was een weinig van het raam terug getreden maar keek onafgebroken

naar buiten en eensklaps riep hij:

„Zie eens, wat zij doet! Met haar brandende sigaret heeft zij iets

aangestoken—een draad katoen—een lont, die van den wagen afhangt. Snel,

er heen!”

Zoo vlug hun voeten hen dragen konden, vlogen de beide mannen het

vertrek uit, de trappen af, de peristyle uit en op de kar toe, die nog

altijd voor het trottoir stil stond. Eenige meters verder wachtte

Henderson achter het stuurwiel van de fraaie limousine.

Van Sonja Paviac was geen spoor meer te zien.

Met doodsbleek gelaat trad Raffles haastig naar de plek toe, waar hij

de nihilistin tersluiks de lont had zien aansteken.

Hij zag, niets, hij rook ze alleen.

Waarschijnlijk was de lont reeds zoover opgebrand, dat zij nu voor

smeulde in een reet tusschen de zware granietblokken, die door geen zes

mannen te vertillen waren.

En het was zeker, dat zich daarbinnen, omgeven door die zware blokken,

de kist met verschrikkelijken inhoud bevond, welke Raffles den avond

tevoren gezien had.

Als er niet onmiddellijk werd ingegrepen zou er een ontzettende

ontploffing plaats vinden—een ontploffing als een aardbeving.

„Henderson!” schreeuwde Raffles heesch van opwinding.

Onmiddellijk stond de reus aan zijn zijde.

„Zie je die blokken graniet?” vroeg Raffles. „Die moeten tot iederen

prijs—versta je me? tot iederen prijs van die kar verschoven worden!

Daar binnen is een helsche machine, die met een lont tot ontploffing

wordt gebracht—en die lont smeult nu tusschen deze vierkante blokken.”

Henderson had Raffles niet eens laten uitspreken, maar was op de kar

gesprongen.

Met reuzekracht duwde hij tegen een der bovenste blokken, terwijl zijn

spieren zich spanden als kabeltouwen.

En langzaam schoof het blok weg—kantelde—en viel op het trottoir met

een doffen slag, die kilometers ver te hooien was.

Nog een blok volgde, toen nog een—nog een—en nu bukte Henderson zich,

trillend van inspanning, nam de katoenen lont op, die nog slechts een

decimeter lang was, en door een gat in het deksel van een houten kistje

verdween, en kneep het smeulende uiteinde tusschen vinger en duim uit.

Uit de kelen van honderden menschen, die op verren afstand hadden

toegezien, blijkbaar maar al te goed beseffend, wat er gaande was, ging

een donderend gejuich op.

De aanslag op de Bank van Engeland was verijdeld.

Nog dienzelfden dag werden Sonja Paviac en haar medeplichtigen

gearresteerd, toen zij zich wilden inschepen aan boord van een groote

motorboot, en nog geen week later werden zij allen tot twintig jaren

tuchthuisstraf veroordeeld.

Lord Lister No. 0378: De Aanslag op de Londensche Beurs · 第 4 / 4 段